Chapter 14
--Neen, ik ben geen Rijksambtenaar. Ik heb voor mijn eigen verantwoording een woordje met den Shoet te spreken.
--Maar gij vindt hem nooit uit.
--Ik ben hem al op het spoor.. Er woont hier in Sbiganzy een vertrouwde van hem.
--Dat kan niet waar zijn, Heer!
--Toch is het zoo!
--Hier wonen alleen eerlijke menschen.
--Waarschijnlijk vergist gij u.
--Wie zou die vertrouwde dan moeten zijn?
--Wel, niemand anders dan Tschurak.
--Heer, ik wil alles gelooven, wat gij mij zegt, maar dit niet!
--Die slager schijnt een doortrapte huichelaar te zijn.
--Neen, hij is een best mensch, hij is zelfs mijn vriend.
--Dan zijt gij in de keus uwer vrienden niet zeer voorzichtig geweest.
--Geef me bewijzen, Effendi!
--Dat zal ik. Maar ik moet van u de strengste geheimhouding vorderen. Tschurak mag zelfs niet vermoeden dat ik met u over hem heb gesproken.
--Ik zal zwijgen.
--Dan wil ik u voorloopig iets zeggen. Hebt gij wel eens hooren spreken over den ouden Mubarek van Ostromdscha?
--Ja. Hij heeft den naam een heilige te zijn en moet zelfs wonderen kunnen doen.
--Gelooft gij dat?
--Neen, want ik ben geen Moslem.
--Die heilige is een hoogst gevaarlijke booswicht. Hij schijnt een onderaanvoerder van den Shoet te zijn.
--Heer, gij deelt mij dingen mede, die mij verbazen.
--O, ik heb dien Mubarek ontmaskerd, en de Kiaja van Ostromdscha heeft, op grond van mijn bewijzen, hem gevangen genomen. Hij is echter ontvlucht en is nu met drie andere schurken en de twee Aladschy's, die zijn makkers zijn, op weg naar hier.
--Dan behoede ons God!
--Zij willen den slager Tschurak bezoeken.
--Gij blijft er dus bij, dat hij ook tot de bende behoort?
--Ja. Voor het oogenblik wil ik niets van u, dan dat gij mij niets in den weg legt.
--Natuurlijk niet. Ik ben in allen opzichte tot uw dienst.
--Het is bijna onmogelijk dat de genoemde personen reeds hier zouden zijn, maar toch zou ik het zeker willen weten.
--Ze zijn nog niet hier. Indien zij aangekomen waren, dan had ik ze moeten zien. De slager woont tegenover mij, in het huis, dat gij door het zonneblind zien kunt. Tschurak zelf was ook niet in huis, hij kwam eerst een uur geleden thuis.
--Zoudt gij hem willen laten zeggen of hij zich de moeite wil geven om bij mij te komen, want dat ik iets met hem te bespreken heb?
--Het zal terstond gebeuren. Moet ik bij uw gesprek tegenwoordig zijn?
--Neen. Alleen verlang ik, dat gij hem niets zult laten merken; wees zoo vriendelijk tegen hem als altijd.
Hij ging de kamer uit, om den bode te zenden, dien ik bij den slager zag binnen gaan. Ik was zeer benieuwd Tschurak te zien. Ik stelde mij voor, een kruiperig beleefd man te zullen zien. Ik dacht, dat hij de heler der bende zou zijn en niet zoozeer een daadwerkelijk medelid.
Ik haalde de Koptscha te voorschijn, die ik den Ismilaner waard Deselim afgenomen had, en stak dat herkenningsteeken op mijn fez. Halef deed met het zijne evenzo. Men bedenke, dat ik den groenen tulbanddoek niet meer droeg.
Deze Koptscha moest mij bij den slager als lid der bende legitimeeren. Was Mubarek met zijn gezellen nog niet aangekomen, dan kon ik hopen, nu achter het zoo lang gezochte geheim te zullen komen. Natuurlijk scherpte ik het mijn vrienden in, om vriendelijk tegen Tschurak te zijn, om alles te vermijden, wat zijn argwaan opwekken kon. Al spoedig zag ik hem met den bode aankomen. Ik had mij vergist. Hij was een gansch andere persoonlijkheid dan ik mij voorgesteld had. Hij droeg een fez, een wijde lange roode broek, een blauw vest met zilveren tressen versierd, en een rood met goud geborduurd jacket met wijde mouwen. Een geelzijden chale, die om zijn heupen geslingerd was, dekte den Handschar en twee pistolen. Aan zijn voeten had hij glimmende laarzen, die tot aan zijn knieën reikten, waar de schachten de broekspijpen omsloten.
Buiten op de binnenplaats wisselde hij eenige woorden met onzen waard; daarna kwam hij naar binnen. Zijn donkere oogen namen ons met een scherpen blik op, die een oogenblik langer op mij gevestigd bleef. Die oogen maakten een eigenaardigen indruk op mij. Zij waren koud, harteloos en onmeedoogend. Het leek alsof zij nooit vriendelijk konden kijken. Een oogenblik lang trokken zij samen, zoodat zich aan de hoeken kleine plooitjes vormden. Daarna keken zij onverschillig rond.
Hij groette en boog als iemand die beleefd wil zijn, maar allerminst zijn besef van hoogheid prijs wil geven, en vroeg:
--Zijt gij de Effendi, die mij wenschte te spreken?
--Ja. Neem mij niet kwalijk, dat ik u stoor, en ga zitten.
--Neem mij niet kwalijk, dat ik blijf staan. Ik heb niet veel tijd.
--Misschien zal ik u langer ophouden, dan gij denkt. Of hebt ge soms daarom zoo'n haast, omdat gij gasten hebt?
--Ik heb geen gasten.
--En gij verwacht er ook geen?
--Neen,--antwoordde hij kortaf.
--Dan verzoek ik u te gaan zitten. Ik heb een verzwikten voet ik kan niet staan, en zou mij schamen te moeten zitten, terwijl gij zoo beleefd zijt tot mij te komen.
Nu zette hij zich. Hoe scherp ik hem ook opnam, ik kon toch niets ontdekken, wat aanleiding gaf om mijn argwaan op te wekken. Hij was geheel de zelfbewuste Skipetaar, die bij een vreemde geroepen is en nu verwacht, dat hij de reden zal hooren, waarom hij verzocht werd te komen. Hij maakte allerminst den indruk van een huichelaar, van een arglistig mensch of van een geheimen heler.
--Kent gij dit?--vroeg ik, op de Koptscha wijzende.
--Neen,--antwoordde hij.
Dat had ik verwacht. Hij kon zich aan een hem onbekende, zoo als ik, toch niet op de eerste de beste vraag blootgeven.
--Bezie dit teeken eens nauwkeurig!
Hij bekeek het met een onverschilligen blik en zeide toen:
--Pah, een knoop! Hebt gij mij daarvoor laten roepen?
--Ja,--zeide ik kortaf.
--Ik drijf handel in paarden en rundvee, maar niet in knoopen,--luidde zijn wederwoord.
--Dat weet ik wel. In dit soort knoopen wordt trouwens geen handel gedreven. Ik ben gekomen, om u een groet over te brengen.
--Van wien?--vroeg hij koel.
--Van Deselim, den waard te Ismilan, en van zijn broeder.
Op deze woorden kregen zijn oogen een vriendelijker uitdrukking, en werd zijn gezicht minder ernstig.
--Kent gij ze allebei?--vroeg hij nu.
--Zeer goed. Natuurlijk moet ik hen kennen.
--Natuurlijk? Hoezoo?
--Omdat wij broeders zijn.
--Van waar komt gij?
--Uit Stambul. Ik ben een afgezant van den Usta, van wien gij gehoord zult hebben.
--Tot wien heeft hij u gezonden?
--Tot den Shoet.
--Zult gij dien kunnen vinden?
--Dat geloof ik wel.
--Hm! Dat is niet gemakkelijk.
--Voor mij zal het dat wel zijn, want gij zult mij inlichten.
--Ik? Wat weet ik van den Shoet! Houdt gij mij voor een bandiet?
--Neen, maar voor een dapperen Skipetaar, die de beteekenis van deze Koptscha kent en dienovereenkomstig handelen zult.
--Heer, ik weet zeer goed, wat ik te doen heb. De Koptscha, die gij draagt is die van een aanvoerder; maar wij hebben dit teeken afgeschaft. Het heeft geen waarde meer, want er is te veel misbruik van gemaakt. Er zijn thans gansch andere teekens.
--Welke?--vroeg ik bedaard.
--Gij zult begrijpen, dat ik u dat niet kan zeggen, want gij moet u daarmede legitimeeren.
--Bedoelt gij de woorden?
--Ja. Het eerste woord is de naam van een plaats. Waar zoekt gij den Shoet?
--In Derekulibe.
--Heer, dat klopt. Ik weet nu dat gij werkelijk bij ons behoort. Maar het andere herkenningsteeken? Kent gij dat ook?
Ik had helaas geen aanleiding om te vermoeden, welk woord het zou zijn. Op eens dacht ik aan den veerman te Ostromdscha, en hoe die zich bij den ouden Mubarek legitimeeren moest. 'Bir Syrdasch'--een vertrouwde--had hij voor de deur moeten roepen. Zou dat ook hier het teeken zijn? Ik waagde het er op en antwoordde:
--Natuurlijk moet ik het kennen, want ik ben immers een bir syrdasch--een vertrouwde.
Nu knikte hij mij vriendelijk toe, reikte mij de hand en zeide op een bijna hartelijken toon:
--Ook dat woord is het juiste. Gij zijt een van de onzen. Ik mag u vertrouwen en heet u welkom. Wilt gij niet liever dit huis verlaten en mijn gast zijn?
--Ik dank u. Gij begrijpt zelf, dat het beter is, dat ik hier blijf.
--Gij zijt een verstandig en bedachtzaam man; dat verblijdt mij en verhoogt mijn vertrouwen. Welke boodschap hebt gij ons te brengen?
--Dat mag ik alleen aan den Shoet zeggen.
--Gij hebt dus ook leeren zwijgen. Hm! Wat zal ik doen?
Hij stond op, en bij zichzelf nadenkende, liep hij het vertrek op en neer. Eindelijk vroeg hij:
--Betreft uw boodschap een persoon of een zaak?
--Een zaak, die zeer veel opbrengen zal.
Zijn oogen fonkelden van geldgierigheid.
--En wat verlangt gij van mij?
--Dat gij mij naar de Derekulibe brengt.
--Denkt gij den Shoet daar te zullen vinden?
--Ik wil het hopen.
--Welnu, in vertrouwen kan ik u zeggen, dat hij u daar verwachten zal, wanneer ik hem bericht zend. Daar zal een klein uur mee verloopen. Hebt gij zoo lang geduld?
--Als het zijn moet, zal ik wachten, ofschoon ik haast heb.
Er lag mij natuurlijk veel aan gelegen, om Mubarek voor te zijn. Kwam deze binnen het uur hier aan, dan was mijn kans verkeken.
--Ik zal mij haasten, beloofde hij mij nogmaals. En nu een onderzoekenden blik op mijn vrienden slaande, vroeg hij:
--Wie zijn die mannen?
--Mijn vrienden en mijn metgezel.
--Komen zij voor dezelfde zaak?
Ik zeide van ja, en hij vroeg verder:
--Willen ook zij den Shoet zien?
--Dat is niet bepaald noodzakelijk. Het is voldoende wanneer ik alleen met hem spreek.
Er gleed een nauwlijks merkbaar en niet te beschrijven lachje over zijn gezicht. Hij draaide de punten van zijn lange snorren op, keek de drie mannen nogmaals onderzoekend aan en antwoordde:
--Zij moeten ook meekomen. De Shoet zal ben ook willen zien, omdat zij met u hier gekomen zijn.
--Ook dat is mij goed.
--Maar, Heer, ik zie dat gij laarzen aanhebt, als iemand die lijdt. Wat hebt gij aan uw beenen?
--Bij het rijden heb ik mijn voet verzwikt; ik kan dus niet loopen.
--Maar hoe wilt gij dan naar de Derekulibe komen?
--Te paard.
--Dat bewijst onbekendheid met den weg. Te paard kunt gij onmogelijk door het struikhout komen.
--Zou misschien de Shoet zich de moeite willen geven om bij mij te komen?
--Wat denkt gij wel! Al verzocht de Padischa zelf het hem, hij deed het niet.
--Dat wil ik best gelooven!
--Overigens laat hij zijn gezicht nooit zien. Hij maakt het altijd zwart. En zoo zou hij toch niet hier kunnen komen!
--Neen, dat begrijp ik. Maar hoe zal ik dan naar hem toe komen?
--Daar is maar één middel op: Gij moet u laten dragen.
--Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. De dragers zouden het niet volhouden.
--Geen nood! Zij moeten u ook niet op hun armen dragen; men neemt eenvoudig een draagstoel. Die zal ik u bezorgen. Mijn moeder is zoo oud en zwak, dat zij niet meer loopen kan. Ik heb daarom een draagstoel voor haar laten maken, opdat zij bezoeken zou kunnen afleggen, zonder te veel van haar voeten te moeten vergen.
--Daarmee zult gij mij zeer verplichten. Zoudt gij ook dragers willen bestellen?
--Hoe krijgt gij dat in uw hoofd! Dragers! Kunnen wij vreemden dat laten doen? Dan bleef onze schuilplaats niet lang geheim. Uw eigen mannen moeten uw dragen.
--Goed; laten zij den draagstoel dan halen.
--Dat kan zoo terstond maar niet. Ik moet den Shoet eerst waarschuwen. En dan moet gij den waard zeggen, dat gij een vriend van mij zijt en hij alles moet doen, wat ik hem zeg.
--Waarom?
--Omdat ik niet weet, wat gij den Shoet te zeggen hebt en wat het gevolg van uw onderhoud zal zijn. Het is mogelijk, dat ik als bode naar het dorp terug moet. Misschien noodigt de Shoet u uit om zijn gast te zijn, of wie weet wat verder besloten zal worden. Ik moet dan toch bij den waard als uw gemachtigde kunnen optreden.
--Ook daartoe ben ik bereid,--zeide ik.
--Welnu dan: over een uur kunt gij den draagstoel laten halen en gaat gij er het dorp mee uit. Ik wacht u daar buiten, want het is beter dat men ons niet samen ziet.
Hij ging naar het zonneblind, dat op de binnenplaats uitzicht gaf en riep den waard, wien hij zeide:
--Ik heb met dezen Effendi zaken. Over een uur zal hij van hier gaan, en u misschien door mij een boodschap zenden. Daarom laat hij u zeggen, dat gij alles doen moet, wat ik u namens hem opdraag. Vraag het hem zelf.
De waard keek mij vragend aan, en ik bevestigde wat gezegd was. Daarna ging de slager weg. Ik zag, dat hij zijn huis inging en het een oogenblik later weer verliet.
--Heer, ik begrijp u niet,--begon nu de waard, die was blijven staan. Ik weet, gij houdt den vleeschhouwer voor een slecht mensch, en toch geeft gij hem zulk een volmacht. Als hij hier komt, moet ik dan doen wat hij zegt?
--Volstrekt niet. Ik deed het maar voor den schijn en trek nu mijn volmacht weer in. Het kan zijn, dat ik hem zend, maar dan geef ik hem een blaadje uit mijn opschrijfboekje mee, waarop alleen het woord "Allah" zal staan. Toont hij u dat, dan doet gij wat hij wil; heeft hij zoo'n blaadje, met dat woord er op, niet, dan weigert gij hem alles.
--Dan zal hij boos worden.
--Dat is voor u niet zoo erg, als dat ik boos op u wordt. Hij kon het misschien op onze wapens en op mijn paard verzien hebben. Hebt gij een stal, die afgesloten kan worden?
--Ja, Heer.
--Laat dan onze paarden daarin brengen, en ze door twee man bewaken; ik zal die menschen betalen. Alleen aan ons geeft gij de paarden af. Begrepen?
--Zeer goed. Gij brengt mij echter in een toestand, die minder aangenaam is.
--Ik zie daar niets onaangenaams in. Gij hebt de dieren voor ons te stallen en te zorgen dat ze niet gestolen worden. Dat is alles. Gij zoudt ons de schade moeten vergoeden.
--In 's hemels naam dan! Als ik uw paarden moest betalen, zou ik mijn huis er voor moeten verkoopen! Ik zal mee de wacht houden.
--Doe dat, en breng ons nu iets te eten.
Wij aten, en een uur later haalden Osko en Omar den draagstoel uit het huis van den slager. Ik zette mij er op, en scherpte het den waard nog eens in, hoe hij te handelen had, en ging toen op weg.
De twee genoemden droegen den stoel. Hun geweer hadden zij over hun schouder hangen. Halef liep vooruit en droeg drie geweren: het zijne en de twee van mij, waar op den stoel geen plaats voor was. Toen wij het dorp achter ons hadden, zagen wij den slager. Hij zag ons komen en liep nu een goed eind voor ons uit. Eerst toen wij het bosch bereikt hadden, waar men ons van uit de verte niet kon zien, bleef hij staan en wachtte ons op.
Met verwondering, bijna toornig zag hij ons aan en zeide:
--Hoe nu, gewapend, alsof wij ten strijde gingen!
--De wapenen teekenen den vrijen man, antwoordde ik.
--Maar hier hebt gij ze niet noodig!
--Wij zijn gewoon er ons nooit van te scheiden.
--Dat zult gij nu toch moeten doen, anders krijgt gij den Shoet niet te spreken. Hij duldt niet dat men gewapend voor hem verschijnt. Wanneer gij uw wapenen bij den ingang van zijn verblijf neerlegt, dan zijn ze goed bewaard, want ik zelf zal er bij blijven.
--Ik geef mijn wapens niet af,--zei ik met beslistheid,--en als de Shoet dan niet met ons wil spreken, dan wil ik u niet verder lastig vallen.
Dat gezegd hebbende, gaf ik terstond bevel tot omkeeren. Ons troepje wendde zich naar het dorp toe. De slager liet een half onderdrukten vloek hooren en zeide:
--Halt! Dat kan zoo maar niet! Ik heb den Shoet laten waarschuwen, en ik zou van een slechte reis komen, als ik u niet bij hem bracht.
--Zorg dan, dat hij ons zulke onzinnige voorwaarden niet stelt!
--Iets onzinnigs doet de Shoet nooit. Ik wil zien, of ik voor u verlof kan krijgen, uw wapenen bij u te houden. Het zou mij echter verwonderen, als hij met u een uitzondering maakte.
Echt boos liep hij weer voort, en wij volgden hem.
Het beviel mij in 't geheel niet, dat hij er zoo op stond, ons wapenloos te maken. Zou Mubarek toch reeds gekomen zijn? Werden wij nu in een val gelokt, waaruit niet te ontkomen was? Welnu, zoolang wij gewapend waren, hadden wij niet te vreezen. Maar als wij nu onderweg overvallen werden! Ik was weerloos. De draagstoel bestond uit een draagbaar met een verdek van houten traliewerk. Ik moest met gekruiste beenen zitten, wat mij met mijn verzwikten voet zeer moeilijk viel, en ik kon mij bijna niet bewegen. Eer ik de kapdeur opengestooten had en er uit was gesprongen, had ik bij een overrompeling een kogel beet. En er uit springen kon ik in 't geheel niet van wege mijn voet. Een schot van uit een boschje zou Halef, ondanks zijn drie geweren, ook hulpeloos maken. Osko en Omar droegen den stoel; zich terstond verweren, konden zij evenmin. Wij bevonden ons in een hoogst gevaarlijken toestand.
Het bosch was niet zoo dicht, als de slager mij het voorgesteld had. Wij hadden zeer goed onder en tusschen de boomen door kunnen rijden. Ook deze onware voorstelling verminderde mijn wantrouwen niet. Ik schoof de deurtjes van de kapdekking een weinig open en hield mijn revolver gereed.
Wij bevonden ons in een dal, welks wanden elkaar steeds meer nabij kwamen. Waar zij zich aaneen sloten, werd halt gehouden. Wij hadden ongeveer een half uur gebruikt om hier te komen.
--Hier zijn wij er,--zeide de slager, toen de beide dragers den stoel neerzetten. Kom van den draagstoel af, Heer!
Ik schoof de deuren geheel open en keek naar buiten. De rotswanden stegen loodrecht omhoog, en hadden op het punt, waar zij samen liepen, een vrij ondiepe insnijding, een kloof, die volkomen kaal was; want in het veldspaath, waaruit de rots bestond, was geen uitstekend stuk en geen scheur, waar eenige plant had kunnen wortelen.
Tegen de kloof aan stond de uit knuppelhout opgetrokken schuur. Het dak was uit hetzelfde materiaal gemaakt en met boomschors gedekt. De deur scheen slechts aan te staan.
--Dien mij aan, voor ik van mijn stoel kom,--antwoordde ik.
Hij ging naar binnen en liet de deur open. Ik zag dat langs de kanten, voorwereldlijke banken aangebracht waren.
Tegenover den ingang, was een tweede deur, die eveneens open stond. Deze was zeer smal en laag, ging naar binnen open en was voorzien van een ijzeren kram, waar een lange grendel door kon gestoken worden, die nu er bij, op den grond lag.
Dat was blijkbaar de achterafdeeling, waarvan de waard mij gesproken had. Ik meende op te merken, dat er licht ontstoken was.
Het viel mij op, dat van uit het dak een heiningachtige rij knuppelstokken het onderste deel der kloof nagenoeg onzichtbaar maakte. Men kon er niet doorheen zien. Daar achter konden gemakkelijk tal van personen verborgen zijn.
De slager kwam bij ons terug en zeide:
--Heer, de Shoet verlangt, dat gij de wapens zult achterlaten.
--Dat doen wij niet.
--Maar waarom niet? De Shoet is geheel alleen.
--O, bang zijn wij allerminst; wij geven onze wapenen niet af, omdat wij dat niet gewoon zijn.
--Maar de Shoet wil nu eenmaal niet, dat een gewapende voor hem zal staan.
--Werkelijk niet?
--Neen, nooit!
--En toch zijt gij nu bij hem geweest, met een mes en twee pistolen in uw gordel!
Die opmerking bracht hem in verlegenheid, hij antwoordde echter:
--Met mij is dat heel iets anders. Ik ben zijn innigste vertrouweling.
--Dan geven wij het op,--zei ik vast besloten. Halef, wij keeren terug.
Reeds grepen Omar en Osko toe, toen de slager ze ophield, zeggende:
--Heer, gij zijt voor geen rede vatbaar, ik wil nog eens voor u vragen, of de Shoet toegeven kan.
Hij ging andermaal binnen en kwam ditmaal terug met de boodschap, dat wij, zooals wij waren, mochten komen. Ik ging niet uit mijn stoel, maar liet mij naar binnen dragen. Halef moest door de tweede deur kijken en fluisterde mij in:
--Er is maar een enkele ongewapende man binnen, met een zwart gemaakt gezicht!
--Zijn er deuren daarbinnen?
--Geen enkele.
Hoe smal en laag deze tweede deuropening ook was, toch kregen mijn dragers er den stoel doorheen. Bij het schijnsel eener lantaren zag ik, dat deze holvormige ruimte driehoekig was. De grondlijn van dezen scherphoekigen driehoek werd gevormd door de voorzijde met de deur. Langer waren de beide zijden, die uit de gladde rotswanden bestonden. Geheel achter in den hoek stond de dievenlantaren, waarnaast de Shoet zat. Hij droeg een zwart talaarachtig gewaad en had zijn gezicht met roet zwart gemaakt. En daardoor, en doordien hij niet in de belichting van de lantaarn zat, waren de trekken van zijn gelaat niet op te nemen. Ook kon ik niet goed zien, waar de zoldering van deze rotsholte uit bestond. Wij bevonden ons in de kloof. Boven ons was het goed dicht gemaakt, want anders zou het daglicht van boven ingekomen zijn. Osko en Omar hadden den draagstoel zoodanig neergezet, dat de schuifdeuren van de kap naar den Shoet gericht waren. Deze gaf aan de lantaren een dusdanige richting, dat het volle licht mij bescheen. Bij den ingang stond de slager. Dit alles had een avontuurlijke tint, maar spelde geen gevaar.
De Shoet begon:
--Gij hebt mij willen spreken. Wat wilt gij van mij?
Zijn stem klonk gedempt en hol, alles behalve natuurlijk. Was dat een gevolg van de slechte akoustiek der ruimte, of veranderde hij opzettelijk zijn stemgeluid, om later er niet aan herkend te worden?
Hij had nog maar deze weinige woorden geuit, en toch was het mij of ik die stem meer had gehoord. Het was niet de toon noch de nuance er van, maar het was de uitspraak der enkele woorden, die mij op deze gedachte bracht.
--Zijt gij de Shoet?--vroeg ik.
--Ja,--antwoordde hij langzaam.
--Dan heb ik u groeten over te brengen.
--Van wien?
--Allereerst van den Usta in Stambul.
--Maar die leeft niet meer!
--Wat zegt gij?
--Hij is dood. Men heeft hem van de gaanderij van den toren te Galata afgeworpen.
--Scheitan!--ontviel Omar, die er hem afgegooid had.
Hoe kon de Shoet dat weten? Geen bode had zoo snel kunnen reizen als wij.
--Weet gij het nog niet?--vroeg hij.
--Ik weet het,--antwoordde ik.
--En toch brengt gij mij zijn groet, den groet van een doode?
--Gij wilt toch niet beweren, dat hij mij dien niet vóór zijn dood kan opgedragen hebben?
--Dat zou kunnen zijn. Maar de moordenaar zal zijn straf niet ontkomen. Langzaam en ellendig zal hij den hongerdood sterven, zonder eenige lafenis tegen den brandenden dorst. Hebt gij ook nog andere groeten te brengen?
--Ja, van Deselim uit Ismilan.
--Ook die is dood. Hij heeft zijn nek gebroken, en men heeft zijn Koptscha gestolen. Ook zijn moordenaar zal sterven, zooals die van den Usta. Verder!
--Verder breng ik u de groeten van den ouden Mubarek en van de beide Aladschy's.
--Deze drie zijn mij reeds zelf komen groeten. Dit hadt gij dus niet meer te doen.
--Ah! Zijn zij hier?
--Ja, zij zijn hier. En weet gij, wie ik ben?
--Ja, de Shoet.
--Neen, ik ben de Shoet niet, en dien zult ge ook niet zien. Neen, nimmer zult gij weer iemand zien, dien gij zoudt kunnen roepen. Ik ben....
Op dat oogenblik viel er een geweldige slag achter ons. De slager was verdwenen, hij had de deur achter zich dichtgetrokken. Wij hoorden, dat hij den sterken grendel er voorgeschoven had.
De lantaarn was uit.
--Ik ben.... de oude Mubarek zelf,--klonk het boven ons. Gij blijft hier om van honger en dorst te verrekken en elkaar bij levenden lijve te verslinden!
Een hoonende lach begeleidde deze woorden; boven ons werd een opening zichtbaar. Wij zagen een dubbele strik, waarin de oude Mubarek hing en omhoog werd getrokken. Hij verdween door het luik, dat achter hem dichtviel. Wij bevonden ons in volslagen duisternis.
Dat alles was zóó vlug gedaan, dat wij het onmogelijk hadden kunnen verhinderen. Had ik niet in den draagstoel gezeten en geen verzwikten voet gehad, dan zou het den schurken misschien niet zoo gemakkelijk gevallen zijn, om ons in deze val op te sluiten.
--Allah!--riep Halef. Daar is die oude bedrieger ons boven uit ontsnapt, en wij hebben hem laten gaan, zonder hem een kogel na te zenden, en we hadden er toch tijd genoeg voor!
--Dat is zoo, Heer! Wat zijn we dom geweest!--zeide Osko.
--Ja,--viel Halef in. Tot nog toe waren slechts enkelen van ons zoo dom, maar ditmaal houdt de Sihdi ons gezelschap.
--Wel, Halef, gij hebt volkomen gelijk,--stemde ik toe. Maar hoor eens!