Chapter 26
--Misschien laat er zich een ander voor vinden?--zeide Habulam. Toen echter niemand op die vraag inging, vervolgde hij:
--Niemand dus. Welnu, dan moeten wij wat anders verzinnen. Wij zijn nu toch bijeen en kunnen overleggen.
--Lang behoeven wij er niet over te praten,--zeide Barud el Amasat. Wij allen, wij willen dat deze menschen zullen sterven. Wij moeten hen dooden zonder dat de Duitscher ons kan aanzien en daarvoor is het noodig hem en zijn mannen in den slaap te overvallen.
--Volkomen juist!--was ook Manach el Barscha van oordeel. Wij wachten, tot zij slapen, en overvallen ze dan, verondersteld altijd dat het rottekruid van mijn broer het werk al niet voor ons heeft gedaan.
--Rottekruid?--vroeg Mubarek. Hebben ze dat dan werkelijk ingenomen?
--Ja. Ik sprak dat met Habulam af, toen ik kwam zeggen dat zij op komst waren. Hij zou het hun in een ommelet mengen en die hebben zij, naar ik geloof, nu al binnen.
--Nu, dan zijn ze voor de haaien, als hij ten minste niet te weinig genomen heeft.
--O, drie handen vol heb ik er in gedaan--zeide Habulam. Dat is genoeg om tien menschen te vergiftigen. Maar het heeft die schepsels geen kwaad gedaan!
--Hoe, in 't geheel niet?
--Eenvoudig, omdat zij er niet van gegeten hebben. Die kerel met den boozen blik, heeft het terstond gezien dat de eierkoek vergiftigd was.
--Dat is toch onmogelijk!
--Onmogelijk? Wat zou dien Giaur onmogelijk zijn! Verbeeld u, hij kwam met zijn drie makkers in mijn kamer, om mij den ommelet te brengen. Met allerlei vertoon van vriendschap kwam hij me zeggen, dat de beste spijs den gastheer toekwam en hij wilde dat ik er van zou eten.
--O wee!
--En dan wilde hij nog bovendien, dat ik er in zijn tegenwoordigheid van zou eten. Hij had er de doode musschen boven op gelegd, waarop hij eerst de proef had genomen.
--O Allah! De zaak was dus verraden!
--Natuurlijk. Bij ongeluk heeft ook Janik er van gegeten en die zal er wel van doodgaan.
--Aan dien kerel is niets verloren!--viel Humun verachtelijk uit.
--Omdat gij hem haat? Maar gij moest bedenken, in wat verdenking ik er door kom! Ik kan tengevolge daarvan als giftmenger aangeklaagd worden.
En nu vertelde hij aan zijn verwonderde genooten, al wat er voorgevallen was. Daarna zeide hij:--De ommelet en de musschen heb ik terstond laten vernietigen; wie kan, mag mij nu bewijzen dat ik mijn gasten inderdaad vergif heb voorgezet.
--De dood van Janik zal het bewijzen.
--O neen! Wie weet wat hij gegeten heeft? Ik houd vol dat ik zelf den eierkoek opgegeten heb. Ik heb er niets van gekregen.
--Zullen de vreemden van avond nog weer eten?
--Ik denk van wel. Tenminste moet ik hun een avondeten aanbieden, ditmaal zonder vergif; want ik mag het niet nogmaals wagen om van giftmenging beschuldigd te worden. Neen, van avond zal ik, voor hen, zoo rijk laten opdisschen als maar denkbaar is.
--Daar zult gij verstandig aan doen. Dat zal ze in de war brengen en doen denken, dat zij zich toch misschien hebben vergist. Hoe minder achterdocht, hoe gemakkelijker ons werk. Laat dus zoo keurig mogelijk voor hen opdienen. Gij kunt het best doen, want wat het kost, is maar een kleinigheid, vergeleken bij het ontzaglijke voordeel dat gij trekt uit onze broederschap.
--Ik, ontzaglijk voordeel? Gij spreekt, alsof ik millioenen door u verdiend had. Het voordeel, dat ik door u heb, weegt in geen geval op tegen het gevaar van uw agent te zijn.
--Oho!
--Neem nu maar alleen dit geval! Als wij deze vreemdelingen dooden en het wordt bekend, dan kan ik mijn testament wel maken. Met al den invloed, dien ik heb, zou ik, in dat geval, mijn leven toch niet kunnen redden. Gij gaat er van door en laat u niet snappen. Gij hebt geen vaste woning, noch vast eigendom. Wilde ik mij door de vlucht redden, dan zou ik alles verliezen, wat ik bezit.
--Leg het dan maar slim aan!--bromde de oude Mubarek. Er mag geen spoor van die vervloekte kerels overblijven.
--Natuurlijk! Ze moeten in stukjes gehakt en in den grooten vischvijver van Habulam gegooid worden, tot spijs voor de snoeken,--stelde een ander voor.
--En dan mag ik de snoeken opeten, dank je wel,--zei Hambulam, met den grootsten afschuw.
--Noodig is het niet. Gij kunt de visch ook verkoopen. Maar wij moeten ons haasten, want voor het dag wordt, moet alles in alle stilte afgeloopen zijn en in geen geval mogen wij schieten.
Nu gingen zij breedvoerig overleggen, hoe zij ons het best zouden overvallen en dan of wurgen of doodslaan.
Eindelijk waren zij het er over eens, met behulp van de aanwezige ladder buiten langs, op den toren te klimmen, het luik van de trap-opening weg te nemen en dan, de trap af, naar omlaag te gaan, tot in het vertrek waar wij, zooals zij veronderstelden, zouden liggen te slapen.
--Maar misschien houden die kerels de wacht,--zei er een.
--Dat geloof ik niet,--antwoordde Habulam. Waarom zouden zij dat doen? Zij hebben sluitbouten op de deuren en vensters, en daar zij niet vermoeden dat iemand van boven af in den toren komt, zullen zij zich te veilig achten om nog bovendien wacht te houden. Overigens kunnen wij voor alle zekerheid nog eerst onderzoeken of zij slapen.
--Op wat manier?
--Door aan het raam te luisteren. Maar ik twijfel niet of zij zullen wel slapen; als het rondom donker is, blijft men niet lang wakker.
--Maar gij hebt ze toch een lamp meegegeven?
--Ja, maar met zoo weinig olie, dat ze lang voor middernacht uit moet zijn.
De oude schurk vermoedde niet, dat Janik ons voldoende van olie had voorzien.
--Kraken de treden niet?--vroeg Barud el Amasat.
--Neen, want ze zijn van steen; sommige mogen wat los liggen, maar leven maken ze niet.
--Het zou een mooie geschiedenis zijn, als wij, met treden en al, de trap kwamen afstormen!
--Daar behoeven wij niet bang voor te zijn. Maar voor alle zekerheid nemen wij een lantaarn mee, om op de trap te kunnen zien.
--Ja, dan waren wij vrij zeker dat... de kerels ons zouden zien!
--Toch niet. Er zijn verscheidene verdiepingen, zoodat het licht niet kan doordringen tot waar zij zijn. Als wij bij het benedenste vertrek gekomen zijn, laten wij de lantaarn staan, en halen die eerst terug als de kerels dood zijn.
--Dan is het goed. Toch is 't geen gemakkelijk werkje. In de kamer bij de slapenden hebben wij geen licht, en we mogen geen leven maken. Hoe licht stoot men zich in donker niet!
--Bah! Hoe zwaartillend! Ik zie er geen zwarigheid in, als wij elkaar maar begrijpen en de rollen goed verdeelen. Dan is 't in een ommezien gedaan.
--Wat meent ge met 'rollen verdeelen'?
--Ik meen, dat een ieder van ons dient te weten wien hij pakken moet. Wij mogen elkaar niet in den weg staan. Voor dien Duitschen giaur zijn in allen gevalle twee man noodig.
--Ik en mijn broeder nemen hem voor onze rekening,--zeide een der Aladschy's.
--Goed. Naar onze persoonlijke kracht moeten wij de rollen verdeelen. Voor ieder van hen kiezen wij den juisten man. Na de beide Aladschy's is de Miridiet zeker de sterkste. Hij neme dus hem voor zijn rekening, die zich Osko noemt.
--Neen,--viel Barud el Amasat in; dezen Osko vraag ik voor mij alleen. Ik ben het, dien hij vervolgt, op mij wil hij zich wreken, en daarom zal hij in mijn handen sterven.
--Op u wil hij zich wreken? Waarom?
--Omdat ik eenigen tijd geleden, zijn dochter ontvoerd en als slavin verkocht heb. Aan wien, dat gaat u niet aan.
--Dat is een grap, die niet iedere vader grappig vindt.
--Hij zit mij sedert dien tijd dan ook aldoor op de hielen.
--Wat is hij voor een mensch? Een Serviër?
--Neen, een Montenegrijn. Vroeger waren wij groote vrienden.
--Dan heeft hij u zeker beleedigd, en hebt gij, om u te wreken, zijn dochter geroofd?
--Neen, hij had mij niets gedaan, maar hij had een verbazend mooie dochter, met name Senitza. Een vermogend man zag en begeerde haar. Zij wees hem echter af. Toen wendde hij zich tot mij en bood mij een zeer belangrijke som. Wat zoudt gij in mijn plaats hebben gedaan?
--Het geld hebben verdiend,--zei Murad Habulam en lachte.
--Zoo dacht ik er ook over! Ik ontvoerde haar, wat gemakkelijk genoeg was, want zij vertrouwde mij als haar vaders vriend, en ik heb haar geleverd. Hij voor wien ik dat deed, nam haar mee naar Egypte, waar zij kort daarop hem weer ontvoerd is. [10]
--Door wien?
--Dat raadt gij nooit. Door hem die van alles de schuld is, door den schurk, die zich Kara Ben Nemsi noemt.
--Door dien Duitscher?
--Ja.
--Allah verdoeme hem.
--Wij willen hopen dat uw wensch nog heden vervuld wordt. Deze Senitza had namelijk een andere lief, den zoon van een schatrijken groothandelaar uit Stambul. Hij heet Isla en trof in Egypte den Duitscher aan. Deze heeft uitgevonden, waar Senitza verborgen was, haar ontvoerd en aan Isla gegeven, die haar mee nam naar Stambul en daar trouwde. Ik zou wel eens willen weten, hoe die Duitscher haar op het spoor is gekomen.
--Wel, door zijn boozen blik!--beweerde Habulam. Hij ziet en ontdekt alles. Maar heeft degeen, aan wien Senitza ontvoerd is, zich niet gewroken?
--Dat wilde bij wel, maar kwam er niet toe; want de duivel beschermt den Duitscher. Ja, hem of aan een der zijnen gelukte het zelfs, om later mijn vriend te vermoorden. En nu zitten zij met Osko mij achterna. De oude Montenegrijn zou natuurlijk niets liever willen, dan zich op mij wreken.
--Dat moet hem betaald gezet worden!
--Zoo denk ik er ook over, en daarom neem ik hem voor mij. De Miridiet mag dengene inpikken, die zich Omar noemt.
De Miridiet had tot nu toe met de armen over de borst geslagen, zonder iets te zeggen of eenig teeken van goed- of afkeuring te geven, op zijn plaats gestaan. Maar nu wees hij die opdracht af en zei met beslistheid:
--Ik wil van daag met dien Omar niets te maken hebben.
--Niet?--vroeg Habulam verwonderd. Hebt gij voor u dan een ander uitgekozen? Misschien dengene, dien wij Hadschi Halef noemen? Ik had u voor moediger gehouden, dan gij u nu toont.
De oogen van den Miridiet fonkelden van toorn, maar toch vroeg hij op bedaarden toon:
--Gij meent dus, dat het mij aan moed ontbreekt?
--Ja. Gij zoekt voor u den kleinste uit, van al onze vijanden!
--Wie heeft dat gezegd? Ik misschien?
--Wel, dat ligt toch voor de hand.
--Gij moogt denken, wat u belieft. Misschien wel, dat ik in 't geheel niet durf, nu ik u rondweg zeg, dat ik niet een van deze mannen voor mijn rekening nemen wil.
Deze besliste weigering van den Miridiet wekte aller verwondering.
--Wilt gij daarmee soms zeggen, dat gij in 't geheel geen partij wilt trekken tegen onze vijanden,--vroeg Habulam terstond.
--Ja, dat heb ik willen zeggen.
--Dat zou ontrouw zijn jegens ons, en daarom hoop ik dat gij het uit gekheid zegt.
--Wat ik zeide, was in allen ernst gezegd.
Er volgde nu een oogenblik van algemeene stilte, onderwijl aller oog strak op hem gevestigd was. Daarna nam Barud el Amasat het woord:
--Als gij dat werkelijk meent, dan was het beter, zoo wij u nooit hadden gekend. Die niet met ons is, die is tegen ons. Wij zouden, als gij bij uw besluit blijft, u als onzen vijand moeten beschouwen.
De Miridiet antwoordde, terwijl hij het hoofd schudde:
--Ik ben uw vijand niet. Ik zal u in uw voornemen niet belemmeren, maar u ook niet bijstaan.
--Van morgen vroeg hebt gij anders gesproken.
--Ik ben sedert dien van gevoelen veranderd.
--Gij beschouwt dus deze menschen niet meer als onze gemeenschappelijke vijanden?
--O ja; want zij hebben mijn broeder gedood. Maar er is tusschen hen en mij een Mutareke (wapenstilstand) gesloten.
--Een Mutareke! Zijt gij dol! Hoe klopt dat met de woorden, die gij hebt gesproken bij uw komst onder ons?
--Ik geloof niet dat ik daarmee nu in tegenspraak ben.
--Volkomen in tegenspraak. Dezen morgen zijt gij van ons gegaan met het vaste voornemen, om die vreemdelingen, ten minste dien Kara Ben Nemsi, te zullen dooden. Het was ons dus al een groote teleurstelling, toen gij ons straks kwaamt zeggen, dat het u niet gelukt was uw plan ten uitvoer te brengen. En nu komt gij ons verrassen met de mededeeling dat gij een wapenstilstand hebt gesloten. Wij dachten dat hij u ontsnapt was, maar zooals wij nu hooren, hebt gij met hem zelfs gesproken.
--Dat heb ik zeer zeker gedaan.
--En gij hebt werkelijk een Barysch scharti (vredesverdrag) met hem gesloten?
--Slechts een tijdelijk.
Hoe kalmer de Miridiet antwoordde, des te opgewondener werd Barud el Amasat. Deze stond op van zijn plaats, ging op den Miridiet toe, zeggende:
--Dat was u niet geoorloofd!
--Waarom niet? Wie zou daar iets tegen kunnen hebben?
--Wij, natuurlijk wij! Gij zijt onze bondgenoot en hebt geen recht en ook geen verlof, om zonder onze toestemming zoo iets te doen. Uw verdrag is van nul en geener waarde, omdat het zonder en tegen ons gesloten is. Neem dat ad notam!
De wenkbrauwen van den Miridiet fronsten. Zijn oogen fonkelden. Toch beheerschte hij zich en antwoordde zoo bedaard als te voren:
--Gij acht u dus gerechtigd om mij te bevelen?
--Ja. Wij zijn eedgenooten, en niemand van ons mag iets tegen den wil van de anderen doen. Daarom zeg ik u, dat gij zeer onbezonnen en onnadenkend gehandeld hebt!
--Bin scheitanlar, duizend duivels!--riep de Miridiet uit, nu in heftigen toorn ontstoken. Gij waagt het mij te gebieden, gij, dien ik in 't geheel niet ken, van wien ik zelfs niet eens weet, wie hij is, van waar hij komt en den ingang naar de hel zal vinden! Nog een zoo'n beleediging, en mijn kogel zendt u in de diepte, waar de Baba bozulmanun (de vader des verderfs) huist. Ik ben een Miridiet, een zoon van den beroemdsten en dappersten stam der Arnauten, en duld van u geen beleedigend woord. Treedt gij met zulke woorden tegen mij op, dan staat gij aan den rand van uw graf. Een greep van mijn hand en gij stort er in!
--Oho! Ook ik ben gewapend!--antwoordde Barud el Amasat, de hand op den greep van zijn pistool leggende.
--Halt!--riep de oude Mubarek. Zullen vrienden in twist elkander verderven? Barud el Amasat, het is best, dat gij voor onze zaak ijvert, maar gij moogt het niet in beleedigende bewoordingen doen. Ga weer zitten! De Miridiet zal mij open en rond zeggen, hoe en waarom hij met dien man een verdrag heeft gesloten.
Barud zette zich, maar verborg zijn ontevredenheid niet. De Miridiet zei:
--Ik heb den Duitscher mijn Czakan gegeven.
--Allah! Dat is een heilig verbond dat niet verbroken mag worden. Voor hoe langen tijd hebt gij hem uw Czakan gegeven?
--Tot hij mij dien teruggeven zal.
--Dat is dus voor altijd?
--Als hij dat zoo wil, kan ik er niets aan doen.
--Ik kan u daarover geen verwijt doen, want ik ken de reden niet, die u daartoe bewoog. Met een man, met wien men in bloedwraak leeft, sluit men zoo'n verdrag niet, tenzij om zeer gewichtige redenen. Gij moet dus jegens dezen Duitscher, dien Allah verdoeme, wel groote verplichtingen hebben.
--Ik ben hem alles verplicht, namelijk het leven. Ik was volkomen in zijn macht, toch doodde hij mij niet, ofschoon ik het hem had willen doen.
--Vertel ons, hoe het zich toegedragen heeft!
De Miridiet gaf een verhaal van zijn mislukten aanslag en deed dat zóó naar waarheid, dat hij mijn edelmoedigheid in het gunstigste licht deed uitkomen. Hij eindigde aldus:
--Gij ziet dus dat ik niet lichtzinnig gehandeld heb. Kerem silahdan daha kuwwetli dir. (Edelmoedigheid is sterker dan elk wapen). Ik heb om dit spreekwoord tot nog toe de schouders opgehaald, maar nu ben ik het er volkomen mee eens. Mijn broeder is zelf de oorzaak van zijn dood. Toch trachtte ik hem te wreken, en trok tegen den Duitscher zóó vijandig op, dat hij, om zijn leven te redden mij het mijne wel ontnemen moest, en ... hij heeft het niet willen nemen, geen haar van mijn hoofd gekrenkt, ofschoon ik volkomen in zijn macht was. Kan kani itschun! (Bloed voor bloed) zoo luidt de wet der bloedwraak; maar de Koran gebiedt: Adschyma adschymaji itschun, (meedoogen tegenover meedoogen), wie moet gehoorzaamd worden, de Koran van den Profeet of de spreuk van zondige menschen? Staat er niet in de heilige boeken geschreven: Schukri nimet geuge doghru geutuur. (Dankbaarheid opent den hemel)? De Duitscher heeft mij de grootste weldadigheid bewezen, die zich laat denken. Indien ik nu trachtte hem te vermoorden, zou ik voor eeuwig Allah's toorn op mij laden. Daarom heb ik hem mijn Czakan gegeven. Wanneer nu daarom mijn hand niet tegen hem is, dan moet gij daaruit niet afleiden dat ze tegen u zal zijn. Doe wat gij wilt! Ik zal u daarin niet tegenwerken; maar verlangt niet van mij dat ik mijn weldoener zal helpen vermoorden.
Hij had hoog ernstig en met grooten nadruk gesproken. Zijn woorden werkten zoo tamelijk uit, wat hij wilde. De anderen keken elkaar, zonder iets te zeggen, aan. Zij konden hem geen ongelijk geven, en toch was hun de weigering, om aan den aanslag op ons mee te doen, hoogst onaangenaam.
--Scheitan bu Nemscheji derile satchile jut, de duivel verslinde dien Duitscher met huid en haar!--viel eindelijk de oude Mubarek uit. Het is alsof alles dien kerel moet gelukken en meeloopen. Ik had zoo vast op u gerekend. Ik erken dat gij eenigen grond hadt voor uw goedhartigheid; maar gij moogt niet te ver gaan. Als hij u niet heeft willen dooden, begrijp ik dat gij er bezwaar in hebt het hem nu te doen. Maar waarom wilt gij nu ook de anderen sparen? Tegenover hen zijt gij tot geen dankbaarheid verplicht. De Aladschy's hebben hem nu voor hun rekening genomen, neem gij nu dien Omar. Ik zie niet in, waarom gij dat niet zoudt doen.
--Toch heb ik ook daar reden voor. Wat de Duitscher doet, doet hij niet alleen, maar in overeenstemming met de anderen. Mijn dank geldt niet alleen hem, maar ook zijn vrienden. En al had ik aan hem alleen verplichting, dan zou ik mij toch niet aan die vrienden willen vergrijpen, omdat ik hem daarmee verdriet zou doen. Ik ben gekomen, om u te zeggen, dat ik mij met deze zaak in 't geheel niet inlaten kan. Ik heb mij voorgenomen, daar niet aan mee te doen en blijf bij dat voornemen.
--Bedenk, wat daarvan de gevolgen zullen zijn!
--Daar heb ik mij niet over te bekommeren.
--Toch wel! Of is het u onverschillig, of gij onze vriendschap verbeurt?
--Bedoelt gij me daarmee te dreigen? Dan hadt gij beter gezwegen. Ik heb den Duitscher mijn Czakan gegeven en daarmee mijn Yrza mebni (woord van eer), en dat zal ik houden. Die mij dat wil beletten, krijgt het met mij te kwaad. Wilt gij uw vriendschap in vijandschap doen verkeeren, doe het in Allah's naam, maar geloof niet, dat ik bang voor u ben. Ik wil en zal volkomen buiten dezen aanslag blijven, maar ook alleen zoo lang gij mij met rust laat. Dat is alles wat ik u te zeggen heb. Ik heb het gezegd en ga.
Hij wendde zich naar den uitgang.
--Halt!--riep Habulam,--wees verstandig en blijf!
--Ik ben verstandig, maar mijn blijven heeft geen reden, geen doel.
--Maar met dit weer kunt ge toch niet weggaan.
--Wat geef ik om wat regen.
--Maar met dit vreeselijk onweer kunt ge toch niet naar Sbiganzy rijden.
Scherp waarnemend keek hij den Miridiet aan. Deze begreep hem en antwoordde.
--Wees niet bezorgd. Ik zal niet trouweloos tegen u handelen. Wanneer gij bang zijt dat ik toch hier zal blijven, en in 't geheim met deze mannen zal spreken om ze te waarschuwen, vergist gij u. Ik ga naar ginds, in 't houtgewas, naar mijn paard, en rijd terstond weg. Ik heb gezegd, dat ik niet tegen u zou zijn of optreden, en mijn woord houd ik.
Hij bukte om de garven, die den toegang vormden, weg te trekken. De aanwezigen zagen dat hij zich niet liet terughouden, daarom zeide de oude Mubarek:
--Als gij inderdaad wilt gaan, zweer ons dan eerst bij den baard van den Profeet, dat gij u met de vreemden niet inlaten zult.
De Miridiet antwoordde met een toornige handbeweging.
--Deze vraag is een beleediging. Ik heb u mijn woord gegeven, en dat moest u genoeg zijn. Zijt gij soms gewoon het uwe niet te houden? Maar ik wil in vrede van u scheiden en zweer het u bij den baard van den Profeet. Zijt gij nu tevreden?
--Ja; maar bedenk goed, hoe wij u straffen indien het u mocht invallen ons toch te bedriegen. Wij laten niet met ons spelen.
Dat werd op een toon gezegd, dreigender dan de trots van den Miridiet kon verdragen. Weder omkeerende liep hij dreigend op den oude toe, en zeide:
--Waagt gij het, mij dat te zeggen, gij wiens denken en doen een voortdurende leugen is! Wie zijt gij? De oude Mubarek, de Heilige! Is dat niet een leugen? Gij waart ook Busra, de kreupele. Was ook dat geen bedrog? Waar zijt gij vandaan, en wat is uw werkelijke naam? Niemand weet het, niemand die hem kent. Als een ramp zijt gij over dit land gekomen, als een Taan (pest) waar Allah alle geloovigen tegen behoede! Tusschen de vervallen muren der ruïne hebt gij u genesteld, als een Sukutan (dolle kervel), als Bengi (een giftplant), en den ganschen omtrek hebt gij tot een vervloeking gemaakt. Ik zelf wil en kan mij niet beroemen op wat ik ben, maar bij u wil ik niet vergeleken worden, veel minder door u worden beleedigd. Als gij meent een macht te bezitten, die anderen hebben te vreezen, dan mogen zwakkelingen dat gelooven, ik vrees u niet. Het kost mij, of wie van ons, maar een enkel woord, en gij zijt verloren. Ik zal dat woord niet uitspreken, tenzij gij er mij toe dwingt. Maar voor ik u op die manier verraad, gebruik ik liever een ander woord, een woord, dat men niet hoort, maar ziet en voelt. En als gij wilt weten, wat dat woord is, zie, ik heb het in mijn hand!
Hij trok zijn mes uit zijn gordel en zwaaide het boven Mubarek's hoofd.
--Allah! wilt gij mij doorsteken--riep deze verschrikt uit.
--Nu niet en later ook niet, als gij er mij niet toe dwingt. Vergeet nu mijn waarschuwing niet! Ik ga, goeden nacht!
Hij stak het mes weer bij zich, verwijderde de garven en kroop door de opening naar buiten. Op een wenk van Habulam volgde Humun, de knecht, hem voorzichtig na. Toen deze eenige oogenblikken later terugkwam, berichtte hij, dat de Miridiet zich inderdaad verwijderd had.
--Hem heeft Allah het verstand ontnomen!--morde Barud el Amusat. Op hem valt niet te rekenen.
--Neen, nu niet meer,--was ook Mubarek van oordeel. Maar hij heeft mij gedreigd. Ik zal zorgen dat hij geen kwaad meer zal kunnen doen.
--Wilt gij hem doen sterven?--vroeg Manach el Barscha.
--Wat ik zal doen, weet ik nog niet. Maar wij hebben hier weer een bewijs te meer voor de noodzakelijkheid om dezen Duitscher op te ruimen. Ook zijn makkers moeten sterven. Maar nu is het de vraag, wie Omar zal dooden.
--Ik neem hem voor mijn rekening,--zeide Humun, de knecht.
--Goed! Dan blijft nog de kleine Hadschi over. Tot mijn spijt kan ik hem niet helpen, gewond als ik ben.
--Laat mij het dan doen,--stelde Manach el Barscha voor.--Het zal mij een genot zijn hem het licht uit te blazen. Hij is klein en schijnbaar niet sterk, maar het tegendeel is waar. Die dwerg heeft den moed van een panther en is zoo vlug als een Atmadscha (sperwer). Ook hebben wij gehoord, dat hij sterk genoeg is om zijn man te staan. Als ik hem voor mij vraag, moet gij niet denken dat het mij aan moed ontbreekt. En wat het uur voor den aanslag betreft, ik stel voor op dit punt geen beslissing, te nemen, maar het van de omstandigheden te laten afhangen. Laten we van tijd tot tijd gaan luisteren. Zoodra het ons blijkt dat zij zijn gaan slapen, gaan wij aan den gang.
--Zoo denk ik er ook over,--zeide Habulam. Ik heb nog een en ander te doen en ga dus weg. Humun gaat natuurlijk met mij; ik zal hem van tijd tot tijd naar u zenden, om te vragen of wij beginnen kunnen.
Hij stond op, om weg te gaan.
--Wacht nog een oogenblik!--verzocht Mubarek. Ik wilde u nog over iets anders spreken.