Door het land der Skipetaren

Chapter 12

Chapter 124,225 wordsPublic domain

--En nu hebben zij zich daar verborgen en wachten ons op. Voor alles moet ik weten, hoeveel en wat gij hun hebt verteld. Gij hebt dus bekend dat ik te Radowitsch ben. Gij hebt misschien ook wel gesproken over mijn gewonden voet die me waarschijnlijk zal noodzaken te Radowitsch te blijven?

--Neen, geen woord!

--Dan verwachten zij ons heden. Hebben zij niet gevraagd, wanneer wij voornemens waren te vertrekken?

--Ja, en ik zeide dat ik dat nog moest vernemen. Toen zwoeren zij, mij te vermoorden en mijn hut af te branden, wanneer ik hen zou verraden. Daarbij vertelden zij mij dat zij de Aladschy's waren, van wie ik zeker wel zou hebben gehoord en die hun bedreiging altijd uitvoerden.

--En toch komt gij het mij vertellen!

--Dat is mijn plicht en ook de dankbaarheid gebiedt het mij. Misschien kunt gij het wel zoo inrichten, dat ik toch heb gezwegen!

--Dat gaat misschien gemakkelijk genoeg. Natuurlijk ben ik u dankbaar voor uw waarschuwing, zonder welke 't mij slecht had kunnen vergaan.

--Ja, Heer, gij zoudt verloren zijn geweest!--viel zijn broer hem in de rede. Ik heb het met mijn eigen ooren gehoord.

--Ze zijn dus weer naar u toegekomen?

--Natuurlijk. Maar ik was er geenszins mede in mijn schik, want ik had genoeg aan hun eerste bezoek.

--Dat was gisteren namiddag! Of hebt gij hen reeds vroeger gezien?

--Gehoord had ik wel van hen, maar ik had ze nog nooit gezien. Zij kwamen 's morgens bij mij en vroegen Raki, en gingen aan de tafel voor het huis zitten, nadat zij de paarden naar achteren hadden gebracht.

--En vermoeddet gij wie zij waren?

--Ja hun paarden en hun reuzen-gestalten pasten volkomen bij de beschrijving die men van hen had gegeven. Ik was zeer op hen gebeten, omdat ik hen hield voor de dieven van mijn paard en mijn pakzadel.

--Gij weet dus reeds dat beide verdwenen waren?

--Natuurlijk, dat zag ik zoodra ik was opgestaan.

--En was het dan niet mogelijk dat uw paard was weggeloopen?

--O, dat was nog nooit gebeurd en dan had het zadel er toch moeten wezen.

--Dat is volkomen waar, het zadel loopt niet met het paard weg.

--Ik vertelde hun van den diefstal, en zij schenen te merken dat ik er hen van verdacht, want ze werden boos tegen mij en dwongen mij eindelijk in de kamer te blijven.

--En liet gij u dat maar welgevallen?

--Wat kon ik er tegen doen?

--De hulp van uw buren inroepen.

--Ik kon toch niet weg om die te halen, en zelfs indien dit mogelijk was geweest, had ik het toch niet gedaan. Wanneer de Aladschy's bij iemand komen, doet men maar het beste hun te gehoorzamen, want wanneer men ook al eenig oogenblikkelijk voordeel op hen behaalde, zouden zij dit later toch wreken. Ik bleef dus rustig in de kamer. Ik mocht niet eens de kinderen halen, wat gij later toch hebt gedaan, Effendi!

--Kwam er in dien tijd niemand bij u binnen?

--Gij dacht dat de komst van een gast hen misschien zou hebben verjaagd!

--Zijn zij dan bij uw komst vertrokken?

--Neen, daar hebt gij gelijk in!

--Er ging niemand voorbij, er kwam slechts een persoon en dat was----

--De Bakadschi Toma van Ostromdscha!--viel ik hem in de rede. Die wist dat de Aladschy's op hem wachtten. Buitendien waren zij den vorigen nacht in de nabijheid geweest en wisten ook dat gij twee paarden bezat. Zij zijn de eigenlijke oorzaak van den diefstal!

--Dat heb ik nu van mijn broeder gehoord.

--En bleef die Toma maar kort bij u?

--O neen, hij steeg van zijn muildier, ging bij hen zitten en vertoefde wel een uur bij hen.

--En kondet gij niet hooren wat zij zeiden?

--Van de kamer uit niet, ik hield hen echter voor de dieven van mijn paarden, en daar ik vermoedde dat zij erger in den zin hadden omdat ik de kamer niet mocht verlaten, nam ik mij voor te luisteren. Gij zult wel hebben gezien dat in mijn kamer een ladder staat, waarmede men op den zolder kan komen waar het stroo ligt. Ik klom naar boven en vandaar uit kon ik zachtjes door het luik op het uitstek komen. Ik hoorde ieder woord en vernam wat in Ostromdscha was geschied. De bode vertelde dat uitvoerig, en zeide dat gij tegen den middag zoudt opbreken en dus ongeveer twee uur later langs mijn huis zoudt komen. Verder hoorde ik, dat hij reeds den vorigen avond met hen had gesproken.

--Aha!--riep ik uit--nu begrijp ik hoe het mogelijk was, dat de Mubarek de Aladschy's zoo gauw vinden en tegen mij opzetten kon.

--Het schijnt dat hij hen reeds vóór uw aankomst had besteld om den een of anderen gemeenen streek uit te voeren. Gij hebt hem daarin gestoord, en daarom heeft hij van bun aanwezigheid gebruik willen maken om zich op u te wreken.

--Wat hoordet gij nog meer?

--Dat de Mubarek met nog drie anderen was ontkomen, en dat gij sterven moest. Hij duidde zelfs de plaats aan, waar gij zoudt worden overvallen, namelijk niet ver van de scherpe bocht die de weg in het bosch maakt.

--Daar heeft in elk geval de strijd tusschen hen en mij plaats gehad!

--En gij hebt hen overwonnen, zooals mijn broer mij heeft verteld. Effendi, Allah is met u geweest, anders hadt gij het onderspit moeten delven.

--Zeer zeker! Maar ga voort.

--De bode zeide hun, dat zij niet op hun geweren en pistolen moesten rekenen, want dat gij kogelvrij waart. Toen lachten zij hem in zijn gezicht uit. Toen hij hun echter precies vertelde wat er gebeurd was, werden zij bedaarder en geloofden eindelijk dat gij inderdaad kogelvrij zijt!

--Nu, en wat denkt gij daarvan? vroeg ik.

--Effendi, er bestaat tweeërlei tooverij. Bij de een is de hulp van Allah noodig, en bij de andere de hulp van den duivel. Gij hebt ook tooveren geleerd, maar Allah helpt u.

Ik antwoordde hem:

--Meent gij inderdaad dat de Almachtige door enkele woorden, teekenen of ceremonieën van een zijner zwakke schepsels, gedwongen zou kunnen worden, hem ter wille te zijn?

--Hm! Neen, want dan was die mensch nog machtiger dan Allah zelf. Maar gij doet mij schrikken! Toovert gij dan met behulp van den duivel?

--O neen, wij tooveren in het geheel niet, en kunnen niet meer dan andere menschen.

--Maar gij zijt toch kogelvrij!

--Wij zouden wat blij zijn, als dat inderdaad het geval was. Maar jammer genoeg, zou een kogel in onze huid, een even groot gat maken, als in die van ieder mensch.

--Dat kan ik niet gelooven. Gij hebt immers de kogels met de hand opgevangen.

--Dat leek maar zoo. Ik heb mezelf reeds verweten dat ik de menschen in hun bijgeloof heb versterkt, maar misschien kan ik dat door u weer goed maken. Wanneer gij weer te Ostromdscha komt, zult gij daar wel over ons hooren spreken. Vertel de menschen hoe het gegaan is. Ik had gehoord, dat wij zouden worden overvallen, of van uit een hinderlaag doodgeschoten, en toen kwam ik op het denkbeeld, om de menschen in den waan te brengen dat wij kogelvrij waren, omdat men dan hoogst waarschijnlijk niet op ons schieten zou. Ik zal u vertellen hoe ik dat heb aangelegd.

En nu legde ik hem alles uit. Zijn gezicht werd al langer. Toen bekwam hij langzamerhand van zijn verbazing, hoorde mij ten einde toe aan, en zeide lachend:

--Het verheugt mij buitengewoon, Heer, dat gij mij die geschiedenis hebt verteld. Ik zal te Ostromdscha een groote rol spelen, wanneer ik de menschen uitlach en hun vertel, hoe de zaak in elkaar zit. Ik wilde dat ik het hun kon laten zien.

--Dat kunt gij. Ik heb nog meer kogels, en wanneer gij mij belooft voorzichtig te zijn en ze niet met andere te verwisselen, dan wil ik u die geven.

--Ja, geef ze mij. Ik ben o zoo blij dat gij dit wilt doen. Maar weet gij, dat ik nu nog meer eerbied voor u heb dan te voren.

--Waarom?

--Omdat het nog veel meer zegt, zich door wijsheid en slimheid ergens doorheen te slaan dan door tooverij. En nu geloof ik ook dat de goochelkunst uit niets anders dan zulke kunstgrepen bestaat. Gij hebt echter uw doel bereikt, want de Aladschy's besloten in 't geheel niet op u te schieten, maar u met bijlen en messen af te maken. De bode beschreef u zoo nauwkeurig, dat geen vergissing haast mogelijk was en ging toen heen. Geen kwartier later kwaamt gij.

--En wien meendet gij te zien?

--Een Scheriff. Ik kon niet vermoeden dat gij de vreemde Effendi waart, die zou worden vermoord.

--En hebt gij ook ons gesprek beluisterd?

--Neen, want uw persoon leek mij niet van voldoende gewicht. Toen kwaamt gij binnen en waart vriendelijk tegen mij en de kinderen. Gij genaast zelfs mijn dochtertje van haar tandpijn. Ik wist wel is waar niet, wat zij met u voorhadden, maar gij waart vriendelijk tegen ons geweest en daarom waarschuwde ik u.

--Met gevaar voor u zelf.

--Dat was zoo groot niet. Ik waagde er alleen een paar zweepslagen aan. Toen zij met u waren weggereden, maakte ik mij ongerust over u, want zij hadden elkander zulke vreemde blikken toegeworpen. Daarom wenkte ik u nog eens, toen gij op de brug omkeekt.

--Ik begreep dat gij mij tot voorzichtigheid wildet aanmanen. En wat deedt gij daarna?

--Ik ging naar mijn buren, vertelde hun wat er was voorgevallen en riep hen op, om met mij het bosch in te gaan en u uit de handen der roovers te bevrijden en ook de vier vreemdelingen te redden, die zouden worden overvallen.

--Maar daarvoor waren ze niet te vinden!--vervolgde ik zijn verhaal. Ze waren natuurlijk bang voor de wraak der Aladschy's en verscholen zich veilig achter hun vier muren. Dat kan ik me voorstellen. De vrees is de grootste vijandin dergenen die vreesachtig zijn. Ergens anders waren de Aladschy's nooit zoo ver gekomen; men zou hen heel gauw onschadelijk hebben gemaakt.

--Meent gij, in uw vaderland?

--Ja zeker!

--Is daar dan iedereen een held?

--Neen, maar daar is het onmogelijk dat een Skipetaar de menschen zooveel vrees aanjaagt. Wij hebben geen strengere maar wel veel zachtere wetten dan gij, maar ze worden gehandhaafd. Daarom vreest ook niemand de wraak van een mensch, want de politie is sterk genoeg om de zwakkeren en goeden en eerlijken te beschermen. Maar wie beschermt u?

--Niemand, Heer. De vrees alleen. Wie het bijvoorbeeld zou wagen om zich tegen de Aladschy's te verzetten en hun bevelen niet uit voeren, zou alles van hun toorn hebben te vreezen, en er is geen overheid die hem daarvoor kan vrijwaren. Daarom moet het u niet verwonderen, dat mijn buren niets met de zaak te doen wilden hebben.

--Maar gij zijt ook niet groot in getal!

--Ook dat, en buitendien is men vrij algemeen de meening toegedaan dat twee van die Aladschy's allicht tien man kunnen staan!

--Hm! Dan kan ik er wel twintig voor mijn rekening nemen, want ik ben hun de baas af!

--Maar alleen met Allah's hulp, Effendi. Die roovers zijn verschrikkelijk. Toch nam ik mij voor, de vreemdelingen te waarschuwen. Daarom zette ik mij op de bank voor mijn huis neer en wachtte hen op.

--Hebt ge ze gezien?

--Neen, mijn kinderen waren aan het kibbelen geraakt, zij huilden en ik ging naar binnen om den strijd te beslechten. En in dien tijd moeten de vreemdelingen voorbij gekomen zijn. Ik ben er slecht afgekomen, maar wat mij uit hun gesprek bleek, deed me veel genoegen. Ik hoorde namelijk dat de bewuste Scheriff hen had overwonnen!

--En gij vermoeddet dus niet dat de Scheriff de aanvoerder was dergenen die zij wilden opwachten?

--Die gedachte is niet in mij opgekomen. Maar later, toen zij wat kalmer waren geworden en bij de Raki zaten, haalde de een een briefje voor den dag, dat zij lazen. Ik hoorde dat gij dat aan een boom hadt gestoken. Zij konden er echter niet uit wijs worden en wisten alleen dat er drie ruiters voorbij waren gekomen, die zich precies aan dit briefje hadden gehouden.

--En hielden zij die voor de verwachten?

--Neen, want de hoofdpersoon ontbrak immers. Zij meenden dat gij nog voorbij moest komen. Ofschoon de bode hun had meegedeeld, dat gij gewaarschuwd waart geworden, wilden zij het toch met u opnemen. Zij waren zoo ontzettend woedend, dat zij al hun kalmte verloren hadden en ook niet meer nadachten. Hun geweren waren gebroken. Zij hadden de stukken bij zich. Ik heb die alle op mijn rug gevoeld. De kinderen begonnen daarover te huilen en kregen ook schoppen en slagen. De een kon niet rechtop staan, dien hadt gij tegen een boomstam gegooid. Hij kleedde zich uit en ik moest hem zeker wel een paar uur den rug wrijven met raki en boter. De andere bloedde voortdurend. Gij hadt hem van onderenop een por gegeven en daarbij zijn bovenlip verwond, naar hij zeide met de duimen van uw vuist. Zijn neus was bont en blauw en dik en gezwollen. Hij wreef dien met raki. Later toen de twee anderen kwamen, knipte een hunner hem den baard af en ging in het naburige bosch hars halen, en maakte daarvan, met boter, een pleister die op de lip werd gelegd.

--De twee anderen kwamen? Wie waren dat?

--O, dat waren eerst een paar echte galgentronies. Die moest gij eens gezien hebben. Zij hadden den vorigen nacht bij Ibarek in Dabila geslapen, en--

--O, die ken ik. Het waren broeders. Hebt gij dat niet gemerkt?

--Ja, ik hoorde al heel gauw dat zij, evenals de Aladschy's, broeders waren. Zij kenden dezen en ook u!

--En wisten zij dat zij de Aladschy's zouden aantreffen?

--Neen, de twee paren broeders waren zeer verwonderd over deze toevallige ontmoeting, maar hun vreugde was toch nog grooter dan hun verbazing, toen zij hoorden dat hetzelfde doel hen had hiergebracht, nl. wraak te nemen op u!

--Dat geloof ik, dan zullen ze elkaar heel wat te vertellen hebben gehad!

--Veel, zeer veel, van Edreneh en Menelik, waar gij zoo vlug waart ontkomen, ofschoon gij reeds dáár onschadelijk hadt moeten worden gemaakt. Gij waart hen daarom dubbel gevaarlijk omdat gij van uit het duivenslag [7] het geheele gesprek hadt afgeluisterd. Want toen wist gij dat degenen, die u vervolgden, in de ruïne van Ostromdscha waren te vinden. En nog gevaarlijker was het, dat de broeder van den waard Ismilan u voor de rechtmatige bezitters der Koptscha gehouden en daarom gezegd had dat gij naar Sbiganzy gaan moest.

--Ja, dat is zeker heel dom van hem geweest. Maar het zal ons nu wel zeer moeilijk vallen, zoo al niet onmogelijk zijn, om van dit voordeel gebruik te maken.

--Dat is waar. Toen de Aladschy's hoorden dat gij van de Derekulibe bij Sbiganzy afwist, waren zij buiten zichzelf en zeiden dat dit, 't kostte wat 't wilde, moest worden voorkomen, en besloten zij u hier op de openbaren weg aan te vallen!

--Ze waren dus nog steeds van meening, dat wij nog niet voorbij gekomen waren.

--Ja, ze waren zoo gaan zitten, dat er niemand voorbij kon komen, zonder door hen te worden gezien. De beide anderen zouden hen daarbij behulpzaam zijn. Ze waren nu vier tegen vier, en de beide Aladschy's verklaarden nu, zoo moedig te zijn, dat zij 't tegen een geheel leger durfden opnemen. Dat duurde echter slechts zoo lang tot Toma, de bode, uit Radowitsch terug kwam.

--Die heeft hen dus van de staar gelicht!

--Zij riepen hem binnen. Toen hij hen zag, schreeuwde hij moord en brand over het uitzicht van den een. Zij zeiden hem, dat de vier personen nog niet waren voorbij gekomen; maar hij antwoordde, dat hij u reeds te Radowitsch had gezien en de noodige zweepslagen had ontvangen. Groot was nu hun verbazing. Zij begrepen hem en hij begreep hen niet. Eindelijk vroeg hij, of zij dan geen Scheriff hadden gezien, die eveneens paard reed. Dat waart gij geweest, want ge hadt u verkleed.

--Jammer dat ik daar niet bij geweest ben. Ik had die gezichten wel eens willen zien!

--Ja Effendi, het was grappig, maar toch ook verschrikkelijk. Zulk vloeken en razen had ik nog van mijn leven niet gehoord. Alles wat niet spijkervast was in de kamer, werd stuk geslagen. Ze gingen te keer als van den duivel bezetenen; zooiets was hun nog nooit overkomen. Zij hadden den Scheriff een poets willen bakken en nu waren zij door hem bij den neus genomen. Zij konden bijna niet tot bedaren komen en leken wel woedende stieren, voor wie niets helpt dan de vlucht.

--Dat geloof ik graag. En wat deed de bode?

--Hij was doodsbenauwd. Hij zelf had u verteld dat gij vermoord waart geworden, en zich daardoor verraden. Buitendien wist gij toch reeds dat hij met de Aladschy's heulde, en vreesde nu dat gij naar Ostromdscha zoudt terugkeeren en hem bij het gerecht aanklagen.

--Wat dat betreft, kan hij gerust zijn. Ik zal hem aan zijn eigen kwaad geweten overlaten.

--O, dat kwelt hem niet erg. Het veroorzaakt hem in ieder geval minder pijn dan de zweepslagen die hij heeft ontvangen.

--Vertelde hij dat?

--Ja, en hij was woedend over den kleinen Hadschi. Het ergerde hem bijzonder dat hij voor zich de dertig slagen had moeten kiezen, want ze waren even goed aangekomen als anders honderd. Zijn kleeren kleefden op zijn gewonden rug, en hij smeekte de Aladschy's u toch te dooden, eendeels uit wraak en anderdeels opdat gij hem niet zoudt kunnen aanklagen.

--En beloofden zij hem dat?

--Zij zwoeren 't hem, en wilden dadelijk weg gaan naar Radowitsch, maar hij zeide hun, dat gij voornemens waart daar te overnachten zoodat zij den tijd hadden tot den volgenden morgen. Zij konden dus slapen en uitrusten, om 's morgens weer frisch te zijn. Daarbij maakte hij hen opmerkzaam, dat zij bij mijn broer misschien wel meer te weten zouden kunnen komen, want hij had toevallig te Radowitsch gehoord dat hij de vier vreemdelingen naar de Locanda babi hamajuni had gebracht.

--Aan dit voorstel gaven zij natuurlijk gevolg?

--Ja. Ik vond dat vrij onaangenaam, want ik vond het vooruitzicht alles behalve plezierig, dat zij bij mij zouden overnachten en ik zoolang een gevangene zou zijn in mijn eigen huis. Zij vertrouwden mij niet en ik mocht niet eens aan de deur komen. De Aladschy's hadden den laatsten nacht niet geslapen en zouden nu uitrusten, terwijl de beide anderen om beurten de wacht zouden houden!

--En Toma de bode?

--Hij reed naar huis, maar is voornemens reeds morgen vroeg weer naar Radowitsch te gaan, om te hooren of zij u hebben ingehaald en vermoord!

--En waar en bij wien, wil hij dat te weten komen?

--Dat weet ik niet. Zij noemden den naam, terwijl zij de hoofden bij elkaar staken, zoo zachtjes dat ik dien niet kon verstaan. Toen de bode weg was kochten de Aladschy's den anderen hun geweren en munitie af. Gij hadt de hunne gebroken en ook hun kruit meegenomen. Maar hoe woedend ze ook op u waren, moesten ze er toch om lachen, dat gij hen hun geld had laten behouden.

--Ik ben te eerlijk geweest, maar als ze weer in mijn handen vallen, dan zal ik mij niet voor de tweede maal laten uitlachen. Maar wat wilden de beide anderen doen. Die zijn vandaag toch niet mee gereden?

--Die gaan naar Menelik terug en hebben hun opdracht aan de Aladschy's overgedragen. Zij moeten namelijk aan een zekeren Barud el--el--el, och hoe heet hij nu ook weer!

--Barud el Amasat!

--Ja, ja, zoo is 't! Dezen moeten ze dan mededeelen dat zijn zoon gestorven is: verder dat gij de Koptscha bij u hebt, en eindelijk dat het zeer wel mogelijk is, dat gij bij een vleeschhouwer in Sbiganzy inlichtingen omtrent de Derekulibe gaat inwinnen.

--Nu, misschien lukt het ons den bode voor te zijn.

--Effendi! Wees voorzichtig. Zij rijden ook naar Sbiganzy en kennen den mooisten weg daarheen over Taschköj zeer goed. Wanneer gij hen voor wilt komen, moet gij ook dezen weg inslaan en in het bosch om hen heen rijden. Gij weet echter niet waar zij zijn. Integendeel, zij zullen op u loeren en u overvallen.

--Daar zijn wij op voorbereid. Wanneer men het gevaar kent is het niet half zoo groot. Wanneer ik mijn voet niet had verwond, zou ik ook dien weg inslaan. Ik zou hun spoor volgen en steeds nauwkeurig weten waar ik aan toe was. Maar daarom is het noodig dat ik af en toe afstijg en dat kan ik nu niet. Om diezelfde reden mag ik het ook niet op een strijd laten aankomen. In het bosch vecht men niet te paard, en te voet zou ik een allertreurigst figuur maken. Wij moeten dus een anderen weg kiezen.

--Die echter ook veel langer is.

--Dat doet er niet toe.

--Gij zult hen niet vooruit komen, Effendi!

--Misschien toch wel. Wij zullen van hier naar Karbinzy rijden en van daar misschien direct, misschien ook over Warzy, naar Sbiganzy, al naar omstandigheden.

--Dat is echter een moeilijke weg, Heer!

--Eigenlijk niet. Wanneer wij van hier naar Istib en vandaar over Karaorman naar Warzy rijden, hebben wij steeds een straatweg; maar daar moeten wij een hoek maken, die tijd kost. Liever rijd ik dadelijk naar Karbinzy, ofschoon dat een moeielijke rit zal wezen, want ik geloof niet dat dit een gebaande weg is.

--Neen, alleen zoo af en toe,--bevestigde de mandenmaker,--maar als ik u tot gids mag strekken, beloof ik u, u den weg zoo gemakkelijk mogelijk te maken.

--Kent gij den omtrek hier?

--Zeer nauwkeurig. Ik zal u nu toch tot gids dienen, en dan is het mij volkomen hetzelfde of wij naar Taschköj of naar Karbinzy gaan. De afstand is vrijwel dezelfde. Ik kan het wel zoo inrichten dat wij den ongebaanden weg kunnen mijden en meest over open vlakten gaan. 't Zal echter wel voortdurend bergop, bergaf gaan.

--Nu, dat is wel te doen!

--Wanneer wenscht gij te vertrekken, Effendi? Kan ik eerst nog weer naar huis gaan?

--Ja maar binnen een half uur moet gij weer hier zijn. Kunt gij misschien niet een paard leenen?

--O, de waard hier zal daartoe wel dadelijk bereid zijn!

--Nu, spreek dan maar met hem af. Ik betaal het.

--Gij kunt ook het mijne krijgen dat buiten staat,--zeide zijn broeder.

--Neen, dat hebt gij zelf noodig, want 't is een heel eind van hier naar uw huis.

--Ja, en ik weet ook niet of dat wel vlug zou gaan, want 't is een oud beest. Maar die schoften hebben mij mijn goed paard afgenomen. Ik zal dat wel nooit meer zien, en ik heb ook geen geld genoeg om een ander te koopen, ofschoon ik het hard noodig heb.

--Hoeveel was het waard? vroeg ik hem.

--Onder broeders, honderdvijftig piasters.

--Dan zal ik het van u koopen!

--Van mij koopen?--vroeg hij verwonderd. Effendi is dat u ernst?

--Waarom dan niet?

--Omdat ik het paard niet heb!

--Dat doet er niet toe! Ik zal het zelf wel halen!

--Waar dan?

--Bij de dieven. Wanneer ik hen achterhaal, zal ik hun meteen uw paard afnemen.

--Maar als dat u nu eens niet gelukt!

--Dat is mijn zaak. Kort en goed, ik koop het van je, wanneer gij tenminste bereid zijt den koop te sluiten.

--Met groot genoegen, want ik zal het dier toch nooit terug krijgen. Maar Effendi, neem mij niet kwalijk, gij betaalt toch zeker eerst, als gij het paard in uw bezit hebt.

--O neen! Wie weet hoe lang ik die schurken nog moet nazitten en waar ik hen dan zal vinden. Hoe moest ik u dan het geld doen toekomen? Ik zal u die tweehonderd piasters dadelijk geven.

--Honderd vijftig heb ik gezegd.

--Neen, tweehonderd!

--Dan hebt gij mij verkeerd verstaan!

--Dat is mijn schuld! Ik heb gemeend twee honderd piasters en heb verklaard dat ik het daarvoor kocht. Wilt ge?

--En voor uw kinderen geef ik dan nog een fooi van vijftig piasters. Hier hebt gij dus twee honderd vijftig piasters.

Dat was dus nauwelijks dertig gulden voor het beste paard van dien man. Maar in gindsche streken betaalt men voor een gewoon slag paarden heel andere prijzen als bij ons. Buiten heeft zelfs iedere arme man een paard, want goedkoope, soms zelfs kostelooze weiden vindt men overal. Dat de mandenmaker geen paard had, was wel een bewijs dat hij zeer, zeer arm was.

In weerwil van de kleine som, bereidde ik daarmede den man groote vreugde. Het verlies dat de brave man geleden had, was daarmede ruimschoots vergoed en mij maakte het niet armer, want ik betaalde met het geld dergenen die het paard hadden gestolen. Nu speet het mij, dat ik ook het geld der beide Aladschy's niet bij mij had gestoken. Ik had daarmede brave en eerlijke menschen kunnen weldoen.

Wij ontbeten, en maakten ons toen gereed om te vertrekken. Daarbij bracht mijn voet mij in groote verlegenheid. Wat zou ik aantrekken?

Juist toen ik hierover nadacht kwam de dokter binnen.

--Effendi!--zei hij,--ik kom u mijn morgenbezoek brengen en u vragen hoe gij hebt gerust!

Hij was geheel gekleed, zooals den vorigen avond, en had een pakje in de hand.

--Ik dank u!--antwoordde ik. Ik heb heerlijk gerust en ik hoop dat dit ook met u het geval zal zijn geweest.