Door het land der Skipetaren

Chapter 20

Chapter 204,229 wordsPublic domain

--Vergeet ge dat zijn hengst oneindig vlugger loopt dan uw bruin?

--Wat geef ik om zijn hengst, als ik hem heb gedood!

--Neen, maar een ander springt er op en haalt u in, misschien wel die kleine duivel, die vlug en flink is als zijn meester.

--Niets liever dan dat. Dan zou ik hem dien slag van gisteren avond betaald kunnen zetten.

--Nu, veel geluk! Gij hebt uw broeder te wreken en hebt dus het recht op uw zijde, waaraan Allah zeker de overwinning geeft. Gelukt het u echter niet, welnu, kom ons dan achterna. Gij weet waar ons te vinden, en heden avond overleggen wij, hoe dien kerel toch zijn portie te geven. Nu scheiden wij, daar wij weten dat zij op weg zijn en naar Uskub gaan.

--Gij gaat dus inderdaad niet denzelfden weg als zij?

--Neen, want wij rijden over Engely, en zij over Jerzely. Wij zijn er dus eerder dan zij.

--Welnu, dan kan ik toch nog eenigen tijd bij u blijven. Wanneer ik dus vandaag niet kom, dan is het gelukt, en gij krijgt ook dezen Effendi niet meer te zien, want hij ligt hier of daar te verrotten. Voorwaarts!

Weer hoorde ik paardengetrappel, maar nu verwijderde het zich.

Nu liet ik ook mijn hengst voorzichtig uit het struikhout komen en zag de geheele bende wegrijden.... de beide Aladschy's op hun sjekken, den Miridiet op zijn bruin, ook Manach el Barscha, Barud el Amasat en den ouden Mubarek, die zeer wankel in den zadel zat met zijn arm in een hangband.

Indien ze geweten handen dat ik mij op hoogstens tien meter distantie van hen bevond! Dat zou me een scène gegeven hebben! Als mijn hengst maar even snoof, was ik verraden. Maar het verstandige dier wist, wat het beduidde als ik hem maar even de hand op zijn neusgaten lei. Dan hield hij zijn adem als het ware in.

Nu kon ik mijn kameraden gemakkelijk inhalen, die reeds lang Warzy moesten bereikt hebben. Ik ging rechtsaf, zoodat ik die plaats in het geheel niet aandeed.

Ik kende den omtrek in 't geheel niet, en er was van Warzy naar Jerzely geen goed begaanbare weg. Dat had ik van den kleermaker gehoord. Maar ik vond toch het spoor van de mijnen, ongeveer drie kilometer van het eerste dorp verwijderd, en ik volgde dat. Het leidde mij door een woest, rotsachtig, kloofachtig dal naar een hooger liggend bosch, in welks weeken bodem ik hun spoor zeer duidelijk kon zien, zoodat ik minder scherp behoefde op te letten en dus sneller kon rijden. Al spoedig had ik hen dan ook ingehaald.

--Sihdi, ik wilde juist vragen, dat men op u zou wachten,--zeide Halef. Wat hadt u vergeten?

Voor ik antwoordde wierp ik een onderzoekenden blik op den kleermaker. Hij scheen volstrekt niet nieuwsgierig naar mijn antwoord.

--Ik wilde zien wat de Miridiet, de broeder van den slager voorhad. Gij hebt onzen waard toch hooren zeggen dat ze allebei Miridieten zijn.

--Wat gaat ons die Miridiet aan?

--Heel veel. Hij wil mij onderweg met gehakt lood doodschieten of met zijn heidukkenbijl treffen.

--Weet u dat?

--Hij heeft het gezegd tegen onze vrienden, die ons hebben willen laten doodhongeren.

Ik vertelde nu wat er gebeurd was, maar zei niet, dat ik het geweer had vernageld. Ik hield intusschen het oog aldoor op den kleermaker gevestigd. Hij trok een oprecht verwonderd gezicht, en zeide ten leste:

--Effendi, wat zijn dat voor mannen? Zijn er dan waarlijk zulke goddelooze menschen?

--Zooals gij hoort.

--O Allah! Dat had ik nooit gedacht. Wat hebt gij hen dan gedaan?

--Dat zult gij bij gelegenheid wel hooren, wanneer gij verder met ons mede gaat, want wij blijven niet te Uskub. Wij gaan die stad slechts door, en rijden dan, zoo spoedig mogelijk, verder naar Kakandelen en Prisrendi.

--Dus naar de plaats waar ik thuis hoor? Daar ben ik blij om. Wat u gisteren overkomen is, heb ik van de bedienden gehoord. En nu hebt gij vandaag weer in doodsgevaar verkeerd! Zoo iets zou een mensch toch bang en angstig maken.

--Als gij liever met ons niet mede gaat, zeg het dan vrij uit.

--Daar denk ik niet aan. Misschien ligt het alleen aan mij, wanneer gij alle gevaar ontkomt. Ik voer u langs een weg waar die Miridiet u zeer zeker niet vindt. Ik breng u door weideplaatsen en open vlakten op het gebergte. Dan dalen wij af naar de beroemde en vruchtbare vallei van Mustafa, die zich van Uskub, zuid-oostelijk, tot voorbij Kröpili uitstrekt en waarin de nieuwe spoorweg aangelegd wordt. Daar trekken wij door open vlak land. En wanneer gij het goedvindt, dan blijf ik nog voorbij Uskub ook uw gids.

--Dat is heel vriendelijk van u. Het lijkt mij, dat ge al veel rondgezworven hebt.

--Alleen in deze streken, maar die ken ik dan ook goed.

--Wij zijn hier vreemd, maar hebben toch nu en dan over een man hooren spreken, dien men den 'Shoet' noemde. Wie is dat toch?--vroeg ik zoo onverschillig mogelijk.

De dwerg trok de wenkbrauwen hoog op en antwoordde:

--Hij is een berucht roover.--Hij keek schuw rond en vervolgde: Het is beter over hem niet te spreken. Hij heeft overal zijn spionnen. Achter iederen boom kan er een staan.

--Is zijn aanhang dan zoo groot?

--Hij heeft zijn aanhangers overal, in ieder dorp, in iedere stad. De Raadsheeren van den Grooten Heer en de vroomste Iman zijn misschien lid van zijn bende.

--Kunnen ze dan geen vat op hem krijgen?

--Neen. De wet vermag in deze niets. Ik ben geen leeraar van den Koran, noch van de Sunnan en haar uitlegging, maar ik heb wel eens hooren zeggen, dat onze wetten zoo duister en dubbelzinnig zijn, dat ze gehandhaafd wordende, meer kwaad dan goed doen. De rechters kunnen de wet op allerlei manieren uitleggen.

--Dat is, helaas, maar al te waar!

--Hoe moet het dan daar zijn, waar men de wet niet handhaven kan, waar niemand zich om haar behoeft te bekommeren, zooals hier bij ons? Denk eens aan de Albaneezen, de Arnauten, Skipetaren, Miridieten en al die natiën en stammen, die allemaal hun eigen wetten, gebruiken en rechten hebben. Dat is het terrein waar de Shoet op zijn plaats is. Hij lacht om den Grooten Heer en zijn ambtenaren. Hij spot met de gerechtshoven, de politie en de soldaten. Niet een hunner kan hem ook maar het minste doen. Hier leeft ieder dorp in vijandschap met de omliggende. Iedere plaats heeft met een andere, een diefstal, een rooverij of ook wel een bloedwraak te vereffenen. Dat geeft een eindeloozen strijd, waarin natuurlijk de sterkste en slechtste de overhand houdt. Effendi, ik ben maar een arme man en wil niet nog ellendiger worden dan ik al ben, daarom wil ik niets gezegd hebben.

--Denkt gij dat ik uw woorden zal overbrieven?

--Neen, daarvoor zijt gij een te nobel mensch. Maar de boomen hebben ooren, en de wind voert alles mee.

--Zulke toestanden kunnen dan ook slechts in deze streken bestaan.

--Maar zijn er dan in andere landen ook geen rooverbenden en dieven?

--Soms wel, maar die houden het niet lang uit, hoogstens enkele weken. Zij die geroepen zijn om de wetten te handhaven, maken daar spoedig een eind aan.

--Nu ik wil gelooven dat rechters daar veel macht hebben, maar tegen list is macht niet bestand.

--Maar dan stellen wij list tegenover list. Bij ons is geen misdadiger zoo slim, of de politie is nog slimmer. Als een van onze mannen hier kwam, hij zou den Shoet gauw genoeg opgespoord hebben.

--Bah! De Shoet zou dien man eerder kennen dan deze hem. En wat zou er dan gebeuren?

Het was mij alsof de kleermaker iets meer bedoelde dan een eenvoudige vraag, er klonk minachting in zijn stem. Of verbeeldde ik mij dat maar?

--Wel, dan zou die geheime politie-man er misschien het leven bij inschieten,--antwoordde ik,--maar anderen kwamen hem vervangen.

--Die anderen zouden verdwijnen evenals hij. Zooals de toestanden hier zijn is de Shoet niet te vinden of te vangen. Het verstandigste is dat men in 't geheel niet over hem spreekt en daarom willen wij ook verder over hem zwijgen. Hoe arm ik ook ben, toch bekruipt mij de angst als ik maar aan hem denk. Ik verdien mijn brood, wel met groote moeite, maar toch heb ik iets overgespaard om den wonderdoenden man te betalen, die mij moet genezen. Als die roovers mij overvielen, mij mijn spaarpenningen afnamen, dan zou ik niet eens medicijn kunnen koopen voor mijn genezing.

--Is die wonderman beroemd?

--Wijd en zijd.

--Dan moet het dorpje, waar gij van daan zijt, ook goed bekend zijn?

--Zeker, iedereen kent het.

--Nu, ik heb ook wel van Weicza gehoord. Toen vertelde men mij ook van een beroemden man, die daar in de buurt moet zijn.

--Een Khan..., hoe noemde men die?

--Dat herinner ik mij niet. Ik meen, het woordje 'Kara' was er bij.

Hij zag mij scherp aan, en een oogenblik vergetende, dat hij zich daardoor verried, schoot er een blik, als een bliksemstraal, uit zijn oogen. Maar het volgende oogenblik was hij weer de zachtmoedige kleermaker, waarvoor hij zich uitgegeven had, en zei weifelend:

--Kara, kara, hm? Ik kan er niet op komen wat dat kan zijn.

--Als gij het geheele woord wist, kon ik u misschien helpen.

--Misschien schiet de naam mij nog te binnen. Kara.. Kara...--Halef gij hebt den naam ook gehoord, weet gij hem nog?

--Karanorman?--antwoordde de Hadschi, die mijn bedoeling heel goed begreep.

--Ja, juist, dat was 'ie, Karanorman-Khan? Kent gij dien, Afrit?

Hij deed alsof hij zich moest bedenken, voor hij antwoordde:

--Ja, nu weet ik, wat gij meent. Maar het is niet een groote Khan, een ruïne slechts. Er woont niemand. Eeuwen geleden was het een groote Karawanserai. Daarna werd het een soort kazerne, een wachttoren voor de grenswacht, en nu is 't een bouwval, meer niet. Wat heeft men ervan gezegd?

--Dat de Shoet zelf daar zijn hoofdkwartier heeft.

Er ging een trilling over zijn gelaat, alsof hij een plotselinge geweldige aandrift moest onderdrukken. De man wist wat zelfbeheersching was, want in minder dan geen tijd toonde hij weer het kalme en rustige gezicht van daareven en antwoordde:

--Ik geloof dat men u wat heeft wijs willen maken.

--Inderdaad?

--Ja, want ik ken die plek heel nauwkeurig. Ik ben op alle uren van den dag, ook bij nacht, daar geweest, en heb nooit iets gezien, wat tot dat praatje aanleiding kon geven. Ook in den omtrek zelf weet men daar niets van. Ik verzeker u dat men juist daar het minst over den Shoet spreekt.

--Hij zal wel oppassen, juist daar, waar hij woont, de bevolking niet tegen zich in te nemen.

--Dat kon wel zijn. Ik zie, Heer, dat gij uitgeslapen genoeg zijt en de dingen gemakkelijk doorziet. Maar dat kan gevaarlijk voor u worden. Weet gij wel dat ik u sterk verdenk, naar den Shoet te zoeken?

--Neen, maar hoe komt gij op die gedachte?

--Uw heele manier van doen brengt mij op die gedachte.

--Hoor eens, ik begin te begrijpen, dat het u aan scherpzinnigheid niet ontbreekt. En.... dat kan voor u gevaarlijk worden.

--Gij steekt er den draak mee. Ik ben een arme kleermaker, maar gij hebt, naar ik hoor, reeds lang de aanhangers van den Shoet vervolgd en vervolgt ze nog altijd. Ik moet u wel voor een politieman houden, en wel voor zoo'n sluwe, als waarvan gij gesproken hebt.

--Dat ben ik toch niet.

--Het schijnt toch van wel. Misschien zoekt gij den Shoet in Karanorman-Kahn. Maar daar komt gij nooit.

--Waarom niet?

--Omdat gij voor dien tijd vermoord wordt. De Shoet weet reeds precies wat gij voorhebt. Gij zijt ten doode opgeschreven.

--Dat wacht ik bedaard af.

--Als gij dengene afwacht, die u moet dooden, is het te laat.

--Welnu, ik herhaal, dat ik geen ambtenaar en geen politie-man ben. De Shoet en zijn mannen kunnen mij gerust mijn gang laten gaan.

--Bemoei u dan ook niet met wat zij doen.

Deze laatste woorden werden op bevelenden toon gezegd. Zijn stem trilde en zijn stemgeluid klonk heesch. Het kookte in hem. Die kleine man die zich Afrit--dat is: reus--noemde, was niet wat hij zeide te zijn. Daar had ik een eed op willen doen. Maar hij verstond meesterlijk de kunst om zich voor te doen voor wat hij verkoos. Die kleine sperwer verstond het, zich met de veeren van een tortel te dekken. Misschien was hij wel die Suef, die mij 'leveren' moest.

Maar dat was toch niet te denken, omdat de Kiaja hem kende en ook zijn naam. Of zouden misschien alleen de verbondenen hem 'Suef' noemen? Reisde hij soms als een arme kleermaker rond, om voor de bandieten te spionneeren? Ik moest geducht op hem passen. Had hij tegen mij gezegd, ik moest hen met rust laten, ik antwoordde nu:

--Ik laat een ieder met rust. Eerst toen de Aladschy's en die anderen mij in den weg traden, heb ik het tegen hen opgenomen.

--Doe dan nu, alsof zij u niets in den weg hadden gelegd.

--Neen, mijn waarde, dat doe ik niet. Die mij te na komt, rijd ik omver, al was 't de Shoet zelf. Wil hij den strijd, ik wacht hem. De uitkomst zal leeren, wie het gelag betaalt.

Hij rekte het hoofd omhoog en strekte zijn hals uit, alsof hij het uitschateren moest. Een hoonend, verachtend gelach zou het worden, dat zag ik aan het vertrekken van zijn gezicht. Maar wederom beheerschte hij zich en zeide op waarschuwenden toon:

--Geen besluit van den Grooten Heer heeft eenige kracht tegenover hem, zelfs de militaire macht moet onderdoen voor de zijne. En gij, die alleen zijt en een vreemdeling, gij durft hem dreigen?

--Hij is ook maar alleen, evenals ik en ik ken hem evenmin als hij mij. Vind ik hem, dan wordt de strijd tusschen hem en mij beslist door onze persoonlijke kracht, onze vlugheid en sluwheid.

--Ik zie dat het werkelijk uw voornemen is den Shoet op te zoeken.

--Wel, liegen doe ik nooit en ook nu niet. Ik wil hem zoeken en vinden.

--En gij wilt beslist met hem vechten?

--Dat hangt er van af. Ik ben hier vreemd. De menschen en de toestanden hier zijn mij tamelijk onverschillig. Of hier een Shoet is of niet, een roover meer of minder, laat mij volkomen koud. Maar er is iets dat ik van hem wil. Voldoet hij aan wat ik vorder, dan....

--Aan wat gij hem vraagt, wilt gij zeggen, Heer?

--Neen. Een eerlijk man, zooals ik, is de meerdere van een gauwdief, en heeft te bevelen. Gehoorzaamt hij aan mijn bevel, dan ga ik van hem weg, zonder hem ook maar aan te raken. Doet hij het niet, dan is er geen Shoet meer.

Ik zag, dat zijn korte smalle borst naar adem snakte. De man was doodsbleek geworden. Hij was een en al opwinding, maar ook deze bedwong hij en zeide met groote bedaardheid:

--Effendi, gij doet alsof gij onkwetsbaar zijt en voor geen duizend Shoeten hadt te vreezen.

--Dat is ook zoo,--antwoordde ik, daarbij op mijn kniebeen slaande dat het klonk. Wij zijn maar met ons vieren. Maar wij hebben een geduchte rekening met den Shoet te vereffenen. Hij en zijn rakkers hebben ons te vreezen en niet wij hen. Ik laat al dat tuig met een enkele handbeweging in het stof bijten.

Daarbij streek ik verachtelijk mijn rechterhand over het vlak van mijn linker, als vaagde ik al dat tuig weg. Het was volstrekt mijn bedoeling niet om te bluffen of te pochen. Met zoo te spreken en kracht te toonen, wilde ik mijn kleinen Afrit woedend maken en tot onvoorzichtige uitingen verleiden. Maar de kleine was mij de baas. Hij knipoogde vroolijk en zei:

--Beroem u gerust op uw sterkte, tot gij straks zelf in het stof bijt. Ik ben uw vriend. Gij hebt den armen kleermaker vriendelijk u aangetrokken en verzorgd. Daar ben ik u dankbaar voor. Ik zou alle gevaar van u willen afwenden. Om die reden waarschuwde ik u. Maar gij wilt naar mij niet hooren en zijt daarom niet te redden. Gij zijt hier vreemd, maar ik ken dit land zooals het is. Ik heb beloofd u naar Kakandelen te brengen, maar nu weet ik, dat gij die stad van uw leven niet zien zult, want voor die reis is uw leven te kort.

--Binnen twee of hoogstens drie dagen ben ik daar.

--Neen, dan zijt gij in de stad der dooden.

--Weet gij dat zeker? Dat klinkt alsof gij bijzonder goed met den Shoet bekend waart.

--Wat gij daar zegt kan u geen ernst zijn. Ik waarschuwde u zoo ernstig, omdat ik uit andere voorbeelden weet dat de Shoet niet met zich spelen laat.

--Mooi, ik ben ook niet van plan met den zwager van Deselim te schertsen.

--Heer, wie heeft u dat verraden?--vloog hem uit den mond.

Nu had ik hem gevangen, ondanks zijn bijzondere sluwheid en zelfbeheersching. Hij kende Deselim en wist, dat deze de zwager van den Shoet was. Hij had zich verraden. Maar ik liet hem niets merken, want zoodra hij wist, dat ik hem had doorzien, kon ik niets meer uit hem halen.

--Dat heeft hij me zelf gezegd,--antwoordde ik.

Een fonkelende blik gleed, slechts een ondenkbaar oogenblik, over mij heen. Ik had er woesten haat in gelezen. Hij wist, dat Deselim door mij den hals had gebroken. Zijn blik had dat gezegd. Die kleine beleefde onderdanige man was mijn doodvijand!

--Dat was zeer onvoorzichtig van hem,--zei hij op goedmoedigen toon. En zonder te bedenken wat hij zeide, vroeg hij:

--Maar weet Deselim ook, wat zijn zwager uitvoert.... en dat hij de Shoet is?

Aha! hij was zich bewust, dat hij zich versproken had en trachtte nu zijn fout beter te maken door kinderlijken eenvoud te veinzen.

--Natuurlijk weet hij dat, anders had hij het mij niet gezegd,--zeide ik.

--Hoe hebt gij hem dat ontlokt?

--Door een list.

--Bij Allah, gij zijt een hoogst gevaarlijk mensch! Was ik de Shoet, gij zoudt terstond moeten sterven, maar ik ben slechts een arme kleermaker en een eerlijk man, en daarom verheugt het mij dat er ook slimme menschen zijn, die slechten in hun strikken kunnen vangen. Maar nu gij dat weet, is een zeer gevaarlijk geheim in uw bezit. De Shoet moet u laten dooden, want niemand mag weten, hetgeen u verraden is.

--Bah! Ik had al zoo dikwijls vermoord moeten worden, ook nog in deze week. Gisteren, bijvoorbeeld, tweemaal, en de beide daaraan voorgaande dagen ook zoo. En vandaag wil mij de Miridiet met gehakt lood doodschieten of met zijn bijl treffen.

--Maar als gij dat weet, hoe kunt gij het dan wagen hem achterna te rijden?

--Ik heb nog wel heel andere knapen nagereden!

--Als hij achterom kijkt, zijt gij verloren!

--Neen, hij.

--Verbeeldt u dat niet. Hij is een Miridiet, een dappere!

--En wat ik ben, zult gij vandaag zien. Toen ik begon hem te volgen, verloor ik hem geen oogenblik uit het oog. Had ik hem niet kunnen neerschieten, zoo dikwijls het mij goeddacht? Was hij in mijn macht of ik in de zijne?

--Gij hadt hem in uw macht, indien gij ten minste een goed schutter zijt: maar zoodra hij u ziet, zijt gij in de zijne.

--Ik geloof er niets van.

--O zeker! Hij legt zich in hinderlaag en schiet, wanneer en van waar hij wil, zonder dat gij er op verdacht zijt. Voor gij hem zien kunt, zijt ge een lijk.

--En ik zeg u: als hij het waagt zijn geweer op te richten, is hij verloren!

--Heer, Allah is mijn getuige, dat dit onvergeeflijke vermetelheid is!--riep hij toornig uit.

--Het is geen vermetelheid. Ik weet, wat ik zeg!

--En ik zeg u: al mocht zijn schot u, door de een of andere oorzaak missen, dan zijt gij toch, door zijn bijl, een kind des doods. Op dat wapen is hij meester, zooals geen ander. Maar gij, hebt gij ooit met een heidukken-bijl geworpen?

--Neen.

--Dan zijt gij verloren. En al mocht het u al gelukken hem te ontkomen, dan zijn de anderen er nog, aan wie gij gisteren ontsnapt zijt. In ieder boschje kunnen zij hier op u loeren, en u overvallen.

--Dat is onmogelijk!

--Waarom?

--Omdat zij naar Engely gereden zijn. Waren zij hier, dan zou ik hun spoor zien; ook zou mijn hengst hen verraden door te snuiven ofschoon ik hen al lang zou gezien hebben, want mijn oogen zijn sedert vele jaren aan het doorspieden der bosschen gewend.

Hij was, voor zich, overtuigd dat ik binnen het uur een lijk zou zijn en het ergerde hem dat ik mijn vijanden zoo gering achtte.

--Ik herhaal, zeide hij,--gij zijt niet te helpen. Naar wat onwedersprekelijk waar is, luistert gij niet, tenzij om het tegen te spreken.

--Waarheid, die blind geloof eischt, is geen waarheid. Laat ons niet verder redeneeren. Gij zult ons nog wel beter leeren kennen. Als ik wil dan gaat het geweer van den Miridiet zelfs niet af, al geeft hij zich ook nog zooveel moeite.

--Kunt gij dan werkelijk tooveren?

--Bah! Ik kan niet meer dan andere menschen, maar ik heb nog tegenover heele andere mannen gestaan als die broer van den slager, en ik weet, hoe ik mij tegen hem moet verweren. Halef, als hij mij aanvalt, laat hem dan aan mij over. Ik heb daar niemands hulp bij noodig.

--Zooals gij wilt, Sihdi,--antwoordde de kleine, zonder meer.

De steilten, die naar het plateau van Jerzely leiden, zijn naar alle zijden heen, door bosch gedekt. Het plateau zelf geeft alleen weiden en akkers te zien. Wij hadden den zoom van het bosch achter ons en reden nu over een wijd uitgestrekte vlakte, die begroeid was met kort dun gras. Op enkele plekken benam eenig hout ons het vergezicht.

Na eenigen tijd gereden te hebben, stootten wij op een paardespoor, dat van links af, op ons aankwam en dan voor ons uit ging. Ik hield mijn paard in en bezag, mij voorover buigende, den grond.

--Wat zoekt u?--vroeg de zoogenaamde kleermaker.

--Ik wil zien wie hier, voor ons uitgereden is.

--Waaruit wilt gij dat opmaken?

--Dat doe ik op mijn manier... een kunst die gij niet kent. Ik zie al, dat het de Miridiet geweest is. Ongeveer een kwartier geleden is hij hier langs gekomen.

--Zoo iets kunt gij toch onmogelijk zien.

--Toch wel. Het neergetrapte gras verraadt het mij, zoodat er niet aan te twijfelen valt. Wij zullen nu verder dat spoor volgen.

Nu moest ik niet alleen op het spoor letten, maar ook op den kleermaker. Ik meende op te merken dat mijn man eenigszins onrustig werd. Vluchtig maar scherp keek hij naar links en rechts voor zich uit, en meer bijzonder naar het boschje, waar wij voorbij reden.

Had dat een bepaalde reden? Ongetwijfeld. Ik hield dus dat houtgewas te scherper in het oog, en zag al spoedig dat de Miridiet onzen gids afgesproken teekens gaf.

Nu eens rechts en dan weer links was een takje omgebogen in de richting die de verrader ons te voeren had.

Dat hadden zij natuurlijk afgesproken, in de meening dat zij dat bizonder slim hadden overlegd. Van deze ontdekking had ik nu gebruik kunnen maken zonder er een woord van te zeggen. Maar ik wilde niet dat mijn kleermakertje ons in zijn hart ook maar uitlachen zou. Hij voorzag dat ik op het punt stond aangevallen te worden, en ik wilde hem den aanval voorspellen. Daarom hield ik stil, toen wij weer bij zoo'n omgebogen takje waren en zeide:

--Halef, ziet ge dat takje?

--Ja, Heer.

--Wie kan dat omgebroken hebben?

--Het een of ander wild.

--Dat moet dan een groot wild geweest zijn en daar zouden wij de sporen van moeten zien.

--Het gras kan zich weer opgericht hebben, zoodat het spoor niet meer te zien is.

--In dat geval moet het lang geleden zijn toen het takje brak en zou het op de breuk verdord zijn. Maar het is nog zoo frisch en vocht, dat het hoogstens een kwartier geleden gebroken kan zijn.

--Wie zou het dan gedaan hebben, en wat kan ons dat schelen? Waarom stelt gij zooveel belang in dien tak?

--Omdat die mij een heele geschiedenis vertelt.

--Een geschiedenis? Sihdi, ik weet, dat gij sporen van menschen en beesten kunt zien, zooals niemand anders. Dat van den Miridiet hebben wij hier vlak voor ons. Maar wat hebben wij met dien tak te maken?

De kleermaker liep, op een paar pas afstand, naast mij en zag mij aan met oogen die rustige verwondering moesten te kennen geven. Maar zijn rechter mondhoek was heel weinig zijwaarts opgetrokken, waardoor zijn gezicht eene nauwelijks merkbare hoonende uitdrukking kreeg.

--Als gij heb niet weet, wat die tak mij vertelt, is misschien onze gids Afrit scherpzinniger dan gij,--zeide ik.

De kleermaker keek terstond verwonderd op en antwoordde:

--Heer, ik weet het evenmin en zou ook niets kunnen bedenken. Veel meer geloof ik dat gij u iets verbeeldt. Wat zou een takje ons kunnen vertellen?

--Heel wat.

--Zeker, zoo'n gebroken tak verkondigt de vergankelijkheid van al het aardsche. Gisteren nog bloeiend en groen, moet hij nu al verwelken en verdorren.

--Juist, en mij moet hij zeggen dat de dood op mij loert.

--Hoezoo? Ik begrijp u niet.

--Wel, ik ben zeker, dat de Miridiet dit takje omgebogen en gebroken heeft.

--Waarom?