Chapter 13
--Allah heeft dezen uw wensch niet vervuld, want ik heb den geheelen nacht geen oogenblik geslapen. Ik had het hoofd zóó vol van zwavelzure kalk, dat het mij onmogelijk was een oog dicht te doen en toen ik eindelijk in slaap viel, droomde ik dat de zee van kalk en water was en de hemel van katoen, en onophoudelijk in de zee werd gedoopt en dan om mij heen geslagen. Dit vreeselijke verband begon mij eindelijk zoo te drukken, dat ik geen adem meer kon halen. Ik gilde van angst en.... toen werd ik wakker. Maar ik had mij zoo verzet tegen het verband leggen, dat ik uit mijn bed tot midden op den vloer was gerold!
--Dan kunt ge u nu zoo 'n klein beetje voorstellen hoe het uw "model", gisteren te moede moest zijn geweest.
--Heel aangenaam zal hij het wel niet hebben gevonden, maar toch ligt hij alweer een uur bij mij. Hij heeft den linkerenkel en twee vingers van de rechterhand gebroken. Hij is prachtig verbonden en rookt tabak en drinkt daarbij limonade en eet sinaasappels.
--En is hij geheel vrijwillig gekomen?
--Neen, ik heb hem zelf moeten halen!
--En hoe staat het met uw gipskaftan?
--Die hangt reeds, aan een ijzeren stang, voor mijn deur, en een massa menschen staan er naar te kijken! Ik heb er een jongen bijgezet, die aan het publiek moet uitleggen, wat die kaftan beduidt en dan mag iedereen vrij binnen komen om het vinger- en enkelverband van mijn model te bekijken. Het zal niet lang meer duren of ik ben een beroemd man, en dat heb ik aan u te danken. Hoe gaat het met uw voet?
--Zeer goed.
--Dan beveel ik u, als lijfarts, de grootste, meest volkomen rust voor dit lichaamsdeel aan. Men is buiten bezig paarden te zadelen! Gij zijt toch niet voornemens te vertrekken?
--Dat ben ik van plan.
--Hm! dat is onvoorzichtig!
--Ik weet dat ik het kan wagen.
--Ja, gij waart reeds gisteren avond van plan, om heden uw reis voort te zetten. Maar wat zult gij gedurende de reis om uw voet doen?
--Daar heb ik ook al over gedacht.
--En ik heb er den geheelen nacht over gedacht, en toen is mij iets goeds ingevallen. Ik heb op het land een rijken patiënt, die door jicht wordt geplaagd. Zijn voeten zijn gezwollen, en het steekt en trekt hem in al zijn teenen. Ik heb hem, hier in de stad, een paar mooie zachte jichtlaarzen laten maken, die ik aan hem wilde sturen. Ik kan gemakkelijk voor hem een paar andere bestellen. Gij hebt de lintwormen en het skelet niet van mij willen aannemen, en ik hoop dat gij mij nu niet met beschaamde kaken zult laten staan, maar mij zult veroorloven, u deze laarzen als bewijs van mijn hoogachting en dankbaarheid aan te bieden.
Hij maakte nu het pak open, en haalde de laarzen tevoorschijn, zij waren uit stevige stof gemaakt, met flinke zolen en rondom met leer bezet.
--Doe mij het genoegen, Effendi, en pas de linkerlaars eens aan!--vroeg hij.
Ik voldeed gaarne aan zijn verzoek. De laarzen pasten en ik zeide hem, dat ik het geschenk gaarne zou aanvaarden. Hij was daarover zeer verheugd, en bedankte mij recht hartelijk. Toen ik hem duidelijk wilde maken dat ik hem, niet hij mij dank verschuldigd was, liep hij de deur uit, en wenschte mij, vóór hij die sloot, een recht gelukkige reis.
Toen de mandenmaker weer terug kwam, zouden we opbreken, en ik vroeg den waard naar het bedrag onzer rekening.
--Gij zijt mij niets meer schuldig, Effendi!--antwoordde hij.
--Maar wij moeten u toch betalen!
--Er is reeds betaald.
--Door wien?
--Door den Hekim. Gij hebt hem iets geleerd, waarmede hij zeer veel geld zal verdienen. Hij laat u nogmaals alleronderdanigst groeten en wenscht u gelukkige aankomst in uw vaderland!
--Sihdi!--fluisterde Halef mij toe--verzet u er niet tegen, maar neem het aan. Die Hekim is een verstandiger en netter mensch dan ik dacht. Hij weet de gastvrijheid op prijs te stellen, en in het boek des levens, zal hem daarvoor een zachten dood worden toegedacht.
Met groote moeite kwam ik op de binnenplaats en werd daar te paard geholpen. Eenmaal in den zadel gezeten, ging alles goed. Wij reden weg, andermaal, zonder betaald te hebben.
In een nauwe straat, waar wij doorreden, zag ik een menigte menschen staan. Uit het huis, waarvoor zij stilstonden, hing een wit voorwerp. Toen wij dichterbij kwamen, herkende ik den kaftan, en daarboven de fez met de sigarenlintjes. De Hekim had het dus niet alleen voor de grap gezegd. Daar hing de kaftan inderdaad, een prachtig voorbeeld van Turksche reclame.
Mij kwam een en ander volstrekt niet belachelijk voor, en ook de menschen die zich er omheen verdrongen, keken hoogst ernstig. Ik hield stil en stuurde den mandenmaker naar binnen om te vragen of de heer des huizes thuis was. Hij kwam met een ontkennend antwoord terug. De vrouw van den dokter konden wij toch onmogelijk een afscheidsbezoek brengen.
Toen wij de nauwe straten met de talrijke kleine winkeltjes achter ons hadden, sloegen wij de straat in, die naar Skopia voert. De afstand daarheen is nagenoeg even groot als van Ostromdscha naar Radowitsch. Wij volgden die straat echter maar voor een klein gedeelte. Zoolang wij op den straatweg waren, ging het in galop. Toen sloeg onze gids rechts af, tusschen twee met boomen begroeide hoogten die een dal vormden, waardoor een beekje stroomde.
Dit dal liep al heel gauw tamelijk steil naar boven, en toen zagen wij al heel gauw een kalen bergrug waar geen boom te bekennen was en die zich naar het noorden uitstrekte. Dien reden wij in draf langs.
Wat zal ik van die streek zeggen? Men herinnert zich natuurlijk die plekjes het best, waar men iets heeft ondervonden of beleefd, en dat was hier niet het geval. De mandenmaker voerde ons door onbegroeide streken, die niet de minste landelijke bekoorlijkheid hadden.
In Karbinzy, een dorp op den linkeroever der Bregalnitza, hielden wij halt, en namen afscheid van hem. Hij kreeg een extra belooning, waarmede hij zeer in zijn schik was. Daarna reden wij de rivier over, om te Warzy te komen, dat op den rechteroever ligt. Door dit dorp loopt een reeds oudtijds bekende en druk gebruikte rijweg, die de zuidelijk van Istib gelegen hoofdplaatsen, met Karatowa Kostendil, Dubnitza, Radomir en eindelijk met Sophia verbindt. Wij trokken nog over de kleine Sletowska, en bevonden ons toen in het dorp Sbiganzy, voor het oogenblik het doel van onzen rit.
Ongeveer 's morgens om negen uur, naar onzen tijd gerekend, hadden wij Radowitsch verlaten en te drie uur kwamen wij aan. Wanneer wij met gewone snelheid hadden gereden, zouden wij het dorp niet voor den nacht hebben bereikt.
NEGENDE HOOFDSTUK.
IN DE ROTSHOLTE.
Het dorp Sbiganzy is geen onaanzienlijke plaats; het verdient echter meer een marktvlek te heeten, omdat er een bazar is. Midden tusschen de Bregalnitza en de Sletowska gelegen, is het land zeer waterrijk en vruchtbaar. En van andere plaatsen, waar wij door waren gekomen, onderscheidde zich Sbiganzy, door den bouw der huizen, die welvarendheid der inwoners verried.
Natuurlijk lieten wij ons terstond een Khan aanwijzen. Deze bestond uit vele gebouwen, die een zeer groote binnenplaats omsloten. De geheele inrichting bewees dat de eigenaar een Bulgaar moest zijn.
En dat was ook zoo.
Hij ontving ons bijzonder vriendelijk, gaf mij de voornaamste titels, omdat hij een paardenkenner was en mijn Rih bewonderde, en noodigde ons uit, bij hem binnen te komen.
De man had twee vertrekken, een voor de gewone reizigers en een beter voor de gasten die hij voor aanzienlijker hield en als zoodanig wilde ontvangen.
Twee knechten moesten mij van 't paard tillen en in het mooie vertrek binnen dragen, waar, tot mijn verwondering, een ligstoel stond, waarop een lange breede zachte matras lag. Men had dit meubel bijna een canapé kunnen noemen.
Toen hij zag met wat verwondering ik naar dat meubel, waar men mij op lag, keek, zeide hij, met zelfvoldoening glimlachende:
--Gij verwondert u, Heer, deze sofa hier te vinden? Ze is in Sophia gemaakt en op een wagen hier gebracht. Gij zult een Rahat Otturmak (woordelijk: rust der ledematen) gewoon zijn, waarop men met kruiselings over elkaar geslagen beenen zit, want ik zie dat gij een Muzelman en Hadschi zijt, maar ik ben een Christen en mag met uitgestrekte beenen zitten. Daar de uwe gezwollen zijn, zult gij dezen ligstoel zeer gemakkelijk vinden.
--Ik ben deze manier van zitten van mijn jeugd af gewoon,--luidde mijn antwoord. Ik ben geen Muzelman.
--En gij draagt het Hamaïl, het teeken der Mekka-bezoekers!
--Is dat verboden?
--Ja, zeer streng.
--Door wien?
--Door de Khalifen.
--Christen zijnde, heb ik met hen niets te maken. Ik heb er ook niets tegen, wanneer een Muzelman onzen Bijbel mocht dragen.
--Wanneer gij een Christen zijt en van jongsaf gewoon aan een sofa, dan hoort gij wel ver van hier thuis?
--Ik ben uit Alemania.
--O, dat ken ik heel goed!
--Werkelijk? Dat verheugt mij zeer.
--Ja, het ligt naast Baweria (Beieren), waar de Wolga is, en naast Iswitschera (Zwitserland), waar de Tuna (Donau) in den Ak Deniz Adalary (Middellandschen archipel) mondt.
--Ik hoor met genoegen, dat gij de grenzen van mijn vaderland kent. Menschen, die zoo op de hoogte zijn, vindt men hier niet veel.
--Omdat zij niets willen leeren en te dom zijn om iets op te merken,--antwoordde hij met innig welbehagen. Maar ik houd oogen en ooren open en wat ik eenmaal weet, dat houd ik in mijn hoofd. Ik weet nog meer, nog veel meer van uw vaderland.
--Van iemand zoo als gij, verwondert mij dat niet.
--Uw Sultan heet Gillem musafer (Willem de overwinnaar), maar toch ook Gillem baryschdyrydschy (Willem de vredevorst). Zijn grootvizier is Ismark bilasatschly (Bismark zonder haar), en uw geweren heeten Jakma ijneleri (zundnagels). Uw hoofdstad is Munik, waar het beste Arpa suju (bier) gebrouwen wordt, waarvan gij bij mij drinken kunt, zooveel gij maar wilt.
--Arpa suju hebt gij?--viel ik in. Dat brouwt gij zelf?
Ik begreep, dat mijn goede Beier hier geweest zou zijn, om voor zijn bierrecept vrije vertering te krijgen.
--Ja,--antwoordde hij. Ik maak het zelf, en het wordt veel gedronken, vooral in den zomer.
--En waar maakt gij het uit?
--Heer, dat moet gij mij niet vragen.
--Waarom niet?
--Het is een groot geheim.
--O, in Baweria kent ieder kind dat geheim. Ik ken allerlei bier-geheimen en weet, hoe men donker en lichtkleurig bier maakt, het zware en het dunne, ook het heldere, dat men Ak arpa (eiwitbier) noemt.
--Heer, dan zijt gij een nog veel knapper brouwer, dan de man, die het mij heeft geleerd.
--Van waar was die man?
--Uit Stambul.
Aha! 't moest mijn Beier zijn.
--En waar wilde hij heen?
--Naar zijn geboorteland.
--Maar van hier uit, langs welken weg?
--Naar de Tuna.
Naar de Donau, dus noordwaarts. En ik wilde naar het Westen. Ik kon den ijverigen zendeling van Cambrinus dus onmogelijk inhalen. Ik zou gaarne zijn spoor gevolgd en hem getroffen hebben, om hem te doen blozen over zijn leerling, bij wien ik kort geleden een Turksch preparaat van zijn Duitsch recept had gedronken.
--Ik heb al van hem gehoord en ook van zijn bier gedronken,--zei ik.
--Hoe was het, Heer?
--Zeer..... warm!
--Maar dan moet men er koud bronwater bij gieten. Zal ik voor u er een kruik van halen?
--Zeer zeker.
--Een groote kruik?
--Geef mij eerst een kleine, om te zien, hoe het smaakt.
Hij ging, juist toen mijn vrienden aankwamen. Zij hadden hun paarden in een achter de huizinge liggende weide gebracht en onder bewaking van een knecht gesteld. Toen ik hun zei, dat zij bier kregen, was de vreugde algemeen. Toch meende ik op te merken, dat hun vreugde-betoon meer uit beleefdheid voor mij, dan uit blijdschap over het beloofde bier, voorkwam. Mijn vaderlandschen drank moesten zij natuurlijk met gejuich begroeten.
De herbergier bracht een kruik, die ongeveer anderhalf liter inhield. Dapper opende ik de sluisdeuren van mijn mond, en zette er de kruik aan. Werkelijk, ik voelde zoo iets van koolzuur in mijn neus prikkelen.
--Waarin bewaart gij deze Arpa suju?--vroeg ik.
--In groote kruiken, die ik goed dicht maak.
--Waarom sluit gij ze?
--Omdat dan in de Arpa suju een gisting ontstaat, waardoor het lekkerder gaat smaken. Er stijgen dan blaasjes en pareltjes op.
--Wie heeft u dat gewezen?
--De Bawerialy, die mij het koken van de Arpa suju geleerd heeft. Proef het gerust!
--Ik proefde niet, maar ik dronk, want het brouwsel was werkelijk niet slecht. Mijn vrienden deden eveneens. Daarom bestelde ik nu een veel grootere kruik, waardoor ik terstond het hart van den Bulgaar won.
Hij bracht nu een kruik, waaraan wij tot den laten avond genoeg zouden hebben, en hij vroeg, of wij er ook iets bij te eten wilden hebben.
--Later, nu nog niet!--antwoordde ik. Wij moeten eerst nog een onderhoud hebben met iemand die hier woont. Kent gij al de menschen hier?
--Allen.
--Ook den slager Tschurak?
--Ook hem ken ik. Hij was slager, maar is nu veehandelaar, en reist overal heen.
Ik was het liefst naar Tschurak gegaan, om hem in zijn huis te bezoeken. Daar leert men de menschen kennen en juister beoordeelen. Tot mijn spijt kon ik echter niet loopen. En er heen rijden en mij laten dragen, dat zou even ongemakkelijk als belachelijk geweest zijn.
--In wat omstandigheden bevindt zich die man?
--In zeer goede. Vroeger was hij arm, maar de handel schijnt hem veel op te leveren, want Tschurak behoort nu tot de rijksten uit den omtrek.
--Dan staat hij zeker ook goed aangeschreven?
--Best! Hij is een zeer rechtschapen mensch, ingetogen, weldadig en hooggeacht. Als gij zaken met hem te doen hebt, zult gij hem als een eerlijk man leeren kennen.
--Dat verblijdt mij inderdaad, want ik heb met hem iets te verhandelen.
--Is het nog al van belang?
--Ja.
--Dan zijt gij maar voor een oogenblik bij mij afgestegen en zult bij hem uw intrek nemen?
--Neen, ik blijf bij u. Ik heb mij op Sbiganzy verheugd, want de omgeving is mij als zeer mooi beschreven.
--Dat is ze ook, ja, dat is ze, Heer! De ligging tusschen twee rivieren, reeds dat is iets bijzonders. En dan die prachtige bergen, die zich verder op, tot voorbij Sletowo uitstrekken. Waar gij ook komt, het is overal even heerlijk om er te wandelen.
--Dat heeft men mij gezegd. Bijzonder romantisch moet de weg naar de Derekulibe zijn.
Ik had met opzet het gesprek op de rotsholte gebracht. Ik wilde uit den mond van dezen onpartijdigen man hooren, wat dat eigenlijk was.
--Naar de Derekulibe?--vroeg hij. Die ken ik nog in 't geheel niet.
--Het is dus geen algemeen bekende plek?
--Ik heb er nog nooit van gehoord.
--Maar er moet toch hier in den omtrek iets bestaan, dat dien naam draagt.
--Dat kan ik moeilijk gelooven. Ik ben hier geboren en heb altijd in Sbiganzy gewoond. Zoo iemand, dan zou ik die bergwoning kennen.
--Hm! Dan heeft hij, die mij er over sprak, dien naam aan die plaats gegeven.
--Dat moet dan wel zoo zijn.
--Maar al is dat het geval, dan moet er toch zoo iets van dien aard hier zijn. Naar den naam te oordeelen is het een woning, die in een berg uitgehold is. Is u misschien zooiets bekend?
--Woont daar iemand?
--Dat weet ik niet.
--Als er niemand woont, dan weet ik het. Er is werkelijk ginds in het bosch een kloof, waarvan mijn vader een schuur heeft gemaakt, zóó dat het geheel op een kloofhut gelijkt. Hij kon dat gemakkelijk doen, want al het hout, daar in de buurt, was van hem. Voor ongeveer acht jaar heeft de slager dat gedoe van mij gekocht.
Dit feit was mij een bewijs, dat deze zoogenaamde bergholte bedoeld was. Daarom vroeg ik verder:
--Met welk doel heeft uw vader dat daar gemaakt?
--Om zijn gereedschap er in te bergen: harken, schoffels, spaden en andere dingen.
--En waartoe gebruikt de slager de bergplaats nu?
--Dat weet ik niet. Ik geloof, dat hij die in 't geheel niet gebruikt, ofschoon hij er banken in heeft laten maken, die er vroeger niet waren.
--Is dat gebouw gesloten?
--Ja. Het bestaat uit twee afdeelingen. Heel achter in de kloof is, in den berg zelf, een groeve, die mijn vader inbouwde. Waarom vraagt gij zoo bijzonder naar die hut?
--Omdat men mij er van gesproken heeft en verteld dat de weg er naar toe een zeer romantische was.
--Dan heeft men u bedrogen. Gij komt eerst door kale velden, en dan in een zoo dicht begroeid bosch, dat men er geen enkel vergezicht heeft. De wanden van het dal komen steeds dichter tot elkaar, en waar zij ineen loopen, daar is het bosch ondoordringbaar, en daar is de zoogenaamde kloofhut, bij een bron, die uit het gebergte ontspringt. Mooi kan men het daar in 't geheel niet noemen.
Toen maakte Halef de opmerking:
--Sihdi, wij zoeken een plaats, die wij niet kunnen vinden, en van morgen hebt gij een gelijkluidenden naam genoemd. Hebt gij niet gesproken van een plaats, welker naam overeenstemt met die op het papiertje van Hamd el Amasat staat? Gij zeidet, dat de weg, dien wij gingen er ons misschien door zou brengen.
--Meent gij Karaorman?
--Ja, dat was de naam.
--Wij zoeken Karanorman en ik noemde Karaorman, wat iets anders is.
--Karanorman en Karaorman, dat scheelt maar een letter. Het is wellicht een schrijffout.
--Misschien.--Zijt gij in Karaorman bekend?--vroeg ik onzen waard.
--Ja, antwoordde hij. Ik ben menigmaal in dat dorp geweest, want onze weg naar Istib gaat er doorheen.
--En is daar een groote Khan? [8]
--Neen, er is in 't geheel geen herberg. Het ligt zoo dicht bij Istib, dat de reizigers zich liever dien korten afstand naar Istib getroosten, dan in dat dorp te vertoeven.
--Het is ons om een plaats of gebouw te doen, dat Karanorman-Khan moet heeten.
--Dat is mij volkomen onbekend. Hier in de nabijheid zoekt gij het tevergeefs.
--Dat heb ik ook al gedacht. Maar wie is hier in het dorp Sbiganzy met het oppergezag bekleed?
--Dat ben ik. Voor mij was mijn vader het.
--Gij spreekt hier dus recht en vonnist?
--Ja, Effendi. Ik heb echter, wat dat betreft, hier weinig te doen. Hier is de bevolking rustig en goed. Valt er iets voor, dan zijn het altijd vreemdelingen, die het ons lastig maken. Jammer dat de macht van een Kiaja zoo weinig beteekent. Het komt voor, dat schurken ons in het gezicht uitlachen, omdat zij weten, dat zij bij de hoogere Overheid meer steun vinden dan wij.
--Dat is treurig genoeg. In zulke gevallen moet gij gestreng te werk gaan om uw ambt te doen eerbiedigen.
--Dat doe ik ook, maar vertrouw dan meer op mijzelf dan op de hooge Overheid. De schavuiten, die voor niets respect hebben, maken toch liever geen kennis met een paar stevige vuisten, en--die heb ik. Ik ga daarbij kort en bondig te werk. Het gebeurt somwijlen dat ik de partijen afransel; maar dat is niet altijd ongevaarlijk. Eenige weken geleden had het mij bijna het leven gekost.
--Hoe zoo?
--Hebt gij wel eens van de twee Aladschy's gehoord?
--Zeker.
--Dat zijn de brutaalste en gevaarlijkste schurken, die er op de wereld zijn, echte Skipetaren, onvervaard tot vermetelheid toe, sluw als de wilde katten, gruwzaam als verscheurend gedierte. Denk eens, de een, die Bybar heet, terwijl zijn broer zich Sandar noemt, komt op een avond hier de plaats oprijden, stijgt af, loopt in de kamer heen en weer, zonder zich om de aanwezigen te bekommeren, en eischt lood en kruit van mij.
--Van u, den Kiaja? Dat is sterk!
--Brutaler kon het niet. Had ik hem gegeven wat hij vorderde, dan had ik er mijn goeden naam bij ingeboet. Ik weigerde dus. Terstond vloog hij op mij aan, en er begon een ernstige strijd.
--De overwinning bleef natuurlijk aan uw kant, want er waren menschen, die u moesten helpen.
--O, niet één verroerde een vinger, want allen waren bang voor de wraak der Aladschy's. Ik ben ook niet van papier, maar tegen dien ijzersterken kerel was ik niet opgewassen. Hij kreeg er mij onder, en sloeg er zoo op los, dat het mij het leven zou gekost hebben, als niet twee mijner knechten toegeschoten waren. Wij kregen hem nu met z'n drieën te pakken en gooiden hem de deur uit.
--Een mooie vertooning. Het hoofd van de politie, die den struikroover gevangen moet nemen, gooit hem goedig de deur uit!
--Lach maar! Ik was blij, dat ik den kerel kwijt was. Wat zou ik met hem beginnen?
--Hem gevangen nemen en naar Uskub opzenden, dat de hoofdplaats van uw Vilajet is.
--Ja, dat was mijn plicht geweest; maar hoe het te doen? Waar zou ik hem op kunnen sluiten?
--In de dorpsgevangenis.
--Maar die hebben wij hier niet.
--Maar dan hebt gij toch in uw huis nog wel een kelder, die daar voor dienen kan.
--Dien heb ik, en menigeen heb ik daarin reeds opgesloten. Maar met den Aladschy was dat een ander geval. Om hem in den kelder te krijgen, had ik meer dan tien mannen noodig gehad. Hij zou zeker zijn wapens gebruikt hebben om zich te verweren, en zeker hadden eenigen van ons er het leven bij ingeschoten. En zelfs als het mij gelukt was hem gevangen te nemen, hoe zou ik hem dan naar Uskub krijgen?
--Gebonden op een wagen.
--Dat had gekund, ja; maar dan leefde ik nu niet meer. Toen hij wegreed, braakte hij de heftigste bedreigingen tegen mij uit. Den volgenden dag ging ik op de groote weide. Er viel een schot uit een boschje, waar ik voorbij moest. Hij had niet goed gemikt, want de kogel ging tusschen mijn arm en mijn lichaam door. Twee duim meer naar rechts en ik was in het hart getroffen geweest.
--En wat deedt gij toen?
--Ik sprong terstond achter een dikken boom en trok mijn pistolen. Toen kwam die Bybar uit het boschje te voorschijn. Hij zat op zijn muisvaal paard, en riep mij onder hoongelach toe, dat hij nu getoond had, wat mij te wachten stond; later zou hij beter raken. Daarna reed hij weg.
--En hebt gij hem nog weer ontmoet?
--Neen. Maar ik ga nu zonder mijn geweer niet meer van huis, want als ik hem ontmoet, dan sterft een van ons: hij of ik.
--Wees dan op uw hoede! Vandaag zult gij hem waarschijnlijk nog wel zien.
--Wat? Vandaag nog?
--Ik weet dat de beide Aladschy's heden of op zijn laatst morgen naar Sbiganzy zullen komen.
--Heilige Moeder Gods! Dan kan ik er mij op voorbereiden! Hoe weet gij dat?
Ik vertelde hem mijn ontmoeting en mijn strijd met hen.
--En gij zijt er levend afgekomen!--riep hij, ten hoogste verbaasd. Dat is een wonder, een mirakel!
--Maar ik ben er niet zoo goed afgekomen als gij. Ik heb bij dat gevecht mijn voet verzwikt; daarom ziet gij mij nu in deze laarzen voor u zitten.
--Den voet verzwikt! En gij zijt hun toch ontkomen?
--Zoo als gij ziet. Maar zij hebben bij die gelegenheid vernomen, dat ik naar Sbiganzy wil gaan, en nu komen zij mij achterna om zich te wreken.
--O wee! Gij brengt ons alzoo die bandieten op den hals!
--Wilt gij me daar een verwijt van maken?
--O neen! Mijn plicht is, u te beschermen. Maar hoe leg ik dat aan? Het kan mij misschien zelf het leven kosten.
--Uw bescherming heb ik niet noodig; maar lastig zal ik u toch zijn, want gij moet iemand, die hier woont, gevangen nemen.
--Wie kan dat zijn?
--De slager Tschurak.
--Heer, dat is niet mogelijk!
--Misschien toch wel. Zie nu eerst dezen pas eens in. Daaruit zult gij zien dat ik uw hulp mag verlangen, als ik meen ze te behoeven.
Toen hij mijn legitimatie-bewijs had gezien, gaf hij het, met een diepe buiging terug en zei:
--Effendi, mijn vermoeden is bewaarheid, gij moet een voornaam man zijn, want gij staat onder de onmiddellijke bescherming van den Grooten Heer. Maar dat maakt de zaak voor mij des te moeilijker, want ik moet u in alles ter wille zijn en kan de noodige hulp van de Overheid niet krijgen. Blijf ik in gebreke u bij te staan, dan dient gij een klacht over mij in, en heb ik het ergste te wachten. Help ik u echter wel, en komen mijn superieuren daardoor in moeite, dan kom ik er niet veel beter af. Wat ik dus doe, ik ben altijd de lijdende partij.
--Wees niet bezorgd. Ik zal zoo trachten te handelen, dat gij u niet zult te beklagen hebben. Hebt gij wel eens van den Shoet gehoord?
--Zeker. Hij is de hoofdman van een bende bandieten, die in deze streek overal haar vertakkingen heeft. Men kent hem niet, men weet niet, wie hij is en waar hij woont, maar zijn manschappen zijn overal.
--Ik zoek hem.
--Gij? Ach, dan zijt gij een hoofd der politie en reist als geheim-agent in deze streek?