Door het land der Skipetaren

Chapter 23

Chapter 234,132 wordsPublic domain

--Ik dacht, dat het er, in dit geval, niet op aan kwam, of ik van een Khan of een Konak sprak. Ik ken den eigenaar. Hij ziet altijd verlangend naar gasten uit, en hij zal u van harte welkom heeten.

--Wie is hij dan?

--Een Turk uit Salonika, die hier, na een zeer bedrijvig leven, van de rust genieten wil. Hij heet Murad Habulam.

--Hoe ziet hij er uit?

--Hij is van middelbaren leeftijd, een lange magere figuur en zonder baard.

Op een langen schralen baardloozen Turk was ik niet bizonder gesteld. Ik kan mij een dapperen rechtgeloovigen eerlijken Turk niet als een half of heel skelet voorstellen, en weet bij ervaring dat men in het land der Osmanen, voor een meer dan middelmatig langen mageren en bovendien baardloozen man, op zijn hoede moet zijn. Ik vermoed dat de kleermaker zoo iets op mijn gezicht las, want hij vroeg mij:

--Is het u niet naar den zin, dat ik u bij hem breng?

--Neen, want ik vind het onbescheiden, indien men, vijf man sterk, ongenood en onbekend, bij iemand in huis komt vallen.

--Maar dat doet gij niet, want hij laat u noodigen.

--Dat is wat nieuws!

--De verklaring ligt voor de hand. Hij heeft bizonder graag gasten en ik kom zeer dikwijls bij hem. Voor eens en voor goed heeft hij mij bevolen, mijn bekenden mee te brengen, wanneer die zoodanig zijn dat hij zich over hen niet behoeft te schamen.

En om het mij recht uitlokkend te maken, ging de kleermaker voort:

--Vreemdelingen ziet hij het allerliefst. Hij is een zeer geleerd en bereisd man, even als gij. Gij zult elkander best bevallen. Bovendien is hij zóó rijk, dat hij zijn huis wel altijd vol gasten kan hebben. Hij heeft een prachtige woning, met een harem, een park en alles wat een rijk man maar hebben kan.

--Heeft bij ook boeken?

--Een groote verzameling!

Dat hief alle bedenking op, en ik zond den kleermaker vooruit om ons aan te dienen.

Terwijl ik met Halef over den schatrijken en geleerden Turk praatte en mijn vermoeden uitsprak, dat de Aladschy's onze komst misschien al wel aangekondigd hadden, werd het paard van Halef op eens schichtig en schuw.

Wij reden namelijk dichtbij den vijver, en er was over de watervlakte een boot recht op ons aan komen schieten. Er zat een jong meisje in, dat met krachtige slagen de riemen hanteerde.

Zij was gekleed als alle ongetrouwde Bulgaarschen. Van onder den rooden doek, die haar hoofd dekte, hingen twee lange zware vlechten uit.

Zij had blijkbaar groote haast, want zonder de boot vast te maken, sprong zij er uit en wilde in allerijl ons voorbij gaan. Haar roode doek, haar driftige beweging of wat het ook geweest moge zijn, deed Halef's paard schrikken; het sprong naar voren, raakte het meisje met den eenen hoef en sloeg haar tegen den grond. Mijn hengst werd ook schuw en steigerde. De Bulgaarsche wilde opspringen, week den verkeerden kant uit, kwam onder mijn paard en schreeuwde het uit van angst.

--Stil! Gij maakt het paard schuw. Blijf rustig liggen!--riep ik.

De hengst trippelde nog wel een beetje maar trapte haar niet en--zij kon opstaan. Zij wilde nu weg loopen. Ik gebood haar echter:

--Hallo! Een oogenblik! Hoe heet gij?

Zij bleef staan en zag naar mij op. Het was een echt Bulgaarsch jongemeisjes-gezicht, poeselig, rond en vol, met kleinen neus en goedige oogen. Naar de kleeding te oordeelen, was zij arm. Ook ging zij barrevoets. Halef's paard scheen haar pijn gedaan te hebben, want zij trok den eenen voet omhoog.

--Anka, is mijn naam,--antwoordde zij.

--Zijn uw ouders nog in leven?

--Ja.

--Broers en zusters?

--Veel.

--Ook een hartedief?

Er kwam een diepen blos op het frissche gezichtje, maar toch draalde zij niet met te zeggen:--Ja, een pracht-exemplaar!

--En wat is zijn naam?

--Janik. Hij is knecht.

--Dan zijt gij-beiden zeker niet rijk?

--O, als wij geld hadden, was ik al lang zijn vrouw. Maar wij sparen.

--Hoeveel wel?

--Ik, duizend piasters en hij duizend.

--En wat gaat gij dan beginnen?

--Dan gaan we naar Uskub, waar zijn en mijn ouders wonen, en we pachten een stuk tuingrond. Zijn vader is tuinman en de mijne ook.

--Nu, en hoe staat het met den spaarpot?

--Dat gaat maar heel langzaam, Heer! Ik verdien niet veel en wil van tijd tot tijd toch ook wat aan mijn vader geven, die ook maar pachter is.

Dat deed mij genoegen. De Bulgaarsche zag mij zoo trouwhartig en kinderlijk aan.

--Hebt gij u pijn gedaan?--vroeg ik.

--Het paard heeft mij geraakt.

Erg was het gelukkig niet, want zij stond flink rechtop. Maar ik stak mijn hand in mijn zak en haalde er een kleinigheid, misschien vijftig à zeventig piasters, uit en reikte ze haar toe.

--Dan moet ge naar den dokter of apotheker gaan, om de kwetsuur te laten genezen. Hier hebt gij iets om het te betalen.

Zij stak de hand uit om het geld aan te nemen, maar trok die terstond weer terug, zeggende:

--Maar dat mag ik niet aannemen.

--Waarom niet?

--Omdat ik misschien geen dokter of apotheker zal noodig hebben en dan mag ik dat geld ook niet aannemen.

--Wel, neem het dan, als een present, van mij aan.

Zij zette een allerliefst bedremmeld gezicht en vroeg verlegen:

--Waarvoor dan? Ik heb toch nog niets voor u kunnen doen.

--Dat doet men ook niet voor een present. Leg het in uw spaarpot of zend het aan uw vader, die het wel zal kunnen gebruiken.

--Heer, gij geeft mij daar een goeden raad. Ik zal het aan mijn vader zenden. Hij zal Moeder Maria voor u bidden, ofschoon gij een Moslem zijt.

--Ik ben geen Moslem, maar een Christen.

--Daar ben ik te meer blij om. Ik ben een Kyzyr Elma katolika, (Roomsch-Katholieke) en mijn aanstaande behoort tot hetzelfde geloof.

--Welnu, ik ben in Rome geweest en heb den Baba mukkades, (den Heiligen Vader) gezien, omgeven van de hooge Kardnalalar (de Kardinalen).

--O, als gij me daar van zoudt willen vertellen!

Onder dien wensch lag ook heel wat vrouwelijke nieuwsgierigheid verscholen, maar wie zal daarom haar belangstelling veroordeelen! En dat zij een belangstellende was, dat bewezen haar oprechte fonkelende oogen.

--Ik zou u dat genoegen gaarne doen, maar zie u waarschijnlijk niet weer.

--Gij zijt een vreemdeling, naar ik zie. Waar neemt gij uw intrek?

--Bij Murad Habulam.

--Tanry walideji aziza--Heilige moeder Gods!--riep zij verschrikt uit. Haastig kwam zij nader, greep mijn stijgbeugelriem en vroeg fluisterend:

--Zijt gij soms de Effendi, die met drie makkers hier wordt gewacht?

--Een Effendi ben ik, en drie vrienden begeleiden mij. Maar of ik verwacht word, dat weet ik niet.

--Komt gij van Sbiganzy?

--Ja.

--Dan zijt gij het.

En terwijl zij op haar teenen ging staan, fluisterde zij mij nog zachter toe:

--Neem u in acht!

--Gij moogt gerust hardop spreken, Anka. Deze drie mannen mogen alles hooren; het zijn mijn vrienden. Voor wien moet ik mij in acht nemen?

--Voor Murad Habulam, Heeren!

--Aha, gij zijt bij hem in dienst?

--Ja, en Janik ook.

--Hebt gij reden om mij te waarschuwen?

--Men staat u naar het leven.

--Dat weet ik reeds. Kunt gij mij misschien zeggen, wat men van plan is?

--Nog niet. Ik heb geluisterd en Janik ook. Wij hebben iets gehoord, wat ons deed vermoeden dat men iets verschrikkelijks met u voorhad.

--Wilt gij mij beschermen?

--Gaarne, met alle liefde, want gij zijt van mijn geloof en hebt den Heiligen Vader gezien. Ik zal u helpen, al joeg mijn meester er mij ook om weg.

--Als hij dat doet, zal ik voor u zorgen.

--Zult ge dat inderdaad doen, Effendi?

--Ik geef u mijn woord.

--En dat zult gij houden, want gij zijt een Christen. Ik kan u voor 't oogenblik niets meer zeggen, want ik moet naar de keuken, omdat onze meesteres naar Uskub op bezoek is. Zij is terstond weggestuurd, zoodra er bericht kwam van uw komst. Pas op voor Humun, den bediende, die de vertrouwde is van onzen heer en mij haat, omdat ik Janik liefheb en niet hem. Gij zult in den toren Kulle Jaschly anaja (de toren van de oude moeder) slapen, en ik zorg er voor dat gij nader bericht krijgt. Als ik zelf niet kan komen, dan zal ik u Janik zenden, dien gij volkomen vertrouwen kunt.

Zij had in vliegende haast gesproken en liep ijlings weg.

--Heer, wat hebben wij daar moeten hooren?--zeide Osko. Wat verschrikkelijk gevaar dreigt ons daar? Zouden wij niet beter doen, met naar de gewone herberg te gaan?

--Neen. Daar zou ons hetzelfde dreigen, zonder dat wij ons zouden kunnen verdedigen. Hier hebben wij vrienden, die ons zullen helpen en die ons zullen zeggen wat wij te doen hebben.

--De Sihdi heeft gelijk,--verzekerde Halef. Allah heeft ons deze vriendin en die haar lief heeft, gezonden om ons te beschermen. Het Christendom moet toch wel goed zijn, waar het de elkaar vreemde belijders tot onderlinge hulp verbindt. Omdat ik een Moslem ben, kan ik geen Christen zijn; maar als ik geen Moslem was, dan zou ik een volgeling van Isa ben Marryam worden (Jezus, Maria's Zoon). Zie, daar wenkt ons de kleermaker, onze verrader!

Wij waren nu aan den hoek van den tuinmuur gekomen en reden er langs. Daar stond de deur open, en de kleermaker stond er bij, om ons binnen te leiden.

--Komt, komt!--riep hij ons toe. Gij zijt hoogst welkom. De heer des huizes wacht u.

--Kan hij zelf ons niet komen ontvangen?

--Neen, want hij lijdt aan zijn beenen en kan niet loopen.

--Maar dan bezorgen wij hem te veel moeite en hinderen wij hem in zijn zoo noodige rust.

--In 't geheel niet. Hij verheugt er zich op, in zijn eenzaamheid menschen te zien met wie hij zich kan onderhouden, want de verveling is de groote schaduwzijde van deze krankheid.

--Nu, dat is te verhelpen. Schertsen kunnen wij en bezighouden ook.

ELFDE HOOFDSTUK.

IN DEN TOREN DER OUDE MOEDER.

Wij reden door de poortdeur binnen. Naar de beschrijving, ons door den kleermaker gegeven en door den indruk dien het gebouw, van uit de verte, op mij gemaakt had, dacht ik zoo iets als een slot of kasteel te zullen zien. Maar hoe viel dat tegen!

Het was wel een lang en hoog gebouw, maar mocht veeleer een bouwval heeten. De ramen keken ons vensterloos aan en het dak was op tallooze plaatsen zonder bedekking. Het pleister van de muren was verdwenen en langs het front van het gebouw lag het poeder waarin de verweerde tegelsteenen waren overgegaan.

Wij reden tot voor de hooge dubbele deur, waar ons een kerel ontving wiens lange en smalle galgetronie alles behalve vertrouwen inboezemde.

--Dit is Humun, de lijfknecht van den Heer,--zeide de kleermaker.

Aha, daar hadden wij al terstond den man, voor wien wij op onze hoede moesten zijn! Hij maakte voor mij een diepe buiging en wees op twee pootige knapen, die achter hem stonden, zeggende:

--Effendi, mijn Heer betreurt het zeer dat gij niet kunt loopen. Daarom gaf hij bevel dat deze mannen u naar hem toe zouden dragen. Zij zijn zoo sterk, dat gij u gerust op hen kunt verlaten.

Ik steeg van mijn paard. De beide dragers strengelden twee armen en vouwden de vrij zijnde handen zóó, dat die een zitting vormden, terwijl de armen voor leuning konden dienen. Op dien levenden draagstoel gezeten, werd ik, door het voorportaal en twee vertrekken, naar de ontvangkamer gebracht. Mijn makkers volgden mij.

De ontvangkamer was redelijk gestoffeerd. Langs de wanden stonden divans. Op een geringe verhooging, tegenover den ingang, zat de zoogenaamde slotvoogd. Naast hem was een dergelijke verhoogde zitplaats, die blijkbaar voor mij bestemd was, en tegenover ons lagen eenige matrassen voor mijn metgezellen.

De dragers bleven met mij in de deuropening staan. Onze gastheer boog, zonder op te staan en zeide:

--Zijt mij welkom, groote Effendi! Allah zegene uw ingang in mijn huis en doe u vele dagen bij mij blijven! Houd het mij ten goede dat ik u niet staande begroet, maar blijf zitten, maar Nikris (podagra) belet mij u de verschuldigde beleefdheid te bewijzen. Laat u naast mij nederzetten. Uw volgelingen zullen, hier voor ons, uitrusten van hun vermoeienis.

Men zette mij naast hem neer en de drie namen tegenover ons plaats.

Ik sprak eenige beleefde woorden van dank en verontschuldiging die hij afbrak met de verzekering, dat niet ik hem, maar hij mij dank verschuldigd was.

De dragers hadden zich verwijderd, en de lijfknecht bracht pijpen en koffie.

In het Oosten is men gewoon den rijkdom van een man te beoordeelen naar zijn rookgerei. Naar dien maatstaf was Murad Habulam een zeer rijk man.

De pijp die men mij gaf, en ook die waaruit hij rookte, hadden een roer van echt rozenhout, dat met gouddraad omwonden en met edelgesteente versierd was. De mondstukken verdienden in een museum ten toon gesteld te worden. Het barnsteen was half doorzichtig, wolkrijk, een soort dat in het Oosten veel hooger geschat wordt dan het doorschijnende.

De kleine kopjes, waarin de koffie gediend werd en die men, 'fingans' noemt, stonden op schotels van filigraan, en toen ik de koffie proefde, moest ik bekennen nog maar eenmaal en wel in Caïro, zoo iets lekkers te hebben gedronken. Ze werd naar Oostersch gebruik, natuurlijk met het fijngestooten bezinksel genoten. Een kopje hield ongeveer vier vingerhoeden in. Ook de tabak was van de fijnste soort. Jammer, dat de pijpekoppen zoo klein waren. Als men ongeveer vijftien trekjes had gedaan, moesten zij opnieuw gestopt worden, waar Humun, 's meesters lieveling, voor zorgde.

Daar de beleefdheid meebracht, dat men zijn gasten niet zoo terstond naar hun omstandigheden vraagt, werden slechts algemeene opmerkingen ten beste gegeven.

Toen dit een poos geduurd had, schoof de heer des huizes wat dichter naar mij toe en vroeg:

--Hebt gij een goede reis gehad, Effendi?

--Allah heeft mij veilig geleid,--antwoordde ik.

--Afrit, de kleermaker, zeide mij, dat gij van Sbiganzy waart gekomen.

--Ik was sedert gisteren daar.

--En voor dien?

--In Radowitsch en Ostromdscha.

--Zoo zijt gij altijd door op reis geweest?

--Ja, want wij komen van Edreneh en Stambul.

--Van Stambul! Allah heeft het dan wel goed met u voorgehad, dat hij u in de stad van den Padischah heeft laten geboren worden!

--Ik ben daar niet geboren. Ik kwam van Damascus over Falesthin (Palestina) daarheen.

--Dus zijt ge een Damaski?

--Ook dat niet. Ik ben een Frank, een Germani, en ik reisde van uit mijn vaderland naar de groote Sahar (Sahara) om van daar naar Gypt (Egypte) en Belad el arab (Arabië) te gaan.

--Allah is groot! Hebt gij zoover moeten reizen? En hebt gij goede zaken gemaakt?

--Ik reis niet voor zaken. Ik wil de landen bezoeken en de volken, die er wonen, hun taal en hun zeden leeren kennen. Daarvoor heb ik mijn vaderland voor zoo langen tijd verlaten.

Hij zag mij ongeloovig aan.

--Daarvoor? Allah! Wat geeft het u of gij al bergen en dalen ziet, de menschen en beesten, woestijnen en wouden? Wat hebt gij er aan, of gij al ziet, hoe men zich kleedt, en hoort, hoe men spreekt?

Dat was weer de oude domheid, waarop ik al zoo dikwijls was gestuit. Die menschen kunnen en willen maar niet begrijpen dat men alleen uit belangstelling volken en landen bezoekt. Een handelsreis, een bedevaart naar Mekka, verder gaat hun begrip niet.

--Houdt gij van Dschografia (geografie)?--vroeg ik hem.

--Veel. Ik lees zulke boeken heel graag.

--Wie hebben die boeken geschreven?

--Geleerde menschen, die zulke landen bezochten.

--En die menschen zijt gij toch zeker wel dankbaar, dat zij die boeken, waaruit gij zooveel leert en die u zoo aangenaam bezig houden, schreven?

--Natuurlijk!

--Welnu, ook in mijn vaderland zijn menschen, die zulke boeken verlangen. Vele, vele duizenden zijn er, die ze lezen. Er moeten dus ook mannen zijn, die ze schrijven, waarvoor zij eerst verre landen moeten bezoeken. Een zoodanige ben ik.

--Gij zijt dus een Ehli Dschografie. Maar ik vraag u nògmaals: wat hebt gij er aan? Gij verlaat uw huis en harem; gij offert alle genoegens van het leven op, om in den vreemde allerlei moeite, honger en dorst te lijden en misschien wel in groot gevaar te komen.

--Ja, dat is zeker het geval.

--En dan sluit gij u op, om uw oogen met schrijven te bederven, opdat de nieuwsgierige menschen zouden kunnen lezen, wat gij al zoo ondervonden en gezien hebt. Wat hebt gij er toch aan?

--Is dan het reizen op zich zelf geen genot?

--Neen, het heeft groote moeite.

--Gij zoudt dus ook geen hoogen berg beklimmen om de zon te zien ondergaan?

--Néén. Daar ben ik te verstandig voor. Waarom zou ik mijn gemakkelijken divan vaarwel zeggen, waarop ik kan rooken en koffie drinken? Waarom zou ik klimmen en dalen, als het mij niet anders geeft dan moe-worden? Dat is toch nergens toe nut. De zon gaat op en onder, ook al ga ik niet boven op een berg zitten. Allah heeft alles heel wijs ingericht, en ik kan door mijn klauteren niet het minste aan zijn raadsbesluiten veranderen of verbeteren.

Inderdaad zoo denkt de Moslem. Allah il Allah! Zijn kismet beheerscht alles en allen, en die voorstelling is de oorzaak van hun grenzenloos flegma.

--Zoo zoudt gij, alleen om kennis te verkrijgen, niet naar verre landen willen reizen?--vroeg ik.

--Neen, beslist neen!

--Maar een voordeel heb ik er van. Het voorziet in mijn levensonderhoud.

--Hoezoo? Kunt gij bergen eten en rivieren uitdrinken, die gij vindt?

--Neen, maar als ik een boek geschreven heb, waarin ik van mijn reizen vertel, dan krijg ik daar geld voor, en dat is mijn inkomen.

Nu had ik toch eindelijk iets gezegd dat hij nog zoo dwaas niet vond.

--O, zeide hij,--nu begin ik te begrijpen. Gij zijt geen Geograaf, maar een Kitabschi (een boekhandelaar).

--Neen, maar de Kitabschi betaalt mij voor wat ik schrijf, daarna drukt hij het af en maakt er een boek van, dat hij aan de lezers verkoopt. Zoo maken wij allebei zaken.

Hij bracht zijn vinger aan zijn neus, dacht een oogenblik na en zei toen:

--Nu weet ik het. Gij zijt het die de koffie uit Arabië haalt, en de Katabschi is de man die ze verkoopt aan de menschen.

--Ja, dat is nagenoeg zoo.

--Schrijft gij alles op, wat gij ziet?

--Niet alles, maar alleen wat belangrijk is.

--Maar wat is belangrijk?

--Wat mijn denken en mijn gevoel meer dan gewoon bezig houdt.

--Bij voorbeeld, als gij een bizonder goed mensch ontmoet?

--Ja, die komt in mijn boek.

--Of een ergen deugniet?

--Ook dien beschrijf ik, opdat de lezers hem zouden kennen en verafschuwen.

Hij trok een bedenkelijk gezicht. De zaak begon hem gevaarlijk te worden.

--Hm!--bromde hij. Dus goeden en slechten worden door u in het land bekend?

--Zeker.

--Noemt gij ook hun naam in uw boek?

--Stellig.

--Wie en wat zij zijn en de plaats en het huis, waar zij wonen?

--Heel nauwkeurig zelfs.

--Wat zij gedaan hebben en wat gij met hen hebt gesproken en over hen hebt hooren zeggen?

--Dat allemaal.

--Allah, Allah! Gij zijt dan een groote verrader! Men moet bang voor u zijn.

--Goede menschen hebben van mij niets te vreezen. Integendeel, men zal ze overal prijzen, want mijn boeken worden in alle talen overgebracht. De slechten krijgen echter hun loon, als zij overal bekend en aan de verachting prijs gegeven worden.

--Zult gij ook over Sbiganzy schrijven?

--Zeer veel zelfs, want ik heb daar zeer veel ondervonden.

--Misschien schrijft gij dan ook wel over Kilissely?

--Ongetwijfeld, want Kilissely is te mooi, dan dat ik het zou vergeten.

--Wat zult gij er van zeggen?

--Dat weet ik nog niet. Ik moet eerst afwachten, wat ik hier zie, hoor, beleef en ondervind. Maar dat gij prachtige pijpen hebt en de lekkerste koffie, die ik ooit heb gedronken, dat zal ik van u roemen en prijzen.

Hij keek zwijgend voor zich, en gedurende eenige oogenblikken sprak geen onzer. Ik had hem, vanaf het oogenblik, dat ik binnen gekomen was, goed opgenomen. De man kwam mij zoo bekend voor. Waar had ik dat gezicht meer gezien?

Hij maakte op mij niet den indruk van een rijk man te zijn. Zijn tulband-doek was oud en vuil en zijn kaftan eveneens. Van zijn beenen zag ik slechts dat zij dik omzwachteld waren, van wege het podagra. Desniettegenstaande waren zijn voeten niet omwonden maar bloot, en staken in oude dunne afgesleten pantoffels.

Hij was evenwel zeer lang en mager. Zijn gelaat getuigde in diepe groeven, niet van ouderdom, maar van uitspatting. Zijn scherpe trekken, de kleine, iemand doorborende, cynische oogen, die sterk ontwikkelde kin, die breede, aan de hoeken neergetrokken mond, dat alles bijeengenomen maakte geen aangenamen indruk. Hij was integendeel het type van een gierigaard, wiens gedachten altijd loeren op het bijeenschrapen van geld, zonder er zich over te bekommeren hoe het verkregen werd.

--Ik hoop--zeide hij eindelijk,--dat het u bij mij zal bevallen en gij veel goeds van mij schrijven zult.

--Dat zal ik zeker. Gij hebt mij zoo vriendelijk en gastvrij ontvangen, dat ik alle reden heb om u dankbaar te zijn.

--Ik zou u nog heel anders ontvangen hebben en u ook beter hebben laten verzorgen, maar mijn vrouw is van huis, en ik kan mij niet bewegen. Ik heb aan beide beenen veel te lijden van de Nikris. Die heb ik in den oorlog opgedaan.

--Gij waart dus militair? Officier?

--Ik had een veel hoogeren en beteren rang. Ik was Asker zagredschiji (leverancier van het leger), en heb voor de kleeding en voeding van des Sultans helden gezorgd.

Aha, hij was dus de aannemer van het leger geweest! Onwillekeurig dacht ik aan de arme, half naakte en uitgehongerde soldaten, wier lijden deze leveranciers zoo rijk had gemaakt.

--Dan hadt gij een zeer gewichtig ambt en genoot gij wel het vertrouwen van den Grooten Heer!

--Ja, dat is zoo!--zei hij trotsch. De leverancier is eigenlijk de man die de veldslagen wint; hij leidt de strijders tot de overwinning. Zonder hem is er geen moed, geen dapperheid, maar slechts honger, ellende en ziekte. Het vaderland heeft veel, zeer veel aan mij te danken.

--Zal ik dat ook in mijn boek vermelden?

--Ja, ik bid u, doe dat. Hebt gij over ons land en over de onderdanen van onzen Sultan veel goeds te schrijven?

--Zeer veel,--antwoordde ik kortaf, want ik bemerkte dat hij op het onderwerp wilde overgaan, dat voor hem het gewichtigste was.

--Misschien ook wel veel wat niet te prijzen is?

--Ook dat; er zijn overal goede en slechte menschen.

--Hebt gij van dat laatste soort er veel bij ons aangetroffen?

--Ja, vooral in den laatsten tijd en vooral in deze streken.

Hij schoof heen en weer. Op dit thema had hij willen komen.

--Dan zullen de lezers van het boek dat allemaal te weten komen.... Ik zou dat boek wel eens willen hebben.

--Dat zoudt gij toch niet kunnen lezen, want het is niet in uw taal geschreven.

--Maar dan kondt gij er mij toch wel een en ander uit vertellen.

--Misschien later, als ik eerst wat geslapen heb.

--Dan zal ik u wijzen, waar gij overnachten zult. Maar zoudt gij mij er niet eerst wat van willen vertellen?

--Ik ben werkelijk zeer moe; maar om u te toonen dat ik voor mijn gastheer wil doen wat ik kan, zal ik door mijn metgezel Halef Omar een kort verhaal laten doen van wat wij in den laatsten tijd hebben doorgemaakt.

Dat Halef vertellen mocht, was hem zeer naar den zin, maar het stak hem dat Murad Habulam, onze gastheer, hem van uit de hoogte aanzag en half gebiedend zeide:--Dat hij beginne, ik hoor.--Ik wist wat er komen zou.

--Veroorloof mij u eerst te zeggen wie zoo goed zal zijn tot u te spreken, zoo begon hij. Ik ben Hadschi Halef Omar Ben Hadschi Abul Abbas Ibn Hadschi Dawuhd al Gossarah. Mijn beroemde stam rijdt de beste Hassi-Ferdschahn merries der woestijn, en de krijgers mijner Ferkah dooden den leeuw met hun lans. De overgrootvader van mijn overgrootvader reed met den Profeet in den slag en de stamvader van dezen held heeft met Abram, den vader van Isaac watermeloenen gegeten. Is uw stamboom even zuiver en oud?

--De rij mijner voorvaderen is niet minder groot,--antwoordde Habulam wel eenigszins verlegen.

--Dat is gelukkig voor u, want niet hij is een man van beteekenis, die fijne pijpen heeft en kopjes, maar die wijzen kan op een reeks van roemrijke voorouders. In het Paradijs wachten helden, wier geliefde nakomeling ik ben, op mijn komst. Niet een ieder vereer ik met mijn verhalen, maar omdat mijn vriend en Heer, de Hadschi Effendi Kara Ben Nemsi Emir het wenscht, daarom zal ik verhalen, maar verlang ook dat gij met opmerkzaamheid mij aanhooren zult.