Chapter 2
--Ik ben van het tegendeel overtuigd, en ik zeg u dat wij niet alleen de dieven maar ook de gestolen voorwerpen zouden vinden. En daarom gelast ik u mij met de Khawassen te volgen!
--Gij schertst toch zeker!
--Neen, het is mij volle ernst!
--In deze duisternis?
--Zijt gij bang?
--Neen, maar zulke menschen zijn gevaarlijk. Indien zij inderdaad daarboven zijn, zullen zij zich verdedigen. Wacht liever tot morgen als de dag is aangebroken.
--Vóór dien tijd zouden zij kunnen ontsnappen. Het heeft er trouwens wel iets van of hier menschen zijn, die de dieven zouden waarschuwen.
--Dat zal niemand doen. Ik zelf zou er voor zorgen, dat niemand naar de ruïne kon gaan.
--Zorg liever dat wij spoedig kunnen opbreken, en gelast dat er lantaarns worden mede genomen!
--Maar, Heer, laat dat voornemen toch varen!
--Neen, wanneer gij uw plicht niet wilt doen, kunt gij thuis blijven. Ik zal wel menschen vinden, die het ambt van Kodscha Bascha meer waard zijn dan gij!
Dát hielp. Hij schudde nog wel hoogst bedenkelijk met het hoofd, maar zeide toch:
--Gij moet mijn bedoeling niet miskennen. Ik ben slechts op uw eigen welzijn bedacht, en verlang niet dat gij u in gevaar begeeft!
--Bekommer u daar maar niet over. Ik zal wel voor mijzelf zorgen.
--Gaat de Mubarek meê?
--Ja, hij moet ons den weg wijzen!
--Dan zal ik voor verlichting en voor wapens zorgen!--zeide hij, en ging in huis om, zooals ik vermoedde, een en ander in orde te maken.
TWEEDE HOOFDSTUK.
EEN NACHTELIJKE TOCHT.
De Kodscha Bascha keerde weldra terug met eenige oude lantarens, fakkels en een aantal spanen, waarna wij ons op weg begaven waarbij velen der omstanders zich bij ons aansloten.
Een nachtelijke tocht naar de ruïne om dieven op te vangen, dát was nog nooit alhier vertoond en was een heel vermaak voor de bevolking; daarom gingen ook nagenoeg alle bewoners van de plaats met ons mede.
Voorop gingen eenige Khawassen, dan volgde de Bascha met de overige rechters, daar achter de Mubarek tusschen Osko en Omar, wie ik zijn bewaking had opgedragen; vervolgens kwam ik met Halef en de beide zwagers, de herbergiers, terwijl daar achter alle bewoners van Ostromdscha, mannen en vrouwen, oud en jong volgden.
Luid pratende, werd de tocht begonnen, maar hoe dichter wij bij de ruïne kwamen, hoe stiller de menschen werden. Zij begonnen in te zien, dat men voorzichtig zijn moet om dieven te vangen.
Eindelijk bij den rand van het bosch, bleven velen achter. Dat waren de vreesachtigen. Zij bezwoeren bij hoog en laag, dat zij hier alleen post vatten, opdat de dieven langs dezen weg niet zouden kunnen ontkomen.
Toen wij eindelijk op de open plek waren aangekomen, heerschte daar een stilte als van het graf. De helden kregen het benauwd. De spitsboeven konden ieder oogenblik te voorschijn komen, of zich achter een boom hebben verborgen. Men ging zoo zachtjes voorwaarts, om hen niet op te jagen, en om geen kans te loopen dat deze of gene met hen handgemeen werd, want er waren vrouwen ook bij.
De Mubarek stond met Osko en Omar voor de deur van de ruïne. Hij verlangde dat wij hem zouden binnen laten. Daar hij zich met chemie bezighield en allerlei zoogenaamde tooverkunsten kende, vertrouwde ik hem niet best. Hij kon wel het een of ander hebben in orde gemaakt, voor het geval van een plotselinge gevangenneming.
--Wat moet gij daar binnen doen?--vroeg ik. Hij antwoordde niet. De goede man scheen niets meer van mij te willen weten.
--Wanneer gij geen antwoord geeft, kunt gij ook niet verwachten, dat aan uw verzoek wordt voldaan.
Nu antwoordde hij.
--Ik heb daar dieren, die gevoederd moeten worden.
--Dat zal ik zelf morgen wel doen. Uw tehuis is voortaan de gevangenis, maar toch zal ik doen wat gij verlangt, indien gij mij naar waarheid antwoordt op eenige vragen die ik u zal stellen.
--Vraag maar op!
--Hebt gij bezoek?
--Neen.
--Er woont dus niemand in uw hut dan gij alleen, en gij weet ook niet of het mogelijk is dat een ander zich in de hut ophoudt.
--Er is niemand, anders moest ik het weten.
--Kent gij ook twee personen, met name Manach el Barscha en Barud el Amasat?
--Ik ken noch den een noch den ander.
--En toch beweren zij, u zeer goed te kennen.
--Dat is niet waar.
--Zij zeggen ook, dat gij hen heden met mijn komst in kennis hebt gesteld.
--Dat is niet waar!
--En dat gij er voor zorgen zoudt, dat ik in de gevangenis werd gezet, waarna gij zoudt komen en mij vermoorden!
Hij antwoordde niet dadelijk. 't Kwam hem ongehoord voor, dat ik alles weten zou.
Eindelijk antwoordde hij.
--Heer, ik begrijp niet waarover gij spreekt en ken geen der mannen wier namen gij hebt genoemd!
--Gij zijt zóó onwetend dat ik inderdaad medelijden met u heb, en uit medelijden zal ik u nu eens laten zien, welke gevaarlijke menschen hier in de nabijheid zijn!
Met deze woorden pakte ik hem bij den arm en nam hem mede. Halef ging met een fakkel vooruit, de heeren van het gerecht, Osko en Omar, benevens de beide herbergiers volgden, terwijl de anderen achter moesten blijven, omdat het binnenste gedeelte der ruïne geen ruimte bood voor zoovele personen.--Toen Halef de klimop op zijde schoof, hoorde ik dat de oude een vloek uitstiet.
--Wat? Paarden? vroeg de Kodscha Bascha, toen wij in de afdeeling kwamen die voor stal werd gebruikt.
--Waar paarden zijn, moeten ook menschen wezen, wie zij toebehooren!--merkte Halef op. Laten wij eens verder kijken!
De drie schelmen die Halef en ik, bij ons vorig bezoek aan de hut, hadden geboeid, [2] lagen nog juist zooals wij hen hadden verlaten.
Niemand sprak een woord. Met Halef's hulp maakte ik hun touwen en banden los, althans voor zoover dit noodig was om hun gelegenheid te geven om op te staan en hun voeten te gebruiken.
--Manach el Barscha, kent gij dezen man?--vroeg ik, naar den Mubarek wijzende.
--Allah vervloeke u!--antwoordde hij.
--Barud el Amasat, kent gij hem?
--Stort van de brug des Doods in de eeuwige verdoemenis!--riep hij.
Nu wendde ik mij tot den opzichter der gevangenis.
--Uw eenige misdaad is, dat gij den gevangene hebt bevrijd. Deze beiden zullen streng worden gestraft, doch uw straf zal lichter uitvallen, wanneer gij toont geen halsstarrig zondaar te zijn. Zeg de waarheid! Kent gij dezen man?
--Ja,--antwoordde hij, na zich een oogenblik te hebben bedacht.
--Wie is hij?
--De oude Mubarek!
--Kent gij ook zijn werkelijken naam?
--Neen!
--Hij en uw beide kameraden kennen elkander ook?
--Ja, Manach el Barscha is zeer dikwijls bij hem geweest.
--En ik zou te Menlik vermoord worden?
--Ja!--
--En vandaag werd dat plan wederom opgevat. Men wilde mij nu in de gevangenis dooden.
--Zoo is het!
--En nu nog iets. Terwijl gij met Ibarek en zijn vrienden kaart speeldet, hebben de beide anderen hem bestolen.
--Dat heb niet ik, maar dat hebben zij gedaan!
--Nu, het is wel. Ge zijt er dan toch bij betrokken, en hebt met uw kunstgrepen den diefstal mogelijk gemaakt. Ik heb genoeg gehoord!--En mij tot den Kodscha Bascha wendende ging ik voort:
--Nu, heb ik gelijk gehad? Zijn de dieven niet in de ruïne!
--Gij had hen reeds gevonden, toen gij mij over hen spraakt.
--Juist, maar dat ik hen zoo te juister tijd en zoo gauw gevonden heb, is een bewijs te meer hoe gemakkelijk het voor u zou zijn geweest om uw plicht te doen. Deze drie personen moeten onmiddellijk naar de gevangenis worden overgebracht, en morgen brengt gij rapport uit bij den Makredsch, waar ik mijn schrijven zal bijvoegen. Hij zal dan beslissen wat gebeuren moet. Hier Ibarek, ik geloof dat daar op den grond alle voorwerpen liggen die men u heeft ontstolen.
Ibarek was verbazend in zijn schik, zijn bezittingen terug te zien, en wilde alles weder bij zich steken, waartegen de Kodscha Bascha zich echter verzette, bewerende een en ander als bewijsstukken bij de behandeling der zaak te moeten overleggen.
Ik begreep zijn bedoeling, en twijfelde er aan of Ibarek dan ooit iets van het zijne zou terug zien. Ik antwoordde daarom, dat dit niet noodig was en ik een lijst zou opstellen, vermeldende alle aanwezige voorwerpen naar hun waarde geschat, die volkomen denzelfden dienst zou kunnen doen, en in weerwil van het tegenstribbelen van den Kodscha werd alles door mijn kleinen Hadschi in minder dan geen tijd bij elkaar gepakt en in diens zakken gestoken.
--Dieven!--mompelde de Mubarek.
Halef's zweep gaf hem op die opmerking een duidelijk en goed voelbaar antwoord. De gevangenen werden nu uit de ruïne, naar de open plek gebracht, waar het nieuwsgierige publiek zich om hen verdrong, en weldra zette de stoet zich in beweging. De Khawassen namen de vier gevangenen in hun midden, en de heeren van het gerecht volgden.
Op een wenk van Halef bleef ik met hem achter.
Toen de anderen verdwenen waren, maakten wij de deur der hut open en staken, met behulp van vuursteen, een stuk papier aan waarmede wij een fakkel ontbrandden. Het eerste vertrek dat wij binnen traden, was nagenoeg geheel leeg, maar toen wij het tweede wilden binnen gaan, zag ik verscheidene draden die boven, onder en midden langs den ingang liepen. Ik raakte een daarvan voorzichtig met het handvat van mijn zweep aan en dadelijk daarop weerklonk een schot, wat ons deed besluiten heen te gaan en onze onderzoekingstocht uit te stellen tot den volgenden morgen. Juist toen wij den terugweg wilden aanvaarden, kwam een vrouwelijke gedaante op ons toeloopen. Ik kon haar gelaat niet onderscheiden. Zij greep echter mijn hand en drukte, vóór ik het kon verhinderen, er haar lippen op.
--Ik zag bij het schijnsel van de fakkel, dat gij het waart, Effendi en ik kom u nogmaals mijn dank betuigen.
Het was Nebatja, de kruidenzoekster.
--Wat doet gij hierboven? vroeg ik haar.--Waart gij reeds hier toen wij de gevangenen kwamen halen?
--Neen! Het is voor mij geen vreugde des harten zulke ongelukkige menschen te zien. Maar ik was op de binnenplaats van den Kodscha Bascha, toen gij veroordeeld worden zoudt. Heer, gij zijt dapper geweest, maar gij hebt u een bitteren vijand gemaakt!
--Wie dan? De Mubarek?
--Neen, dien meen ik niet, ofschoon ook hij u haat! Ik meen den Kodscha Bascha.
--Ja, ik wil wel gelooven, dat hij niet bijzonder op mij zal gesteld zijn, maar als vijand behoef ik hem niet te vreezen.
--Maar toch vraag ik u, wees voorzichtig!
--Is hij zoo slecht?
--Ja, hij is overheidspersoon, maar beschermt in 't geheim alle dieven, schelmen en moordenaars van de bende van den Shoet.
--Hoe weet gij dat?
--Omdat hij dikwijls des nachts hierboven bij den Mubarek kwam.
--Zijt gij dan dikwijls hier geweest?
--O ja! Ofschoon de Mubarek het mij verboden had. Er zijn echter planten die men alleen des nachts kan zoeken. Dit werd mij in den laatsten tijd dikwijls zeer moeilijk gemaakt. Maar heden hebt gij mijn vijand ontmaskerd en hem onschadelijk gemaakt. Hij is nu gevangen en daarom ben ik dadelijk hierheen gegaan om na middernacht een koning te zoeken.
--Een koning? Is dat ook een plant?
--Ja, kent gij die niet.
--Neen! Hoe is de naam van die plant?
--Het is de Hadsch Marrjam. Hoe jammer, dat gij die niet kent.
--Ja, die ken ik wel, maar ik wist niet dat die een koning had.
--Slechts weinige menschen weten dat, en dan is nog maar zelden iemand zoo gelukkig om een koning te vinden. Het is vandaag de eerste zondag na Nieuwe Maan en dan heeft men het meeste kans een koning te vinden. Wanneer gij tijd hebt, kunt gij hem zien schitteren.
--Ik zou gaarne met u meegaan, want ik stel levendig belang in zulke natuurgeheimen, maar ik moet, helaas, naar de stad terug.
--Dan zal ik u hem morgen avond brengen, dan is de glans nog niet gedoofd.
--Ik weet niet of ik dan nog in Ostromdscha wezen zal.
--Heer, wilt gij reeds zoo spoedig weer vertrekken.
--Ja, ik kwam niet hier met het voornemen hier lang te vertoeven. Ik heb maar weinig tijd te missen. Maar vertel mij eens, welke kracht schrijft gij aan den distelkoning toe?
--De gewone Hadsch Marrjam geneest, als thee gedronken, de longtering, wanneer deze tenminste niet te zeer verouderd is. De distel bevat eene stof die de kleine ziektekiemen, die zich in de longen bevinden, doodt. Van den koning vertelt men echter, dat hij longlijders nog van den rand van het graf redt.
--Hebt gij het wel eens beproefd?
--Neen, maar ik geloof dat de Schepper alles kan wat hij wil en ook het kleinste plantje de grootste geneeskracht geven kan.
--Kom dan morgen bij mij en laat mij den koning zien, wanneer ik er nog ben. Weet gij waar ik woon?
--Ja, dat heb ik gehoord. Rust wel, Effendi!
--Veel succes met den koning, Nebatja!--En zij ging heen.
Weinig vermoedde ik, dat ik den distelkoning weldra mijn leven zou hebben te danken, en 't zou mijn geluk zijn dat de kruidenzoekster dien avond naar de ruïne was gegaan om hem te zoeken.
DERDE HOOFDSTUK.
ONTVLUCHT!
Toen wij weder in het plaatsje kwamen, gingen wij dadelijk naar den Kodscha Bascha, waar ik mijn verklaring opstelde. Zijn kleine oogen fonkelden, toen wij den inhoud van de drie geldzakken uittelden.
Hij vroeg nogmaals of ik de overzending niet aan hem wilde overlaten, maar ik bleef er op staan, daar zelf voor te zorgen. Weldra zou het blijken dat ik daar goed aan had gedaan. Om mij te ergeren bleef hij er echter op aandringen, dat zij dan tenminste met zijn zegel zouden worden voorzien, waartegen ik mij natuurlijk geen oogenblik verzette.
Daarna begaf ik mij naar de gevangenen. Zij waren in een kelder opgesloten en geboeid. Ik vroeg hem, of dat geen onnoodig kwellen was: hij was echter van meening dat men tegen zulke perceelen niet streng genoeg kon optreden, hij was zelfs van plan om gedurende den nacht een zijner ondergeschikten bij de deur op wacht te zetten.
Ik voelde mij dus, wat de gevangenen betrof, volkomen gerustgesteld, en dacht inderdaad niet, dat men hen alleen geboeid had, omdat men verwachtte dat ik naar hen zou komen kijken.
Van hier begaf ik mij naar den Konak waar wij ons eindelijk aan den avondmaaltijd zetten. Wij zaten weer in hetzelfde vertrek als dien middag, bijeen. Het ging er recht opgewekt toe, want de gebeurtenissen van dien dag gaven stof te over tot een levendige gedachtenwisseling, en zoo werd het lang na middernacht, vóór wij ons ter ruste begaven.
Mij werd de mooiste kamer aangewezen, die ik langs een trap bereikte. Daar er twee bedden stonden, nam ik den kleinen Hadschi bij mij. Ik wist dat zulk een bewijs van vriendschap hem zeer aangenaam was.
Mijn horloge wees even over tweeën toen wij ons gereed maakten ons van onze kleederen te ontdoen. Daar werd aan de gegrendelde voordeur geklopt. Ik deed het blind open en keek naar buiten. Er stond iemand voor de deur, maar ik kon niet onderscheiden wie het was.
--Kim dir?--wie is daar? vroeg ik.
--O, dat is uw stem!--klonk een vrouwenstem.--Niet waar, gij zijt de vreemde Effendi?
--Ja, en gij zijt de plantenzoekster!
--Ja, Heer, kom naar beneden; ik heb u wat te zeggen!
--Is het noodzakelijk?
--Zeker!
--En kan ik daarna weer gaan slapen?
--Nu, dat zal wel niet zoo heel gauw zijn!
--Wacht, ik kom!
Eenige oogenblikken later was ik beneden bij haar.
--Effendi, er is iets heel ergs gebeurd. De gevangenen zijn ontvlucht.
--Wat zegt ge! Is het werkelijk waar?
--Ja, zij zijn gevlucht.
--Hoe weet gij dat?
--Ik heb het gezien, en zelfs gehoord wat zij spraken.
--Hoezoo?
--Daar boven op den berg, bij de hut van den Mubarek.
--Sihdi;--zeide Halef.--Wij moeten weg, onmiddellijk weg, den berg op; neerschieten moeten wij hen, anders wagen wij ons leven!
--Wacht, eerst moeten wij alles weten. Nebatja, vertel ons eens hoeveel er waren.
--De drie vreemdelingen, de Mubarek en de Kodscha Bascha.
--Wat nu! Was de Kodscha Bascha er ook bij?
--Ja, hij heeft hen zelf losgelaten en daarvoor van den Mubarek vijfduizend piasters gekregen.
--Weet gij dat zeker?
--Ik heb het duidelijk gehoord.
--Vertel ons dan alles. Maar kort, want wij hebben geen tijd te verliezen.
--Ik had dan den distelkoning gehaald en wilde naar de open plek op den berg terugkeeren. Toen zag ik vier mannen komen uit de richting van de stad. Ik wilde mij niet laten zien en kroop weg in den hoek, die gevormd wordt door de hut en den muur die er tegen aan staat. De vier mannen wilden de hut binnen gaan waarvan de deur echter gesloten was. Drie hunner kende ik niet, de vierde echter was de Mubarek. Zij spraken er over dat de rechter hen nu vrij had gelaten, en weldra zou komen om daarvoor vijfduizend piasters in ontvangst te nemen. Wanneer zij hem betaald hadden, wilden zij weg, maar zij moesten zich toch op u wreken. Die een zeide, dat gij in ieder geval naar Radowitsch en Istib zoudt gaan. En onderweg zouden de Aladschy's u dan aanvallen.
--Wie zijn de Aladschy's?
--Dat weet ik niet. Toen kwam de Kodscha Bascha, en daar niemand een sleutel had, trapten zij de deur in. Er werd licht gemaakt en juist daar, waar ik stond, een raam geopend. Daaruit kwamen vogels, vleermuizen en andere dieren, wie de Mubarek de vrijheid gaf. Toen werd ik bang en vluchtte zoo gauw mijn voeten mij dragen konden, naar de stad, naar u toe. En dat is het wat ik u had te zeggen.
--Ik dank u Nebatja! Morgen zult gij uw belooning ontvangen. Ga nu naar huis. Ik heb geen tijd meer te missen!
Nu ging ik weer naar binnen. Ik behoefde niemand te wekken, want het feit dat ik was opgeklopt geworden, was een zeker teeken geweest, dat er iets bijzonders aan de hand was en men was dus reeds opgestaan. Twee minuten later waren wij allen gewapend en onderweg. Halef, Osko, Omar en ik. De beide herbergiers hadden de stad willen alarmeeren, maar ik had hun dat verboden, want de vluchtelingen zouden het leven hooren en daardoor gewaarschuwd zijn geworden. Ik droeg den beiden zwagers op, nog eenige wakkere mannen bijeen te roepen en met hen den straatweg naar Radowitsch te bezetten. Zóó moesten de vluchtelingen ons in ieder geval in de handen vallen, wanneer het ons tenminste niet eerder gelukte hen onschadelijk te maken.
Wij vieren gingen den berg op, zoo gauw wij konden, maar toen wij bij het bosch kwamen, waren wij wel genoodzaakt, om, wilden wij niet vallen, onzen gang te matigen.
Plotseling was het mij alsof dichtbij iemand een korte hooge "I" uitstiet, als door plotselingen schrik bevangen. Toen was het alsof ik iemand hoorde vallen.
--Halt!--fluisterde ik de anderen toe. Er is daar iemand vóór ons. Blijft staan en houdt u kalm en rustig.
Na eenige oogenblikken naderde iemand langzaam. Het waren onregelmatige stappen en het scheen wel alsof de eene voet langzamer en ook zachter dan de andere werd neergezet. Hij hinkte. Misschien had hij zich bij een val gekwetst.
Nu was hij vlak bij mij. Het was geen heldere nacht, en tusschen de plaats waar ik stond en de boomen, was het pikdonker. Daarom onderscheidde ik meer door mijn instinct dan door mijn oogen geleid, een lange magere gestalte, die veel op die van den Kodscha Bascha geleek.
Ik pakte hem bij de borst.
--Dur we sus,--Sta stil en zwijg!--gebood ik hem op gedempten toon.
--Ia Allah!--riep hij verschrikt.
--Wees stil, of ik sla u dood!
--Wie zijt gij?--vroeg hij.
--Kent gij mij niet?
--Ah! gij zijt de vreemdeling! Wat wilt gij hier?
Misschien hoorde hij het aan mijn stem. Misschien ook was mijn gestalte beter te herkennen dan de zijne. Hij wist tenminste wien hij voor zich had.
--En gij! Wie zijt gij!--vroeg ik. Misschien de Kodscha Bascha, die de gevangenen heeft losgelaten.
--Ej Müdschizat! O wonder!--schreeuwde hij.--Hij weet het!
Hij maakte een zijsprong om zich los te rukken. Ik hield hem stevig vast, daar ik wel had vermoed, dat hij zou trachten te vluchten, maar zijn oude kaftan was niet zoo stevig als mijn greep. Eén ruk zijnerzijds en ik hield een stuk van het vod in mijn hand, en de man verdween tusschen de boomen, waar het natuurlijk vruchteloos zou zijn geweest om hem te vervolgen.
Buitendien schreeuwde hij zoo hard hij kon:
--Hajde, sa-usch kulibeden choriadscha tschapuk--Weg, weg uit de hut, zoo gauw ge kunt!
--O Sihdi! wat zijt gij dom geweest!--riep Halef uit. Gij hadt den kerel beet en laat hem weer ontkomen. Dat had ik eens moeten doen!
--Stil!--viel ik hem in de rede. Wij hebben nu geen tijd tot verwijten. Wij moeten, zoo gauw wij kunnen, naar de hut, want zijn geschreeuw bewijst dat zij dáár zijn.
Toen klonk van boven de vraag:
--Nitschün, ne deji, Waarom, om welke reden?
--Jabandschylar, edschnebiler! Katschyn, koschyn, sytschryn,--De vreemdelingen, de vreemdelingen. Vlucht, loopt, springt!--luidde het antwoord.
Wij haastten ons nu natuurlijk zooveel mogelijk; maar de hobbelige weg bemoeilijkte ons natuurlijk zeer. Wij waren pas enkele passen vooruit gekomen, toen wij een knal hoorden en een vuurstraal naar boven zagen schieten, het volgende oogenblik was alles weer donker.
--Sihdi, bir top fisckenkler ile.--Heer, dat was een kanon met raketten!--merkte Halef op, die achter mij aan klauterde. O, Allah, het brandt!
--Wij zagen nu door de boomen heen, een vuurgloed, en toen wij op de open plek waren aangekomen, stond de hut aan alle kanten in lichte laaie. Een stem klonk ons tegemoet:
--Daar komen zij! Ziet gij hen? Geeft vuur!
Wij werden door den gloed der vlammen helder verlicht en boden dus een zeker mikpunt.
--Terug!--riep ik en nam tegelijkertijd een sprong, waarmede ik achter een naastbijstaanden boom terecht kwam.
De andere volgden onmiddellijk mijn voorbeeld en juist nog te rechter tijd, want even daarna knalden drie schoten, die gelukkig geen van alle raak waren.
In den sprong had ik mijn geweer nog juist kunnen opvatten. De vonk van de schoten had mij de plek verraden, waar de schurken zich bevonden. Een oogenblik later haalde ik over en moest er een getroffen hebben, want een stem riep:
--Ej Selaket, bre ha! Jaralanmyschim!--O ongeluk! Help! help! ik ben getroffen!
--En nu vooruit!--riep de kleine dappere Hadschi Halef Omar en sprong van achter zijn boom te voorschijn.
--Halt!--waarschuwde ik, terwijl ik hem bij den arm pakte. Het is mogelijk dat zij twee loopen op hun geweren hebben!
--Al hebben zij er honderd! Ik sla hen neer, die schurken en schavuiten!
Hij rukte zich los, keerde zijn geweer om, en sprong over de hel verlichte open ruimte. Nu bleef ons niets anders over dan hem te volgen. Het was zeer gevaarlijk, doch gelukkig had men daarboven geen enkel tweeloopsgeweer, terwijl ook de tijd, om opnieuw te laden had ontbroken. Wij kwamen heelhuids tot aan de rots, vanwaar men op ons had geschoten, doch dit was ook het eenige voordeel wat die onvoorzichtige bestorming ons opleverde. Er was niemand meer.
--Sihdi! waar zouden zij gebleven zijn?--vroeg Halef. Hebt gij er een vermoeden van?
--Neen, waar zij zijn, dat weet ik niet, maar wel wat zij zijn!
--Nu wat dan?
--Slimmer dan wij, en in alle gevallen slimmer dan gij.
--Begint gij mij weer te beknorren.
--Gij verdient niet beter. Wij hadden hen zeker gepakt, als gij niet in eens vooruitgesprongen waart.
--Hoe dan?
--Wij hadden dan, beschut door de boomen, ongemerkt voorbij de open plek kunnen komen en zóó tot in hun onmiddellijke nabijheid!
--Dan waren zij toch al weg geweest.
--Dat is nog de vraag. Zij hebben natuurlijk een openlijken aanval vermeden, maar het was ons misschien wel gelukt hen te vangen, wanneer wij hen voorzichtig omsingeld hadden, vooral wanneer een uwer hier was achtergebleven en een loos schot had gelost. Dan hadden zij gemeend dat wij allen nog hier waren!
--En gelooft gij, dat wij hen nu niet meer kunnen inhalen.
--Zij zijn in ieder geval nog in de nabijheid; maar ga in zulk een duisternis nu maar eens zoeken! Het schijnsel van het vuur verlicht alleen deze open plek. En zelfs al wisten wij precies waar zij zaten, zouden wij hen nog met rust moeten laten, want zij zouden ons hooren komen, en wat dan het gevolg zou zijn, laat zich gemakkelijk raden.
--Ja zij zouden ons met kogels ontvangen en ik heb wel eens hooren vertellen dat de meeste menschen daar niet tegen bestand zijn. Maar wat zullen wij nu doen?
--Luisteren!