Chapter 27
Dit deed mij besluiten om mijn schuilplaats ook te verlaten. Als mijn gastheer zich verwijderd had, zou het voor mij moeilijker zijn om mij ongezien te verwijderen. Het was te verwachten dat de anderen zich stil zouden houden en in dat geval moesten zij mij in het stroo hooren ritselen. Voor het oogenblik redeneerden zij nog zoo luid, dat niemand mijn langzaam en voorzichtig achteruit schuiven hooren kon. Het gelukte. Maar hoe nu in den toren te komen. De afstand was wel niet groot, maar ik had niets om op te steunen. Daar werd de deur geopend, en Osko keek naar buiten, wat hij alle twee of drie minuten gedaan had. Mij bemerkende, kwam hij, nam mij op zijn rug en droeg mij naar binnen. Daar zette hij mij op de plek waar ik had gezeten, zoodat ik ook nu door de aanstaande deur naar buiten kon zien. Ik verzocht die nog wat verder open te laten.
--Waarom dat?--vroeg Omar. Het regent in.
--Toch niet veel. De wind komt van den anderen kant. Onze gastheer moet naar binnen kunnen zien en weten dat wij bij elkaar zitten. Janik mag zoo gaan staan, dat hij niet te zien is.
Janik ging achter de deur staan, en toen vertelde ik, wat ik gezien en gehoord had. Daarbij zorgde ik, dat men aan mijn houding en gebaren niet kon zien, over wat belangrijk onderwerp het gesprek liep. Als Habulam en Humun ons nu bespiedden, moesten zij denken dat wij over de meest onverschillige dingen spraken.
Mijn verhaal had zóó lang geduurd, dat ik er vrij zeker van kon zijn, dat Murad Habulam in zijn slot terug was. Daarom liet ik de deur weer dicht doen.
Van al mijn toehoorders was Halef de grimmigst gestemde.
--Heer,--zeide hij,--ik zou die schurken in hun schuilplaats terstond willen opzoeken en ieder van hen een kogel door den kop jagen. Dan waren wij voor goed van ze af en konden rustig verder trekken.
--Wilt gij dan moordenaars-werk doen?
--Moorden? Hoe komt gij op die gedachte! Die galgebrokken zijn roofdieren. Ik zou ze zonder eenig gewetensbezwaar neerschieten, juist zooals ik dat een stinkenden hyena of jakhals zou doen.
--Wij zijn niet geroepen om hen te straffen!
--Oho! Zij staan ons naar het leven. Wij bevinden ons tegenover hen in een toestand van noodweer.
--Dat is ontegenzeggelijk waar; maar wij kunnen hun aanslagen wel verijdelen, zonder hen te dooden.
--Maar dan zijn we niet van ze af, en zij blijven ons vervolgen.
--Als wij zoo goed oppassen als tot nu toe, kunnen zij ons niets doen.
--Moeten wij ons dan altijd plagen met de gedachte aan die schurken? Hebben wij eenig genot van ons reizen en trekken? Kunnen wij op onze reis aldus eenige kennis opdoen? Wij doorreizen dit land als mieren, die over den weg gaan en ieder oogenblik op moeten passen niet doodgetrapt te worden. Ik dank voor zoo'n genoegen! Laten wij dus deze jakhalzen in menschengedaante doodschieten waar en wanneer wij ze vinden!
--Ik weet heel goed,--antwoordde ik,--in wat toestand wij ons bevinden. Nemen wij die mannen gevangen en brengen wij ze voor de rechtbank, dan worden wij uitgelachen. Eigenen wij ons het strafrecht toe, dan handelen wij tegen wat mijn geloof gebiedt en tegen de wet der menschelijkheid. Wij moeten dus geen van beide doen, en liever beproeven, ons tegen die vijanden te verweren, zonder een misdaad, met betrekking tot hen, te begaan.
--Maar hen doodende begaan wij geen misdaad!
--In mijn oogen wel. Als ik mij verweren kan, zonder mijn vijand te dooden, dan is het strafbaar indien ik hem het leven beneem. Met list bereikt men veelal even veel als met geweld.
--Hoe zult gij dit dan nu doen?
--Ik laat ze boven op den toren klimmen, en zorg er voor, dat ze er niet weer af kunnen.
--Dat is niet slecht bedacht. Maar als zij er op zullen kunnen komen, dan zal het hun ook niet onmogelijk zijn, er langs denzelfden weg weer af te komen.
--Ook als wij, zoodra zij boven zijn, de ladder wegnemen?
--Hm! Dan komen zij de trap af.
--Wanneer zij dat deden, zouden zij verraden, dat zij kwaad tegen ons in den zin hadden. Maar dat daargelaten, wij kunnen dien weg voor hen afsluiten. We hebben niets anders noodig, dan een hamer en een grooten spijker, waarmee wij het luik in den vloer vastmaken.
Janik bood aan het benoodigde te halen, alsook een groote ijzeren kram.
--Dat is opperbest,--verzekerde ik. Een kram is onverbeterlijk voor ons doel. Wij nagelen de bovenste tree vast aan het luik, zoodat dit naar boven niet opgetrokken kan worden. Dan kunnen die mannen de trap niet afkomen, en daar wij de ladder wegnemen, zitten zij op het terras gevangen, waar zij in den regen kunnen blijven staan, tot het dag wordt. Dat zal hun ondernemingslust wel wat afkoelen.
--Sihdi--bekende Halef,--uw plan verzoent mij met uw goedmoedigheid van daar straks. Het is toch een prettig iets, te weten dat die schurken den ganschen nacht, op dat terras moeten blijven staan. Zitten kunnen zij niet, daar het van alle kanten kan inregenen. Op de terras-étage moet wel veel water staan, want die Kat (bovenste verdieping) is lantaarngewijze gebouwd en in den berm is geen aflaat.
--Toch wel,--viel Janik in.--Er is een gat in den bermmuur.
--Kunnen we dat niet dicht maken?
--Heel gemakkelijk. Er is genoeg Uestipu (werk) voorhanden.
--Prachtig! Daar maken wij het gat mee dicht. Ah, die moordenaars zullen voor hun straf in het water overnachten en jicht, rheumatiek, podagra en alle gevolgen van kouvatterij oploopen. Ik gaf wat als wij hen tot aan de schouders in het water konden zetten en--
Hij sprong op en liep haastig heen en weer. Hij was op een idee gekomen. Hij bleef voor onzen knecht staan, legde zijn hand op diens schouder en zei:
--Janik, gij voortreffelijkste aller trouwe knechten! Voor u klopt mijn hart, maar het zou tot een fontein worden van onuitsprekelijken dank, indien gij hadt, wat ik noodig heb.
--Welnu wat is dat?--vroeg de aangesprokene.
--Ik heb nu een ding noodig, dat hier wel niet zal zijn. Want niet waar, hier is geen Tulumba (brandspuit) voorhanden?
--Een groote niet, maar in plaats daarvan hebben wij een Boutan fyschkyrmaju (tuinbesproeier), een die op twee wielen loopt.
--Mensch! Man! Vriend! Broeder! Wat een prachtige kerel zijt gij! Ik had het voor onmogelijk gehouden, dat hier zoo'n ding zou zijn!
--Verleden jaar heeft onze Heer er zoo een uit Uskub laten komen omdat de koornschelf telkens in brand gestoken werd. Die tweewieler staat in den tuin altijd klaar.
--Hoeveel water gaat er in?
--Iets meer dan in een groote badkuip, die hier Kurna heet.
--Groot genoeg voor mijn doel; maar wat heb ik aan zoo'n prachtige Bostan fyschkyrmaju, als er het allernoodigste aan ontbreekt.
--Wat zou dat dan zijn?
--Een Kyrba (slang), liefst een lange. Zoo een is er wel niet?
De kleine Hadschi was een en al opgewondenheid. Hij stelde zijn vragen op zulk een gewichtigen toon, alsof het om het heil der wereld te doen was.
--O, een Kyrba hebben wij, niet maar om op reis het water in mee te nemen, maar een Akar su getirdschi (wateraanbrenger), zooals tot blussching van brand gebruikt wordt. De vraag is maar, hoe lang gij die wenscht.
--Zóó lang, dat wij er boven op den toren mee kunnen komen.
--Zoo lang is onze slang wel. Ja, nog wel iets langer.
--Man, ik moet u in mijn armen drukken! Kom aan mijn hart, gij zijt de vreugde mijns levens, de zon op mijn weg! Er is dus een spuit en ook een slang. Dat is verrukkelijk! Een slang, zoo lang als ik noodig heb! Wie had kunnen denken, dat zoo'n instrument in Kilissely zou te vinden zijn!
--Dat is toch verklaarbaar genoeg. Zonder deze slang zou de spuit ons weinig helpen, daar wij het water op verren afstand zouden moeten halen.
--Uit den vischvijver ginds?
--Neen, dat zou al te ver zijn. Wij hebben juist achter den toren, tegen den muur aan, een groote Su delikai (waterbak), die altijd vol is. Daar plaatsen wij de spuit en brengen de slang tot waar de brand is.
--Een waterbak, een Su deliki; waaruit men de spuit vullen kan! Is hij diep? Is hij groot? Is er nu veel water in?
--Ik weet niet, waarvoor gij water wilt hebben, maar ik geloof dat het u nog al zal meevallen.
--Gelooft gij dat werkelijk? Dat kan niet beter! Uw woorden zijn als de druppelen van den dauw op den verdorrenden akker. Wat gij zegt is meer dan honderd piasters waard, en als ik ooit een Bin kire bin sahibi (een millionnair) geworden ben, geef ik er u duizend. Gij weet dus niet, waartoe ik dat water gebruiken wil?
--Neen.
--Gij vermoedt het ook niet?
--Neen.
--Dan moge Allah uw hersens behoeden, want ze zijn aan een uitgedroogde regenbak gelijk. Let op, mijn Sihdi heeft terstond geraden wat ik voornemens was. Niet waar, Heer?
Daar deze vraag tot mij gericht was, knikte ik toestemmend.
--En wat zegt gij er van, Sihdi?
Zijn oogen fonkelden van intense pret. Hij was verrukt bij de gedachte, dat hij onzen vijanden een kool kon stoven. Daarom was hij ook vrijwel ontnuchterd toen ik hem op ernstigen toon antwoordde:
--Kinderwerk, Tschodschukluk, en anders niet.
--Sihdi, dat moogt gij niet zeggen. Die schurken klimmen op den toren om ons te vermoorden. Gij wilt er voor zorgen, dat zij er niet af kunnen komen, maar den ganschen nacht er op moeten blijven. Mij goed, maar dan wil ik zorgen dat zij het daar boven ook niet al te gezellig hebben. Wij pompen hun bovenvertrek vol water. Hun kamer is wel is waar rondom open, maar de bermmuur is toch zoo hoog dat hij een man tot aan de borst reikt, en laat ik hen ook zoo hoog in het water staan. Of hebt gij medelijden met hen? Vindt gij het jammer, indien deze moordenaars een verkoudheid oploopen en wat Disch aghrysty (kiespijn) krijgen?
--Neen, dat niet. Ik gun ze, dat zij den nacht zoo onaangenaam als maar kan, doorbrengen, maar ik kan uw voornemen toch niet goedkeuren.
--Maar gestraft moeten zij toch worden!
--Dat is zoo. Maar gij loopt den kans, ons en uzelf daardoor in gevaar te brengen.
--Neen, Sihdi. Wij nemen onze maatregelen zoodanig, dat niemand er iets van bemerken kan. Wat zegt gij er van, Osko, Omar?
De beide genoemden waren het met hem eens. Alle drie hielden zóó lang bij mij aan, dat ik tegen wil en dank ja zeide.
Janik ging en kwam, na eenige oogenblikken, terug met de slangen en touw. De anderen klommen nu met hem in den toren, en weldra hoorde ik, ondanks den tegen de luiken kletterenden regen, luide hamerslagen. Janik had den hamer en de kram in zijn zak meegenomen, en toen zij de slang vastgemaakt hadden, spijkerden zij het luik zoo goed dicht, dat het bovenop niet los te krijgen was.
Teruggekomen, zeide Halef, op den toon der hoogste zelftevredenheid:
--Dat hebben wij eens goed opgeknapt, Sihdi. Gij zelf hadt het niet beter kunnen doen.
--Wel, en hoe hebt gij de slang vastgemaakt?
Boven aan den buiten kant van den toren hangt ze naar omlaag, zoodat wij hier beneden er de spuit maar aan hebben te schroeven.
--En als zij de ladder opzetten, zien zij de slang.
--Janik zegt, dat zij zeker de ladder aan den anderen kant opzetten, omdat hen daar geen boomen in den weg staan. De monding van de slang is naar hun vertrek gericht, maar zoo, dat het water aan de binnenzijde, langs den muur afloopt zonder geruisch te maken. Zij zouden in een donkeren hoek moeten zoeken, om de instrooming te vinden. Ook zijn de luiken van de andere vertrekken goed gegrendeld, en ik wilde dat de badgasten nu maar kwamen.
--Dat zal nog lang genoeg duren, want Habulam sprak er van, dat hij ons nog een keurig avondeten zou zenden.
--Wil ik het gaan halen?--vroeg Janik.
--Ja, doe dat. Hoe eer wij eten, des te korter hebben wij te wachten. Maar doe alsof gij werkelijk van den eierkoek gegeten hadt en nog altijd snijdingen voelt. Tracht ook Anka te spreken te krijgen; misschien heeft zij u iets te zeggen.
Hij ging, en wij wachtten in alle stilte, daar wij niets bijzonders meer te bespreken hadden, op zijn terugkomst. Halef zat op zijn matras, zich van tijd tot tijd van plezier in de handen wrijvende en daarbij onbegrijpelijke geluiden makende. Hij verkneukelde zich aldoor in de gedachte aan de badkuur, waarop hij onze vijanden zou onthalen.
Toen Janik terug kwam, was hij niet alleen. Hij bracht ons avondeten, en daar hij alleen het niet dragen kon, hielp Humun hem daarbij. Deze kwam echter niet binnen; hij bleef buiten staan tot Janik hem zijn vracht afgenomen had, en ging toen in allerijl weg.
Het eten was uitstekend. Eerst werd ons een schotel Balyk tschorbaju (vischsoep) voorgezet, zoo als men ze in Weenen of Praag niet beter krijgt. In plaats van lepels kregen wij kopjes, waarmee wij opschepten en aten. Daarna kregen wij een reusachtigen opgevulden kapoen, een Iblig doldoeri, en daarbij een menging van meel, vijgen, en gestooten noten er in. Het derde gerecht bestond uit een Oghlak kebabi (lamsvleesch), dat zeer goed smaakte, ofschoon menigeen het liever niet eet. Daarbij kregen wij een vetten pillaw met rozijnen en geweekte amandelen. Het dessert bestond uit vruchten en zoetigheden, waarvan wij niets gebruikten. Ook bleef er van het vooreten meer den de helft over. Vóór wij er trouwens van hadden gebruikt, wisten wij van Anka, dat wij gerust konden zijn, want dat zij alles zelf had klaargemaakt.
--Maar uw Heer is immers thuis?
--Ja. Hij zit op zijn divan en rookt en kijkt aldoor voor zich. Hij liet mij roepen en vroeg, wat mij scheelde. Ik trok namelijk een allerdroevigst gezicht. Ik antwoordde dat ik een kweepeer gegeten had, die stellig onrijp was geweest, want dat ik een verscheurende pijn in mijn ingewanden had.
--Dat was heel verstandig geantwoord. Nu denkt hij misschien, dat gij niets vermoedt van zijn giftmengerij, en zal het daarom ook niet noodig achten om u iets voor te liegen.
--Nu, voor mij gelogen heeft hij trouwens niet. Zijn ontzettenden haat tegen u heeft hij zonder omwegen en in de bitterste bewoordingen uitgesproken. Hij wilde alles van mij weten, wat gij doet en zegt. Ik vertelde hem, dat gij een pijn aan uw voet hebt, waardoor gij niet kunt loopen. Ook waart gij, zoo zeide ik, te vermoeid om niet spoedig te gaan slapen. Toen gelastte hij mij, terstond na het eten uw slaapplaats in orde te brengen en daarna moest ik ook gaan slapen. Hoe eer gij u ter ruste begaaft, hoe vroeger gij zoudt opstaan, zoo meende hij, en dan moest ik bij de hand zijn om u te bedienen.
--Nog al slim van hem! Waar slaapt gij gewoonlijk?
--Met Humun en de andere bedienden in één vertrek.
--Dat is lastig, want dat belet u om onopgemerkt weg te gaan, en wij hebben u toch noodig.
--O, wat dat betreft, Effendi, kunt gij zonder zorg zijn. Niemand wil van heden af, meer met mij in één vertrek slapen, en Humun heeft op bevel van onzen Heer, mij een slaapplaats op de vliering aangewezen. Maar als gij het verlangt, dan doe ik, alsof ik ga slapen en kom dan op den toren. Die is dan wel gegrendeld, maar dat hindert niet, ik klop en gij doet open.
--Maar niet zoo als gewoonlijk. Klop aan het luik dat achter is, eerst eens, dan twee en daarna driemaal. Zoo weten wij dat gij het zijt en doen open. Zeg aan uw Anka, dat ook zij zoo kloppen moet. Men kan nooit weten wat er, gedurende uw afwezigheid, bij Habulam voorvallen kan. Laat zij opletten en ons, indien noodig, komen waarschuwen.
Janik bracht nu het eten weg en voorzag ons daarna van nog enkele dekens. Toen hij weg was, deden wij het licht uit. Deur en luiken waren wel gesloten en gegrendeld, maar er waren zooveel kieren, dat men van buiten zeer goed zien kon, dat het licht uit was.
Na ruim twee uren kwam Janik terug. Hij klopte zooals wij hadden afgesproken, en wij lieten hem in.
--Ik kom zoo laat,--zei hij fluisterend,--omdat ik op de gedachte kwam, Habulam eens te beluisteren. Hij gaf aan alle bedienden last om te gaan slapen; daarna sloop hij met Humun naar de koornschelf. Ze zijn er alle twee daar juist ingekropen.
--Wij weten dus, waar wij nu aan toe zijn. Men zal meenen, dat wij slapen, en wij kunnen de bestijging van den toren spoedig verwachten.
--Dat moeten wij zien,--zeide Halef en hij ging, door de anderen gevolgd, fluks de trappen op.
Het regende nog altijd, ja, het kletterde zoo hard, dat men het loopen buiten in 't geheel niet kon hooren.
Ik zat nu alleen in het onderste vertrek en wachtte. Na een poos kwamen de vier mannen terug, en Halef berichtte:
--Sihdi, ze zijn boven. De laatste is nu al halverwege. Zij zijn met hun zevenen.
--Er waren negen personen in de koornschelf bijeen. De Miridiet is weg. Mubarek zal terug gebleven zijn, omdat hij gewond is.
--Dat klopt. Nu zullen wij terstond de ladder wegnemen en de spuit halen.
--Slaat dekens om, anders wordt gij tot op uw hemd toe nat.
Zij deden dat in allerijl en schoven den grendel van de deur weg, om naar buiten te gaan. Ik richtte mij aan den muur op en deed het achterluik open. Buiten was het donker; maar toch merkte ik, ondanks de duisternis en den geweldigen regen, al spoedig de vier mannen, die zeer dicht bij het raam druk bezig waren. Ook hoorde ik het regelmatige geknars van den slinger der spuit, die aan de slang vastgeschroefd was. Mijn makkers pompten, met alle kracht, water naar boven. De waterbak was juist voor mijn raam. Van tijd tot tijd hoorde ik Halef heel zacht commando's geven. Ondanks den regen was de kleine Halef volkomen in zijn element.
Boven bleef echter alles stil. Dat het pompen aldaar water deed stroomen, was zeker. Waarschijnlijk begrepen de schurken niet, waar het van daan kwam, maar zij pasten wel op, hun tegenwoordigheid niet te verraden. Maar zij deden wat ze konden, om het luik op het terras open te krijgen. Habulam toch had gezegd, dat hij ten overvloede een boor zou medenemen. De mogelijkheid bleef, dat het hun gelukte de kram los te boren. In dat geval kwamen zij naar beneden, en ik maakte mij gereed, hen met mijn revolver te ontvangen. Maar hoe scherp ik ook luisterde, ik hoorde op de trap geenerlei geluid. Halef had het luik goed dicht getimmerd!
Er verliep heel wat tijd, wel een vol uur. Toen kwam mijn viertal bij mij terug.
--We zijn klaar, Sihdi!--berichtte hij. Wij hebben met inspanning van alle krachten gepompt. Maar nu zijn wij door en door nat. Mogen wij het licht aansteken?
--Ja; het is beter, licht op te hebben.
Hij stak de lamp aan en deed er olie in. Toen gingen zij naar boven, in het vertrek beneden dat, waar onze vijanden in het water stonden. Daar openden zij een luik, en toen hoorde ik Halef's stem:
--Allam, sallam wer, tschelebilerim. Allah zij met u, mijne Heeren! Wildet gij bij deze stikkende hitte, daar boven wat frissche lucht happen? Hoe bevalt u het heerlijk vergezicht? Onze Effendi laat u vragen, of hij soms zijn Duurbuun (verrekijker) zal zenden, opdat gij den regen te beter zoudt kunnen zien?
Ik luisterde, maar hoorde geen antwoord. De bespotten schenen zich stil te houden.
--Waarom neemt gij, bij nachttijd, daar boven een bad?--vroeg Halef verder.--Is dat hier in deze streek zoo het gebruik? Het zou mij zeer spijten, wanneer het water daarvoor niet warm genoeg was. Maar men mag menschen die zich baden, niet beluisteren; daarom zullen wij zoo beleefd zijn ons te verwijderen. Ik wil hopen, dat gij tegen den morgen gereed zult zijn, dan zal ik, uw onderdanige dienaar, mij veroorloven naar den toestand uwer gezondheid te komen vragen.
Hij kwam met de anderen beneden en lachte zeggende:
--Sihdi, ze zijn prachtig in de val geloopen, en niet een durft een woord te zeggen. Ik meende, dat ik ze hoorde klappertanden. Nu zouden wij gerust kunnen gaan slapen, want niemand zou ons kunnen storen.
--Ja, gaat rustig slapen,--zeide Janik,--want gij moet moede zijn van het rijden. Ik heb nog de minste behoefte aan slaap. Ik zal waken en u roepen als het noodig mocht zijn. Maar wij hebben niets te vreezen. Die mannen kunnen niet naar beneden komen. Hoogstens zou het kunnen gebeuren dat het water naar beneden kwam siepelen. Maar ook dat zou geen gevaar opleveren.
Hij had gelijk. En daar wij ons op hem konden verlaten, legden wij ons, om te gaan slapen.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
OP VERDRINKEN AF.
Ofschoon ik vermoeid was en rust behoefde, kon ik den slaap niet vatten. Ik hoorde het gedurige, zachte gelach van mijn Hadschi, die zich aldoor verkneukelde van pret over het welgelukken van de kool, die hij den mannen op het dak had gestoofd en daarom ook geen rust kon vinden. Ik luisterde naar het onverpoosde eentonige geruisch van den regen, dat mij deed indommelen. Nauwlijks was die betrekkelijke rust mij geworden, of men klopte aan mijn deur, juist zooals ik het Janik gezegd had. Ik richte mij op, vermoedende dat het Anka zou zijn, die ons iets te zeggen had.
Janik deed open, en mijn vermoeden bleek juist geweest te zijn. Het meisje kwam binnen. Halef, Osko en Omar waren natuurlijk terstond bij de hand.
--Neem mij niet kwalijk, Effendi,--zeide onze bekoorlijke bondgenoote.--Ik breng u een tijding. Janik heeft mij uw voornemen verteld: gij wildet die mannen daar boven in het water zetten. Is u dat gelukt?
--Ja, en zij zijn nog boven.
--En ik houd het er voor, dat ze weg zijn.
--Neen maar! Hoe zouden zij er hebben kunnen afkomen?
--Dat weet ik niet; maar ik heb alle reden om te gelooven, dat zij bij ons in huis zijn.
--Dat zouden wij allerminst verwachten. Maar vertel, wat gij weet.
--Janik zeide, ik moest scherp opletten. Habulam zond mij al vroeg naar boven, maar ik ging niet slapen, ik bleef uit het raam kijken. Ik zag mijn Heer met Humun naar den tuin sluipen. Opdat ik hen zou hooren terugkomen, ging ik naar de beneden-verdieping en verstopte mij achter de deur van een daar aanwezig kamertje, waar hij voorbij moest, en die ik op een kier liet staan. Ondanks de moeite, die ik mij gaf om wakker te blijven, toch sliep ik in. Hoe lang dat geduurd heeft, weet ik niet. Ik werd wakker doordat er twee mannen uit den tuin kwamen en mijn deur voorbij gingen. De eene sprak en ik herkende Habulam aan zijn stem. Hij vloekte zooals ik het nog nooit van hem had gehoord. Hij zeide, dat er een groot vuur moest aangemaakt worden en men hem kleeren moest brengen. Ik geloof, dat het Humun was, tegen wien hij sprak. In de keuken begon het al spoedig te spoken. Allerlei kwaadaardige stemmen hoorde ik bij het knetterend en knappend vuur. Wat die lui van plan zijn, weet ik niet, maar ik heb mij gehaast om naar u toe te gaan, opdat gij zoudt weten wat ik opgemerkt had.
--Goed gedaan! Maar op de een af andere manier moeten die menschen beneden gekomen zijn. Halef, waar hebt gij de ladder gezet?
--Nergens wij hebben die op den grond laten liggen. Mijn badgasten kunnen toch van boven af haar niet opgehaald hebben!
--Dat zeker niet, maar enkelen van hen kunnen langs de slang zich naar beneden hebben laten zakken en de ladder opgericht hebben.
--Hascha--God beware! Dat moeten wij terstond gaan zien!
In allerijl ging hij naar buiten. Omar en Osko hem achterna. Toen zij na enkele oogenblikken terug kwamen, keek Halef mij innig verdrietig aan en zeide:
--Ja, Sihdi, ze zijn weg. Ik ben boven geweest.
--Dus staat de ladder tegen den toren?
--Helaas! Aan de andere zijde ligt de slang op den grond.
--Juist zooals ik vreesde. Zij hebben de slang ontdekt. Enkelen hebben zich daar langs laten afglijden, waarna ze losgemaakt en naar beneden geworpen is. Toen hebben zij de ladder opgezet. Zij, die nog boven waren, zijn toen naar omlaag gekomen en naar de keuken gegaan om hun kleeren te drogen.
--Ik wou ze zaten in de hel, waar ze veel gauwer zouden drogen dan in de keuken,--vloekte Halef.--Wat moeten wij nu doen, Sihdi?
--Hm! Dat moet overlegd worden. Ik meen, dat wij----
Er liet zich een stem hooren. Wij hadden de deur niet gegrendeld en iets aan laten staan, zoodat het licht naar buiten viel. De deur werd opengestooten en wij hoorden de stem van Habulam:
--Anka, scheitan kijzi (duivelskind)! Wie heeft je verlof gegeven om hier naar toe te gaan?
Het meisje kromp ineen van schrik.
--Kom er terstond uit!--beval de buitenstaande.--En Janik, beest, jij ook daar binnen! Wat heb jelui naar den tuin te sluipen! Er uit, alle twee! De zweep zal je leeren gehoorzaam te zijn.
--Murad Habulam,--antwoordde ik,--zoudt gij zoo vriendelijk willen zijn, binnen te komen?