Chapter 17
--Wat dat zou, vraagt gij? Zeker niets?--riep de Kiaja uit. Als zij ons doodschieten, is dat zeker niets? Ik ben integendeel van oordeel, dat er geen grooter schade is, dan dat men het leven er bij inschiet.
--Dat ben ik tamelijk wel met u eens. Maar gij moet het zoo aanleggen, dat zij er niet toe komen om zich te verweren.
--Maar, hoe dat te doen?
--Dat zal ik den menschen zeggen, als zij hier bijeen zijn.
--Maar er komt niemand, wanneer ik bekend maak, wat zij zullen moeten doen.
--Juist; en daarom zult gij dat ook niet bekend maken. Maar gij erkent toch dat gij volgens de wet, het recht hebt en verplicht zijt om, in dergelijke omstandigheden als waarin gij nu verkeert, alle strijdbare mannen op te roepen?
--Ja, het recht heb ik.
--En zij moeten u gehoorzamen?
--Dat zal waar zijn!
--Welnu, roep ze dan op, met bevel dat zij ten spoedigste met hun wapens, zich hier in uw voorvertrek moeten bevinden. Als zij hier zijn, zal ik hun zelf zeggen, wat wij van hen verlangen. Ik zal zoo tot hen spreken, dat zij er trotsch op zullen zijn, tegen deze bandieten uit te trekken.
--Dat doen zij nooit!
--Ik ben er zeker van dat zij het wel zullen doen.
Hij opperde nog allerlei bedenkingen, maar ik bleef bij mijn verlangen, zoodat hij eindelijk zei:
--Welnu, daar gij het zoo beslist wilt en u op den Padischa beroepen kunt, zal ik mijn politie-agent halen en hem in uw tegenwoordigheid gelasten, wat hij te doen heeft.
Toen hij zich verwijderde, zeide Halef:
--Ik begrijp u niet, Sihdi. Denkt gij werkelijk, dat deze prachtige onderdanen van den Sultan ook maar een vlieg zullen vangen?
--Neen; maar ik heb behoefte aan een vroolijke afleiding die ons tevens te beter met den aard van dit volk zal bekend maken. Wij reizen immers om landen en volken te leeren kennen. Welnu ik wilde de bevolking van hier eens bij elkaar zien, om te weten wat geest hen onderling beheerscht en hoe zij zich amuseeren. Wij hebben heden ernstige en gevaarlijke uren doorleefd en mogen ons wel een afleiding veroorloven.
Allen waren het er mee eens; zij waren benieuwd den gewapenden landstorm, die zou opkomen, te zien.
Na eenige oogenblikken kwam de waard terug en bracht den politie-agent mee. Deze maakte een weinig martialen indruk. Wel had hij een verbazenden volbaard, maar zijn verdere persoonlijkheid stemde daar niet mee overeen. Hij droeg den stempel van een echten hongerlijder, en zijn kleedij bestond uit een tot aan de knieën reikende broek en een oud gescheurd van voren dichtgemaakt wambuis. Zijn onderbeenen hadden kousen noch schoenen. Om zijn hoofd had hij een katoenen doek gedraaid, van het soort dat op de kermis voor een dubbeltje te koop is. In zijn hand had hij een olijven-stok, ter dikte van een kinderbeen. In plaats van een handvat was er een soort sikkel aan. Waartoe? Tot wapen? Dan was 't een hoogst gevaarlijk ding.
--Heer, hier is mijn politie-agent,--zei de Kiaja. Wilt gij hem zeggen, wat hij te doen heeft?
--Neen, doe gij dat! Gij zijt de magistraat en hebt te bevelen.
Geheel in mijn geest beval hij hem alle weerbare mannen saam te roepen. Daarna vroeg ik naar zijn bier-voorraad.
--Ik heb juist gisteren een nieuwen voorraad gekookt,--antwoordde hij. Gij zult met uw drie vrienden er wel een week lang, genoeg aan hebben.
--Wilt gij mij uw geheelen voorraad verkoopen?
--Ja. Maar waartoe wilt gij die massa gebruiken?
--De politie-agent mag aan de landstormers zeggen, dat zij al het voorradige Arpa suju krijgen en ook nog Raki, als zij goed doen, wat van hen verlangd wordt.
Toen hief de politie-agent-zijn stok omhoog, als tot een eed en zeide:
--Effendi, uw goedheid gaat het al te boven; maar bij Allah en den Profeet, wij zullen vechten en strijden, als trokken wij tegen de ongeloovigen op.
--Gij weet dus wat wij gaan doen?
--Ja, de Kiaja, mijn Heer en Gebieder, heeft mij zijn vertrouwen waardig geacht en het mij gezegd.
--Maar wat u in vertrouwen is medegedeeld, moogt gij aan de anderen niet oververtellen!
--Geen woord! Mijn mond zal zijn als het boek met zeven zegelen, waarin niet gelezen kan worden, en als een ijzeren kist, waarvan de sleutel verloren is.
--Dat raad ik u ook aan. En nu haast u!
--Ik zal vliegen, als de gedachte eens menschen, die in een seconde om de aarde loopt!
Hij wendde zich om en ging met opgeheven hoofd en deftigen gang de deur uit.
--Dat is nog nooit gebeurd,--zei de waard. Geen mensch zal alle mannen van het dorp onthalen, en een vreemdeling allerminst. Heer, men zal u prijzen nog jaren lang en uw naam gedenken tot in de verste geslachten!
--Wat moet het bier kosten?
--Vijftig piasters.
Dat was zooveel als zes gulden.
--En hoeveel mannen zullen er komen?
--Misschien wel twintig.
--En wat kost hier een vette hamel?
--O, die is hier veel goedkooper dan in Stambul of Edreneh, van waar gij komt. Voor vijftien piasters hebt gij er een.
--Zeg dan aan de landstormers, dat zij voor zich, als zij dapper optreden, twee hamels op uw binnenplaats aan het spit mogen braden.
--Heer, heel het dorp zal u zegenen voor uw mildheid. De menschen zullen----
--Nu ja,--viel ik hem in de rede,--maar gij zelf hebt vette hamels. Zoek er twee uit en zorg dat ook wij een flink avondeten krijgen.
--Gij zult er over tevreden zijn. Ik zal voor u zorgen, alsof de Khalif zelf bij mij te gast was!
Hij spoedde zich weg.
--Nu is hij in zijn schik!--zei Osko en lachte hartelijk.
--Ja, maar die blijheid bevalt mij minder. Bezorgd, dat de mannen hun leven er bij kunnen inschieten, is hij in 't geheel niet meer. Dat komt mij verdacht voor.
--Hij zal maatregelen genomen, hebben, die hem zeker doen zijn, dat zij geen gevaar loopen.
--Hij zal er ons toch niet laten inloopen?
--Dat is onmogelijk. Hij zorgt, dat onze vijanden weggaan. Dat is het eenige wat hij zal doen.
Het duurde lang, zeer lang, voor de eerste der strijdbare helden verscheen.
Toen deze aankwam, deed de waard de deur onzer kamer open en berichtte:
--Effendi, zij beginnen reeds te komen. Zal ik al Arpa suju brengen?
--Neen, eerst moeten zij toonen, dat zij dapper zijn.
Stuk voor stuk kwamen nu ook de anderen. Ieder kwam bij onze deur, die open stond, en maakte een diepe buiging, ons tevens nieuwsgierig opnemende. Maar de blikken, die zij op ons wierpen, verrieden nog iets anders dan loutere nieuwsgierigheid of blijdschap over de smulpartij, die hen wachtte. In hun oogen blonk echte guitigheid. Zij hadden een geheim, waarover zij zich vroolijk maakten. Gewapend waren ze allemaal; met geweren, pistolen, sabels, bijlen, messen, sikkels en dergelijke werktuigen.
Een poos later hoorden wij een luid Hallo! van deze dapperen. Wij zagen den politie-agent binnenkomen en achter hem aan, nog meer mannen. Ook dezen waren gewapend, maar bovendien had ieder van hen nog een muziekinstrument bij zich.
Stram en stijf kwam hij bij ons binnen, de anderen volgden hem.
--Heer, meldde hij,--deze strijdvaardige mannen zijn present en wachten op uw bevelen.
--Goed! Maar wat moeten de mannen, waar gij mee binnen gekomen zijt?
--Dat zijn de Tschalgydschylar (muzikanten), die eerst de Tschenk makami (krijgsmuziek) en daarna de Makam er raks en nagmeh (dans- en zangmuziek) zullen maken. Zij zullen de troepen tot de grootste dapperheid opwinden.
--Ah, gij wilt dus met muziek tegen de vijanden oprukken?
--Natuurlijk! Dat is zoo het gebruik in ieder leger. Bij stormloopen wordt getrompet.
Dit was allercurieust. De vier schurken moesten in alle stilte omsingeld en gevangen genomen worden, en deze politie-man wilde met muziek tegen hen optrekken. Dat hij van stormloopen en krijgsmuziek sprak, bewees dat hij aan de mannen reeds gezegd had, met welk doel zij geroepen waren. Hij had dus mijn gebod overtreden, maar ik zweeg er over. Trouwens, hij liet mij niet aan het woord komen, want hij pakte den man, die zoo iets als een trommel aangegespt en twee stokken in de handen had, bij de borst, plaatste hem voor mij en zeide:--Deze slaat de Dawul (trommel). Hij is meester op dit instrument.
Den trommelslager op zij schuivende, trok hij een ander vooruit die een hoepel droeg, waarover een vel was gespannen.
--Deze laat de Dawuldschuk (tamboerijn) rinkelen en die daar blaast op de Düdük (fluit).
Na deze voorstelling duwde hij er een, die een lange fluit had, op de plaats voor zijn voorganger, maar slingerde hem weer weg, om twee anderen voor te brengen, die snareninstrumenten schenen te hebben. Deze tokkelt de Kytarn (gitaar), en gene zaagt op de Keman (viool). Maar nu komt het voornaamste, Effendi! Hier deze laatste heeft het eigenlijke krijgsinstrument. Hij laat heldentonen hooren. Hij geeft de maat aan en blaast de vijanden omver, wanneer hij wil. Hij blaast de Zurna (bazuin), waaraan niemand weerstand kan bieden. Gij zult over onze muziek tevreden zijn.
Ik twijfelde er zeer aan. De zoogenaamde gitaar, bestond uit een plank waar een hals aan gelijmd was. Twee van de snaren zouden gewiegeld hebben, wanneer de avondwind hier in de kamer was gekomen. De viool bestond uit een hals met iets als een kropgezwel er aan. Over den kam liepen drie snaren, zóó dik dat misschien een vioolbas ze had kunnen gebruiken. De strijkstok bestond uit een kromme lat, die krom gehouden werd door een sterk snoer. Een groot stuk pek, dat de man in zijn hand had, moest de hars vervangen!
Maar nu de bazuin! Ja, het was inderdaad een schuifbazuin in levenden lijve. Hoe zou die man er aan gekomen zijn? Maar hoe zag het ding er uit! Het was zoo vol blutsen, deuken en knepen, alsof Simson er eenige honderden Filistijnen mee verslagen had. In den loop der jaren was de bazuin totaal van gedaante veranderd. Ze scheen het haar plicht geacht te hebben, meer een spiraalvorm aan te nemen, en toen ik dat capricieuse ding in handen nam om te onderzoeken of het nog uitschuifbaar was, bevond ik dat de tegenwoordige formatie zich beslist daar tegen verzette, ja! vastgeroest was.
De gelukkige bezitter van dit instrument scheen aan mijn gezicht te zien, dat zijn bazuin nu niet juist mijn volle vertrouwen had, want hij haastte zich mij te verzekeren:
--Heer, wees gerust! Deze bazuin doet haar plicht.
--Dat wil ik hopen.
--Nu gij bij de Arpa suju ook Raki geeft, sla ik met mijn bazuin de beide Aladschy's dood!
--Ezel!--beet hem die politie-agent toe. Dat mocht gij nog niet weten!
--Ach zoo!--zei de bazuinheld. Nu, dan neem ik mijn woorden terug!
--Maar gehoord heb ik ze toch,--zei ik lachende. Dus gij weet al, wat wij gaan doen?
--Heer, zij lieten mij niet met rust, voor ik het hun zei,--verontschuldigde zich de agent. Hun dapperheid werd zoo groot, dat het mij het leven gekost zou hebben, als ik nog langer gezwegen had.
--Het is begrijpelijk, dat gij uw leven gered hebt. Ik behoef dus aan deze wakkere mannen niet meer uit te leggen wat van hen verlangd wordt.
--Neen, maar een toespraak wilt gij toch zeker wel houden, om ze meer aan te vuren, want dan worden zij onoverwinbaar.
--Die aanspraak zal ik houden. Is 't niet, Sihdi?--stelde Halef voor.
Daar ik zijn redenaarstalent kende, knikte ik hem bewilligend toe, en vroeg:
--Maar wie zal het krijgsvolk aanvoeren?
De politie-man antwoordde:
--Natuurlijk ben ik in mijn kwaliteit van handhaver der orde en veiligheid, de Muschir (veldmaarschalk) van deze legermacht. Ik zal zeer strategisch te werk gaan. Ik deel mijn leger in twee helften, die ieder door een divisie-generaal gecommandeerd worden. Daarmee zullen wij den vijand heimelijk omsingelen en gevangen nemen. Ontsnappen kan hij niet, daar wij van twee kanten aankomen.
--Mooi! En dan gebeurt alles onder begeleiding van muziek?
--Ja, want daarmee jagen wij, bij onze nadering, den vijand den schrik op het lijf. Wij leggen de boosdoeners gebonden aan uw voeten. Maar nu gij ziet hoe dapper en vermetel wij zijn zullen, behoeft gij met de hamels niet te wachten, tot wij als overwinnaars terug komen. Gij kunt ze nu wel laten braden. Ik heb eenige vrouwen mee gebracht, die dat werk uitstekend verstaan; zij zijn reeds op de binnenplaats en maken er alles voor gereed. De staartstukken die de beste en meest malsche zijn, worden u opgedischt want wij weten zeer goed wat de beleefdheid vordert.
--Er zijn dus ook vrouwen opgekomen?
--O, nog anderen ook. Zie maar eens op de plaats, daar zijn ook zonen en dochters van de vrouwen.
--Welnu, laat dan de Kiaja zijn knecht bevelen, niet twee, maar vier hamels te slachten en aan de vrouwen te geven.
--Heer, gij zijt overvloeiende van weldadigheid! Maar laat ons de hoofdzaak niet vergeten: wie krijgt de vier huiden?
--Die zullen onder de vier dappersten verdeeld worden.
--Dan ben ik zeker er een van te zullen krijgen. Maar laat nu uw metgezel de toespraak houden, want de ijver van mijn volk is bijna niet meer in toom te houden.
Hij ging met zijn muzikanten naar het voorvertrek. Halef posteerde zich in de opening van de verbindingsdeur en hield zijn aanspraak. Deze was een klein rhetorisch meesterstuk. Hij was alles behalve bang, om zijn toehoorders te veel in de hoogte te steken, want hij noemde hen helden, onoverwinlijken, voortreffelijken, en doorspekte zijn aanspraak met allerlei sarcasmen, die wij alleen begrepen.
Toen hij uitgesproken had, weerklonk er plotseling een geluid, dat mij zoo deed schrikken, dat ik van mijn stoel opvloog. Het was alsof een half dozijn Amerikaansche buffels levend aan het braadspit gestoken en gebraden werden. Op mijn vraag, wat dat brullend gekrijsch mocht zijn, antwoordde de waard:
--Dat was de bazuin, zij gaf het signaal tot opbreken.
De voorkamer liep nu leeg. Buiten voor de deur klonk de stem van den maarschalk. Hij verdeelde zijn leger in twee divisies, en toen zetten de helden zich in beweging. Eenige krachtige dondertonen leidden den stormpas in. De fluit deed, alsof ze een triller wilde laten hooren, bleef echter steken en verliep in een woedend gefluit. De trom begon zich te roeren, de tamboerijn viel in, van de viool en de gitaar werd niets gehoord. De zachte teedere tonen dier beiden werden totaal overstemd door het geluid der andere krijgsinstrumenten.
Langzamerhand werden de harmonieën zwakker, al naar het leger verder oprukte. De muziek klonk nog slechts als een stormwind, die om een hoek huilt, verliep in een wegstervend piepen, als van een orgel dat zijn voorradige lucht uitlaat.
Wij lieten het helden-leger nu zijn gang gaan en haalden onze Dschibuks te voorschijn. Op de binnenplaats glommen eenige vuren, waarop de hamels zouden gebraden worden. Zij kostten ons iets meer dan een daalder per stuk. Voor een enkelen keer mochten wij ons zulk een weelde wel veroorloven.
De waard had niets te doen. Hij kwam bij ons zitten en verdiepte zich in de mogelijkheid, dat er één zou gevangen worden of alle vier, of wel niet een.
Er lag daarbij een trek op zijn gezicht, die het vermoeden bij mij opwekte dat hij niet geheel oprecht tegenover ons was. Hij was een eerlijk mensch, dat geloofde ik gaarne; maar nu verborg hij iets voor ons, dat in verband stond met onzen mooien veldtocht.
--Maar als zij nu geen geluk hebben,--zeide hij,--wat dan?
--Dan brengen zij ons de schurken niet.
--Ik bedoelde, wat er dan met het bier zou gebeuren.
--Dat wordt dan toch opgedronken.
--En de hamels?
--Die worden toch opgegeten.
--Uw woorden zijn vol wijsheid, Heer; want als de Aladschy's weg zijn, dan baat alle dapperheid onze mannen niet.
--De maarschalk zal er wel voor zorgen, dat zij weg zijn. Zijn muziek noodigt hen er toe uit. Of zou hij ze al van te voren gewaarschuwd hebben?
--Gewaarschuwd? Wat meent ge daarmee?
--Wel, hij kan naar ze toegeloopen zijn, om hun in alle gemoedelijkheid te vertellen dat zij tevergeefs op ons loeren, omdat wij reeds hier bij u zijn.
Hij keek mij onderzoekend aan, om te zien of ik dat in vollen ernst meende.
--Effendi, wat denkt gij toch!
--Iets, dat zeer goed mogelijk, ja zelfs zeer waarschijnlijk is. En bij die gelegenheid heeft hij hun ook gezegd, dat zij een weinig op zijde moesten gaan, want dat hij nu verplicht was om, tot hun vervolging, de dappere bevolking op te roepen.
--Dat zal hij toch niet gedaan hebben. Dat zou heelemaal in strijd met zijn plicht zijn!
--Maar als gij het hem nu bevolen hadt?
Hij kreeg een kleur, keek bezijden af en antwoordde op weifelenden toon:
--En dat kunt gij van mij gelooven!
--Gij ziet er mij zoo buitengewoon slim uit. De groote zorg voor uw dappere helden is zoo geheel en al verdwenen en de eerste dier helden kwam zóó laat, dat ik werkelijk geloof dat uw veldmaarschalk een kleine wandeling naar de boschjes heeft gedaan. Maar ik neem u uw bezorgdheid voor uw dorpsgenooten in 't geheel niet kwalijk. Ik hoop maar dat er niet veel sneuvelen zullen.
Ik zeide dit op schertsenden toon. Hij antwoordde half daarop ingaande:
--Zij zullen strijden als leeuwen. Zulke wapenen als gij, hebben zij wel niet, maar de hunne weten zij te gebruiken. Met onze geweren kan men geen kram uit een luik wegschieten. Ik heb ook nog nooit zulk een kaliber gezien.
Hij nam mijn berendooder, die tegen den muur stond, in de hand, en woog het.
--Wordt gij niet moe, als gij het lang moet dragen?
--Neen, ik ben er aan gewoon.
--Maar waarom maakt men bij u zulke zware geweren? Alleen het aanleggen is reeds een pijnlijke inspanning.
--Men maakt tegenwoordig ook geen geweren meer van dat kaliber. Dit geweer is van een zeer oude constructie. Men noemt ze berendooders, omdat men ze op die jacht gebruikt. Er zijn ginds in Amerika beren, die een grauwen pels hebben. Dat soort is zoo sterk, dat het een os meesleept. Geen der vroegere kogels doodde zulk een grauwen beer. Alleen met zeer zware geweren, zooals dit er een is, legde men hem neer zoodat hij het opstaan vergat.
--Hebt gij ook zulke grauwe beren geschoten?
--Ja. Waarom zou ik anders zoo'n geweer hebben?
--Maar waarom sleept gij het hier mee, terwijl er geen beren zijn?
--Omdat ik op mijn reizen in streken zou komen, waar wel geen beren, maar ander even sterk wild was. Ik heb er leeuwen en den zwarten panther mee geschoten. Bovendien is men met dit soort geweren, juist omdat ze zoo zwaar zijn, altijd zeker van zijn schot. En dat ze ook voor andere dingen van nut kunnen zijn, heeft de ondervinding vandaag nog bewezen.
--Is het nu geladen?
--Ja. Zoodra ik het afgeschoten heb, laad ik het terstond weer. Dat is jagers-gewoonte.
--Dan zet ik het liever weer weg. Maar van wat bijzonder makelij is dat andere geweer van u?
Ik moet mijn lezers doen opmerken, dat wij aan een tafel zaten, die bij het open raam stond. Ik zat met mijn gezicht naar het raam en Halef met den rug er naar toe. Rechts van mij zat de waard, links Omar, en achter mij stond Osko, die juist zijn pijp gestopt had en opgestaan was, om die aan de lamp op te steken. Hij was achter mij blijven staan, om op den waard te letten, die mijn berendooder opgenomen en nu zóó op de tafel gelegd had, dat deze, toevallig en gelukkig, zoo door mij gegrepen en afgevuurd kon worden. Niet dat Osko den waard van iets kwaads verdacht, maar deze had nu mijn Henri-geweer genomen. De waard vroeg mij naar de constructie er van, en ik legde hem uit, hoe ik vijfentwintig schoten kon doen, zonder op nieuw te herladen. In deze verklaring werd ik gestoord door een uitroep van Osko, die mij schrikken deed.
--Effendi! Om Allah's wil! Help!--riep hij met grooten schrik.
Ik keek naar hem om. Hij wees naar het venster. Zijn oogen waren wijd open en op zijn gelaat lag een doodelijke bleekheid. Hij was werkelijk verlamd van den schrik.
Toen ik de richting van zijn arm volgde, zag ik den loop van een geweer, dat op mij gericht was. Die loop rustte op het vensterkozijn. De schutter stond buiten op straat en had zijn geweer op het kozijn gelegd, om te zekerder mij te treffen. Dat het op mij gemunt was, begreep ik terstond.
Er komen toestanden voor waarin, binnen een ondenkbaar kort oogenblik, onze geest waarneemt, gevolgtrekkingen maakt, besluit wat te doen, en het genomen besluit uitvoert. Men meent dan instinctief te handelen: maar inderdaad heeft onze geest dan in een halve seconde afgewerkt, waartoe in gewone omstandigheden minstens vele minuten noodig zijn.
Het geweer was zóó volkomen juist op mijn voorhoofd gericht, dat ik niet den loop, maar alleen de tromp als een ring kon zien. Had de schrik mij, ook maar het honderdste deel eener seconde geparalyseerd, het had mij het leven gekost. Bliksemsnel moesten denken en handelen samen vloeien. Wat te doen? Boog ik mijn hoofd zijwaarts en ging het schot af, dan zou niet ik, maar de achter mij staande Osko getroffen worden. Om dezen te redden, mocht ik mijn hoofd, het mikpunt van den moordenaar, niet wegtrekken; maar ik bewoog het zóó snel heen en weer, dat de moordenaar geen zeker schot had. Dit doende greep ik den berendooder.
Natuurlijk kan dit niet zoo vlug verteld of gelezen worden, als het geschiedde. De in aanslag liggende moordenaar kon niet zien, dat ik het geweer van de tafel greep. Zonder aan te leggen, want dat zou hij bemerkt hebben, strekte ik het uit, hield de beide trompen tegen de mij bedreigende monding en trok beide schoten bijna tegelijk af.
Tusschen Osko's geroep en het losbranden van mijn geweer, was zoo weinig tijd verloopen, als zich niet denken laat. Nauwlijks had hij geluid gegeven, of er knalden ook twee, of juister gezegd, drie schoten, want hij die buiten stond had ook geschoten, gelukkig, één tiende seconde na mij.
Op de losbranding volgde onmiddellijk een jammerkreet, die van buiten kwam.
Halef had Osko's waarschuwing gehoord en zich naar het venster omgewend, maar mijn geweer was iets vlugger geweest dan zijn blik. Hij had de verraderlijke tromp niet gezien. Daarom sprong hij, bij het schieten, van zijn stoel op, en riep:
--Wat is er, Sihdi? Gij schiet!
--Een moordenaar, een moordenaar!--stamelde Osko, nog altijd stijf van den schrik en met gestrekten arm staande, terwijl ik opsprong, den berendooder neerwierp en het revolvergeweer uit de handen van den waard rukte.
Ik kon niet zien, wie buiten stond; bevond de schurk zich nog daar, dan was hij verloren, want ter zijde van het venster staande, waar ik geen juist mikpunt voor een buitenstaande aanbood, vuurde ik zes zeven schoten zoo snel achter elkaar af, dat ze wel een eenig schot leken.
Halef had terstond begrepen, wat er gaande was.
--Houd op met schieten!--riep hij mij toe.
Oogenblikkelijk was hij in het open venster en wilde er uit.
--Halef, zijt ge dol!--riep ik, hem bij de beenen terug houdende.
--Ik moet er uit!--schreeuwde hij, wrong zich los en sprong.
Ik had met mijn gezonden voet een wijden vluggen sprong gedaan, die mij aan het raam bracht. Ik stak er eerst mijn geweer door, daarna mijn hoofd en linkerarm. Verder ging niet. Het raam was te smal. Ik zag Halef loopen, rechtsaf, waar de breede plaatsdeur open stond en het schijnsel van het flikkerende vuur de straat goed belichtte.
Tezelfder tijd kwam van af de donkere deur van het tegenover liggende huis van den slager, een persoon, die Halef achterna liep.
Was dat een vijand? Ik legde mijn geweer aan. Daar kwam iemand voorbij de plaatsdeur vluchten. Hij was bij het schijnsel duidelijk te herkennen.
--Manach el Barscha!--brulde Halef hem achterna. Ook ik had hem herkend en zag nu Halef de groote deur voorbij stuiven. Ik mikte op de smalle streep, die verlicht was en waarover de derde moest gaan, die Halef achtervolgde. Daar kwam hij, juist zoo gekleed als de slager geweest was. Hij kwam in mijn lijn en ik schoot. Maar ik zag, dat ik hem miste. Alleen mijn linkerarm buiten het raam hebbende, moest ik links mikken. Wie kan nu, bij nacht, in mijn ongemakkelijke, gedwongen houding en door het flikkerende vuur gehinderd, het geweer aan de linkerwang leggen, het rechteroog sluiten en van een treffer zeker zijn! Dat was bijna onmogelijk.
Natuurlijk trok ik mij uit het raam terug, de kamer in, en beval Osko en Omar:
--Vlug, door de voorkamer, en de binnenplaats over, rechts de straat op! Halef bevindt zich tusschen twee vijanden in.