Door het land der Skipetaren

Chapter 21

Chapter 214,203 wordsPublic domain

--Met een bijzondere bedoeling. Hebt ge ook al niet nog andere takjes gezien, die omgebroken waren?

--Neen, Heer.

--Dit hier is het elfde, dat ik opgemerkt heb.

--Dat kan wel, maar zal wel louter toeval zijn.

--Men kan al loopende of rijdende, spelenderwijze een takje grijpen, maar elf.... en nu eens rechts en dan weer links, dat moet met een bepaalde bedoeling geschied zijn.

--Dan zou ik die bedoeling wel eens willen weten.

--Let dan maar goed op. Wij zullen nog wel meer van die teekens aan de volgende boomen zien, en dit is er het eigenaardige van, dat zij allemaal in dezelfde richting gebogen zijn.

--Natuurlijk, omdat het groot-wild in dezelfde richting geloopen is.

--Onmogelijk, dat een hoog wild dat zou hebben gedaan. De breuk aan de takken is geregeld op dezelfde hoogte en juist zoo hoog als een ruiter reikt. De breuk is hooger dan een ree of het gewei van een hert reikt. En bovendien loopt het spoor van den Miridiet altijd van rechts naar links, van het eene gebroken takje naar het andere.

--Maar Heer, daar gij toch zoo scherpzinnig zijt, zeg ons dan ook, om wat reden hij ze zal gebroken hebben.

--Kent gij misschien een man, die Suef heet.

Het kleine manneke, dat zich zoo hardnekkig een arm kleermakertje bleef noemen, moest toch een ontzettende mate van zelfbeheersching hebben, want geen spier van zijn gezicht vertrok. Was er niet een ietwat donkere gloed in zijn oogen zichtbaar geworden, dan had ik gedacht dat ik mij vergiste.

--Suef?--antwoordde hij. Dien naam heb ik wel eens hooren noemen, maar den man zelf ken ik niet.

--Ik dacht, omdat gij in deze streken zoo bekend zijt, zoudt gij ook den man kennen, dien ik bedoel.

--Ik ken hem niet. Wat voor man is het?

--Een volgeling van den Shoet. Hij zou ons vandaag voor gids dienen en had op zich genomen, mij bij de plek te brengen, waar de Miridiet mij op zijn gemak kon doodschieten.

--Maar Heer, hoe komt dat in u op?

Nu verried zijn gezicht, zoo al geen schrik, dan toch groote bezorgdheid; maar hij kon dat zoowel voor mij zijn als voor zichzelf.

--Wat ik zeg, weet ik,--ging ik voort. Gisteren is er afgesproken, dat die Suef ons vertrouwen zou trachten te winnen en in de val zou laten loopen.

--Heer, gij schijnt alwetend te zijn!

--Opmerkzaam ben ik, meer niet.

--Maar hoe weet gij dat dan?

--Daar wil ik niet over spreken. Ik ben gewoon alles op te merken en daaruit mijn gevolgtrekkingen te maken. Dat hebt gij met deze takken kunnen zien.

--Is die Suef bij u geweest?

--Neen. Hij moest zich natuurlijk komen aanbieden om voor gids te dienen. Gelukkig voor ons, hebben wij u eerst gesproken en heeft die Suef ingezien dat hij met zijn mooipraterij bij ons niet behoefde aan te komen.

--Maar hoe komen dan die gebroken takjes hier?

--Daar wil de Miridiet Suef mee zeggen, hoe hij moest rijden.

--De Miridiet weet dus volgens u nog niet, dat die Suef niet bij ons is?

--Zeker niet. De bloedhond is waarschijnlijk van plan geweest ons onderweg aan te klampen, en heeft toen uit zijn schuilplaats gezien, dat wij al een gids hadden. In allen geval sluipt hij nu achter ons aan.

Het gezicht van den kleermaker helderde op. Hij had reden te over, om te denken dat hij doorzien was. Nu was hij zonder zorg, want ik geloofde immers dat die Suef achter mij was. Hij vermoedde niet dat ik hem kende, en daarbij moest ik het laten.

--Maar ik meen toch, dat gij u vergist,--begon hij weer. Uw redeneering klopt niet.

--Hoezoo?

--Om wat redenen zou de Miridiet die takken omgebogen hebben? De verrader, die Suef, zou zijn spoor wel hebben kunnen vinden. Als zooiets op den grond zóó zichtbaar is, heeft men geen bijzondere teekens noodig.

--Toch wel! Te meer als men de streek, waar men zijn moet, niet in den grond kent. Als de bodem hard is, laat die geen sporen zien, en dan moet men zich wel met andere teekens behelpen.

--Maar hier is de bodem week. Als dat takken-ombuigen moest dienen tot wat gij zegt, dan had het hier wel kunnen ophouden.

--Volstrekt niet; want sporen kunnen op allerlei manieren weggemaakt worden. Ook konden andere trekkers voor ons hierheen gekomen zijn. Van die zou dat van den Miridiet niet te onderscheiden zijn. De listige verrader, en ook de Miridiet hebben zoo'n takkenaanwijzing noodzakelijk geacht. Maar dat is voor mij niet het voornaamste.

--Er steekt dus nog meer in?

--Ja, gij hebt mij niet begrepen. Hij heeft met deze teekens niet willen zeggen, wat weg hij zelf genomen heeft, maar in wat richting Suef ons leiden moest.

--Komt dat niet op hetzelfde neer?

--Volstrekt niet. Ik ben zeker dat, al heel gauw, het spoor van den ruiter zal afwijken van de richting door de takken aangewezen.

--Allah, Allah! Wat een hoofd hebt gij?

Dat was ongeveinsde bewondering. Ik had hem dus eindelijk in zijn zwak getast en antwoordde:

--Mijn verstand gaat het uwe niet te boven. Ik overleg scherper. Ik stel mij voor dat de Miridiet ons hier opwacht, en in mijn verbeelding zie ik hem komen, onder leiding van den verrader Suef. Als de eerstgenoemde mij wil doodschieten, dan moet hij op mij loeren. Hij moet dus, links of rechts, in een struikhout schuilen. Bij gevolg moet hij eerst in een andere richting gaan. Dat begrijpt gij immers toch?

--O ja?

--Dus moet hij, van af een zeker punt, een teeken geven, dat Suef hem niet langer moet volgen. En dat teeken zullen wij gauw genoeg vinden. Laten we nu verder rijden.

Onderwijl wij onze paarden in den draf zetten, zei de kleermaker:

--Ik ben benieuwd te zien of uw veronderstelling juist is.

--En ik ben zeker, dat ik mij niet vergis. Ik weet zeer zeker, dat ik voor het oogenblik, niets te vreezen heb. Eerst als de sporen uit elkaar gaan, word ik overvallen. En zooals ik u bewezen heb, dat ik al de overleggingen en plannen van den Miridiet en van dien Suef uit de takken der boomen mij heb laten vertellen, zoo weet ik nog veel meer dan gij denkt of vermoeden kunt. Voor mij is de Shoet een zeer ongevaarlijk persoon.

Wij kwamen nu meer omgeknotte takken voorbij. Ik maakte den kleermaker er op opmerkzaam en toonde hem dat het paard van den Miridiet steeds vlak langs die struiken was gegaan.

Daarna kwamen wij aan de plek, waarvan ik hem gesproken had. Het paardespoor ging linksaf, terwijl voor ons uit twee tegenover elkander liggende boschjes omgebroken takken vertoonden.

--Zie, daar hebt gij het punt, dat ik bedoelde,--zeide ik. De Miridiet is linksaf gereden, om achter ons te komen. Suef moet ons nu rechtuit, tusschen de beide boschjes door, laten gaan. Is dat ook niet uw meening?

--Heer, ik weet niet wat ik zal zeggen. Uw redeneering gaat mijn verstand te boven.

--Ik heb u toch alles duidelijk uitgelegd.

--Ja, maar uw gevolgtrekkingen kan ik niet volgen. Ik geloof toch dat gij u vergist.

--Ik vergis me niet.

--Wat wilt gij nu doen?

--Als ik dien Suef hier had, zou ik beginnen met hem zóóveel zweepslagen toe te dienen, dat hij het opstaan vergat.

--Dan had hij niet meer dan hij verdiende. Jammer genoeg, dat hij niet hier is.

--In allen gevalle is hij achter ons. Ik zou grooten lust hebben, om hem op te wachten.

--Hij zal wel oppassen, zich niet te laten zien.

--Dat geloof ik ook. Maar vroeg of laat valt hij toch in mijn handen, en dan krijgt hij zijn loon.

--Dat begrijp ik, Heer.

--Zouden volgens u honderd slagen op zijn voetzolen genoeg zijn?

--Neen. Als gij hem te pakken krijgt, dan moet gij hem laten doodranselen, want erger dan een verrader is er niet.

--Daar hebt ge gelijk in! maar vijftig voetslagen acht ik genoeg.

--Dat zou een buitengewoon genadige behandeling zijn.

--Denk aan wat gij daar zegt, en vraag geen genade voor den schurk als hij in mijn macht zal zijn. Maar dat komt later. Voor het oogenblik hebben wij voor ons zelf te zorgen.

--Juist, Sihdi, hier kunnen wij niet blijven wachten,--zeide Halef. Misschien loert de Miridiet hier in de buurt wel op ons.

--Daar ben ik niet bang voor. Wij willen echter verder rijden, maar niet in de richting, die de takjes ons aanwijzen. Daarvan afwijkende en wat meer rechts houdende, komt er wat meer ruimte tusschen hem en ons. Ik blijf echter nog een oogenblik achter, maar kom u dadelijk achterop. En nog iets, Halef! Houd uw geweer gereed. Wij kunnen nooit weten hoe wij het onverwachts noodig kunnen hebben. Den Miridiet neem ik alleen voor mijn rekening. Mocht gij echter dien Suef hier of daar zien, schiet hem dan terstond voor den grond.

--U kunt er op rekenen, Sihdi.

--En daar onze goede Afrit ongewapend is, moeten wij hem beschermen. Osko en Omar moeten hem tusschen zich in nemen, en gij rijdt vlak achter hem. Kijk goed uit, en ziet ge iets verdachts dan weet ge wat gij te doen hebt.

--Laat dat gerust aan mij over, Effendi! Als ik dien Suef maar ruik, is hij er geweest ook.

De Hadschi had mij goed begrepen. Ik kon er zeker van zijn, dat hij den kleermaker terstond zou neerleggen, wanneer deze het in zijn hoofd mocht krijgen, om te willen vluchten. Deze had ook begrepen wat hem te wachten stond, want hij zag, bezorgd en onderzoekend, mij aan en zeide:

--Effendi, gij hoeft u voor mij zooveel moeite niet te geven!

--Dat is onze plicht. Gij zijt onze gids en dus de vijand van onze vijanden. Zij zullen u dan ook als zoodanig behandelen. Daarom moeten wij u in onze hoede nemen. Blijf echter dicht bij mijn drie makkers, anders kon u iets overkomen, waarvoor wij niet verantwoordelijk willen zijn. Alleen bij hen zal u niets gebeuren.

--En gij rijdt niet met ons mee?

--Ik blijf een poosje achter.

--Waarom?

--Uit bangigheid. Laat de Miridiet het maar eerst met mijn drie mannen uitmaken voor hij op mij schiet. Voorwaarts!

Halef lachte om mijn antwoord en wees met een oogwenk naar het spoor van den Miridiet. Hij begreep, dat ik dat wilde volgen.

Ik wachtte tot zij tusschen de boschjes door waren, en reed toen langzaam aan het spoor volgende.

Nu kwam het op er aan, goed uit mijn oogen te kijken. Ik kon door den Miridiet veel eerder gezien worden dan hij door mij. Dat niet willende, week ik naar links af en volgde een weg die parallel met het spoor liep.

De boschjes stonden op tamelijk regelmatigen afstand van elkaar altijd vijftien à twintig meter. Zoo dikwijls ik zulk struikhout bereikte, hield ik mijn paard in, om eerst voorzichtig, van uit de bedekking, rond te zien.

Op eens hoorde ik een schel gefluit. Het kwam van de plaats waar op dat oogenblik mijn metgezellen moesten zijn. Wie had gefloten? Halef misschien, om mij te waarschuwen, of om mij een teeken te geven? Neen, hij zou een ander geluid hebben laten hooren. De kleermaker wellicht? Zou hij met de Miridiet afgesproken hebben, zoo'n sein, bij onze nadering te zullen geven? Zoo ja, dan was het zeer gewaagd van hem, nu hij toch wist dat alles mij verraden was, dit signaal te laten hooren.

Nauwelijks had het gefluit weerklonken, of ik hoorde voor mij, achter het volgend struikgewas, een geluid alsof iemand, op gedempten toon het woord "el hassil"--eindelijk!--uitsprak. Terstond ook hoorde ik hoefgetrappel, niet luid, maar dof door de weekheid van den grond, en ik richtte mij hoog in den zadel op, om over het hout heen te zien, waarachter ik was.

Jawel, juist zooals ik gedacht had, ik zag den Miridiet, die naast zijn paard in het gras had gezeten en nu opsteeg. Ook hij stond in de stijgbeugels en keek naar ons rond.

Ik moet erkennen dat hij zijn plek goed gekozen had. Beter liet zich voor het beraamde plan niet denken. De Miridiet kon, tusschen de boschjes door, ongezien naderen, ons overvallen en terstond weer verdwijnen. Zijn plotselinge onverwachte verschijning zou ons natuurlijk een oogenblik doen schrikken. Voor wij onze geweren gegrepen hadden, zou hij mij neergeschoten hebben, en zelf verdwenen zijn voor mijn verschrikte makkers aan zijn vervolging konden denken.

Dat was alles prachtig uitgedacht, maar het plan had mijn goedkeuring niet, en om een streep door hun rekening te halen, had ik reeds gedurende de twee laatste minuten mijn lasso opgerold.

Dit wapen, dat in een geoefende hand, voor den vijand zoo gevaarlijk kan worden, is niet, zooals velen denken, uitsluitend Amerikaansch. Alle Nomaden-volken, die veehoeders zijn, gebruiken, ieder op hun manier, een lasso van hun model. Met hun werpriem of koord vangen zij ieder rund uit de kudde, dat zij willen hebben. Hun worp treft even zeker als de kogel van den besten schutter.

Daarom was het van mij volstrekt niet dwaas geweest mijn lasso mede op reis te nemen. Ik zou toch meestal met Nomaden in aanraking komen, en inderdaad had mijn gevlochten riem van dertig voet, mij reeds meermalen voortreffelijke diensten bewezen. Ik had mijn riem, zooals men weet, stuk moeten snijden, maar had een nieuwen gemaakt, die echter minder goed was.

Ik maakte het boveneinde van mijn lasso vast aan den ring van mijn zadelknop. Ik wilde den Miridiet er mee vangen. Hij had zeker nog nooit een lasso gezien en had dus ook geen begrip, hoe den worp te ontduiken. Om hem niet te vroeg opmerkzaam te maken op wat ik van plan was, hing ik den riem niet aan mijn arm, maar om den knop van mijn zadel. Mijn berendooder nam ik echter in de hand. Alleen daarmede kon ik de bijl afweren. Dat is echter eerst dan te doen, als men zich goed geoefend heeft in het afslaan van een naar ons toe geslingerden tomahawk, zoodat de bijl ter zijde vliegt, zonder een dier gevaarlijke wonden te slaan, die altijd het gevolg zijn van onzeker pareeren. Het is niet genoeg, dat men aan de bijl ziet waar zij neerkomen zal, maar men moet ook, ondanks de groote snelheid, waarmee zij met een draaiende beweging door de lucht suist, steel en staal van elkaar goed onderscheiden. Doet men dat niet, dan slaat de steel om den geweerloop heen en treft den onhandige. Bovenal moet men het pareerende geweer met beide handen vasthouden, omdat de kracht waarmee de bijl tegen het geweer aankomt, zóó geweldig is dat men anders én bijl én geweer in het gelaat krijgt. Ook moet de loop in zoodanige schuine richting gehouden worden, dat de bijl scherphoekig aanslaat en stomphoekig uitslaat. Lichamelijke kracht, geoefendheid en een zeer scherp oog heeft men bij zulk pareeren noodig.

De situatie was nu als volgt: Recht voor mij lag de weg, dien mijn gezellen volgden. Links van mij bevond zich de Miridiet. Ik hield hem scherp in het oog en zag, dat hij zich alle moeite gaf om mijn vrienden gade te slaan, in de verwachting mij bij hen te zullen zien.

Een driftige beweging toonde mij zijn ontevredenheid dat Suef den door hem aangegeven weg niet was gegaan. Had ik Halef niet meer rechts laten rijden, dan zouden zij veel dichter langs den Miridiet gekomen zijn. Nu gingen zij op den zoom van een vrije vlakte, wat hem slecht te pas kwam.

Al spoedig zag ik ze te voorschijn komen. Ook hij moest hen zien. De hier en daar staande boschjes maakten het hem onmogelijk de ruiters te onderscheiden. Hij kon dus niet zien of ik mij bij hen bevond. Daar hij echter alle reden had om te veronderstellen dat ik mij bij hen bevond, ging hij op hen af, eerst langzaam, daarna haastiger, tot ten laatsten zijn paard den gestrekten draf aannam.

Ik volgde hem, met mijn buks in mijn rechterhand, en zorgde er voor, dat zich tusschen hem en mij altijd struikgewas bevond. Eigenlijk was dat onnoodige voorzorg, want zijn aandacht was zóó uitsluitend op die voor hem uitreden, gericht, dat het hem niet in viel om achterom te kijken.

De weeke grond maakte den hoefslag van mijn hengst bijna onhoorbaar, en bovendien belette het draven van zijn eigen paard hem, om mij achter zich te hooren.

Binnen enkele seconden zou alles beslist zijn. Angst kende ik ook nu niet. Hoogstens had ik mij, over den bijl-worp ongerust kunnen maken.

Nog twee boschjes moest hij voorbij, en na een ondenkbaar oogenblik had hij ze achter zich en was op de vlakte. Een schril geluid uitstootende, om ons te laten schrikken, pareerde hij zijn paard en hief zijn geweer op om te schieten. Maar hij schoot niet, hij mikte zelfs niet. Hij stootte andermaal een kreet uit, een kreet van toornende teleurstelling. Hij zag dat ik er niet bij was.

Ook mijn vrienden pareerden. Halef begon onbedaarlijk te lachen.

--Wel, man, wat wilt gij van ons?--vroeg hij. Gij trekt een gezicht alsof gij uw eigen bepleisterden kop ingeslikt hadt!

--Hondegebroed!--siste de Miridiet.

--Maakt gij u soms zoo boos, omdat gij niet vindt, dien gij zoekt? Wel, kijk dan eens achter u.

Hij deed het, en zag mij, op ongeveer vijftien pas achter zich.

--Zoekt gij mij?--vroeg ik.

Hij trok zijn paard om, nam zijn geweer op en antwoordde:

--Ja, ik zoek u, Satanskind! Weet gij wie ik ben?

Ik bleef onbeweeglijk staan en zei kortaf: Ja.

--Gij hebt mijn broeder vermoord en zijn bloed eischt het uwe. Ik wil u niet verraderlijk van achteren doodschieten, maar als een man, voor in de borst.

--Schiet niet, want wij allen zijn kogelvrij.

--Dat wil ik zien! Vaar ter helle!

Hij brandde los. De percussie knalde, maar het schot ging niet af.

--Ziet ge wel?--zeide ik lachend. Ik heb u gewaarschuwd. Nu zijt gij in mijn macht!

Ik hief mijn berendooder op, als om te schieten. Maar hij trok zijn heidukken-czakan uit zijn gordel en riep woedend uit:

--Nog niet! Treft u mijn kogel niet, dan mijn bijl!

Hij zwaaide de bijl om zijn hoofd en slingerde die naar het mijne. Op zoo kleinen afstand geworpen, moest ze mij den schedel kloven, wanneer ik ook maar om een haar-breedte onjuist pareerde.

Een ondenkbaar oogenblik hoorde ik haar door de lucht suizen. Het was een dof en toch schril gefluit. Met wijd geopend oog had ik den zwaai van den Miridiet gevolgd. Ik bleef vast in den zadel zitten, het geweer met beide handen schuin omhoog. Onmiddellijk voelde ik een slag; de bijl trof den loop en ketste af. Ik zou midden in mijn voorhoofd getroffen zijn.

De Miridiet liet den teugel uit zijn linkerhand glippen, zóó had het gebeurde hem verschrikt. Hij had nu geen ander wapen meer dan zijn pistool, en daar behoefde ik niet bang voor te zijn.

--Ziet gij wel, dat ik ook tegen uw bijl opgewassen ben,--riep ik hem toe. Nu zijt ge aan mijn wraak overgeleverd. Pas op!

Ik legde mijn geweer op hem aan. Dat bracht hem weer in beweging. Hij greep den teugel, rukte zijn paard omhoog en achter uit, en vloog weg, zooals ik had gedacht.

Ik reed naar Halef toe en gaf hem het geweer, dat mij nu hinderen zou.

Hij nam het aan, maar riep dringend: Gauw, vlug, of hij ontkomt!

--Wees maar bedaard! Wij hebben den tijd. Deze goede arme kleermaker Afrit mag nu eens een ruiter zien, tegen wien zijn Shoet wel niet opgewassen is. Komt mij in galop achter na!

Ik floot even en mijn Rih vloog vooruit.

Ik legde hem den teugel op den hals en richtte mij in de stijgbeugels op, ofschoon het mijn voet geducht pijn deed.

Al rijdende legde ik den lasso, heen en weer geslagen, in mijn linkerarm, zoodat hij goed afwikkelen kon. Den strik hield ik in de rechterhand.

Mijn hengst, stuurde ik noch met den teugel, noch door kniedruk. Het verstandige dier begreep uit zichzelf waar het om ging.

De Miridiet was eerst lijnrecht voortgereden, wat een groote domheid van hem was, want daardoor was mij het mikken zoo gemakkelijk gemaakt, dat ik hem zeker moest treffen, indien ik hem had willen neerschieten.

Daar in die richting de open vlakte hoe langer hoe breeder werd, reed hij weldra zigzagsgewijze, van het eene boschje naar het andere, die hem tegen mijn schot moesten dekken.

Rih schoot, zonder dat ik het aangaf, als een echte jachthond nu ook van rechts naar links, om den bruine den pas af te snijden. Ik zag evenwel dat ik mij te lang bij Halef opgehouden had. De bruin van den Miridiet was een voortreffelijke renner, ofschoon ik voor geen vijftig zulke renners mijn hengst zou gegeven hebben. Ik was zeker dat mijn Rih den bruin zou inhalen, al was het ook niet voordat deze de boschjes zou bereikt hebben. Maar ook dat behoefde ik niet toe te laten. Ik had mijn hengst slechts het geheim-woord te laten hooren.

Reeds nu rende hij prachtig. In drie elegante sprongen legde hij een even groote afstand af, als waarvoor de bruin vier wanhopende sprongen moest doen. Maar de voorsprong van den laatste was te groot geweest. Ik kon hem maar alleen door het geheim-woord bij tijds inhalen.

Wie nog onbekend is met de beteekenis van zulk een geheim woord, die wete dat ieder Arabier, die een echten volbloed bezit, dezen een bepaald woord of teeken leert, dat de ruiter alleen dán geeft of uitspreekt, als het paard zijn alleruiterste kracht inspannen moet.

De echte Arabische renner speelt, zelfs bij de snelste carrière, slechts met zijn krachten. Maar hij kan zichzelf overtreffen, als hem het geheime woord, met of zonder bijgevoegd teeken, genoemd wordt. Het spreekt van zelf dat dit slechts bij hooge uitzondering gebeurt, als alleen zoo'n groote snelheid den ruiter redden kan.

Dat wordt dan een rennen op leven en dood. Het paard loopt dan niet, maar vliegt. Zijn snelheid is zóó groot, dat men zijn beenen nauwelijks ziet. Dan, op dat oogenblik, heeft de ruiter het geheime teeken aan zijn paard gegeven, en weinige seconden later, zijn paard en man alleen nog maar als een kleine punt aan den gezichteinder te zien.

Het woord of teeken, waarmee de ruiter zijn paard tot die uiterste inspanning aanspoort, noemt men het 'geheim-woord', omdat de eigenaar het aan niemand zegt; zelfs aan zijn vrouw, zijn zoon en eenigen erfgenaam verraadt hij het niet. Alleen aan den kooper van het paard deelt hij het mede, en op zijn sterfbed zegt hij het aan dengene die het erven zal. Geen marteling, geen stervensnood brengt hem er toe, om het aan iemand anders te verraden. Het sterft met hem.

Toen 'Rih' mij ten geschenke werd gegeven, werd het geheim-woord mij natuurlijk gezegd. Het bestond hierin, dat ik mijn hand tusschen zijn ooren moest leggen en hem dan tevens dringend bij zijn naam 'Rih' noemen. Een enkele keer heb ik hem daarmee moeten aanzetten, altijd met ongelooflijk succes.

Nu bevond ik mij op dit oogenblik wel niet in groot gevaar, maar Halef zou Rih van mij present krijgen. Nog maar korten tijd zou ik er eigenaar van zijn, en Halef zelf zou het mij allerminst kwalijk nemen, als ik voor het laatst nog eens met mijn trouwen hengst vliegen wilde.

Ik legde hem dus de hand tusschen zijn kleine ooren.... Rih!....!

Midden in zijn sprong stuitte hij zijn vaart en stak de ooren op. Dan liet hij een geluid hooren, als van een korten diepen kuch en voorwaarts ging het.... Hoe dat te beschrijven? Wat nu gebeurde, gaat alle beschrijving te boven. Voor mijn gevoel zat ik niet op een paard. Het was mij alsof ik op een pijl door de lucht vloog. Ik was bij het struikhout, waar de Miridiet naar toe rende, veel eer dan hij. Ik was hem minstens veertig paardelengten vooruit, ofschoon hij een voorsprong van driedubbele lengte op mij had gehad. Het gevolg hiervan was, dat hij zijn paard omwierp en de vlakte oprende.

Ik ging hem achterna, maar niet meer in ijlgang, waartoe ik mijn hengst aangezet had. Met een bedarend vriendelijk aaien van zijn hals, gaf ik hem te kennen dat ik over hem tevreden was en hij het nu weer kalmer kon opnemen. En zoo deed hij. Binnen enkele seconden was ik echter weer op twee paardelengten achter den Miridiet.

--Halt! Terstond!--beval ik.

Doorrijdende wendde hij zich naar mij om. Hij had zijn pistool in de hand en schoot. Ik zag dat hij zou missen en nam mijn lasso.

De Miridiet had, gedurende zijn vluchten, den bruin aldoor met de zweep aangezet. Het paard had zijn uiterste kracht ingespannen en kon niet meer. Vloekend wierp de man zijn pistool weg, trok zijn mes en stak er het paard mee in het vleesch. Het steunde en kreunde, en trachtte harder te loopen, maar vergeefs!

Ik wierp mijn lasso uit. Op het oogenblik dat deze als een wijde strik, boven het hoofd van den ruiter zweefde, hield ik mijn paard in en trok het achteruit. Een ruk, een schreeuw--Rih stond, de bruin stoof vooruit, en de Miridiet lag op den grond, door de strak aangetrokken lasso, die hem ter hoogte van de ellebogen omknelde en weerloos maakte. Hij was uit den zadel gerukt, opgelicht en tegen den grond gesmakt.