Chapter 24
Dat alles kwam er zoo rustig uit, alsof hij er zelf bij was geweest toen de veronderstelde stamvader met Abram zijn watermeloenen at! Hij deed alsof hij onzen gastheer een groote genade bewees met hem wel zijn verhaal te willen doen.
Nu gaf hij in goedgekozen woorden een kort verslag van hetgeen ons in de laatste dagen overkomen was. Geen jurist had het beter kunnen doen dan mijn Halef. Geen syllabe kwam hem over de lippen, die den ex-leverancier kon doen vermoeden dat wij wisten wat vleesch wij aan hem in de kuip hadden. Ik had inwendig plezier in den tact, waarmede hij zijn rol speelde, en knikte hem goedkeurend toe, nadat hij het verhaal had gedaan en mij vragend aankeek om te weten of ik over hem tevreden was.
Murad Habulam deed, alsof hij een en al verwondering was. Hij legde zijn pijp weg, wat voor een Muzelman iets buitengewoons is, sloeg de handen in elkaar en riep:
--O Allah, Allah, zend toch uw wrekers op aarde, opdat zij die boosdoeners, wier misdaden ten hemel schreien, door het vuur van uw toorn verdelgen! Moet ik gelooven, wat ik hoorde? Neen, 't is niet te gelooven!
Hij bleef als in verwondering verzonken, nam zijn rozenkrans en liet de paarlen door zijn magere vingers glijden, alsof hij bad. Eindelijk hief hij plotseling het hoofd op, zag mij onderzoekend aan en vroeg:
--Effendi, bevestigt gij de woorden van dezen Hadschi?
--Woord voor woord.
--Men heeft u dus bijna elken dag trachten te dooden?
--Zoo is het.
--Gij zijt dus die moordenaars zoo gelukkig ontkomen? Gij moet wel bizondere lievelingen van Allah zijn!
--Volgens die redeneering waren dan die moordenaars, lievelingen van Allah, indien hun plannen gelukt waren?
--Neen, maar uw dood stond dan in het boek des levens geschreven, en wat daar staat, kan zelfs Allah niet veranderen. Dat is Kismet.
--Welnu, dan wil ik hopen, dat het het Kismet zij van deze schurken, om nog hier op aarde hun welverdiende straf te moeten ontvangen.
--Dat hebt gij in uw hand gehad, maar gij hebt hen gespaard.
--Ik wilde hun rechter niet zijn.
--Vertelt gij dat nu allemaal in uw boek? Van den Shoet, van de Aladschy's, van Manach el Barscha, Barud el Amasat, en van den ouden Mubarek?
--Ik noem ze allemaal.
--Dat is voor hen een verschrikkelijke straf. En gelooft gij dat gij hen nog weer ontmoeten zult?
--Zeer zeker, want zij vervolgen mij. Hier in uw huis ben ik mooi veilig en dat dank ik u en den goeden Afrit, mijn gids. Maar morgen, als wij verder trekken, dan zullen die boosdoeners ons weer overvallen.
--Gij zult mijn huis toch de schande niet aandoen van er maar een enkelen nacht te blijven.
--Ik zal er over denken. Overigens is het naar uw overtuiging, van eeuwigheid af in het boek des levens geschreven, hoelang ik in uw huis vertoeven zal. Niet een van ons kan daar verandering in brengen. Ja, zelfs Allah kan dat niet.
--Dat is zoo. Maar ik hoop dat het licht uwer oogen mij nog langen tijd zal bestralen. Ik voel mij zeer eenzaam en verlaten hier in mijn huis, en gij zult mij opvroolijken en mij het lijden mijner voeten doen vergeten, indien gij heel lang bij mij blijft.
--Ook mij zou het aangenaam zijn, wanneer ik nog lang van uw gezelschap zou kunnen genieten. Gij moet vele en groote reizen ondernomen hebben?
--Wie heeft dat gezegd?
--De kleermaker.
Ik zag aan zijn gezicht, dat de kleermaker mij dat voorgelogen had. Toch antwoordde hij:
--Ja, toen ik nog goed ter been was, heb ik de steden en dorpen van vele landen bereisd.
--En straks hebt gij gezegd, dat gij zelfs geen berg zoudt willen bestijgen om de zon te zien opgaan!
--Nu niet, om mijn beenen,--zeide hij om zich te verdedigen.
--Waarom, als gij podagra hebt, laat gij uw voeten bloot ofschoon gij uw beenen omwikkelt?
Ik zag hem, bij die vraag, scherp aan. Hij werd verlegen. Zou hij om de een of andere reden podagra voorwenden en niet hebben?
--Omdat ik de ziekte in mijn beenen heb en niet in de voeten, beweerde hij.
--Gij hebt dus geen pijn in uw grooten teen?
--Neen.
--En die is ook niet gezwollen?
--Die is gezond.
--Hoe staat het 's avonds met de koorts?
--Ik heb nog nooit koorts gehad.
De man verried zich, want als die kenteekenen zich bij hem niet voordeden, had hij ook het podagra niet. Hij wist in geen enkel opzicht, welke verschijnselen met podagra gepaard gingen. Ik wist nu, wat ik aan hem had. Om het gesprek ook nog op de bibliotheek te brengen, die mijn gastheer, volgens Afrit had, vroeg ik hem:
--In uw lijden en in uw eenzaamheid zult gij wel veel afleiding en verpoozing vinden bij de vele boeken, die in uw bezit zijn.
--Boeken?--vroeg hij verwonderd.
--Ja, gij zijt een zeer geleerd man en gij bezit een menigte handschriften, waarom gij te benijden zijt.
--Wie zegt dat?
--Ook de kleermaker.
Blijkbaar had onze gids ook dit verzonnen om mij daarmee te zekerder in de val te lokken. Habulam begreep dit, en zeide daarom:
--Heer, mijn bibliotheek is bij lange na niet van zooveel beteekenis als gij wel denkt. Voor mij is die voldoende, maar voor een man als gij is ze onbeduidend.
--Toch hoop ik die bij gelegenheid te mogen zien.
--Met alle genoegen, maar nu niet. Gij zijt vermoeid, ik zal u uw vertrekken laten wijzen.
--Waar zijn die?
--Niet hier in huis, want daar zoudt gij te veel rumoer hooren, om rustig te kunnen slapen. Ik heb daarom voor u de Kulle jaschly Anaja in orde laten brengen; daar zijt gij vrij en met elkaar.
--Zoo als gij het schikt, is het mij goed. Maar waarom heet dat gebouw de toren van de oude moeder?
--Dat weet ik zelf niet. Men zegt, een oude vrouw is na haar dood, meermalen weergekomen en stond dan 's avonds in lijkwa op de zoldering, om van daaraf haar kinderen te zegenen. Gelooft gij aan spoken?
--Neen.
--Dan zult gij voor de oude vrouw ook wel niet bang zijn?
--Geen oogenblik! Maar komt zij tegenwoordig nog wel eens te voorschijn?
--De menschen zeggen van ja en gaan daarom 's nachts nooit naar den toren.
Waarom zeide hij mij dat? Als het in den toren niet pluis was, moest dat voor mij een reden zijn om in den toren niet te willen overnachten. Misschien ook wilde iemand ons verraderlijk, als spook gekleed, besluipen, en van zijn misdaad de oude vrouw de schuld geven,--een zeer kinderachtige gedachte, die alleen in het hoofd van zulke domme menschen kon opkomen.
--Wij zullen heel graag eens een spook zien, om het te vragen, hoe het er in het doodenrijk uitziet,--verzekerde ik hem.
--Zoudt gij daar den moed toe hebben?
--Zeker.
--Maar gij zoudt van een slechte reis kunnen komen. Hij, die met een geest spreekt, kan er het leven bij inschieten.
--Dat geloof ik niet. Allah zal geen verdoemde veroorloven, de ellende der hel te verlaten, om op aarde voor pleizier wat te gaan wandelen. En goede geesten behoeft men niet te vreezen. De als spook verkleeden gaan wij eenvoudig te lijf. Wees nu zoo goed ons naar den toren te laten brengen.
--Gij zult door een deel van den tuin moeten gaan, en ik denk dat gij dien met groot genoegen zult zien. Hij kost mij veel geld en is zoo prachtig als het park der gelukzaligen achter den ingang van het eerste Paradijs.
--Dan spijt het mij dat ik van uw aanbod geen gebruik kan maken, want het is mij onmogelijk door de lanen te wandelen.
--Dat behoeft u niet te beletten den tuin te zien. Gij behoeft niet te loopen, gij kunt rijden. Mijn vrouw is ook slecht ter been. Daarom heb ik voor haar een wandelstoel laten maken, waarop zij zich laat rijden. Zij is op het oogenblik niet thuis, en gij kunt dus gebruik maken van haar stoel.
--Dat is voor mij een heerlijke uitkomst.
--Ik zal den stoel terstond laten halen. Humun zal u rijden en u verder bedienen.
Die knaap moest ons ook in het oog houden, zoodat wij niets zouden kunnen doen, zonder dat het opgemerkt werd. Daarom antwoordde ik:
--Ik mag u van de hulp van uw lijfknecht niet berooven en ben gewoon mij door mijn metgezellen te laten ondersteunen.
--Dat kan ik niet toelaten. Zij zijn even goed mijn gasten als gij, en het zou strijden met de wetten der gastvrijheid, indien ik hen eenig werk liet doen. Verzet u dus niet tegen wat ik voorstelde. Humun heeft in last om alles te doen wat gij hem opdraagt en altijd bij u te zijn.
Altijd bij ons zijn! Dat wilde zeggen, wij waren onder zijn toezicht gesteld. Hoe zou ik van dien man af komen?
Hij bracht den stoel, ik zette mij er in en nam afscheid van onzen gastheer. Humun reed mij naar buiten en mijn metgezellen volgden.
Wij kwamen, door de breede gang van het hoofdgebouw, allereerst op een binnenplaats, die als algemeene mestvaalt scheen gebruikt te worden. Aan twee kanten stonden lage zadelvormige gebouwen die met stroo waren gevuld. De vierde zijde was bezet met stallingen, waartusschen een doorgang naar den tuin.
Deze zoogenaamde tuin was inderdaad een grasveld, waarop een menigte schelven stonden. Daarop volgden dan eenige bedden met groenten, waartusschen enkele bloemen. En dat moest 'de lusthof der gelukzaligen' verbeelden! Als de Profeet dien aangelegd had, ten genoegen van zijn geloovigen, dan moest hij van hun smaak eene armzalige voorstelling gehad hebben.
Toen wij die bedden voorbij waren, stonden wij weer voor een grasveld, dat grooter was dan het vorige. Ook hier waren vele mijten van hooi en allerlei graansoorten. Eindelijk zagen wij den 'toren der oude moeder'.
Het was een rond, zeer oud gebouw, vrij hoog opgetrokken, en vier ramen over elkaar. In de ramen waren, zooals gewoonlijk, geen vensters. De deur stond open.
De benedenverdieping bestond uit eene enkele ruimte, waarin een vrij gebrekkige trap, die naar de bovenverdieping leidde. Ik zag dat er matten langs den muur waren gelegd, met matrassen er op, en eenige kussens. In het midden dier ruimte lag op een laag onderstel, een plank die voor tafel moest dienen. Meer ameublement was er niet.
--Dit verblijf is ter uwer beschikking, Heer,--zeide Humun, nadat hij mij binnen gebracht had.
--Zijn hier dikwijls gasten?
--Neen. Deze kamer is de beste die wij hebben, en mijn gebieder wil u daarmee toonen, hoezeer hij uw komst op prijs stelt.
--Zijn er nog vertrekken boven ons?
--Nog twee verdiepingen, en daarop volgt het terras voor het vergezicht; maar zij zijn ongemeubeld, omdat er nooit iemand logeert.
De muur van ons vertrek zag er uit, alsof kleine aardbevingen de steenen van tijd tot tijd in de voegen deden verschuiven.
De muren waren niet gekalkt; ook was er geen schoorsteen. Het was een hok, meer niet.
Onderweg was ik op een gedachte gekomen, hoe ik Humun weg kon krijgen. Wij waren een arbeider tegengekomen, die afzichtelijke leepoogen had. Daardoor had ik mij onwillekeurig herinnerd, dat bijna alle Oosterlingen aan den "boozen blik" gelooven. De Italianen noemen dat "Jettatura".
Wanneer iemand, die den "boozen blik" heeft, bij toeval een ander scherp fixeert, verdenkt men hem al gauw een Jettatore te zijn. Zoo iemand wordt dan door een ieder gemeden.
Om kinderen tegen den boozen blik te beschermen, bindt men ze een rood lintje om den hals of hangt ze een rood kraaltje om, dat den vorm van een hand heeft.
Volwassenen kennen maar één middel, om zoo'n boozen blik af te weren. Dat doen zij, door hun hand, met uitgespreide vingers, tegen het booze oog op te heffen. Die dat doet en dan terstond wegloopt, ontkomt aan de doodelijke gevolgen der Jettatura.
--Dit vertrek is mij goed genoeg, alleen zou ik, voor van avond, een lamp willen hebben.
--Ik zal die meebrengen, tegelijk met het avondeten. Verlangt u ook nog iets?
--Ja, water. Meer hebben wij voor het oogenblik niet noodig.
--Ik ga het terstond halen, en hoop dat gij met mijn prompte bediening tevreden zult zijn. Zulke Heeren als gij, moeten vlug geholpen worden. Ik heb gehoord wat gij mijn meester verteld hebt. Van mijn hoogachting en toewijding kunt gij verzekerd zijn. Ik heb inwendig gebeefd, toen ik hoorde in wat gevaren gij geweest zijt. Allah heeft u in zijn bizondere bescherming genomen, anders waart gij al lang verloren geweest.
--Ja, Allah heeft er ons altijd uit geholpen. Hij heeft mij een bizondere kracht geschonken die mij altijd behoedt, zoodat geen vijand mij kan overwinnen.
Zijn nieuwsgierigheid was terstond opgewekt.
--Wat is dat, Heer?--vroeg hij gluiperig.
--Iets in mijn oogen.
--Iets in uw oogen! Hoezoo?
--Kijk mij eens flink met opgeslagen oogen aan.
Hij deed het.
--Welnu, bemerkt gij nog niets?
--Neen, Effendi.
--Is er niets in mijn oogen dat u opvalt?
--Volstrekt niets.
--Dat is juist het bizondere, dat men niets aan mij zien kan, en toch behoef ik mijn vijanden maar aan te zien, dan zijn ze verloren.
--Wat gebeurt ze dan, Heer?
--Dan gelukt hun nooit meer iets, hun leven lang. Hij, dien ik aankijk, is aldoor en in alles ongelukkig, namelijk als ik wil. De blik van mijn oog volgt hem tot in den dood. Zijn leven behoort mij voortaan toe; ik behoef slechts aan hem te denken en hem iets kwaads toe te wenschen, dan overkomt het hem ook.
--Heer, is dat waar?--vroeg hij haastig en verschrikt.--Hebt gij misschien den Kem Bakysch in uw oogen?
--Ja, ik heb den boozen blik, maar gebruik dien alleen tegen die mij kwaad willen doen.
--Allah zij mij genadig! Ik wil niets meer met u te maken hebben. Allah, w' Allah!
Hij strekte alle tien zijn vingers tegen mij uit, maakte rechtsom keert, en liep in allerijl weg. Mijn vrienden barstten in een onbedaarlijk gelach los.
--Dat hebt gij mooi gedaan, Sihdi,--viel Halef in. Die man laat zich niet weer zien, hij heeft een kwaad geweten. Wij krijgen nu gelukkig een ander om ons te bedienen.
--Ja, en wel hoogstwaarschijnlijk hem, dien ik wensch, namelijk Janik, de aanstaande man van dat jonge Christen-meisje.
--Waarom denkt gij dat?
--Omdat Humun hem alles kwaads toewenscht om Anka. Hij zag hem liefst dood gaan, en zal het nu wel zóó inrichten, dat Habulam onze verzorging aan zijn gehaten medeminnaar opdraagt. Maar help mij nu eerst op mijn matras en ga dan op verkenning uit. Wij moeten weten, hoe het er in dezen toren uitziet.
Toen ik het mij op mijn matras gemakkelijk gemaakt had, klommen de drie anderen naar boven, maar kwamen al spoedig terug. Halef berichtte:
--Ik geloof niet, dat hier eenig kwaad tegen ons ondernomen kan worden. De beide vertrekken boven ons, zijn volkomen zoo als dit.
--Zijn er blinden aan de ramen, zoo als hier?
--Ja, en ze kunnen met sterke houten sluitboomen vast gemaakt worden.
--Wij kunnen er dus voor zorgen, dat van nacht niemand ons besluipt, zonder leven te maken. En hoe is het heelemaal boven?
--Daar is een rondom open ruimte, door een ballustrade omgeven en gedekt door een dak, dat op vier steenen pilaren rust.
--Dat heb ik van buiten af ook gezien. In allen geval is daar de oude op gekomen om haar kinderen te zegenen.
--Maar dat zal zij nu wel niet meer kunnen, want de vroegere opening is dichtgemetseld,--verzekerde Halef.
--Dat dichtmetselen moet toch zijn reden hebben. Hoe komt men dan nu op dat terras om van het mooie vergezicht te genieten? Daar het rondom open is, kan het niet anders of er moet regen op vallen, waar blijft dat water? Loopt dat de trap af, in de vertrekken er onder en hier? Naar buiten kan het niet. De ballustrade belet dat. Er moet dus een afwatering zijn.
--Ja, die is er. De trap-opening op het terras wordt gesloten met een deksel dat men er afnemen kan. De dekselrand en die van de trapopening zijn van gom-elastiek voorzien en sluiten waterdicht. De vloer van het terras glooit van uit het midden naar den muur, en daarin is een gaatje waardoor het water afloopen kan.
--Hm! Die open terraskamer komt mij gevaarlijk voor. Men kan er van buiten af op en zoo bij ons komen.
--Daarvoor is het terras te hoog.
--Toch niet. Deze kamer is zoo laag, dat ik rechtop staande met mijn hoofd tegen de zoldering stoot. Wanneer de twee boven ons liggende vertrekken van dezelfde hoogte zijn, dan is de bedoelde vloer hoogstens zeven en een halven meter hoog. Reken ik nu nog een meter voor de balustrade, dan is de heele hoogte acht meter vijftig.
--Men zou een Merdiwan (een ladder) daarvoor noodig hebben, maar die zullen ze hier wel bij de hand hebben.
--Dat zou ik wel denken. Maar het trapluik kan toch wel goed gesloten worden?
--Neen.
--Het is dus zoo duidelijk als tweemaal twee vier, dat de weg naar hier voor onze vijanden, die natuurlijk een ladder hebben, open ligt. Of zijn de lagere zolderingen soms te sluiten?
--Neen.
--Ook dat niet! Wij kunnen dus op een mogelijk bezoek rekenen, dat wel eens slecht voor ons kon afloopen. Ik moet zelf den toestand opnemen. Osko, kunt gij mij op uw schouders naar boven dragen?
--Ja, Heer, ga er gerust op zitten, ik zal bukken.
Ik ging als te paard op zijn schouders zitten en hij droeg mij naar boven.
Iedere verdieping in den toren was juist als ons vertrek. In de vloeren waren openingen, waardoor de trap liep. Deze openingen hadden geen sluiting, behalve die onder het dak, waarvoor het sterke zware deksel diende, dat men, door de gummi-banden, waterdicht afsluiten kon. De gording, onder het dak, was anderhalve meter hoog, zoodat tusschen de zuilen, waarop het dak rustte, een opening was, waardoor men prachtige vergezichten had over velden en rijen van vruchtboomen.
Bovendien liep er, boven langs den toren, een balkon. Het was gevaarlijk zich daar buiten op te begeven, en dat zal wel de reden geweest zijn, waarom die toegang dichtgemetseld was.
Hier school voor ons het gevaar. Met een ladder kon men naar boven komen en drie trappen afgaande, was men in ons vertrek. Wilden wij dat verhinderen, dan moesten wij die dak-afsluiting zoodanig van binnen verzekeren, dat zij van buiten niet kon geopend worden.
Het vergezicht was echter in een droevig waas gehuld. Reeds gedurende het laatste uur van onzen rit hadden wij wolken zien drijven, die nu den ganschen horizon dekten en aldoor zich uitspreidden.
Nauwlijks waren wij in de voor ons bestemde kamer terug, of er kwam een flinke sterkgebouwde jongeman bij ons, met twee vaten drink- en wasch-water. Met zijn open en vriendelijken blik keek hij ons onderzoekend aan.
--Sallam!--klonk zijn heldere stem. Mijn Heer zendt mij om u water te brengen, Effendi! Het eten zal weldra klaar zijn.
--Waarom komt Humun niet?
--Zijn heer heeft hem noodig.
--En hij heeft ons juist het tegendeel gezegd!
--De beenen begonnen pijn te doen, toen had hij zijn knecht noodig.
--Dus komt gij ons bedienen?
--Ja Heer, tenzij u het anders wenscht.
--Ik zie u liever hier dan Humun. Gij zijt Janik, de aanstaande man van Anka?
--Ja Heer. Gij hebt haar veel gegeven. Zij heeft het geld nageteld, toen zij thuiskwam. Zij zendt het u terug, want gij moet u vergist hebben. Zóó veel hebt gij haar zeker niet willen geven.
Hij reikte mij het geld toe.
--Ik neem er niets van terug, want ik wist hoeveel ik haar gaf. Het is voor Anka.
--Maar dat is toch te veel, Heer!
--Neen. Misschien krijgt gij ook wel zooveel, als ik over u tevreden ben!
--Ik verlang geen Bakschisch, Heer. Wel ben ik arm, maar ik zal u gaarne bedienen, ook zonder fooi. Anka heeft mij gezegd dat gij ook van ons geloof zijt en bovendien den Heiligen Vader in Rome gezien hebt. Daarom doe ik gaarne alles waarmee ik u van dienst kan zijn.
--Gij zijt een brave jongen, en als ik u met iets kan helpen, doe ik dat gaarne. Is er soms iets, dat gij wenscht?
--Het eenige, dat ik wensch, is zoo spoedig mogelijk Anka mijn vrouw te kunnen noemen.
--Zorg dan dat gij zoo spoedig mogelijk de duizend piasters bijeen hebt.
--Aha, Anka heeft gebabbeld! Maar wat dat betreft, ik heb mijn duizend piasters al haast bijeen. Anka is echter met de hare nog lang zoo ver niet.
--Hoeveel ontbreken er nog aan uw spaarpot.
--Nog twee honderd.
--Hoe lang moet dat duren, voor gij die bijeen hebt?
--Nu, daar zal ik nog wel twee jaren voor noodig hebben. Ik moet geduld hebben. Stelen mag ik niet, en Habulam geeft maar heel weinig loon.
--Wat zoudt gij zeggen, als ik u die twee honderd piasters gaf?
--Maar, Heer, dat kunt gij toch niet meenen!
--Met iemand, die het zoo ernstig meent als gij, spreek ik ook in ernst. Ik wil u dat geld geven, en dan kunt gij uw Anka helpen sparen. Kom hier, daar is het.
Het waren ongeveer vierentwintig gulden. Ik gaf ze hem gaarne, want hij was een eerlijke oprechte jongen, en ook was het niet mijn geld, dat ik gaf. Hij was ontzettend blij; alleen kon hij niet begrijpen, dat een vreemde hem, zonder dat hij er iets voor doen zou, zooveel geld gaf. De eigenlijke reden zei ik hem natuurlijk niet. Mijn doel had ik echter bereikt, want ik had in Janik iemand gewonnen, dien ik volkomen kon vertrouwen en ons met al wat hij kon, zou bijstaan.
Hij gaf een ieder van ons de hand, met de verzekering, dat hij alles zou doen om onze tevredenheid te verdienen.
Ik begon hem nu voorzichtig over zijn heer uit te hooren, en ik kwam het navolgende te weten:
Habulam was de broeder van Manach el Barscha, den wegens verduistering voortvluchtigen ontvanger der belasting. Daarom was mij het gezicht van Habulam zoo bekend voorgekomen, want hij geleek sprekend op zijn broer. Manach kwam dikwijls bij zijn broer, en verschool zich, omdat hij hier te bekend was, alsdan in de groote koornschelf, die het dichtst bij onzen toren stond. Deze schuilplaats moest voor de knechten een geheim blijven, maar dezen kenden dat reeds lang. Natuurlijk zwegen zij er over. Ook had Habulam aan Janik gelast, om zooveel mogelijk bij ons te blijven en hem alles over te brengen wat wij onder elkaar mochten praten.
--Als hij er naar vraagt,--zeide ik,--zeg hem dan dat gij ons niet verstaat, want dat wij in een vreemde taal spreken, die gij niet kent.
--Dat zal wel het best zijn. Nu moet ik echter weg, want het eten zal klaar zijn.
Toen Janik ging, liet hij, zooals ik hem gezegd had, de deur openstaan, opdat ik de gevaarlijke koornschelf op mijn gemak zou kunnen bezien. Deze was van een tamelijken omvang, en juist tegenover ons; ook merkte ik onderaan een plek op, die iets afweek van de omgeving. Daar was ongetwijfeld de ingang. Boven uit den top van het trechtervormige dak stak een stok, waarin zich een stroowisch bevond, die misschien wel dienen moest om geheime teekens te geven.
Janik kwam al spoedig terug, met een groote mand. Hij zette het eten op tafel. Het bestond uit maïsbrood, koud vleesch en een warme verleidelijk riekende ommelet (Jumurta jemeki).
--Heer,--zeide hij,--Anka heeft mij toegefluisterd, dat gij u voor de Jumurta jemeki in acht moest nemen.
--Heeft zij iets opgemerkt dat haar verdacht leek?
--Onze Heer heeft zelf er alles voor klaargemaakt, maar Anka eerst weggestuurd. Ze heeft echter door een kiertje gekeken en gezien dat hij het peperhuis met Sytschan zehiri (rottekruid) uit zijn zak haalde.
--En was hij nu ook nog in de keuken?
--Ja, hij vroeg mij, waarover gij gesproken hadt, en ik antwoordde zooals gij mij gezegd hadt. Toen gelastte hij mij, erg vriendelijk tegen u te zijn en zooveel mogelijk met u te praten, opdat gij mij zoudt moeten antwoorden en misschien lust zou krijgen een gesprek met mij aan te knoopen. Hij heeft mij vijf piasters (60 cts.) fooi beloofd, voor als ik alles goed deed.
--Hebt ge soms lust om uw ziel voor vijf piasters aan den duivel te verkoopen?
--Voor geen duizend! Maar Anka laat u zeggen, dat gij zonder zorg van het vleesch en het brood kunt eten.
--Dan zullen wij haar raad opvolgen. De Jumurta jemeki zal ik terstond de musschen eens laten proeven.
Wat keurige kamer wij hadden, blijkt uit het feit dat ons vertrek tot toevluchtsoord en onderdak van eenige musschen diende. Er waren enkele steenen uit de muren gevallen en in de daardoor ontstaan zijnde gaten bevonden zich de nesten van die brutale proletariërs, die niet eens zooveel gevoel, voor wat gebruikelijk was, bezaten, dat ze behoorlijke nesten maakten.
Die vroolijke musschen schenen voor ons in 't geheel niet bang te zijn, want zij vlogen onophoudelijk in en uit, en zaten, van uit hun nest, zoo onbeschaamd mogelijk, te kijken.