Chapter 15
Wij hoorden een woest gebrul voor de deur. In krankzinnige opgewondenheid beukte men er op, en noemde een ieder zijn naam en knoopte aan zijn voorstelling de afschuwelijkste vervloekingen vast. In satanischen wellust beschreven ze, wat ellendige dood ons te wachten stond. Er viel niet aan te twijfelen, wij waren hier opgesloten, om den hongerdood te sterven.
--Sihdi, niet een ontbreekt er: ze zijn er allemaal!--verzekerde Halef.
--Allah! Wanneer ik hier uit kon komen wat zou ik ze toetakelen met mijn zweep!
--Laat uw zweep maar rusten, die kan ons niet helpen.
--Wij moeten dus verhongeren! Meent gij dat wij dit zullen doen?
--Ik wil hopen van niet. Wij willen nu eerst deze ruimte eens onderzoeken. De beide rotsmuren bieden ons geen kans. Wij moeten door de deur of boven uit.
--Heer, hebt gij uw lantarentje niet bij u, dat kleine fleschje, waarin olie is, met phosphor?--vroeg Halef.
--Ja, dat heb ik altijd bij mij. Hier hebt gij het.
Wanneer men een stukje phosphor in een fleschje met olie doet, dan straalt de phosphor licht uit, zoodra men de stop er af doet, omdat dan zuurstof er bij kan komen. Dan krijgt men, naar de grootte van het fleschje en de reinheid van het glas, een meer of minder helderen glans.
Ik heb altijd zulk een fleschje bij mij, ook wanneer ik niet op reis ben. Het bewijst, bij het trappenklimmen in ons onbekende woningen, en bij donkere, ons vreemde stegen en straten, zeer goede diensten. Geslepen glas is natuurlijk het beste.
Halef nam het kleine lantaarntje, liet er lucht in stroomen en kon de deur voldoende belichten. Deze was van binnen met sterk plaatijzer beslagen, dat er op geklonken was, en de scharnieren waren in de steenen kozijnen met lood vastgegoten. Misschien zouden wij die ingegoten scharnieren los kunnen krijgen, maar verstandiger was het, eerst een anderen uitgang te zoeken.
En dat begonnen wij nu te doen. De bodem van onze driehoekige gevangenis was even als de twee zijwanden, rotsgrond. De voormuur was uit veldspaath opgetrokken en zoo sterk gevoegd dat er geen doorkomen aan was. En daar het plaatijzer op de deur geklonken was met dikkoppen, konden wij met onze messen niets uitrichten. Maar boven door de zoldering, door het luik, dat zich achter Mubarek gesloten had? Omar klom op Osko's schouders en kon zelfs met de toppen van zijn vingers er niet bijkomen. Wij moesten vooreerst ook van dezen uitweg afzien. Het lag voor de hand, dat wij de scharnieren trachtten los te krijgen en mijn drie gezellen gingen moedig aan den arbeid. Hun messen knarsten en knetterden, en hun eenig succes was..... spotgelach van die ons hadden gevangen!
Inderdaad was dan ook ons plan, om langs dezen weg uit te breken, geen bewijs van rijp overleg. Want al gelukte het ons al, om de deur open te krijgen, dan--en dit hadden wij moeten bedenken--dan zouden wij, van ter zijde af, neergeschoten zijn, voor wij zelf nog een schot hadden kunnen lossen. Toch hielden wij vol. Uren verliepen, maar het werk vorderde niet. Osko's mes brak, en ik gaf hem mijn deugdelijk Amerikaansch bowiemes.
Ik kon niet meewerken. De tijd begon mij lang te vallen, daarom kroop ik op mijn knieën naar de deur, om te zien hoever men in al die uren gevorderd was. Helaas, geen halven duim! Ik greep nu zelf mijn mes en begon te boren, maar met zoo weinig succes dat ik na een kwartier weer ophield. Het was jammer van de krachten die wij nutteloos uitgeput hadden, en--ook Omar's mes brak.
--Laten wij zoo niet voortgaan, zeide ik.--Wij zullen onze krachten nog wel beter kunnen gebruiken. Misschien komt onze waard ons opzoeken, als wij niet terugkeeren. Ik heb hem gezegd, dat de slager tot de bende behoort. Als wij wegblijven, zal hij zich ongerust maken en naar hier komen, want hij kent deze plaats, die vroeger zijn eigendom was. Hij weet dat wij met den slager op iets uit zijn gegaan.
--Maar hij weet niet waarheen!--viel Halef in.
--Ik heb, helaas! vergeten het hem te zeggen; maar wij hebben over deze rotsholte gesproken, en hij zal ons zeker hier komen zoeken.
--Dat geloof ik niet, want hij is bang voor de Aladschy's. Als hij die hier ziet, loopt hij weg.
--Het is de vraag, of die dan nog hier zullen zijn!
--Dat zullen zij zeker, want men zal ons hier niet onbewaakt achterlaten.
--Wij willen vooreerst uitrusten en wachten. Dat wij nu nog bewaakt worden, is zeker. Als wij eenigen tijd niets doen, dan hooren zij ook niets en denken, dat wij ons in ons lot schikken. Dan zullen zij de bewaking ook wel opgeven.
Wij hielden ons rustig en wanhoopten niet. Maar dat lijdelijk wachten viel mijn vrienden eindelijk te zwaar. Zij hielden bij mij aan, om een of ander te beproeven, en wel zoo sterk, dat ik ten leste toegaf.
--Komaan, dan willen wij de zoldering met het luik nader onderzoeken,--zeide ik. Het zou kunnen zijn, dat ze het luik niet hadden gesloten.
--Maar, daar kunnen wij niet bij! Toen Omar op mijn schouders stond, ging het nog niet,--bracht Osko tegen mijn voorstel in.
--Dan maken wij de pyramide nog hooger. Laat Halef op Omar's schouders gaan zitten. Misschien komen wij er dan. Gij zijt sterk genoeg, om ze allebei te houden.
Halef nam het lantaarntje, stak het bij zich, en klom op Omar's schouders, waarop hij ging zitten. Omar aldus met Halef verlengd, stapte nu op Osko's rug en hield zich aan de rotswanden in evenwicht. Osko zelf, die als een viervoeter, met voeten en handen op den grond had gestaan, richtte zich langzaam en onwankelbaar op. De piramide stond. Halef strekte de armen uit en gaf te kennen:
--Sihdi, ik voel de zoldering!
--Spreek zachter! Er kon iemand bij staan. Neem nu de lantaarn!
Ik zag boven in den hoek, waar Mubarek verdwenen was, het licht-fleschje schemeren. Halef hield het in zijn linkerhand, terwijl hij met zijn rechter de zoldering onderzocht.
--Zij bestaat uit sterke boomstammen,--fluisterde hij. Het valluik is van planken gemaakt.
--Dat is best, dan is de zoldering op dat punt niet dik. Klop er eens tegen, om uit den klank te weten,' hoe dik dat luik is.
--Maar dan hoort men mij!
--Het zou zeer zeker te wenschen zijn, dat men ons niet hoorde; maar voor ons is het echter nuttig, te weten of er boven ons wacht wordt, gehouden.
Hij klopte, en terstond hoorden wij boven ons hardop lachen en uitroepen:
--Hoort, ze zijn daarbinnen bij het valluik!
Buiten bij de deur klonk de vraag:
--Zit de grendel er goed op?
--Natuurlijk!
--Dan kunnen zij het luik ook niet open krijgen. Zij zullen op elkaars schouders geklommen zijn.
--Ja, zij vertoonen hun kunststukken. Nu, als de honger begint te knagen, zullen zij nog wel andere sprongen maken. Ik zou wel zin hebben om het luik open te doen.
--In geen geval!
--Maar dan kon ik ze met de kolf van mijn geweer op den kop tikken.
--Dat kunnen wij altijd nog doen. Laat ze kloppen!
--Hebt gij het gehoord, Sihdi?--vroeg Halef. Zullen wij ons met hun kolven laten doodslaan?
--Neen. Wij zullen die heeren verzoeken van het luik weg te gaan.
--En gelooft gij werkelijk dat zij dat zullen doen?
--Ik zal het hen zóó verzoeken, dat zij zich zullen haasten er aan te voldoen. Klim af, Halef, ik ga uw plaats innemen.
Osko bukte weer langzaam tot op den grond. Omar steeg van zijn rug af en daarna sprong Halef van Omar's schouders.
--Rust nu eerst wat uit,--zeide ik,--want een inspanning is het toch altijd geweest. Ik ben zwaarder dan Halef en zal langer op u moeten blijven staan, dan hij.
Wij wachtten eenige minuten; toen nam Omar mij op zijn schouders.
--Past nu dubbel op, dat wij niet vallen,--waarschuwde ik.--Met mijn verzwikten voet zou een val voor mij dubbel gevaarlijk zijn.
--Weest maar niet bang, Heer,--antwoordde Osko. Ik zal staan, als een boom. De rotskloof is hier zóó eng, dat ik met beide ellebogen er tegen steunen kan. Vaster kan men niet staan.
Nu steeg Omar op de aangegeven manier op de schouders van Osko. Ik was langer dan de kleine Hadschi en behoefde mijn armen zelfs niet uit te strekken, om bij het luik te komen. Ik stootte er met mijn hoofd bijna tegen aan. Ik had het phosphor-fleschje bij mij en belichtte de planken. Aan de eene zijde van het luik was een ijzeren duim, waar de grendel door werd geschoven. De beide punten van den duim waren door het hout geslagen en van binnen haaksgewijze weer in het hout gedreven.
Ik tikte met den knokkel van mijn wijsvinger, en naar den klank te oordeelen, konden de planken hoogstens anderhalven duim dik zijn. Op mijn getik volgde ook nu een beantwoording:
--Hoort gij het? Ze zijn weer aan den gang. Nu, zij zouden mij mee moeten optillen, als zij het luik al openbraken.
Daar ik nu dichter bij den sprekende was, herkende ik duidelijk de stem van den slager. De plek, vanwaar de stem kwam èn de woorden verrieden dat hij op het luik zat. Dat was een onvoorzichtigheid, die men van een bandiet niet zou verwacht hebben.
Hij lachte hoonend. Een tweede lach beantwoordde den zijne. Daarna hoorde ik de woorden:
--Deze muizen kunnen niet ontkomen, want de katten zitten voor de val.--Deze stem herkende ik niet; maar toch hoorde ik dat de spreker naast het luik zat, juist boven mijn hoofd.
--Hoort gij wel?--vroeg Halef. Ze zijn er nog, nu kunt gij hen verzoeken om weg te gaan. Ik zou wel eens willen weten, hoe gij dat zult aanleggen.
--Dat zult gij terstond hooren. Reik mij mijn geweer toe, Osko en Omar moeten onbeweeglijk blijven staan.
--Ah, nu begrijp ik het. Welk geweer?
--Den berendooder.
Ik had dit, zooals van zelf spreekt, zeer zachtjes gezegd, opdat het door de twee boven mij, niet zou worden gehoord. Halef gaf het geweer aan Osko, die het Omar toereikte.
--Let nu goed op,--Omar! fluisterde ik. Ik heb hier in de hoogte geen ruimte om mijn geweer aan te leggen; ik kan alleen den loop vasthouden, en daarheen richten waar de kogels moeten treffen. Ik zeg 'een' en 'twee'. Gij neemt den kolf in beide handen. Bij 'een' schiet gij den rechterloop af, en daarna, als ik weer gemikt heb, dus bij twee, den linker. Begrepen?
--Ja, Heer!
Ik had mijn tweeloops-geweer in de hand en richtte het op het midden van het luik, waar de slager moest zitten.
--Nu!--Eén!
Het schot knalde. Boven ons klonk een kreet van schrik en een gil.
--Allah! Zij schieten!
Dat was niet de stem van den slager, maar die van den andere. Deze laatste zat op dat gedeelte van de zoldering, dat uit boomstammen was gemaakt. Ik richtte nu den linker loop op een plek, waar twee stammen tegen elkaar lagen, en de kogel dus niet een stam, maar slechts de basten had te doorboren.
--Twee!
Het tweede schot van mijn berendooder dreunde in de enge ruimte bijna als een kanonschot.
--O Allah, Allah!--kermde de getroffene. Ik ben getroffen! Ik ben dood!
De slager had geen geluid gegeven. Wel had ik zijn gil gehoord, maar verder niets. Luid gekerm weerklonk.
--Osko, worden wij u te zwaar?--vroeg ik.
--Zoo langzamerhand, ja.
--Dan willen wij wat uitrusten; wij hebben geen haast.
Toen ik weer op den grond zat en de anderen bij mij stonden, zeide Halef:
--Ja, Sihdi, zulke verzoeken kan men niet afslaan. Hebt gij raak geschoten?
--Tweemaal. De slager schijnt dood te zijn. De kogel is waarschijnlijk door de edele deelen van zijn zitvlak in zijn lichaam gedrongen. De andere is maar alleen gewond.
--Wie kan dat zijn?
--Waarschijnlijk de gevangenbewaarder. Was het een ander geweest, ik zou hem aan zijn stem herkend hebben. Dien heb ik zóó weinig hooren spreken, dat ik mij zijn stem niet herinneren kan.
--Gij houdt het er dus ook voor, dat geen andere zich weer op de zoldering zal wagen?
--Die domheid zal geen derde begaan, want het is duidelijk dat het hem het leven kan kosten.
--Maar hoe krijgen wij het luik open? Dat is de hoofdzaak!
--Ik zal de ijzeren kram uit het luik wegschieten. Een paar goede schoten op de spijkerpunten, waarmee ze in de planken vastzit, zullen wel genoeg zijn. Ik laad twee kogels op ieder schot, dan moeten ze er uit.
--Ah, als u dat gelukte!
--Dat gelukt zeker.
--Dan vlug naar boven en weg uit dit hok!
--Oho! Dat gaat maar zoo gauw niet. Hoe zult gij er uit komen?
--Wij klimmen op de schouders van Omar.
--En hoe komen Osko en Omar er uit?
--Wel, wij trekken ze omhoog er uit.
--Ja, als Omar ook op de schouders van Osko gaat staan, kunnen wij hem optrekken, maar dan kunnen wij niet bij Osko komen.
--Dat is geen bezwaar. Als wij er uit zijn, dan gaan wij van het dak af, en doen de deur open, waardoor wij binnen zijn gekomen.
--Alsof men ons dat zoo ongehinderd zou laten doen! En ook voor mij zal dat bezwaarlijk gaan. Gij vergeet mijn verzwikten voet.
--Nu, op de een of andere manier moet dat toch mogelijk te maken zijn.
--Dat spreekt van zelf! Ik hoop, dat wij het touw, waarmede Mubarek opgetrokken is, nog wel zullen vinden. Dan zouden wij ons daarmee kunnen laten afzakken; maar wij moeten eerst nog op veel bedacht zijn. Wij zullen natuurlijk, zoodra wij daar boven uit komen, met de noodige kogels begroet worden.
--Ik geloof niet dat er hier boven nog iemand zal zijn.--zei Halef.
--Hier op de zoldering, neen, dat geloof ik ook niet, maar op het dak hier nevens, zullen er des te meer zijn. Die kunnen uit hun verdekte positie veilig op ons schieten.
--O wee! Dan kunnen wij er toch nog niet uit?
--Wij zullen het toch beproeven. Ik ga voorop.
--Neen, Sihdi, ik! Zouden wij u laten doodschieten?
--Wij u soms?
--Wat is er aan mij verbeurd!--antwoordde de trouwe Hadschi.
--Zeer veel! Denk aan uw Hannah, de lieflijkste aller vrouwen en meisjes. Ik heb geen Hannah, die op mij wacht.
--Maar gij zijt, ook zonder een Hannah, meer waard, dan ik met de tien mooiste rozen uit den harem van het Paradijs.
--Laten wij daar niet over twisten! De hoofdzaak is, zooals ik u eerlijk moet zeggen, deze, dat ik meer op mijzelf vertrouw dan op u. Ik ga voorop, gij moogt de tweede zijn. Maar gij moogt niet komen, voor ik u roep.
Ik nam mijn groen-zijden tulbanddoek uit mijn zak en wond dien om mijn fez. Halef zag het bij het schijnsel van het lichtfleschje en vroeg:
--Waarom doet gij dat? Wilt gij u ten doode wijden?
--Neen, ik zal den tulband op den loop van mijn geweer steken en dien door het luik omhoog houden. Naar zich denken laat, zullen zij het er voor houden, dat er iemand uit wil komen, en zij zullen schieten. Dan moeten zij laden, voor zij weer kunnen schieten, want zij hebben geen twee-loops geweren, en vóór zij daarmee klaar zijn, overval ik hen met mijn Henribuks, waarop ik vier en twintig schoten heb.
--Mooi! Prachtig! Schiet goed raak en laat er geen een ontsnappen!
--Hoe zou ik zeker zijn van mijn schot, nu het donker is?
--Donker?
--Natuurlijk! Gij vergeet dat wij hier al heel lang opgesloten zijn geweest. De zon moet al onder zijn. Maar mij dunkt, wij hebben lang genoeg gerust en kunnen beginnen. Denkt er aan: als ik er uit ben, mag Halef tot aan het luik komen; maar eerst dan er door klimmen, als ik het zeg.
Ik hing mijn Henri aan mijn schouder en hield mijn berendooder, welks beide loopen ik met twee kogels geladen had, in de hand. Daarna nam Omar mij weer op zijn schouders en klom op die van Osko. Ik moest mij haasten, om de beide genoemden niet te veel te vermoeien.
--Wij schieten weer zooals we straks deden, Omar,--fluisterde ik hem toe. Eerst schiet gij den rechterloop af, daarna den linker. Ik leg op de krampunten aan. Vooruit!--Een!--Twee!
De schoten knalden, en de kogels vlogen door alles heen, want ik kon door de beide gaten heenzien, daar er een vuur brandde.
--Zij hebben voor de deur een vuur aangelegd,--zeide ik. Dat is voor ons zoowel goed als kwaad. Want nu kunnen wij hen wel zien, maar zij insgelijks ons.
--Hoe staat het met de kram?--vroeg Halef.
--Dat willen wij zien.
Ik stootte tegen het luik, en dat gaf mee. De zware berendooder had zijn plicht gedaan.
--Geef het geweer nu aan Osko, Omar, want het luik gaat open. Opgepast allebei! Ik moet op Omar's schouders knielen.
Niet zonder moeite kwam ik in die houding, moest echter bukken, want ik stootte met mijn hoofd. Ik wierp nu het luik omhoog en--het sloeg om. Met mijn Henrigeweer, schietvaardig, wachtte ik eenige oogenblikken. Er bewoog zich niets. Toch moest men het luik hebben hooren openslaan. Ook moesten zij dat gezien hebben, want het was helder licht, door het vuur dat voor de deur brandde en tegen de rotswanden opflikkerde.
Ik stak nu mijn tulband op den loop van mijn geweer, dat ik langzaam omhoog hief, daarbij zuchtende als iemand die zich moeilijk naar boven werkte.
Mijn list had het gewenschte gevolg: er vielen twee schoten. Een kogel had den loop van mijn geweer even geraakt, zoodat het mij bijna uit de handen vloog.
In minder dan geen tijd was ik nu met mijn bovenlijf door de opening van het luik. Ik zag het vuur. Op het dak van het voorvertrek lag een mensch--het lijk van den slager, zooals ik terstond zag. Ook stonden daar de twee mannen, die van achter het hekwerk, dat ons scheidde, op mijn tulband hadden geschoten.
Die onvoorzichtigen hadden een voornaam iets niet bedacht, namelijk, dat ik hen beter kon zien dan zij mij, omdat zij in het licht stonden, dat achter hen brandde. Een van hen was bezig op nieuw te laden, en de ander hief zijn geweer op om op mij te schieten.
Terstond legde ik op hem aan. Hij was aan mijn genade overgeleverd, maar ik wilde hem niet dooden en mikte dus op zijn linker-elleboog, dien hij mij voorhield. Ik trok af. Hij liet zijn geweer vallen, gaf een gil en viel van het dak naar omlaag. De ander wendde zich oogenblikkelijk om, sprong zijn gewonden makker achterna en vluchtte naar het vuur. Het was Bybar, de Skipetaar. Bij het vuur zaten zijn broeder, Manach el Barscha en Barud el Amasat.
--Zij komen, zij komen! Ga weg van het vuur!--brulde hij. Gij zit in het licht, zij schieten u neer!
Het drietal sprong op en alle vier vluchtten naar het bosch. Hij, wiens elleboog ik stuk geschoten had, moest dus de oude Mubarek zijn. En nu herinnerde ik mij, dat zijn arm buitengewoon dik was geweest. Onder zijn mouw zat nog het verband van het schot, dat hij bij de ruïne van Ostromdscha gekregen had.
Ik kroop tot aan den rand van het platform. Juist! Beneden op den grond zes el of iets lager onder mij, lag de oude schelm, bewegingloos. Toen zij nog op het dak waren, had ik ze niet herkend, verdekt opgesteld als zij waren. Hier aan de zijzijde van het voorvertrek, waar ik over den rand hen bespiedde, drong het licht niet door. Het was er tamelijk donker. Indien het mij mogelijk was aan dien zijkant naar omlaag te komen, dan kon ik door de in het bosch verscholenen niet gezien worden.
Daarover denkende, hoorde ik achter mij:
--Sihdi, ik ben het! Mag ik er uit komen?
--Ja, Halef; maar ga niet rechtop staan, anders zien zij u en schieten.
--O, wij zijn kogelvrij.
--Geen gekheid! Kom!
Hij kroop door de opening.
--Oho, wie ligt hier?
--De slager. Mijn kogel heeft hem gedood, zooals ik wel dacht.
--Dan heeft hij zijn verdiende loon al gauw gekregen. Allah zij hem genadig!
Scherper rondziende, zag ik een ijzeren ring in den rotswand vast gemaakt. Door dezen ring liep een touw, aan welks einde twee lussen waren, wat wij al gezien hadden, toen Mubarek opgehaald werd.
--Sihdi, aan dat touw zal de gevangenbewaarder zich afgelaten hebben.
--Waarschijnlijk wel, Halef. Deze machinerie is met opzet hier aangebracht. Zou het spelletje, dat ze met ons vertoond hebben, ook al met anderen gespeeld zijn?
--Ach Effendi, misschien zijn al heel wat menschen hier in die rotsholte van dorst omgekomen!
--Van deze schurken kan men zoo iets verwachten; zij waren het tenminste wel degelijk van plan. Als wij nu dit touw naar binnen laten zakken, dat kunnen Osko en Omar gemakkelijk bij ons komen.
Zoo gezegd, zoo gedaan. Al gauw zaten die twee bij ons. Wij tuurden wat wij konden, maar trachtten te vergeefs een der in het bosch gevluchten te ontdekken.
Ik haalde het touw naar ons toe en sloot het luik weer dicht.
--Zoudt gij denken, Sihdi, dat wij nu, zonder opgemerkt te worden, ons met dat touw naar omlaag kunnen laten zakken?--vroeg Halef.
--Ja,--zeide ik,--want het is hier donker. Trouwens, wij zullen het wagen. Wij kunnen de proef nemen met den slager. Een kogel meer, zal hem niet hinderen. Schieten ze op hem, welnu ik heb mijn geweer tot antwoorden gereed. Zie ik hun schot flikkeren, dan heb ik een mooi mikpunt.
Het lijk werd neergelaten, langzaam aan, om onze vijanden tot schieten te verleiden. Niets bewoog zich.
--Ik ga nu het eerst naar omlaag,--zeide ik. Ik kruip terstond tusschen het struikhout en dan verder het bosch in. Als zij nog hier zijn, moet ik ze daar zien. Maar er is ook een bron; bij gevolg zullen er ook padden en kikkers zijn. Het geluid van die dieren valt dus niet op. Gij blijft hier, tot gij mij een van die dieren hoort nadoen. Hoort gij een pad, dan blijft gij hier tot het vuur uit is. Kwekt een kikvorsch, eens en diep uit de borst, dan komt gij langs het touw omlaag, maar blijft staan tot ik kom.
--Dat is te gevaarlijk voor u, Sihdi!
--Pah! Als de oude Mubarek, die hier ligt, ons maar geen kwaad brouwt en zich bewusteloos houdt. Ook de gevangenbewaarder moet ergens zitten. Neem u in allen gevalle goed in acht. Ik ga.
De berendooder lag in de rotsholte. Mijn Henrigeweer hing ik om, greep het touw en daalde in allerijl omlaag. Daar lag het lijk en er naast Mubarek, onbeweeglijk, als was hij dood.
Het touw was veel langer dan noodig. Ik sneed er een duchtig stuk af en knevelde er den ouden schurk mee. Zijn arm bloedde, en het bleek mij, dat ik zijn elleboog verbrijzeld had. Misschien was hij bij zijn val op zijn hoofd neergekomen en bewusteloos geworden.
Nu kroop ik verder, altijd langs de rots, door varens en struiken gedekt. Tevens was mijn oog aldoor gevestigd op de plek waar het vuur brandde. Zoo kon mij niets ontgaan, wat er tusschen het vuur en mij mocht wezen.
Ik voelde mij volkomen veilig. Wat wisten die menschen van het besluipen, zooals ik dat bij de Indianen geleerd had! Zij dachten niet anders, of wij waren nog op het dak, en zij keken, indien ze er nog waren, natuurlijk daarheen en niet naar wat achter hen gebeurde. Ook al ontdekten zij waar ik was, dan behoefde ik hen nog niet te vreezen. Met de vele schoten, die ik op mijn geweer had, was ik ze dan toch nog de baas. Ik kon rustig blijven zitten, en ze alle vier neerschieten.
Ik zal ongeveer vijftig passen ver gekomen zijn, toen ik paarden rook. Ik sloop verder en hoorde stemmen. Weldra zag ik paarden en menschen. De dieren waren aan de boomen gebonden, de mannen stonden bij elkaar, zacht sprekende.
De paarden stonden niet onbeweeglijk stil. Zij hadden zich tegen nacht-insekten te verweren, ze stampten met hun hoeven en sloegen met hun staart om zich heen. Dit maakte zooveel leven, dat zelfs een ongeoefende hen benaderen kon.
Eindelijk had ik ze bereikt. Ik kroop tusschen twee paarden en lag daar, in lang rietachtig gras verborgen. De mannen stonden niet verder dan drie pas van mij af.
--Mubarek is er geweest,--hoorde ik Manach el Barscha zeggen. De oude was een ezel om daar te gaan staan.
--Dan was ik er ook een?--vroeg de Aladschy.
--Gij waart voorzichtiger en hebt u niet laten treffen.
--Hij zou ook mij neergeschoten hebben, als ik het niet op een loopen had gezet.
--Maar wie heeft geschoten?
--Wie? Moet gij dat nog vragen! Natuurlijk hij, de Effendi genoemd.
--Hij, met den verzwikten voet, hij zou door het luik gekropen zijn?
--Zeker. Had hij maar zijn nek gebroken, in plaats van zijn voet! Dan zou ik Allah nog eens bedankt hebben. Maar men ziet toch, dat hij wel degelijk kwetsbaar is.
--Pah! Dat hij kogelvrij zou zijn, heb ik nooit geloofd. Dat is een leugen.