Door het land der Skipetaren

Chapter 25

Chapter 254,224 wordsPublic domain

Ik gooide eenige stukken van de ommelet in een hoek, en de vogels vlogen er op af, om er duchtig om te kibbelen. Of ze het eten hadden zien binnendragen, weet ik niet, maar wel zag ik dat nagenoeg alle tafelschuimers present waren. Het was buiten al mooi donker geworden, en een gerommel van uit de verte verkondigde ons de nadering van onweer.

--Breng ons een lamp,--zeide ik tot Janik,--en maak van die gelegenheid gebruik, om aan uw meester te zeggen, dat wij alle luiken dicht zullen maken!

--Waarom?

--Ja, dat zal hij wel vragen. Zeg hem, dat wij de spokende oude moeder het binnenkomen willen beletten.

Toen hij zich verwijderd had, klommen mijn vrienden vlug naar boven om de luiken ter dege te sluiten. Nauwelijks was dit gedaan of Janik kwam terug met een steenen lamp, waarin zóó weinig olie was dat ze binnen het uur moest uitgaan.

--Waarom brengt gij ons zoo weinig olie?--vroeg ik.

--Mijn Heer zei, gij zoudt wel spoedig gaan slapen. Maar Anka is ook niet dom! Zij heeft mij tersluiks dit fleschje meegegeven.

Hij haalde het fleschje uit zijn zak. Er was olie genoeg in, en hij gaf het mij.

--Dat is niet enkel gierigheid,--zeide ik. Onze gastheer Wil ons in 't donker laten zitten; dan is men hulpeloos.

Een angstig gepiep en gesjilp deed mij naar de musschen kijken. Zij zaten met opgestoken veeren in hun nest, en het was duidelijk dat zij pijn hadden. Een vladderde uit zijn nest en viel op den grond, waar hij nog een paar malen met zijn vleugels sloeg en zich daarna niet meer bewoog. Hij was dood.

--Zoo gauw!--zeide Halef. Die schoft moet een geduchte portie vergift in de ommelet gedaan hebben!

--Er is ook heel wat voor noodig om vier sterke mannen met rottekruid te vergiftigen. Met ons zou het zeker niet zoo gauw gedaan geweest zijn, als met een musch. Dat mensch is niet alleen duivels slecht, maar ook verbazend dom. Hij moet gedacht hebben dat wij even gauw zouden bezwijken als die vogels, en dus geen tijd meer zouden hebben om ons te wreken.

Er lagen nu reeds meer vogels dood op den grond. De arme diertjes gingen mij wel aan het hart, maar ik had ze moeten opofferen om zekerheid te krijgen.

--Wat zult gij nu met de ommelet doen, Sihdi?--vroeg Halef. Zullen wij naar Habulam gaan en hem met zweepslagen dwingen zijn eigen ommelet op te eten?

--Het eerste gedeelte van uw voorstel neem ik aan, maar het laatste niet. Wij gaan terstond naar hem toe en nemen de ommelet mee, netjes gegarneerd met de doode vogels.

--Heer, doe dat niet,--bad Janik,--want dan loopt het slecht met mij af, omdat hij zal denken dat ik u gewaarschuwd heb.

--Daarin zullen wij hem te vlug af zijn. Wij zullen doen, alsof gij van ons een stuk hadt gekregen en opgegeten, zoodat gij nu van de pijn ligt te krimpen. Kunt gij dat veinzen en u goed houden, als hij soms komt kijken?

--Ik denk wel van ja.

--Laat dan de rest maar aan mij over. Kunt ge mij ook zeggen, waar wij Habulam zullen vinden?

--In zijn kabinet achter de ontvangkamer (Selamluk), waar gij met hem gezeten hebt. Gij ziet de deur terstond. Is hij niet daar, dan is hij in de keuken; want Anka vertelde mij, dat hij er bij wilde zijn als het avondeten voor u werd klaargemaakt (het Achscham).

--En waar is de keuken?

--Links van de plaatsdeur. Men heeft er u voorbij gereden. Pas echter op, dat hij u niet ziet aankomen, want dan schuilt hij weg.

Hij ging, en ook wij maakten ons op, ik natuurlijk in mijn wandelwagen. Halef bedong voor zich de pret, de ommelet te dragen, en hij hield die toegedekt onder een slip van zijn kaftan. Maar wij gingen niet over de binnenplaats. Wij liepen er om heen, om niet te gauw opgemerkt te worden.

Eerst zochten wij onzen gastheer in zijn particulier vertrek. Omdat de vloer met matten belegd was, kon men ons moeilijk hooren aankomen terwijl wij nog in de ontvangkamer waren. Osko deed de aangeduide deur open en trad naar binnen.

--Wat wilt gij?--hoorde ik Habulam verschrikt vragen.

Op hetzelfde oogenblik schoof Omar mij naar binnen. Toen Habulam mij zag, spreidde hij zijn tien vingers voor mij uit, en riep in doodelijken schrik:

--Hasa, si amahu Allah,--God beware mij, God behoede mij! Ga weg, ga weg! Gij hebt den boozen blik!

--Alleen voor mijn vijanden, maar niet voor u!--antwoordde ik.

--Neen, ik durf mij niet door u laten aankijken!

--Maak u niet bezorgd! Zoolang gij vriendelijk jegens mij gezind zijt, kunnen mijn oogen u geen kwaad doen.

--Dat geloof ik niet! Er uit, er uit!

Sidderend van angst had hij zich afgewend, om mij niet te moeten aankijken, en hield zijn handen naar de deur gestrekt.

--Murad Habulam,--zeide ik op strengen toon,--wat bezielt u? Behandelt men zijn gast ooit op zulk een manier? Ik zeg u dat mijn blik u volstrekt geen kwaad zal doen, en ik ga niet weg, voor ik met u besproken heb, wat mij tot u doet komen. Keer u dus gerust naar mij toe en kijk mij aan.

--Kunt gij mij bij Allah verzekeren, dat uw blik mij geen kwaad zal doen, ook al valt die op mij?

--Ik geef u die verzekering.

--Dan wil ik het wagen. Maar ik zeg u, dat mijn vinnigste vervloeking u zal treffen, als gij mij onheil aanbrengt.

--Die vervloeking zal mij niet treffen, want mijn oog zal slechts in vriendschap op u gericht zijn en u dus niet schaden.

Nu wendde hij zich naar mij toe. Maar de uitdrukking van zijn gelaat getuigde van zoo grooten angst, dat ik er mij ten zeerste in verheugde.

--Wat wilt gij van mij?--vroeg hij.

--Ik zou een kleine opheldering van u willen hebben, maar eerst u een vriendelijk verzoek willen doen. Het gebruik brengt mee, dat de gastheer het brood met zijn gasten deelt. Gij hebt dan niet kunnen doen, omdat het podagra u verhinderde, naar mij toe....

Ik zweeg plotseling, alsof ik eerst nu op zijn beenen lette. Inderdaad had ik terstond bij mijn komst bemerkt, dat de dikke omslagen verdwenen waren.

Hij stond recht overeind. De wijde broekspijpen hingen hem in breede plooien om de knieën, en de schrikbewegingen, die hij gemaakt had, waren zoo vlug en heftig geweest, dat er bij hem van eenige pijnlijke aandoening in de beenen geen sprake meer kon zijn. Daarom ging ik na een oogenblik van verbazing, aldus voort:

--Wat zie ik! Heeft Allah een wonder gedaan? Is uw krankheid geweken?

Hij was met zijn zoogenaamde wonderbare genezing, zóó verlegen, dat ik hem slechts eenige onverstaanbare woorden hoorde stamelen.

--En nu hadt gij nog wel angst voor mogelijk kwaad, dat mijn oog u doen zou?--ging ik voort.--Mijn blik brengt, aan die mij goed gezind zijn, niets dan geluk. Ik ben daarvan zóó overtuigd, dat ik uw plotselinge genezing uitsluitend aan mijn oog en aan mijn vriendschap voor u toeschrijf. Wee echter dengene, die kwaad tegen mij in den zin heeft! Mijn blik is voor hem een onuitputtelijke bron van allerlei rampen! Al ben ik op honderden mijlen van hem verwijderd, dan is een enkele gedachte aan hem genoeg, om al het kwade, dat ik hem toewensen, over hem te doen komen.

Daarmede had ik hem overvloedige stof voor een uitvlucht gegeven. Hij maakte daar terstond gebruik van, zeggende:

--Ja, Effendi, alleen daar kan het door gekomen zijn. Sedert jaren lijd ik aan die Nikris. Nauwlijks waart gij weg of ik bemerkte een onbeschrijfelijk gevoel in mijn beenen. Ik beproefde te loopen, en zie, het gelukte! Nog nooit in mijn leven heb ik mij zoo gezond en sterk gevoeld, als nu. Dat kan alleen uw blik hebben gedaan.

--Pas dan op, dat het ook zoo blijft! De verandering uwer gezindheid brengt ook verandering in uw welstand mee. Gij zoudt er dan slechter aan toe zijn dan ooit.

--Effendi, waarom zou ik van gezindheid jegens u veranderen? Gij hebt mij niet alleen geen kwaad gedaan, maar genezing aangebracht. Gij zijt mijn vriend en ik de uwe.

--Zoo is het en daarom heeft het mij zoo gespeten dat ik onzen maaltijd niet met u heb kunnen deelen. Gij zult echter van ons niet zeggen, dat wij de wetten der beleefdheid en der vriendschap niet kennen. Daarom komen wij om het lekkerste van onzen maaltijd hier te brengen, en u te verzoeken daarvan, in onze tegenwoordigheid te willen genieten. Wij willen toezien en ons van harte verblijden, als gij die heerlijke spijs ter onzer eere opeet. Hadschi Halef Omar, geef ze hier!

Halef nam de slip van zijn kaftan, van de ommelet weg, ging naar Habulam toe en bood hem die aan, met de woorden: Heer, neem deze spijs der gastvrijheid, en schenk ons het genot u die te zien eten, en zelfs te mogen toezien, hoe die u smaakt!

Er lagen zes doode musschen bovenop. Habulam keek verlegen van den een naar den ander en vroeg:

--Wat moet dat? Waarom zijn die vogels op de Jumurta jemeki?

--Ik gaf ze er van te eten, en ze zijn terstond gestorven van het genot dier heerlijke spijs. Nu zijn zij paradijs-vogeltjes geworden en vermeien zich in de tuinen van den Profeet, om met nachtegaalklanken den lof te zingen uwer voortreffelijke kookkunst.

Hij strekte de hand niet uit naar de ommelet, hij was zoo bleek geworden als een doek en stotterde:

--Effendi, ik begrijp u niet. Hoe kunnen musschen van een ommelet sterven?

--Dat is het juist, wat ik u vragen wilde; daarom ben ik hier gekomen.

--Hoe kan ik dat zeggen?

--Wel, niemand beter dan juist gij. Hebt gij de ommelet niet zelf klaargemaakt?

--Ik? Hoe komt gij op die gedachte, dat ik zelf haar zou hebben gebakken?

--Ik dacht dat uw groote vriendschap voor mij u er toe gedreven had om dien lekkeren schotel zelf te bereiden.

--Zoo iets kan niet in mij opkomen. Ik ben geen kok (Aschdschy). Ik zou alles bederven.

--Zeg ons dan, wie dat zoo handig gedaan heeft.

--Anka, de dienstmeid heeft het gedaan.

--Zoo toon haar dit gebak en doe er haar van eten. Dit is geen Uemr taami (brood des levens), maar Oelum jemeki (spijs des doods). Over die er van eet, komen de schaduwen der ontbinding.

--Heer, uw woorden doen mij beven!

--Als ik het kwade oog niet had, zoudt gij op dit oogenblik nog angstiger zijn. Dan lagen onze lijken in den toren, en onze geesten kwamen 's nachts, met de oude vrouw, spoken om den lichtzinnige te verontrusten, die den dood in het brood des levens heeft gemengd. Gelukkig is mijn blik zoo scherp, dat hij door alles heen ziet. Niets ontgaat mij, kwaad noch goed. En al laat ik het al niet merken, toch lees ik in ieder menschen hart, en weet wat daarin omgaat. Zoo heb ik ook terstond het rottekruit opgemerkt en, om het u te bewijzen, de vogelen des hemels er van gegeven, die terstond dood neergevallen zijn.

--Allah! Is dat waar?

--Ik zeg het, en dan is het zoo.

--Maar hoe is dat dan gebeurd?

--Ik zou denken, gij moest dat weten.

--Ik weet er niets van. En hoe zoo iets kan gebeurd zijn, begrijp ik nog minder. In mijn keuken is ook geen vergif!

--Maar ratten zijn er toch immers wel?

--In huis zijn er zelfs veel.

--Dus is er ook vergif om ze te dooden?

--Ja, ik heb het uit Uskub laten komen.

--En waar bewaart gij het?

--Hier in mijn eigen kamer. Het ligt op de plank aan den muur. Alleen ik kan er bij.

Ik keek waar hij wees. Daar stonden allerlei kistjes en doosjes. Een peperhuis zag ik niet. Misschien had hij het nog in zijn zak; daarom zeide ik:

--Als gij u het gebeurde niet kunt verklaren, zoo wil ik mijn oog laten werken en daarmee zie ik alles dat verborgen is. Welnu, ik zie Anka, het meisje is in de keuken en ik zie er u ook. Gij stuurt haar weg. Terwijl zij weg is, neemt gij het peperhuis met Sytschan zehiri uit uw zak en gij schudt er een gedeelte van in het meel van de ommelet.

Verschrikt deed hij een stap achteruit.

--Effendi!--riep hij uit.

--Is 't niet zoo?

--Neen, gij ziet mij toch niet voor een giftmenger aan!

--Heb ik dat gezegd? Gij hebt u misschien wel vergist, en het rottekruid voor suiker aangezien.

--Neen, neen! Uw oog bedriegt u. Ik ben in 't geheel niet in de keuken geweest.

--Maar ik zie u er toch, en mijn oog liegt niet.

--Neen, gij vergist u. Het moet een ander geweest zijn!

--Ik vergis mij niet. Voel eens in uw kaftan. Daar zit het vergif nog in.

Onwillekeurig stak hij zijn rechterhand in den zak, maar trok zijn hand terstond terug, uitroepende:

--Maar wat wilt gij dan toch, Effendi? Waarom moet ik vergif in mijn zak hebben?

--Om het voor de ratten te gebruiken.

--Maar ik heb geen vergif!

--Voel maar eens in uw rechterzak; daar is het peperhuis, ik zie het!

Hij voelde er in, haalde zijn hand er leeg weer uit, en verzekerde:

--Er is niets in.

--Murad Habulam, laat alles waar zijn, nu liegt gij.

--Neen, Effendi!

--Hadschi Halef, haal het peperhuis uit zijn zak!

Halef ging naar hem toe en stak zijn hand uit. Habulam trad toornig achteruit en zei:

--Heer, wat begint gij? Denkt gij dat ik een schurk ben, waarmee men doen kan wat men wil! Niemand heeft het recht om mijn zakken te doorzoeken, en dat nog wel in mijn eigen huis!

Waarschuwend hief Halef den vinger op.

--Murad Habulam, verzet u niet! Als gij mijn Effendi boos maakt, dan werpt hij u terstond den boozen blik toe en geef ik geen duit meer voor uw leven. Denk er om!

Hij greep, zonder daarin verhinderd te worden, in Habulams zak en haalde er het peperhuis uit.

--Welnu, Habulam,--zeide ik,--wie heeft gelijk?

--Gij, Effendi,--stamelde hij. Maar, bij Allah! ik weet niet hoe dit peperhuis in mijn zak gekomen is. Dat moet de een of ander gedaan hebben om mij in het verderf te storten.

--Zoudt gij mij willen verplichten dat te gelooven?

--Dat moet gij gelooven, want ik zweer het u bij den baard van den Profeet. Dat kan niemand anders gedaan hebben dan Janik, want hij is in de keuken geweest.

--Die heeft het zeker niet gedaan.

--Gij kent hem niet. Hij is door en door slecht, en altijd erop uit om te doen wat gemeen is. Waarom heeft hij u op mij afgestuurd? Is hij niet bij u om u te bedienen? Weet hij niet, dat ik u allerminst verwachtte? Waarom heeft hij u niet verhinderd om naar mij toe te komen?

--Omdat hij het niet kon. Om door hem niet gehinderd te worden, zond ik hem naar den stal, en toen zijn we terstond stil weggeslopen.

--En toch is alleen hij het geweest!

--Gij verdenkt hem ten onrechte. Hij at van de ommelet, waarvan wij hem een stuk gaven. Zou hij dat gedaan hebben, als hij er het vergif in had gedaan?

--Wat? Heeft hij er van gegeten, hij?

--Vraagt het hem zelf. Ziet gij niet, dat er een stuk van de ommelet af is?

Dit stuk hadden wij er af gesneden en verstopt.

--O Allah! Maar dan gaat hij dood!

--Helaas!

--En dat is uw schuld, want gij hebt er hem van gegeven!

--Neen, gij zijt de schuldige. Waarom hebt gij ons die vergiftige spijs gezonden? Mij kunt gij niet wat wijs maken. Ik wil u nog niet terstond straffen, maar u tijd geven tot berouw. Maar pas op, dat gij niet nog verder kwaad tegen ons verzint. Eigenlijk moest ik uw huis terstond verlaten, maar dan bleef de ellende bij u achter en zoudt gij vergaan. Daarom wil ik uit barmhartigheid nog tot morgen bij u blijven, opdat gij u beteren moogt. Nu laten wij u alleen. Denk eens na, hoe onbezonnen gij gehandeld hebt en nog verder handelen wilt!

Hij antwoordde geen syllabe, en wij verwijderden ons. Ik had opgepast, mij niet al te duidelijk uit te drukken. Hij behoefde nog niet te weten hoe en wat wij over hem dachten. Toen wij in den tuin kwamen, volgden donder en bliksemflitsen elkaar onmiddellijk op. Het onweer brak los en wij haastten ons, om den toren te bereiken, waar Janik op ons wachtte.

Tengevolge van het onweer en ook door de invallende schemering, was het tamelijk duister geworden. Halef wilde de lamp opsteken, maar dat liet ik niet toe. De deur werd aangezet, maar niet heelemaal dicht gedaan, zoodat ik, vanwaar ik zat, door een kier in den tuin kon zien en de schelf in het oog houden.

Ofschoon het niet waarschijnlijk was dat ik iets zou zien, te minder omdat men wel met de grootste omzichtigheid te werk zou gaan, trof ik het toch bizonder gelukkig. Een verblindende bliksemstraal had, ondenkbaar kort, de duisternis onderbroken, maar dat moment was voldoende om mij te doen zien dat er menschen waren bij de koornschelf. Twee van hen waren in gebukte houding bezig, den ingang te verwijden, door er eenige schooven uit te trekken.

Wie waren die menschen? Ongetwijfeld de door ons verwachten, die onopgemerkt hun schuilplaats hadden kunnen bereiken, omdat de stortregen alle huisgenooten naar binnen had gejaagd. Ik besloot ze te beluisteren.

Allereerst droeg ik Janik op, bij de niet geheel gesloten deur uit te zien, wanneer het voor mij geschikte oogenblik zou gekomen zijn. Het gedurig lichten gaf hem daartoe genoegzame gelegenheid. Zoodra hij mij kwam zeggen dat hij niemand meer zag en de ingang tot de koornschelf weer dichtgestopt was, liet ik mij door hem en Osko er heen dragen. Nadat zij zich oogenblikkelijk weer verwijderd hadden, beproefde ik mij tusschen de heen en weer gevlijde garven in te dringen. Dat was moeilijk genoeg, omdat de garven door hun eigen gewicht elkaar drukten en ik mij niet door het minste geritsel verraden mocht.

De kletterende regen, het loeien van den storm en het bijna aanhoudend gerommel van het onweer waren mij in dit opzicht van goeden dienst. Ik schoof mij, natuurlijk het hoofd vooruit, verder en verder tusschen de garven in. De halmen van de rogge waren niet in verwarde bundels saamgevoegd, maar languit gebost, zoodat ze van meer dan manslengte waren. Daardoor was dan ook de buitenste rand van de schelf dikker dan ik lang was en ik kon daarin verdwijnen, zonder dat van buiten mijn voeten of van binnen mijn hoofd kon worden gezien.

Langzaam en geruischloos schoof ik vooruit, tot ik bij een plek kwam, van waar uit ik, gedekt door een gordijn van aren, het innerlijke van de uit koren gemaakte schuilplaats overzien kon.

Zooals ik daar lag, moest ik dubbel voorzichtig zijn. Indien ik, door beweging of geluid mijn aanwezigheid verried, had ik, ingepakt als ik was, mij niet kunnen verdedigen. Iedere op mij afgevuurde kogel moest me treffen. Bij de ontdekking kon ik mij alleen redden door mijn vijanden voor te zijn. Daarom had ik dan ook mijn beide revolvers in mijn handen, tot schieten gereed. Alle andere wapens had ik achtergelaten in den toren, want hun verlies zou onherstelbaar zijn.

De kringvormige grondvlakte, van de ruimte vóór mij, zal ongeveer tien meter omtrek gehad hebben. De koornmuren waren ongeveer 2,80 dik; de ledige ruimte had dus een middellijn van stijf vier meter en kon zeer goed een twaalftal personen bergen. Janik had de ruimte kleiner geschat. Midden in stond een sterke hooge paal, die het dak droeg, dat van stroo was. Rondom lagen bundels van rogge, om tot zitting te dienen, en aan den paal hing een brandende lantaarn, die de anders donkere ruimte verlichtte. De ingang was met eenige minder stijf gebonden halmen dichtgemaakt, welke sluiting gemakkelijk uitgetrokken en weer ingebracht kon worden, iets dat aan den buitenkant niet, maar van binnen zeer goed te zien was.

Waartoe had Murad Habulam dezen schuilhoek gemaakt? Soms alleen om zijn broer Manach el Barscha te verbergen? Dan had hij met een kleinere ruimte kunnen volstaan. Ook waren er in zijn huis plekjes genoeg om een enkelen man te verstoppen. En dan kwam de ex-ontvanger immers altijd te paard! Ook daarvoor moest een geheime stalling zijn!

Neen, deze koornschelf was ontwijfelbaar voor grootere samenkomsten bestemd; ze moest dienen voor geheime samenkomsten, en het vermoeden lag voor de hand, dat de aanhangers van den Shoet hier bijeen kwamen.

Was dat werkelijk het geval, dan ook stond het vast, dat Murad Habulam een hoofdman van deze rooverbende was. Hij, die podagra veinsde te hebben, was zoo goed ter been, dat hij door dit verschrikkelijke weer hierheen kon loopen. Hij zat recht tegen mij over. Aan zijn beide zijden zaten zijn broeder Manach el Barscha en Barud el Amasat. Naast den laatste zat de oude Mubarek, die zijn arm in een draagband droeg. Bij den ingang stond Humun, de lijfknecht, en tegenover hem de Miridiet, de broeder van den overleden slager van Sbiganzy. Hij was dus toch gekomen, zooals ik wel gedacht had.

Aan den kant waar ik mij verscholen had, zaten drie personen, namelijk de beide Aladschy's, en Suef, de spion. Ik kon ze niet zien, omdat zij beneden de hoogte waarop ik lag, zaten; maar ik hoorde ze, en kende hun stem.

Dat waren dus de personen, tegen wier vijandschap wij ons te verweren hadden. Hun kleeren dropen van den regen en er kleefde zooveel koornveegsel aan, dat zij nauwelijks te kennen waren.

De eerste, dien ik hoorde, was de Miridiet. Hij maakte de voor mij weinig belangrijke opmerking:

--Wij hadden onze paarden niet in het struikhout moeten onderbrengen, want met dat onweer zijn we niet zeker dat zij rustig blijven.

--Gij kunt zonder zorg zijn, want mijn knechten passen er goed op,--antwoordde Habulam.

De paarden stonden dus ergens in het bosch, en wel onder toezicht van eenige knechten van den gastheer. Dit bevestigde mijn vermoeden, dat Habulam nog meer vertrouwelingen had, dan Humun.

De oude Mubarek had de windsels van zijn arm afgedaan en liet er door Barud el Amasat het verband afnemen. Habulam gaf hem een potje met zalf, dat van te voren bij hem moest besteld zijn. Op den grond stond een kruik met water, waarmee de wond eerst uitgewasschen werd.

Ik zag dat mijn schot van eergisteren de spieren van zijn bovenarm geraakt had. De kogel van gisteren had ook zijn elleboogsknokkel vermorzeld.

Beide wonden moesten hem erge pijn doen, vooral de laatst genoemde, te meer daar van een goed verband geen sprake was. In het allergunstigste geval hield hij voor altijd een stijven arm; maar waarschijnlijker was het, dat zijn arm afgezet zou moeten worden. Als de gewonde niet spoedig goed verpleegd werd, dan kwam er onvermijdelijk koud-vuur bij.

Nadat de gekwetste deelen uitgewasschen waren, liet hij die, met een linnen doek, waarop de zalf was gestreken, zwachtelen en daarna verbinden. De oude vertrok daarbij geen spier. Hij moest zeer sterke zenuwen hebben, anders had hij de pijn niet kunnen doorstaan.

--Allah, Allah, wat heeft die vreemde u toegetakeld!--zeide Habulam. Die arm wordt nooit weer wat hij geweest is.

--Neen, ik ben Kötrüm (vleugellam) geworden,--zei de oude knersetandend. Daarvoor zal hij tien dooden sterven. Is hij dan zóó gemakkelijk in den strik geloopen?

--Zoo gemakkelijk als een kraai, voor wien men in den winter, in een peperhuis, een stuk vleesch neerlegt. Zoo'n domme vogel steekt er zijn kop in, om er het vleesch uit te halen, en daar het papier met Oska (vogellijm) bestreken is, blijft hem dat aan den kop kleven en wordt hij, als een blinde, zonder eenige moeite gevangen. Zoo'n peperhuis hebben wij dezen vreemdeling opgezet en hem gesnapt. Mijn broer noemde hem slim. Hij heeft het tegendeel bewezen!

--Neen, slim is hij niet, maar de Scheïtan staat hem bij. Dáár zit zijn kracht!

--De Satan....? Neen. De Kem bakysch!

--Allah, w' Allah!--riep Murabek, opspringende van schrik. Is dat werkelijk waar?

--Hij heeft het mijn knecht Humun gezegd en hem gewaarschuwd. Maar wat het ergste is, hij heeft niet maar den gewonen boozen blik, maar den Kem bakysch jyraka doghru (den boozen blik die in de verte werkt). Hij behoeft zich iemand maar voor den geest te halen en in gedachte aan te zien, dan komt over dien mensch al het kwaad dat hij hem toewenscht.

--Allah zij ons genadig! Neen, niet de duivel, maar zijn booze oog maakt hem onoverwinlijk. Die met hem zal vechten, moet hem aanzien en is dan verloren. Men kan dus geen gewonen strijd van man tegen man tegen hem opnemen, men moet hem van achteren aanvallen en zoo dooden; er vooral voor zorgende dat zijn oog niet op ons valt.

--Dus komt er van ons mooie plan niets?--vroeg Murad Habulam.

--Neen, tenzij iemand van ons den moed heeft om als Chajjal (spook) op te treden. Maar ik raad dat niemand aan, want dan zou het oog van den vreemde toch op hem rusten en hem verderven. Wie was daarvoor aangewezen?

--Humun.

--Neen, neen!--riep de knecht in doodelijken angst. Ik was het eerst wel van plan, maar nu denk ik er niet meer over om voor den geest van de oude moeder te spelen. Ik heb mijn leven veel te lief.