Chapter 19
Alleraardigst deed dit een misschien achtjarige jongen. Hij ving de druppels in zijn kleine fez op, en als hij meende er genoeg bijeen te hebben, om echt te kunnen smullen, dan keerde hij de muts binnenste buiten, en belikte de bedruppelde plek zoolang er nog iets van te halen was. Was het vet, te veel naar zijn zin, in de roodwollen muts gedrongen, of kleefde het er te vast aan, dan weerde hij zich dapper met zijn tanden. Toen het braden afgeloopen was, liet ik den knaap bij mij komen en bekeek zijn fez. De kleine had er verscheidene gaatjes in gebeten, en was den koning te rijk, toen ik zijn volharding met een piaster beloonde.
Een der vuren werd letterlijk belegerd door een kleine bende. Telkens als de aandacht van de braadster ook maar een oogenblik afgeleid kon worden, sprong een der saamgezworenen vooruit, om de een of andere appetijtelijke plek van het gebraad een lik te geven en dan vlug weer weg te loopen.
Dat was geen ongevaarlijk werk, omdat het vuur de kleeren van den kleinen gauwdief in brand kon steken. Gelukkig was niet een van het troepje in zijde met Brusselsche kanten gekleed. Was het waagstuk aan iemand gelukt, dan werd de gelukkige door de saamgezworenen met brulgejuich begroet. Kreeg de waaghals echter van een der vrouwen een flinken klap of ook wel een duchtige oorvijg, wat bij negen van de tien aanvallen gebeurde, dan werd hij geweldig uitgelachen. Maar telkens als de aanval gelukt was of niet, volgde er een zeer teekenend gebarenspel, naar aanleiding van de oorvijg of de gebrande tong.
Er was een mengeling van typische figuren, die een interessant geheel uitmaakten. De gasten--zoowel oude als jonge--gingen ongedwongen en in allen eenvoud hun gang. De ceremonieele vormen, die de Oosterling, vooral tegenover vreemden, streng in acht neemt, waren door de Arpa suju volkomen verdrongen. Langzamerhand werd men vertrouwelijk ook met ons en waren wij door vroolijke gezellen omringd, die mij tot kostelijke studie-opnamen dienden.
Toen de politie-agent van zijn diplomatische zending terug kwam, berichtte hij:
--Heer, het is mij gelukt! Ik heb hem gezien; maar het heeft moeite gekost. Gij zult mij wel tien piasters mogen geven in plaats van vijf.
--Waarom?
--Omdat ik mij tienmaal meer heb moeten inspannen. Toen ik naar hem vroeg, kreeg ik ten antwoord, dat hij afwezig was. Maar ik was hem te slim af, en liet zeggen, dat ik hem noodzakelijk moest spreken, omdat ik hem een belangrijke mededeeling te doen had betrekkelijk de laatste oogenblikken van zijn broeder. Toen liet hij mij komen, want hij zat alleen, in een vertrek. Hem ziende schrikte ik geweldig, want hij had een lange diepe wond, die over zijn voorhoofd, neus en wang liep. Naast hem stond een kom water, om de wond af te koelen.
--Hebt gij hem gevraagd, hoe dat gekomen was?
--Zeker. De spijker, waar zijn bijl aan hing, had losgelaten en toen was de bijl op zijn gezicht gevallen,--zoo zeide hij.
--En toen wilde hij zeker uw gewichtige mededeeling hooren?
--Ik zeide hem, dat zijn broeder nog niet dood was, toen ik hem opnam, maar nog eenmaal had gezucht.
--Was dat alles?
--Was dat niet genoeg? Moest ik dan mijn teere geweten met een nog grootere leugen bezwaren? Een enkel zuchtje zal ik voor den gerichts-engel nog wel kunnen verantwoorden. Maar had ik gezegd dat de doode nog eerst een lange redevoering had gehouden, dan zou ik mijn ziel daarmee ernstig bezwaard hebben.
--Nu, wat dat betreft, ik had u niet opgedragen, om leugens te vertellen. En tien piasters zijn voor een zuchtje te veel.
--Te veel voor u? Voor een man van zoo'n grooten invloed en begaafdheid? Wanneer ik de voortreffelijkheid had van uw karakter, de innigheid van uw gevoel, den rijkdom van uw hart en de sierlijkheid van uw denken, zouden vijftig piasters mij niet te veel zijn!
--Vijftig piasters zijn ook niet te veel voor mijzelf.
--Ik bedoel niet voor uw eigen gebruik, maar om ze mij te geven, te meer omdat de zaak niet zoo eenvoudig afgeloopen is, als ik wenschte.
--Hoe dan?
--Wel, hij werd boos, sprong op en vloekte afgrijselijk. Hij zei, er voor te zullen zorgen, dat ik ook nog zuchten zou, en niet zoo zacht als, volgens mij, zijn broer zou gedaan hebben. En wat er toen gebeurde, kunt gij wel denken.
--Neen. Zoo duidelijk als gij, kan ik mij den toestand niet voorstellen.
--Welnu, ik nam in ontvangst, wat men gewoonlijk een pak slaag noemt, maar wat ik nu betitelen wil als gevolg mijner innige toewijding aan uw belangen.
--Waren de slagen ter dege raak?
--Meer dan dat!
--Het is mij zeer aangenaam, dat te hooren!
--Maar ze te ontvangen, was mij het niet. Ik zal heel wat noodig hebben voor mijn genezing, uitwendig een afwrijving met Raki, en inwendig heel wat Arpa suju voor afkoeling, en hamelvleesch tot herstel van verloren kracht en lenigheid.
--Ik vermoed, dat gij de Raki ook wel voor den innerlijken mensch zult gebruiken. En wat uw lenigheid betreft, bewijs mij terstond dat die niet geleden heeft, door u oogenblikkelijk uit de voeten te maken. Hier zijn de tien piasters.
--Heer, uw woorden zijn beleedigend, maar uw daden zijn balsem. Al de roerselen van mijn hart zijn eenstemmig in liefde voor uw persoon, en mijn ingewanden rommelen van verrukking over uw goedertierenheid!
--Maak dat gij weg komt, gij groote held, of ik zal uw beenen zóó smeren, dat gij er op springt!
Ik greep het handvat van mijn zweep, en terstond was de dappere verdwenen.
Het nauwkeurig herhaalde onderzoek naar den toestand van de hamels bewees dat ze gaar waren, en de verdeeling begon. Opdat er geen twist zou ontstaan, liet ik Halef voorsnijden, een kunst, waarin hij een meester was. Daarna werden de porties verloot. Wij kregen de staartstukken; maar ik ontzegde mij het genot dier lekkere stukken, omdat ze in mijn tegenwoordigheid het meest door de jeugd waren belikt geworden.
Trouwens, onze waard had goed voor ons gezorgd. Wij konden ons vergasten aan een overvloedig en smakelijk avondeten. Wat dat betreft, konden wij over hem tevreden zijn.
Na de bijna spoorlooze verdwijning der vier vette hamels, nam de krijgskapel plaats in een hoek van den binnenhof, en fungeerde als orkest voor zang en dans.
Wat wij nu te hooren kregen, gaat alle beschrijving te boven Ik moet mij bepalen tot de vermelding, dat er gedanst werd, bijna alleen door de mannen; later verschenen er ook eenige vrouwen. De dans bestond òf uit wilde onregelmatige sprongen òf in minder mooie verdraaiïngen van het lichaam. Eén enkel paar, man en vrouw, vertoonde een vrij goede pantomime, waarbij gitaar en viool alleen begeleidden.
Ter afwisseling van den dans, lieten zich de zangers hooren, meestal in koor. De solostukken ademden een weemoedigen geest, maar er zat ten minste melodie in, en bij de begeleiding ook sporen van harmonie. De koorzangen waren meest krijgsliederen. Deze werden eenstemmig gezongen of veel meer gebruld en door gegil onderbroken dat oorverscheurend was. De begeleiding was als de zang. Bazuingeschal, de trommel en fluit vervulden de hoofdrol.
Laat in den avond, omstreeks middernacht, zag ik een ruiter aankomen, die hier overnachten wilde. Hij was klein van gestalte en steeg van een oud mager en slecht verzorgd paard af, dat nu hard had moeten loopen.
Hij wisselde eenige woorden met onzen waard, en deze zeide mij, dat ik morgen al een zeer goeden gids zou kunnen krijgen.
Ik dacht terstond aan den man, van wien de beide Aladschy's gesproken hadden, en die mij in hun handen leveren zou. Suef hadden zij hem genoemd, een echt Arabische naam.
Hij moest, in geval ook de aanslag op heden niet mocht gelukken, terstond met zijn verraderij beginnen. Welnu, de poging om mij door het raam dood te schieten, was mislukt; dus stond het vast, dat hij van daag met zijn verraderij beginnen zou.
Het was mogelijk, dat hij al van avond zou trachten, met ons in verbinding te komen, en in dat geval kon de reiziger de gevaarlijke persoon zijn. Ik moest voorzichtig te werk gaan en nauwkeurig onderzoeken.
--Hoe komt gij er toe, van een gids te spreken?--vroeg ik den waard. Wij hebben zoo iemand niet noodig.
--Misschien toch wel! Kent gij den weg?
--Wij hebben nooit een weg, dien wij in deze streken gingen, vooruit gekend, en zijn toch altijd terecht gekomen.
--Gij verlangt dus geen gids?
--Neen.
--Zoo als gij wilt. Ik meende u een dienst te bewijzen.
Hij wilde van ons weggaan. Dat zag er niet naar uit, alsof de aangekomen vreemdeling zich door hem bij ons wilde indringen. Daarom vroeg ik nader:
--Wie is hij dan, dien gij bedoelt?
--Een bij u passend gezelschap is hij eigenlijk niet. Het is een arme kleermaker, die niet eens een vaste woonplaats heeft.
--Hoe heet hij?
--Afrit is zijn naam.
--Afrit, dat woord beteekent: reus. Die naam past niet bij zijn gestalte, want hij is zoo klein, dat hij veel van een dwerg heeft.
--Dat hij nochtans Afrit heet, is zijn schuld niet, want dien naam heeft niet hij gekozen, maar is hem door zijn vader gegeven. Misschien was die ook zoo klein, en heeft zijn zoon Afrit gedoopt, in de hoop dat zijn zoon een reus zou worden.
--Is hij uit deze streek?
--Waar hij geboren is, dat weet niemand. Hij is overal als de reizende kleermaker bekend. Waar hij werk vindt, daar blijft hij tot het klaar is. Met den kost en een kleine vergoeding is hij tevreden.
--Is hij eerlijk?
--Volkomen vertrouwd. Hij is door zijn onbaatzuchtigheid zelfs spreekwoordelijk geworden. Zoo eerlijk als de reizende kleermaker, pleegt men te zeggen.
--Waar komt hij nu van daan?
--Van Sletowo, dat in het Noorden ligt.
--En waar wil hij heen?
--Naar Uskub en nog verder. Omdat gij ook derwaarts wilt gaan, meende ik hem u te mogen aanbevelen. Volgt gij den straatweg, dan maakt gij een omweg, en de kortste weg is heel moeielijk te vinden.
--Hebt gij met hem al over ons gesproken?
--Neen, Heer. Hij weet in 't geheel niet, dat hier vreemdelingen zijn. Hij vroeg alleen, of hij hier tot morgen ochtend blijven kon. Ik wilde hem werk geven, maar hij kon het, om een ziekte-geval niet aannemen. Hij wordt daarvoor gewacht.
--Waar is hij op het oogenblik?
--Achter het huis, waar hij zijn paard laat weiden. Gij kunt het dat dier aanzien, hoe arm zijn baas is.
--Geef hem dan straks vergunning om bij ons binnen te komen. Hij mag onze gast zijn.
Al spoedig kwam dan ook de man zelf. Hij was zeer klein, zwak, en bepaald armoedig gekleed. Hij scheen zeer veel geleden te hebben, en nam uiterst bescheiden in een hoekje plaats. Behalve een mes, droeg hij geen wapens, en al spoedig haalde hij een stuk hard maïsbrood uit zijn zak, om daarmee zijn avondmaal te doen. Deze arme man was zeker geen makker van de bandieten. Ik noodigde hem uit, om bij ons plaats te nemen, en van het overschot van ons avondeten, dat nog op tafel stond, gebruik te maken.
--Heer, gij zijt wel vriendelijk,--zeide hij beleefd,--en ik heb werkelijk honger en dorst. Maar ik ben een arme kleermaker en het past mij niet bij Heeren, zooals gij zijt, aan te gaan zitten. Wanneer gij mij iets geven wilt, zal ik het dankbaar aannemen, maar vergun mij, het hier, waar ik zit, te mogen nuttigen.
--Zooals gij wilt. Halef, zet hem ons eten voor!
De Hadschi zette hem zooveel voor, dat meerdere personen er hun genoegen aan hadden kunnen eten. Ook gaf hij hem bier en Raki.
Toen de man verzadigd was, kwam hij naar mij toe, reikte mij de hand en dankte mij met de meest eerbiedige woorden. Hij zag er zoo verarmd en eerlijk uit, bovendien sprak er zooveel oprechtheid uit zijn oogen, dat ik zeer ingenomen met hem was.
--Hebt gij bloedverwanten?--vroeg ik hem.
--Geen enkele. Mijn vrouw en kinderen zijn, twee jaar geleden, aan de pokken gestorven. Nu ben ik alleen.
--Hoe heet gij?
--Men noemt mij: de reizende kleermaker, maar mijn eigen naam is Afrit.
--Kunt gij mij ook zeggen, waar gij eigenlijk thuis hoort?
--Waarom niet? Ik moet toch weten, waar ik geboren ben? Ik stam af uit het kleine berg-dorp Weicza in de Schar Dagh.
Ah, dat was de plaats, die door den stervenden gevangenbewaarder genoemd was, als in de buurt liggende van de gezochte Karanorman-Khan. De ontmoeting met dezen armen man kon van groot nut voor ons zijn.
--Zijt gij daar bekend?--vroeg ik.
--Zeer goed; ik kom er dikwijls.
--Wanneer gaat gij er weer heen?
--Ik ga er juist nu naar toe. Over Uskub en Kakandelen reis ik er heen.
--Om iemand een bezoek te brengen?
--Neen. Daar woont een wonderdokter die mij moet helpen, want ik heb iets, daar hij mij moet afhelpen.
--Wilt gij niet liever een wetenschappelijk man raadplegen?
--Dat heb ik gedaan, maar het heeft niet geholpen. Bij den wonderdokter heb ik al veel baat gevonden.
--Wat hebt gij dan?
--Men zegt dat ik aan steenen in de lever lijd.
Hij zag er ook heelemaal naar uit, alsof hij aan innerlijke pijnen leed. Ik had werkelijk medelijden met hem.
--Wanneer denkt gij verder te rijden?
--Morgen vroeg.
--Rijdt gij dan ineens door naar Uskub?
--Neen. Dat is te ver, om het in één dag te doen.
--Is er dan onderweg een goede herberg?
--Wel meer dan een.
--Zullen wij samen reizen?
--Ik met u reizen! Maar dat gaat toch niet! Met zulke Heeren als gij, kan ik toch niet spreken.
--Waarom niet? Gij doet het nu wel, en gij bevalt mij goed. Wanneer gij er niet op tegen hebt, dan reizen wij samen, gij kent den weg beter dan ik, en voor uw wegwijzing betaal ik u als mijn gids.
--Heer, spreek niet zoo tegen mij! Ik ben maar een arme kleermaker, voor wien het een bijzondere eer is met u mee te mogen rijden. Ook is het veiliger niet alleen op weg te zijn. Wanneer gij het dan wilt, zal ik mij bij u aansluiten.
Daarmee was de zaak afgedaan, en hij ging weer op zijn plaats zitten. Een poos later wenschte hij ons wel-te-rusten, en verwijderde zich om te gaan slapen. Osko, Omar en Halef, zij ook waren van oordeel, dat wij met een eerlijken man te doen hadden, wat de waard ons ook nogmaals verzekerde.
Langzamerhand liep de binnenplaats leeg en werd ook het voorvertrek ontruimd. Ook voor ons werd het tijd om te gaan slapen. De waard maakte voor mij de sofa in orde, maar de anderen moesten een plekje opzoeken bij de paarden, die ik allerminst hier zonder toezicht wilde laten.
Toen ik alleen was, sloot ik van binnen de deur af. De vensters waren ook sekuur gesloten, en daar ik mij op mijn scherp gehoor kon verlaten, sliep ik onbezorgd in.
TIENDE HOOFDSTUK.
DE MIRIDIET.
Ik werd den volgenden morgen eerst wakker toen Halef op de deur tikte. Op het gevoel ging ik langs den muur om de deur te vinden en die te openen. Het volle daglicht stroomde naar binnen. Ik had mij verslapen; in huis had men alles vermeden wat mij zou hebben kunnen storen.
De kleermaker moest met ons ontbijten; daarna betaalde ik onze vertering en maakten wij ons tot de afreis gereed.
De waard was enkele oogenblikken afwezig geweest en hield nu een opgewonden redevoering tot afscheid. Hij besloot die met de waarschuwing:
--Heer, wij scheiden als goede vrienden, ofschoon gij mij heel wat zorgen op den hals hebt gehaald. Alles is gelukkig goed afgeloopen, en daarom wil ik u nog voor iets waarschuwen. Ik was zoo even aan de overzijde bij den slager, bij wien ik als buurman een bezoek van rouwbeklag brengen moest. De broeder van den gedoode kreeg ik niet te zien. Men beweerde, hij was weggereden. Maar op de binnenplaats zag ik het beste paard van den slager, gezadeld en opgetuigd. Het is op u gemunt.
--Misschien wil hij het een of ander gaan inkoopen.
--Geloof dat maar niet. Wanneer iemand zoo gewond is als mijn knecht mij van hem vertelde, dan kan alleen de bloedwraak hem doen besluiten om den weg op te gaan. Pas dus goed op uw tellen!
--Hoe ziet zijn paard er uit?
--Het is een bruin met een lange, breede bles. Beter paard is er in den heelen omtrek niet. Als het 's mans bedoeling is, u te vervolgen, dan komt hij niet terug voor hij u gedood heeft. Want volgens de wet der bloedwraak is hij eerloos als hij u laat ontkomen.
--Wij zullen zien. Intusschen, dank voor uw waarschuwing. Vaarwel!
--Vaarwel, en schrik niet als gij de poort hier uitrijdt.
--Wat zou mij doen schrikken?
--Dat zult gij wel zien en hooren ook.
Wij zetten ons in beweging om weg te rijden. Eerst nu werd de poort opengedaan. Ik reed voorop. Toen ik mij onder de poortdeur bevond en de kop van mijn paard zichtbaar werd, hoorde ik een knetterenden slag, alsof de bliksem insloeg, en volgde daarop een ontzettend geraas.
Mijn hengst vloog omhoog en sloeg met alle vier de pooten om zich heen. Ik had heel wat moeite om hem te doen bedaren.
En wat was nu dat heidensch lawaai? Een mooie vereerende fanfare had men ons willen brengen. Buiten stond het legercorps van gisteren avond, met volle muziek. Van de bazuin was het eerste knaleffect uitgegaan, en nu donderde en bulderde zij verder met de andere instrumenten mee. Eindelijk gaf de bazuinblazer, door een krachtigen zwaai met zijn instrument, een teeken en--alles was stil.
--Effendi,--zoo sprak de bazuinist mij aan; nademaal gij ons gisteren avond zoo groote eer bewezen hebt, willen wij op heden gelijk met gelijk vergelden en u uitgeleide doen tot aan de grens van ons dorp. Ik wil hopen dat gij ons dit zult toestaan.
En zonder antwoord af te wachten zette zich de stoet met volle muziek, in beweging. Buiten het dorp hield Halef een toespraak, waarin hij de Heeren bedankte, die daarna huiswaarts keerden. Wij reden in de richting van Warzy, vanwaar wij gisteren waren gekomen. Daar week onze weg af, van die wij gisteren waren gegaan, omdat wij van daar uit naar Jerzely moesten rijden.
Toen wij aan gene zijde waren van de brug over de Sletowska, zei ik tot Halef:
--Rijdt stapvoets door, ik heb iets vergeten. Ik moet nog even terug, maar ik kom u spoedig achterop.
Zij reden door. Ik was volstrekt niet van plan, om naar het dorp terug te gaan; ik had een gansch andere bedoeling, waarvan ik den kleermaker niets wilde laten merken. Ik kende hem nog te weinig om hem te vertrouwen.
De broeder van den slager zon op wraak, dat was zeker. Hij had zijn paard laten zadelen om ons terstond te kunnen volgen. Was dat werkelijk zijn bedoeling, dan zou hij ons op den voet volgen. Ik had dus niet lang te wachten om te zien of wij iets van hem te vreezen hadden. Over deze brug moest hij in allen geval komen.
Ik dreef mijn paard tusschen het struikhout, dat zich aan den oever bevond en mij volkomen dekte, wanneer ik mij maar een weinig vooroverboog. Daar bleef ik op wacht.
Wat ik vermoed had, gebeurde. Nauwlijks vijf minuten later kwam hij in draf mij voorbij en de brug over. Hij reed op den bruin met de bles, had een geweer aan zijn zadel hangen en een heidukkenbijl op zijde. Een pleister, van onder zijn fez over voorhoofd, neus en wang loopende, mismaakte zijn gezicht,
Hij volgde de richting naar Warzy niet, maar reed langs de Sletowska, tot waar deze zich met de Bregalnitza vereenigt, hij ging nog een eind verder en wendde zich daarna naar de steile hellingen, die het plateau van Jersely dragen.
Voorzichtig volgde ik hem, met mijn verrekijker in de hand. Mijn hengst liep zoo gelijkmatig en bedaard, dat ik mijn man, hoe ver ook van mij af, steeds in het oog hield.
Hij volgde nu den weg, die van Karanorman naar Warzy gaat. Daarna volgde ik hem over een vlakke weide, die met allerlei boschjes, als met eilandjes, begroeid was.
Hier kon ik hem niet aldoor in het oog houden, omdat die boschjes telkens tusschen hem en mij inkwamen. Ik moest zijn spoor volgen, maar dat was duidelijk genoeg.
Links liep de helling steil naar omlaag. Het spoor wees in die richting. De grasvlakte ging hier in steengrond over, waarop echter ook veel struikgewas. Hier was het spoor niet zoo gemakkelijk te onderkennen, toch kon ik het volgen. Ik was zoo dicht mogelijk langs de steenachtige helling gegaan.
Op eens--ik trok mijn hengst terstond achterwaarts--hoorde ik dicht voor mij het snuiven van een paard. Juist had ik om een boschje heen willen wenden. Voorzichtig keek ik uit en zag den bruin, aan een struik vastgebonden. Er zat niemand op.
Mijn hengst een pas verder brengende, zag ik den Miridiet, die al zoekende en rondziende, achter een boschje verdween.
Wien of wat zocht hij? Dat had ik zoo graag willen weten; maar ik kon hem niet bespieden noch beluisteren, want ik mocht te paard hem niet volgen, daar hij mij dan zeker zou opgemerkt hebben, en te voet ging ook niet, omdat ik niet loopen kon.
Maar een ding kon ik, als me een oogenblik tijd werd gelaten:
--zijn geweer voor mij onschadelijk maken. Het hing aan zijn zadelknop. Tijd om den kogel af te draaien had ik niet; maar er was nog een andere en betere manier om het te laten ketsen. En snapte hij mij bij die bezigheid, welnu, dan was ik best tegen hem opgewassen, indien hij hier ten minste geen kameraden was komen zoeken.
Ik liet mij dus uit den zadel glijden en nam mijn geweer in de hand, om er op te leunen bij het gaan, en ook om in geval van nood een veilig wapen bij de hand te hebben. Die enkele voetstappen tot waar de bruin stond, kon ik wel loopen. Toen ik bij hem was, nam ik zijn geweer, haalde den haan over, en trok de percussie er af. Dit gedaan, nam ik een speld uit mijn vest--waarin ik er altijd eenige heb--en stak die zoo diep mogelijk in het zundgat. Door heen en weer wrikken bleef die er vast in zitten en brak bij de punt af. Het gaatje was volkomen gedicht en het geweer zoo onbruikbaar als een vernageld kanon. Ik zette de percussie er weer op en bracht den haan weer in gesloten toestand. Nadat ik het geweer aan den zadel gehangen had zooals het geweest was, hinkte ik naar mijn hengst terug en steeg op.
Nu was ik toch al dicht bij hem. Ik ging een boschje verder van hem af en bleef daar wachten. Na eenige oogenblikken hoorde ik paardengetrappel en naderende stemmen.
--Wij hebben ons al langer opgehouden dan ons lief is,--hoorde ik zeggen en ik meende de stem van Barud el Amasat te herkennen. Wij hebben geen lust om den heelen dag achter hem aan te sluipen, maar rijden vooruit en wachten u. Dan rusten wij uit, tot gij komt.
--Die honden zijn eerst laat op weg gegaan,--hoorde ik zeggen door iemand, wiens stem ik niet kende en die dus de Miridiet moest zijn. Ook mij is de tijd lang gevallen. Maar ik zal er nu gauw een eind aan maken.
--Pas goed op, dat het niet weer mislukt, zooals gisteren avond.
--Dat was heel wat anders, vandaag ontsnapt hij ons niet. Ik heb mijn geweer met gehakt lood geladen.
--Neem u in acht. Hij is kogelvrij.
--Gehakt lood is wat anders dan kogels.
--Inderdaad, daar kondt ge gelijk in hebben. Daar hadden wij eerder om moeten denken.
--Kom, onzin; kogelvrij bestaat niet!
--Oho!--hoorde ik Manach el Barscha zeggen. Ik had gisteren avond zorgvuldig geladen en tot bij het venster sluipende, had ik mijn geweer op de vensterbank laten rusten. Toen nam ik hem op den korrel, zoodat ik hem tusschen de oogen moest treffen, en toen ik losbrandde, volgde er een hevige knal, waarbij mijn geweer achteruit sloeg en ik er bij. Dat mijn schot hem niet deerde, hebt gij zelf gezien.
--Ja, ik stond bij de huisdeur. Vreemd is het zeker. Ik kon u bij het lamplicht zien, dat in de kamer brandde. Ook zag ik dien verdoemeling, namelijk zijn halven kop. Ik zag u aanleggen, den loop op zijn voorhoofd gericht. Uw schot knalde en spoot vuur, al sof gij er een heel pond kruit op geladen hadt. En terwijl gij achterover sloeg, bleef hij rechtop staan, ongedeerd. Begrijpen doe ik het nog niet.
--Ik wel, hij is kogelvrij.
--Goed, daarom wil ik het met gehakt lood probeeren, en helpt dat niet, dan neem ik mijn heidukkenbijl. Dat wapen hanteer ik als de beste; en die Frank heeft nog nooit zoo'n wapen in zijn handen gehad. Ik wil hem niet van achteren overvallen.
--Waag niet te veel.
--Bah! Voor hij tijd heeft zich te verweren, is hij er geweest!
--Maar zijn makkers!
--Om die geef ik niets!
--Die vliegen terstond op u aan.
--Daar zal ik ze geen tijd toe laten. Op mijn bruin haalt niemand mij in. Ook zal ik voor den aanval een struikgewas kiezen, waarachter ik terstond verdwijn.