Chapter 16
--Een leugen? Hoor eens, ik geloof het nu nog meer dan ooit. Mubarek had hem op de korrel, toen hij het hoofd door het luik stak. Ik mag vervloekt zijn, als ik hem niet getroffen heb. Ik kan hem niet gemist hebben. De monding van mijn geweer was geen twee armlengten van zijn hoofd af, dat wij duidelijk zagen. Wij hebben allebei hem getroffen. Ik zag, dat zijn hoofd terug sloeg, want zoo'n kogel heeft een vreeselijke kracht, als hij aanslaat; maar op hetzelfde oogenblik, dat wij hem raakten, hoorde ik onze kogels tegen de rots slaan. Ze moeten van zijn hoofd afgesprongen zijn, en ze zouden, bij terugkaatsing, ons getroffen hebben, als wij niet verdekt opgesteld geweest waren. En ook te zelfder tijd had de kerel op Mubarek aangelegd en hem neergelegd. Hij moet hem het hoofd doorschoten hebben, want de oude gaf maar een enkelen gil en viel dood naar omlaag. Het zou mij eveneens vergaan zijn, als ik niet terstond op de vlucht was gegaan.
--Wonderlijk! Om bang van te worden!
--Ja. Gij weet, dat ik zelfs voor den Scheïtan niet uit den weg ga, maar voor deze kerel ben ik angstig bang. Men kan hem alleen met het mes of met een heidukkenbijl aan het lijf komen, en dat zullen wij van daag hebben.
--Maar weet gij zeker, dat ge uw geweer geladen hadt?--vroeg Manach el Barscha.
--Volkomen zeker. Ik had met opzet een dubbele prop op den kogel gedaan. Verbeeld u, vier voet van af zijn hoofd, brandde ik los!
--Hm! Kreeg ik maar eens de gelegenheid, om op hem te schieten! Ik zou er de proef wel eens van willen nemen.
--Waag het niet! het zou u het leven kosten, want hij kaatst den kogel terug. Hadt mijn raad maar gevolgd, en den kerel overvallen, toen hij onder weg in den draagstoel zat! Toen was hij in onze macht.
--Mubarek verbood het ons.
--Dat was dom van hem.
--Ja, maar wie kon vermoeden, dat het zoo zou loopen! En het was een prachtige gedachte, die honden daar binnen van honger te laten verrekken. Maar de duivel heeft ze in zijn bizondere bescherming genomen. Ik wil hopen, dat hij zich nu eindelijk eens neutraal houdt.
--Het is toch al te dol, den slager door het luik heen, dood te schieten en het been van den ander te vermorzelen! De arme jongen heeft een ellendigen dood gehad.
--Om zijn dood zal ik niet treuren,--zei Barud el Amasat. Hij stond mij al lang in den weg, en wij hadden niets dan last van hem. Men kon geen vertrouwelijk woord samen spreken. Daarom heb ik hem, toen hij binnen gedragen was, nog een kolfslag gegeven.
Afschuwelijk! De gevangenbewaarder was, door dengene, dien hij bevrijd had, vermoord! Hij betaalde die misdaad wel duur. De vier schurken waren toch echte galgebrokken.--Laten we nu een besluit nemen, voor de tijd verloopt!--stelde Sandar voor. Zullen wij ze aanpakken, waar zij nu nog zijn?
--Neen,--antwoordde Manach el Barscha. Daar is het te licht. Zij zien ons daar, en dan zijn wij verloren, omdat zij kunnen schieten en onze kogels hen niet kunnen schaden. Wij moeten hen in 't donker overvallen, zonder dat zij het vermoeden. Vier houwen of steken, en zij zijn er geweest.
--Daar ben ik het mee eens; maar waar zal het gebeuren?
--Natuurlijk in het bosch.
--Neen, hoog opgaand hout deugt voor onzen aanval niet. Bij den uitgang van het bosch zijn wij zekerder, vooral van onze worpen. Daar geven de sterren genoeg licht, om ons niet te vergissen. Zij zullen denzelfden weg volgen, waarlangs zij gekomen zijn; want een anderen kennen zij niet. Zij moeten dus in onze handen vallen. Het beste is, dat wij hen opwachten in het struikhout, waar het vrije veld begint.
--Goed zoo,--stemde Bybar in, wiens klankgeluid verried dat zijn mond en neus gewond waren. Wij zijn met ons vieren, en zij ook. Ieder van ons neemt er dus een voor zijn rekening. Ik kies voor mij den Effendi: gij zorgt voor de dragers en den kleine. Hij heeft mij het gezicht kapot geslagen, ik wil hem het licht uitblazen.
--Maar hij zal in den draagstoel zitten, want hij kan, met zijn voet, niet loopen. Hoe zult gij hem dan te pakken krijgen? Voor gij de schuifdeuren open hebt, heeft hij, met zijn pistool u gegroet, zoo dat gij geen vin meer verroert.
--Denkt gij dat ik hem die kans nog zal geven, of mij om dien stoel iets bekommer? Ik zal het kort met hem maken. Met mijn Czakan sla ik de kap te morzelen, met dien eenen slag raak ik den kerel zoo geducht, dat hij naar geen tweede zal vragen, maar voor altijd genoeg heeft.
--En als u dat niet gelukt?
--Het zal, het moet gelukken!
--Denk aan wat gebeurd is! Overal en altijd hebben wij gedacht, dat ons plan gelukken moest, en toch zijn die Satanskinderen er altijd beter afgekomen dan wij. Men moet steeds op alles bedacht zijn. Wij kunnen gestoord worden, wat dan?
--Hm! Als wij te weten konden komen, wanneer zij van Sbiganzy vertrekken!
--Toch zeker morgen! Zij zullen denken, dat wij vluchten, en daarom niet talmen met ons te volgen.
--Welnu, dan voeren wij het plan uit, dat wij dezen namiddag bespraken: wij zenden hun onzen Suef op den hals, die zal ze aan onze genade overleveren. Hij is de slimste vogel, dien ik ooit gezien heb, en hij kent het terrein tusschen hier en Prisrendi zoo precies als ik mijn zak. De keus van de plek, waar wij zullen aanvallen, kunnen wij gerust aan hem overlaten.
--Dan stel ik voor, nu op weg te gaan. Wij weten niet, wanneer die kerels zullen opbreken. Het zou verdrietig zijn, als ze eerder weggingen, dan wij.
Langer kon ik niet wachten en kroop als een kreeft, terug tot aan de rots, en toen verder naar mijn metgezellen. Toch bleef ik, goed verscholen, op eenigen afstand uitzien, of onze vijanden werkelijk vertrokken.
Nog een kort eind kroop ik voort, maar toen richtte ik mij op en ging met mijn hand tegen de rots leunende, strompelend verder. Het optrekken van mijn linkerbeen, bij het kruipen noodig, was inderdaad een te groote inspanning geweest, maar zoo leunende kon ik, op mijn rechtervoet alleen, wel vooruit komen. Ik zag er van af om het gekwek van een kikvorsch na te bootsen, want ik was al gauw onder de belichting van het vuur, en daar ik rechtop stond, zagen de vrienden mij.
--Komt maar hier! riep ik ze toe.
Ze lieten zich zakken, en toen was ik zóó moe, dat ik moest gaan zitten.
--Laten wij die twee snaken eens visiteeren, zeide Halef. Misschien hebben zij een en ander bij zich, dat ons van nut kan zijn.
--Van den slager neemt gij niets,--gebood ik. Wat er in zijn zakken is, komt ons niet toe. Daarover beschikke de Kiaja. Maar wat Mubarek bij zich heeft, dat nemen wij.
Hij had een mes en een paar oude pistolen bij zich. Zijn geweer lag op het dak; wij hadden het niet noodig. Maar twee buidels, groote volle buidels, haalde mijn kleine Hadschi uit zijn zak.
--Hamdullillah! riep hij uit. Hier heb ik de Kahlifen en de geleerdheid van den Koran! Sihdi, dat is goud, goud, goud!
--Ja, die den Kodscha Bascha zóóveel voor zijn vrijlating kon geven, moest wel goud hebben. Wij kunnen het hem afnemen, zonder te moeten vreezen, onrecht te doen.
--Natuurlijk nemen wij het!
--Maar wie zal het hebben? Zullen wij het deelen, Halef?
--Effendi, wilt gij mij iets schandelijks laten doen? Houdt gij uw Halef voor een dief? Ik neem het hem af, om het aan behoeftigen te geven. Herinner u eens, hoe de waard in dat kleine dorpje was, en hoe gelukkig die Nebatja, en ook die arme mandenmaker! Met dit geld kunnen wij aan heel wat honger en kommer een einde maken, en voor ons Allah's zegen verkrijgen.
--Dat antwoord had ik van u gewacht!
--Sihdi, steek dat geld bij u!
--Neen gij steekt het bij u; gij zult onze aalmoezenier zijn beste Halef!
--Dat ambt neem ik dankbaar aan! Ik zal het eerlijk en trouw waarnemen. Laten wij nu het geld natellen.
--Daar hebben wij nu geen tijd voor; wij moeten weg! Breng nu die twee mannen in de rotsholte. De doode gevangenbewaarder ligt er reeds in.
--Dus hebt gij hem ook doodgeschoten?
--Neen, slechts gewond, en Barud el Amasat heeft hem met de kolf van zijn geweer de hersens ingeslagen, omdat de man hem hinderlijk was.
--Wat een schoft! Laat hij eens in mijn handen vallen!--Pak aan, gij beiden! Eerst dragen wij den Effendi voor in de hut.
Toen zij mij in het voorvertrek neergezet hadden en zich verwijderden om het lijk van den slager en Mubarek te halen, hoorde ik erbarmelijk steunen. De bewaarder was dus nog niet dood. Halef moest toen hij terugkwam, een stuk glimmend hout halen. Bij het schijnsel zagen wij de lantaarn van den oude. Dat ding stond op de bank, en wij staken het aan.
Nu konden wij den kermende beter zien. Hij zag er verschrikkelijk uit. Mijn kogel had zijn dijbeen verbrijzeld en tengevolge van den kolfslag, gaapte zijn hersenpan. Hij was reddeloos verloren en staarde ons met starre oogen aan.
--Hier hebt gij mijn fez, Halef; breng water!
Deze hoofddekking wordt zoo fijn geweven, dat men er water in kan doen. Wij gaven den stervende eenige lafenis en goten hem aanhoudend water over het hoofd. Dit scheen hem goed te doen. Zijn oogen kregen weer eenigen glans. Hij zag ons aan, alsof hij weer begon te denken.
--Kent gij ons?--vroeg ik.
Hij maakte een toestemmende beweging.
--Gij zult binnen weinige oogenblikken voor den eeuwigen Rechter staan. Weet gij wie u de hersens ingeslagen heeft?
--Barud el Amasat,--fluisterde hij.
--Aan wien gij een weldaad hebt bewezen. Gij zijt verleid. Allah zal u vergiffenis schenken, wanneer gij berouwvol sterft. Zeg mij: is de oude Murabek de Shoet?
--Neen.
--Wie is dan de Shoet!
--Ik weet het niet.
--Weet gij ook niet, waar hij is?
--Zij gaan naar hem toe en zullen hem in Karanorman-Khan [9] ontmoeten.
--En waar ligt dat plaatsje?
--In den Schar Dagh, dicht bij een dorp, dat Weicza heet.
--Achter Kakandelen?
Hij maakte een toestemmende beweging, want spreken kon hij niet meer. Alle antwoorden had hij trouwens zoo fluisterend gegeven, dat ik mijn oor bij zijn mond had moeten brengen om hem te verstaan.
--Sihdi, hij sterft!--zei Halef medelijdend.
--Haal water!
Hij ging; zijn hulpbetoon was niet meer noodig. De man stierf onder onze handen, zonder nog een enkel woord te zeggen.
--Wij willen de lijken, en ook den Mubarek, in de rotsholte brengen--zeide ik. De Kiaja moge ze weghalen.
--Heer, de oude doet zijn oogen open. Hij is niet bewusteloos meer,--zeide Osko,--terwijl hij Mubarek met de lantaarn belichtte.
Terstond bukte zich Halef over hem heen, om te zien, of het waar was. De oude schurk was werkelijk weer bijgekomen. Hij was weliswaar voorzichtig genoeg om niet te spreken, maar zijn oogen verrieden dat hij bij kennis was. Er sprak uit de blikken, die hij op ons wierp, zulk een woeste haat, als ik nog nooit in iemands oogen gelezen had.
--Leeft ge nog, oude skelet?--vroeg Halef hem. Het zou ook doodjammer zijn, wanneer de kogel je gedood had; want dat zou te gemakkelijk voor je geweest zijn. Van pijn en ellende moet je heel, heel langzaam sterven, om een voorsmaak te hebben van het pleizier, dat een hellekind wacht.
--Hond!--siste de oude booswicht.
--Schoft. Verhongeren en verdorsten moesten wij? Dacht gij dan, dat gij zulke beroemde helden, als wij zijn, zoudt kunnen opsluiten? Wij dringen door muren heen en springen door ijzer en staal. Maar gij zult in uw eigen val versmachten, want daar sluiten wij je op.
Natuurlijk was dat maar een dreigement. Toch werd hij in de rotsholte gebracht en tusschen de beide lijken neergelegd. Een beetje doodsangst verdiende het ongedierte wel en kon hem geen kwaad.
Toen ik den draagstoel nader bekeek, bleek mij dat de kap er afgenomen kon worden. Ik liet dat doen, want daardoor had ik onderweg de vrije beweging van mijn armen, tegen wie mij zou willen overvallen. Ik nam nu mijn twee geweren bij mij, en wij vingen den terugweg aan, nadat wij het vuur hadden uitgedaan.
Eerst nog hadden wij Mubarek los gemaakt, die nu, bevrijd van het touw waarmede ik hem had gebonden, op kon staan en in de rotsholte heen en weer kon gaan. Naar boven klimmen was voor hem onmogelijk, en de met ijzer beslagen deur hadden wij ter dege gegrendeld. Wij lieten hem in den angst, dat hij hier zou blijven, zonder hulp te vinden.
Bij nacht in een bosch zonder gebaande wegen gedragen te worden, is een onzekere wandeling. Toch bleven wij in de goede richting. Mijn metgezellen liepen zoo voorzichtig mogelijk voort. Halef hield zijn pistolen en ik mijn revolver in de hand, vaardig om terstond vuur te geven. Wij konden niet te voorzichtig zijn.
Toen het bosch achter ons lag, sloegen wij rechtsaf, naar de grasvelden van de Sletowska, waar het terrein open en vlak was. Dit was wel een omweg, maar wij ontgingen aldus een strijd, waarin wij, zoo al niet gedood, dan toch gewond konden worden.
Zonder eenig ongeval kwamen wij in onze herberg aan, waar ik, door het voorvertrek dat heel wat gasten bevatte, naar de mooie kamer gedragen werd.
Daar zat de waard. Vol verbazing sprong hij op, zoodra hij ons zag.
--Wat, gij, Heer!--riep hij uit. En ge waart vertrokken!
--En dat waarheen?
--Naar Karatowa.
--Wie heeft dat gezegd?
--De slager.
--Hij is dus hier geweest?
--Ja, en hij wilde uw paarden hebben en was bitter boos, toen ik hem zeide, dat ik ze hem niet kon geven, want dat gij uw volmacht ingetrokken hadt. Hij verzekerde mij dat gij gruwelijk kwaad op mij zoudt zijn, want gij werd naar Karatowa gedragen en wildet daar uw paarden vinden bij uw aankomst.
--Als ik het niet gedacht had! Hij wilde zich van mijn hengst meester maken, en mij vermoorden bovendien.
--Vermoorden!
--Ja, wij hebben u veel te vertellen. De slager is dood.
--Heeft hij een ongeluk gehad?
--Ja, wanneer gij het ten minste een ongeluk noemt, dat ik hem doodgeschoten heb.
--Doodgeschoten!--riep hij verschrikt. Gij! Zeker is dat een ongeluk, niet alleen voor hem en zijn gezin maar ook voor u.
--In hoeverre voor mij?
--Hebt gij het met opzet gedaan?
--Wel, doodschieten wilde ik hem niet, maar wel dat mijn kogel hem zou raken!
--Gij hebt dus met voorbedachten rade geschoten, dan moet ik u als zijn moordenaar gevangen nemen.
--Daartegen protesteer ik ernstig.
--Dat zal u niet veel helpen!
--Toch wel, want ik moet u dan ook vertellen, hoe het gekomen is. En al had ik hem niet uit noodweer gedood, dan zou ik mij maar niet lijdelijk gevangen laten nemen. Hebt gij niet zelf erkend, dat de Aladschy's struikroovers en moordenaars waren?
--Ja, want dat weet toch iedereen.
--En toch hebt gij Bybar niet gevangen genomen, toen hij in uw macht was! En mij, een man, van wiens verleden gij niet het minste kwaad weet, mij wilt gij zoo maar terstond in de gevangenis laten zetten! Hoe rijmt zich dat?
--Heer, het is mijn plicht,--antwoordde hij verlegen.
--Ja, dat weet ik wel. Maar den Aladschy liet gij loopen, omdat gij de wraak van zijn broer, van zijn bende en ook zijn eigen overmoed vreesdet. En van mij denkt gij, dat ik mij niet verweren zal en ook als vreemdeling niemand heb, die u met een kogel tot rede zal brengen.
--Oho!--riep Halef. Wie de hand uitsteekt naar mijn Effendi, dien jaag ik een kogel door het hoofd! Probeer het eens!
Hoe klein hij ook was, zijn houding was energisch en overtuigend. Men zag het hem aan, dat hij zijn woord gestand zou doen. De waard en Kiaja van het dorp had kennelijk ontzag voor hem gekregen.
--Dank, Halef, voor dat woord,--zeide ik. Wij vertrouwen dat uw tusschenkomst niet noodig zal zijn. Deze goede Kiaja zal inzien, dat ik uit noodweer den slager heb moeten dooden.
En mij tot den waard wendende, zeide ik:
--Hebt gij mij niet gezegd, dat de slager een Skipetaar was?
--Ja. Hij is zelfs een Miridiet.
--Dus hoort hij hier in 't geheel niet thuis?
--Neen. Toen zijn vader zich in Sbiganzy vestigde, kwam hij uit Oroschi, de hoofdplaats der Miridieten.
--Welnu, wat gaat u dan zijn dood aan? Staan de Miridieten onder toezicht van den Padischa?
--Neen, het zijn vrije Arnauten.
--Weet gij ook dat zij zich alleen aan hun onderlinge rechtspraak onderwerpen, die zich grondt op de oude wetten van Lek Dukadschinit?
--Stellig weet ik dat.
--Gij hebt u dus in 't geheel niet met den dood van den slager te bemoeien. Ik heb hem gedood, te recht of ten onrechte, dat is bij die menschen hetzelfde; op mij is de bloedwraak toepasselijk en de bloedverwanten moeten zijn dood op mij wreken. Gij hebt daar niets mee te maken.
--Ah!--zeide hij met een zucht van verlichting. Dat is juist wat ik wenschte!
--Wij zijn het dus eens. Maar er is nog een doode.
--Wie?
--Een gevangenbewaarder uit Edreneh, die een gevangene heeft laten ontsnappen en met dezen vluchtte. Hij, dien hij liet ontsnappen heeft hem gedood. Bij die twee dooden zult gij ook den ouden Mubarek vinden, wiens elleboog ik met een kogel verbrijzeld heb.
--Ook hem? Heer gij zijt toch een hoogst gevaarlijk mensch!
--Ik ben integendeel een zeer goedaardig mensch; maar zooals de zaken stonden, kon ik niet anders handelen.
--Wat was er dan gebeurd?
--Kom hier bij ons zitten, en ik zal het u vertellen.
Hij zette zich, en ik begon te verhalen. Wij hadden den tijd. Daarom was ik zoo uitvoerig mogelijk. Ik vertelde hem ook, waarom wij Barud el Amasat vervolgden. Hij begon onze bedoeling goed te doorzien, en dat maakte het hem gemakkelijk, te begrijpen met wat schurken wij te doen hadden. Toen ik eindelijk zweeg, was hij heelemaal van zijn stuk.
--Zou men zoo iets voor mogelijk houden!--zeide hij. Gij zijt inderdaad menschen, zooals de gepantserden van Kalif Harun al Raschid, die zijn gebied doorreisden, om de slechte menschen te straffen en de goeden te beloonen.
--O, wij zijn geenszins zulke aanzienlijke personen, als die gij daar noemt. Die wij vervolgen hebben of onze vrienden of ons kwaad gedaan; zij hebben nu nog andere booze plannen en wij volgen hun spoor om die te verhinderen. Wat zult gij nu doen?
Hij krabde met beide handen zijn hoofd en antwoordde ten laatste:
--Geef mij een goeden raad.
--Gij zijt ambtenaar en moet zeer goed weten, wat uw plicht is. Mijn raad hebt gij niet noodig.
--Ik zou wel weten, wat te doen, als gij niet een groote domheid hadt begaan. Waarom hebt gij den ouden Mubarek maar in den arm geschoten? Kondt gij niet op zijn hoofd of borst mikken? Dan waren wij voor goed van hem af geweest.
--Dat zegt gij, gij die Kiaja zijt!
--Neen, dat zeg ik niet als Kiaja, maar als gewoon mensch. Was de oude ook dood, dan liet ik ze alle drie begraven, en er werd geen woord meer over gesproken. Nu moet ik den oude gevangen nemen en hem aan de rechtbank overleveren. Dat is een moeilijk geval.
--Het moeielijke daarvan zie ik niet in. Gij zult u daardoor verdienstelijk maken. Hij is uit de gevangenis te Ostromdscha ontvlucht. Gij pakt hem en zendt hem naar Uskub; dan hebt gij uw plicht volbracht.
--Maar dan moet ik er ook heen, om inlichtingen te geven. En gij moet ook mee--als getuige en aanklager.
--Dat doen wij gaarne.
--Ja, dat wil ik gelooven. Gij verlaat dan deze streken; maar de vrienden van den oude zullen mij er om koud maken.
--Dan beginnen zij toch zeker met u het vuur aan de schenen te leggen, en dat was misschien nog zoo kwaad niet.
--Spot maar! Gij weet niet, hoe slim het mij vergaan kan. Ik blijf er bij: hadt gij den schurk dood geschoten, dan had ik met de heele zaak niet te maken en was er niet aansprakelijk voor. Maar nu, als gij van uit Uskud opgeroepen wordt om te getuigen, kunt gij er zeker van zijn dat gij voor dien tijd doodgeschoten wordt, en dan moet ik ook dat nog verantwoorden!
--Heeft de slager nog weerbare bloedverwanten hier?
--Ja, een broer, en die moet u dooden.
--Weet gij niet, of hij nu thuis is?
--Ja, hij is er, want mijn knecht heeft mijn boodschap aan hem gedaan en niet aan Tschurak zelf.
--Hm! Dat is inderdaad een kwaad geval. Als hij is, zooals zijn broer, dan mag ik wel voor hem oppassen.
--Dat is hij, en zeker nog erger. Ik heb hem nooit voor zoo goed als zijn broer gehouden. En nu Tschurak een schurk was, zal de broer nog wel veel erger zijn. Gij zijt geen oogenblik van uw leven zeker, zoo lang gij hier zijt. Daarom wil ik u een goeden raad geven: stijg onmiddellijk te paard en rijd naar Karatowa. Ik zal u een goeden gids meegeven.
--Daar willen wij volstrekt niet heen.
--De slager zei het toch!
--Dat was een leugen. Wij willen naar Uskub, en dat treft goed. Wij nemen uw verdediging op ons, wanneer gij den ouden Mubarek daarheen vervoert.
--God beware mij! Men schiet ons onderweg dood!
--Dan zouden wij het al heel dom moeten aanleggen.
--Ik hoor, dat gij geen flauw begrip van de toestanden hier hebt. Gij en uw vrienden zijt hier aldoor in levensgevaar, en geen haar op uw hoofd is veilig. Rijdt liever terstond weg! Dat is voor u werkelijk het beste.
--En ook het beste voor u, niet waar?
Die vraag bracht hem in groote verlegenheid. Hij had zóó sterk bij mij aangedrongen, dat hij begreep, verraden te hebben, hoe hij eigenlijk voor zich zelf pleitte. Hij was een goedig man en ik kon het hem nu niet zoo kwalijk nemen dat hij den onzekeren rechtstoestand in aanmerking nam en op zijn eigen veiligheid bedacht was.
--In hoe verre voor mij?--vroeg hij.
--Gij zoudt, als wij weg waren, den ouden Mubarek eenvoudig laten loopen; dan hadt gij geen wraakneming te vreezen, maar dank te verwachten.
Hij kreeg een kleur van schaamte; ik had zijn voornemen geraden. Hij zeide evenwel:
--Denk dat van mij niet! Ik zou zeer streng volgens mijn plicht handelen; maar ik wenschte u in veiligheid te zien.
--Daarover behoeft gij u niet ongerust te maken. Wij hebben u reeds getoond, dat wij geen hulp van anderen behoeven. Eigenlijk had ik mij heden tot u moeten wenden om ons te beschermen tegen onze vijanden; ik heb het niet gedaan om u niet lastig te vallen, en omdat ik wist, dat wij ons zelf wel konden helpen. En zoo hebben wij ook verder geen raad of ondersteuning noodig. Eigenlijk zijt gij de oorzaak, dat wij zoo in gevaar zijn geweest.
--Hoe zoo?--vroeg hij.
--Omdat gij ons verzekerd hadt, dat geen vreemden bij den slager konden aangekomen zijn, en toch waren zij er reeds voor ons geweest.
--Dat wist ik niet, want in het dorp zijn zij niet gekomen. Tschurak zal hen er buiten ontmoet hebben. Ik zeide u dat hij te paard was thuis gekomen. Hij moet hen toen ontmoet en gesproken hebben.
--Dat laat zich hooren. Alzoo ik verlaat vandaag Sbiganzy niet en blijf bij u overnachten. Wat denkt gij nu met de drie te doen, die door ons achter slot zijn gezet?
Weder krabde hij zich achter de ooren.
--Heer, laat mij buiten die geschiedenis blijven!
--Dat gaat eenvoudig weg niet. Zij mogen daar toch niet blijven. Ik verlang, dat gij u van avond nog van den ouden Mubarek zult meester maken. De beide lijken mogen, wat mij aangaat, blijven liggen.
--Maar wat moet ik met hem beginnen?
--Hem hier opsluiten, tot wij hem morgen naar Uskub transporteeren.
--Bij alle heiligen! Dan bestormen de Aladschy's van nacht mijn huis!
--Wij helpen u het te verdedigen.
--Dan treft mij later hun wraak!
--Hoe laf!
--Gemakkelijk gezegd! Gij behoeft voor hen niet bang te zijn. Gij rijdt weg en komt nooit weer hier. Maar dan breekt de storm boven mij los.
--De Aladschy's kunnen u niets doen, want wij leveren hen morgen ook te Uskub uit, met Manach en Hamd el Amasat erbij.
--Hebt gij ze dan?
--Neen, maar wij halen hen terstond.
--Hoe wilt gij dat doen?
--Met de inwoners van Sbiganzy, die wij laten oproepen om tegen hen op te trekken.
--Die zullen u lekker danken!
--Zij moeten opkomen! Hebt gij niet gelezen, dat ik onder bescherming van den Grooten Heer sta?
--Ja, dat is, helaas! waar.
--Gij hebt dus te voldoen aan wat ik van u vorder. Weigert gij het, dan dien ik morgen te Uskub een klacht tegen u in.
--Heer, wilt gij mij ongelukkig maken?
--Neen, ik wil u gelegenheid geven uw plicht te doen. Deze vier roovers bevinden zich ginds aan den zoom van het bosch. Niets is gemakkelijker dan ze in te sluiten en gevangen te nemen.
--Neen, daarin vergist gij u. Zij zullen zich verschrikkelijk verweren.
--Wat zou dat?
Hij zette zulke groote oogen op, dat Halef hardop begon te lachen.