Door het land der Skipetaren

Chapter 11

Chapter 114,146 wordsPublic domain

--Gij zijt de man die van een patiënt durft zeggen, dat zijn tong niet zoo groot en niet zoo belangrijk is als een rundertong. Wanneer gij u verbeeldt, dat dit van beschaving getuigt, dan hebt gij 't nog niet ver gebracht. Hoe ge overigens uit mijn tong wilt zien, hoe 't met de verstuiking van mijn voet is gesteld, is en blijft me een raadsel.

--Dat zal u in uw leven wel meer zijn voorgekomen, dat gij iets niet kondet begrijpen. Dat kan men wel aan u zien. Gij begrijpt natuurlijk ook niet, dat gij mij in een toestand hebt gebracht die mijn eer en goeden naam benadeelt.

--Neen, dat begrijp ik zeer zeker niet!

--Dan gaat uw wijsheid niet heel ver!

--En toch trekt gij den neus voor mij op en kijkt me aan met een gezicht, en spreekt woorden, alsof gij de meest geleerde professor ter wereld zijt.

--Tegenover u ben ik ook professor geweest, want ik heb u practisch onderricht in de verbandleer gegeven.

--Daar heb ik geen woord van gehoord!

--Ik sprak ook van practisch onderricht, en daar behoeft niet bij gesproken te worden. Wat gij nu hebt geleerd, kan u maken tot den meest beroemden van alle doktoren, die wonen in de landen die onder het beheer van den Padischa staan!

--Wilt gij mij nu nog bespotten ook? Wanneer gij inderdaad zoo knap zijt als gij beweert, geef mij dan liever goeden raad hoe ik weer uit die huid van gips moet komen!

--Daarover zullen wij het later wel hebben. Gij hebt mij uitgelachen en beweerd dat uit gips geen verband te maken was, en toch is dit het allerbeste wat er bestaat. Gij liet mij niet aan het woord komen, en daarom hebt gij nu uit ervaring moeten leeren. Pak uw kaftan beet. Die was eerst zacht, en is nu zoo hard als een steen, zoo hard als een verband moet wezen om aan een lichaamsdeel stevigheid te geven. Merkt gij nog niets?

Hij trok de wenkbrauwen samen en keek mij nadenkend aan.

Ik ging voort:

--Wanneer gij een gebroken been tusschen planken bindt, dan zullen deze voor dat lichaamsdeel zeer lastig zijn, omdat zij niet den vorm van het been aannemen, zich niet daar naar voegen. Zulk een verband deugt niet.

--Maar er bestaat geen ander verband. De grootste en voornaamste doctoren in het land hebben zich er tevergeefs het hoofd over gebroken, om een verband uit te denken dat stevig is en zich voegt naar den vorm van het lichaam. Ik zelf heb een boek waarvan de titel is: Schifa kernik kyryklarin. (Over de genezing van beenbreuken). Daarin staat te lezen dat men breuken met planken kan behandelen.

--En wie heeft dat boek geschreven?

--De beroemde dokter Kari, Asfar Zulaphar!

--Nu, die heeft ongeveer twee honderd jaar geleden geleefd. 't Is best mogelijk dat men toen niet beter wist, maar nu zou men je uitlachen.

--Ja, maar ik lach er niet om!

--Daarom passen zijn redeneeringen en beschouwingen alleen voor dien tijd en niet voor den tegenwoordigen. Er zijn nog meer andere verbanden. Hebt gij de fez wel eens goed bekeken, die gij op uw hoofd hebt gehad?

--Hoe zou ik die niet hebben bekeken! Die kleine padde heeft hem mij bitterlijk onder den neus geduwd.

--Vertel me dan eens, welken vorm hij heeft aangenomen?

--Dien van mijn hoofd!

--En wel volkomen; juist zoo gaat het met ieder ander lichaamsdeel. Wanneer ik een arm, heb gebroken, laat ik dien eerst in 't lid zetten, en wikkel hem dan in dunne zwachtels. Deze bevochtig ik dan met gips, dat ik in water heb opgelost, en zwachtel verder, telkens de verbandstof in het gips doopende wanneer dit droog en hard is geworden. Zoo krijg ik een stevig verband dat volkomen op den arm past!

--Ah--Oh--Aah!--riep hij uit en keek daarbij eerst mij en daarna Halef aan, terwijl hij dezen toeriep:--Geef mij eens gauw mijn muts aan!

De Hadschi deed wat hij hem vroeg, en hield die voor hem, terwijl hij ze naar alle kanten ronddraaide.

--Nog beter is het,--ging ik voort,--wanneer men de stof eerst in het vochtige gips drenkt, en daarna om het lichaamsdeel windt. En opdat het, droog geworden, het zieke lid geen pijn zou veroorzaken, legt men daar eerst een laag watten op. Dan rust het lichaamsdeel in een zacht maar stevig en nauwsluitend verband.

Hij keek me weer aan en riep toen plotseling uit:

--Allah! Allah! Nazich idschad bulma, azametti keschf! Allah! Allah! Welk een heerlijke ontdekking, welk een prachtige uitvinding! Ik haast me, ik wil het opschrijven!

Zonder zich te bekommeren om de stijfheid van zijn kaftan sprong hij op en ging haastig naar de deur.

--Wacht eventjes! Neem meteen uw mand met instrumenten mee!--riep Halef. En zet eerst je muts weer op.

De dokter bleef stilstaan. 't Was kluchtig om hem te zien. De gips brak aan alle kanten en brokkelde af. De kaftan bleef in de vouwen en plooien en ook in den stand, waarin hij gebogen was bij het zitten van den geneesheer. Het onderste achterdeel stak vooruit en hinderde hem in het loopen. Toen keerde de kleine dikke man den Hadschi zijn rug toe, stak zijn armen achteruit en zeide:

--Trek aan de mouwen! ik moet er uit!

Halef pakte hem beet en hield hem vast. De Aesculaap trok en trok, en wrong zich eindelijk met zooveel geweld uit zijn gips-omhulsel los, dat hij tegen de deur aan vloog; en daar hij die reeds had opengedaan, zoodat zij alleen maar aan stond, kwam hij op de binnenplaats te recht.

--Tekrar gelirim, tekrar gelirim, schimdi tekrar gelirim! Ik kom terug, ik kom terug, ik kom dadelijk terug!--riep hij terwijl hij haastig opstond en wegliep.

Hij was van het verband in vuur geraakt en moest naar huis, om op te schrijven wat ik hem had gezegd. Dat hij zijn pantoffels, zijn kaftan, de fez en de mand met instrumenten had achtergelaten en nu blootshoofds over straat liep, daarvan scheen hij zich niet veel aan te trekken. Hij was met hart en ziel bij zijn beroep, maar had jammer genoeg, niet meer geleerd dan wat anderen hem konden leeren die zelf niets wisten.

Nu moest het vertrek worden schoongemaakt. De stijve kaftan werd over een paar stoelen gehangen en de instrumenten bij elkaar gezocht. Toen werd mijn kamer voor mij gereed gemaakt. Osko had mij reeds lang weer water gebracht, en ik bemerkte tot mijn groote vreugde dat de zwelling minderde. Pijn had ik in 't geheel niet meer. Later liet ik mij naar mijn kamer dragen en neerleggen op het bed dat inmiddels voor mij in gereedheid was gebracht. Ik maakte telkens frissche omslagen en was voornemens tegen den avond een verband te leggen. Daarvoor moesten watten, gaas en een nieuwe voorraad gips worden gehaald.

Toen ik ongeveer drie uur had gelegen, hoorde ik de stem van den dokter aan de deur.

--Waar is de Effendi?

--Daar in die kleine kamer!--was Halefs antwoord.

--Dien me aan.

Halef deed de deur open en de dokter stapte naar binnen. Maar hoe!

Hij was gekleed als een bruidegom! Een blauw-zijden kaftan hing neer tot op zijn voeten, die hij in fijne safraan lederen pantoffels had gestoken, en op het hoofd droeg hij een blauw en wit gestreepten tulband waaraan een granaten agraffe glinsterde. Hij zag er inderdaad feestelijk uit en had iets plechtigs over zich. Bij de deur bleef hij staan, kruiste de armen over de borst, maakte een diepe buiging en zeide:

--Effendim, japarim ziaret schúkúrüm ittibarún, mijn geëerde Effendi, ik kom u mijn dank betuigen en de verzekering geven van mijn hoogachting! Girisch bana ruchsat wer! Veroorloof mij binnen te komen.

Ik boog plechtig het hoofd en antwoordde:

--Jaklaschdyr, chosch sen.--Treed nader, gij zijt welkom!

Hij deed drie stappen, kuchte en begon:

--Effendim, uw hoofd is de bakermat van het verstand der menschen en uw hersenen bevatten de kennis en wetenschap van alle volkeren. Uw geest is scherp als de scherpte van een scheermes, uw oordeel is puntig als de naald waarmede men booze zweren open maakt. Daarom is het uw kismet geweest, de groote vraag tot oplossing te brengen, hoe men breuken, verstuiking, verrekkingen en kneuzingen behandelen moet. Uw genie heeft alle sferen der wetenschap doorloopen, heeft gevorscht op elk gebied, totdat gij terecht zijt gekomen bij de zwavelzure kalk, die de onwetende Barbaren met den naam gips bestempelen. Daar hebt gij water bij gedaan en het daarna omgeroerd, waardoor men het op linnen kan uitstrijken, waarmede men dan de gewrichten, botten en pijpen omwikkelt, om dezen de stevigheid te geven die zij noodig hebben. Daardoor zult gij in den loop der tijden millioenen armen en beenen voor verkromming en vergroeiïng bewaren, en de professoren der toekomst zullen inzamelingen houden om voor u een monument op te richten, waarop uw hoofd in steen zal zijn uitgehouwen op uw gestalte. Op den steen zal uw naam in gouden letters worden gegraveerd. Tot zoolang zal ik hem in mijn notitieboekje opschrijven, en ik verzoek u mij dien naam te noemen.

Hij had deze woorden op plechtigen toon gesproken, alsof hij sprak uit naam eener deputatie, die echter alleen uit zijn persoon bestond.

--Ik dank u!--antwoordde ik,--de waarheid echter gebiedt mij te bekennen, dat ik het niet geweest ben, die deze groote uitvinding heb gedaan. In mijn vaderland is zij overbekend, zoowel bij doktoren als bij leeken.

Wanneer gij echter den naam van den uitvinder wilt weten, zal ik u dien noemen. De geleerde man, aan wien zoovele menschen hun rechte ledematen te danken hebben, heet Mathijsen en was een beroemd heelkundige in het land dat Holland wordt genoemd. Ik heb uw dank niet verdiend, maar het verheugt mij zeer, dat de uitvinding uw goedkeuring wegdraagt, en ik hoop dat gij die veelvuldig in praktijk zult brengen!

--Dat ik vast besloten ben, die geneeswijze toe te passen, zal ik u bewijzen. Maar den dank moogt gij niet afwijzen. Al zijt gij dan ook de uitvinder niet, gij hebt die weldaad dan toch hier ingevoerd. Ik zal den dag van heden niet vergeten, en heb tot mijn groote vreugde gezien dat mijn kaftan nog in wezen is. Die zal nu mijn uithangbord wezen. Ik zal die voor de deur van mijn huis ophangen, zoodat een ieder die het een of ander lichaamsdeel heeft gebroken, zien kan, dat ik hem in zwavelzure kalk wikkel. Ik heb reeds geprobeerd hoe die moet worden gemaakt, en verzoek u vriendelijk mijn werk in oogenschouw te nemen, en mij uw oordeel te zeggen. Wilt gij dat?

--Zeer gaarne!--antwoordde ik.

Hij ging naar het venster en klapte in de handen. De deur die naar de groote kamer leidde, werd opengedaan en ik hoorde zware voetstappen.

--Hierheen!--beval hij.

Dadelijk daarop verschenen twee mannen die een groote tobbe droegen, die tot aan den rand met vloeibare gips was gevuld. De een droeg buitendien een voorraad watten, voldoende om tien personen in te wikkelen, terwijl de andere een pak katoen in de hand hield. Zij zetten hun last neer en gingen heen.

Toen er daardoor wat plaats was gekomen, kwamen twee mannen binnen die een baar droegen. Daarop lag een man met grooten baard, die tot aan den hals was toegedekt. Zij zetten de baar neer en gingen toen weder de kamer uit.

--Hier zult gij nu het eerste verband zien, dat door mij werd aangelegd!--begon de dokter. Ik heb me de noodige grondstoffen aangeschaft en dezen arbeider laten komen om mij als model te dienen. Hij krijgt iederen dag tien piasters en den kost. Veroorloof mij dat ik het laken wegneem en u den patiënt toon.

Hij nam het laken weg, en toen ik het model zag, moest ik mij geweld aandoen, om niet in lachen uit te barsten. De dikke had allerlei breuken en kneuzingen bedacht en den armen man dienovereenkomstig met gips verbonden. Maar hoe!

De schouders, de boven- en onderarmen, zelfs de heupen waren in gips-zwachtels gewikkeld, die alle wel een handbreed dik waren. Ook de borstkas was van zulk een pantser voorzien, zoodat een kogel er zeker niet zou zijn doorgedrongen.

De man leek inderdaad een werkelijke patiënt, die den dood nabij was. Hij kon zich niet bewegen, ja zelfs nauwelijks ademhalen. En dat alles voor een gulden twintig per dag. Per dag! Dat was het vermakelijkste van de geschiedenis. Hij moest dus dagenlang in die verbanden liggen en waarvoor?

--Hoe lang wilt gij die proef dan laten duren?--vroeg ik.

--Zoolang als hij het kan uithouden. Ik wil de uitwerking bestudeeren die de zwavelzure kalk op de verschillende lichaamsdeelen heeft.

--Op een gezonde? De eenige uitwerking die 't op hem zal hebben, is dat hij het niet meer kan uithouden. Wat is er met zijn borst gebeurd?

--Hij heeft vijf ribben gebroken, twee rechts en drie links.

--En met de schouders?

--De beide sleutelbeenderen zijn gebroken.

--En hoe staat het met de heupgewrichten?

--Die zijn beide uit de kom geschoten. Maar nu heeft hij nog iets: de onderkaak is ontwricht en nu heeft hij de klem gekregen. Hoe men dát nu met gips moet verbinden, is mij niet recht duidelijk en ik zou gaarne hebben dat gij mij dit eens vóórdeelt!

--Maar Hekim, dat wordt immers nooit verbonden.

--Niet?... en waarom niet?

--Wanneer men de onderkaak weer op zijn plaats brengt, wijkt de klem van zelf en is daar geen gipsverband meer bij noodig.

--Goed, dan zullen we aannemen dat zijn mond weer geheel in orde is.

--Maar wees nu zoo goed en maak ook zijn ribben vrij. De man snakt naar lucht!

--Zooals ge wilt. Ik zal gereedschap gaan vragen bij den waard.

Ik was zeer benieuwd wat hij zou meebrengen. Bij zijn binnentreden was ik juist bezig een verschen omslag om mijn voet te doen en ik keek eerst op, toen ik hamerslagen hoorde.

--Om Godswil! Wat doet ge daar? Wat hebt ge daar in uw handen?

Ik kon dat namelijk niet zien, omdat hij met den rug naar mij toestond.

--Tshekidsch ile kalemkiarlyk! hamer en beitel!--antwoordde hij doodbedaard.

--Dan zult ge hem de ribben inderdaad nog stuk slaan of hem den beitel in de borst stooten.

--Ja, maar hoe moet men dan doen?

--Met een schaar, een mes, of een daartoe geschikte zaag, al naar de plaats, waar het verband is aangebracht, en de dikte er van.

--Een beenderenzaag is in mijn mand, ik zal die gaan halen.

--Breng dan meteen mijn kleinen reisgenoot mede, die kan u helpen, want ik ben er niet toe in staat!

Toen Halef binnenkwam, gaf ik hem eenige wenken en hij begon het gipsverband los te maken, hoezeer de dokter daar ook tegen protesteerde. Het was zwaar werk en het duurde geruimen tijd voor en aleer het model van al zijn verbanden was bevrijd. Er moest licht bij worden aangestoken, want de avond was inmiddels gevallen.

De arme kerel, bij wien, behalve de leelijke beenbreuken en kneuzingen, de dokter ook nog mondklem had willen constateeren, had geen enkel woord gesproken. Maar toen hij van het laatste verband was bevrijd, zeide hij tot mij:

--Ik dank u, Heer!

Met één sprong was hij buiten.

--Halt!--riep de dikke hem na. Ik heb je nog noodig, want nu beginnen wij weer van voren af aan!

Maar al zijn roepen was tevergeefs.

--Daar loopt hij me weg! Wat moet ik nu beginnen met al mijn mooie gips, watten en zwachtels?

--Laat hem loopen!--antwoordde ik. Wat hadt gij dan gedacht? Met dien voorraad gips kunt gij wel twee huizen bedekken. Ik kan er wel wat van gebruiken, want ik geloof dat het nu tijd wordt om mij te verbinden!

--Uitstekend, Effendi! Uitstekend! Ik zal dadelijk beginnen!

--Langzaam, langzaam! En doe nu precies wat ik u zal zeggen.

De man was geheel in vuur en deed mij onder het aanleggen van het verband, allerlei verhalen van kunststukken, die hij reeds had verricht. Toen wij gereed waren, zeide hij:

--Ja, dat is heel wat anders. Ik zal meteen mijn proef-patiënt weer laten komen, en hem morgen weer hier heen laten brengen!

--En wanneer wilt ge hem dan verbinden?

--Van avond nog!

--Allah! dan moet hij dus tot morgen zóó blijven liggen! Gij zult hem nog vermoorden. Wanneer ge u op hem wilt oefenen, moogt gij niet al zijn ledematen tegelijkertijd verbinden, maar slechts een tegelijk, en ook moet ge ieder verband dadelijk weer afnemen wanneer het stijf geworden is. Dan moet ge ook onthouden, dat men in de verbanden openingen kan snijden om zich van den toestand van bijzondere plekken op de hoogte te stellen. Gij hebt niemand die u daarin kan onderrichten en ook geen boek om in te studeeren. Gij moet dus zelf nadenken en proeven nemen!

--Effendi! Blijf toch hier en onderricht mij. Alle Hekims uit den omtrek zullen gaarne uw lessen volgen!

--Ja, en dan moesten wij als modellen dienen!--voegde Halef er aan toe. Dat ontbreekt er nog aan! Gij hebt nu van middag genoeg geleerd, en moet nu maar zien, u zelf verder te helpen!

--Wanneer gij er geen tijd voor hebt, moet ik van zelf wel van dat onderwijs afzien. Het is waar, ik heb van middag veel geleerd en weet eigenlijk niet hoe ik u mijn dankbaarheid zal toonen. Geld zoudt gij toch niet aannemen. En daarom zal ik een aandenken geven, Effendi, dat u inderdaad genoegen zal doen!

--En dat is?

--Verscheidene flesschen met spiritus en verschillende soorten lint- en dauwwormen, waaraan ik zeer veel aardigheid heb. Maar ik gun ze u van harte!

--Ik moet u daarvoor danken, want die flesschen zouden mij op reis veel te lastig zijn.

--Dat spijt me, maar ik wil u toch toonen dat ik niet ondankbaar ben. Ik zal u het liefste geven, wat ik bezit: een skelet. Ik heb de beenderen zelf afgeschrapt, gekookt, gespoeld en gebleekt.

--Ook daarvoor moet ik u danken.

--Wilt gij mij beleedigen?

--Volstrekt niet, maar ge begrijpt toch wel dat ik op mijn paard geen skelet kan meenemen.

--Dat is waar! Maar veroorloof me dan tenminste dat ik u hartelijk de hand druk.

De Hekim was, als de meeste dikke menschen, in den grond een zeer goedig manneke. Hij was zeer leergierig en dankbaar, en was sedert den namiddag zeer veel veranderd. Hij was overgelukkig toen ik hem uitnoodigde deel te nemen aan ons avondmaal, en toen hij daarna afscheid van ons nam, scheidden wij als goede oude vrienden.

Zijn dragers hadden zoo lang moeten wachten, en sleepten nu hun lasten weer mee. In plaats van het model lag nu de mand met instrumenten en de stijve kaftan, die als uithangbord dienst moest doen, op de baar.

Het overige gedeelte van den avond brachten wij door, met te overleggen wat wij den volgenden dag zouden beginnen. Ik was vast besloten om, in weerwil van mijn voet, de reis voort te zetten want wij mochten den vier mannen die wij vervolgden, niet zulk een belangrijken voorsprong geven dat wij hun spoor konden verliezen.

Op het briefje, dat Hamb el Amasat had geschreven en dat mij te Edreneh in handen gekomen was, stond te lezen:

--In pripeh beste la karanorman chan ali sa panajir menelikde--zeer spoedig bericht in Karanorman-khan, maar na de jaarmarkt te Menelik. [6]

Menelik lag nu achter ons en wij waren den broeder van Hamb el Amasat tot hiertoe gevolgd, zonder ook maar een flauw vermoeden te hebben waar dit Karanorman eigenlijk lag. In ieder geval was deze plaats het doel van zijn tocht en zouden wij hoogst waarschijnlijk beiden daar aantreffen. Zij hadden iets zeer slechts in den zin, wat wij wilden voorkomen. Daarom hadden wij dezen tocht ondernomen en wanneer wij hun een grooteren voorsprong gaven, was het zeer waarschijnlijk dat wij ons doel niet zouden bereiken. Daarom moesten wij beslist den volgenden dag verder gaan.

Halef beschouwde mij als patiënt en verlangde dat ik me zou ontzien. Osko en Omar waren het echter volkomen met mij eens. De laatste liet zelfs de spreuk der wrake der woestijn hooren:

--Ed dem b'ed dem! Bloed voor Bloed! Ik heb gezworen den dood mijns vaders te wreken, en ik moet mijn woord houden. Wanneer gij morgen niet meegaat, dan vertrek ik alleen. Ik heb geen rust voor ik den moordenaar mijn mes in het hart heb gestooten!

Dat klonk woest en onmenschelijk. Als Christen hing ik aan de leer "Hebt uwe vijanden lief!" maar toen ik mij het oogenblik herinnerde dat zijn vader, onze gids, zoo jammerlijk was omgekomen, gevoelde ik toch dat die dood moest worden gewroken. Of dit nu juist moest geschieden op de wijze die Omar voorstelde, daarover was ik het op dat oogenblik nog niet met mijzelf eens. In ieder geval was ik vast besloten, geen doodgewonen barbaarschen moord te dulden.

Wanneer ik niet gewekt geworden was, had ik zeer zeker een gat in den dag geslapen. De mandenmaker stond buiten en wenschte mij te spreken. Ik ontving hem, vrijwel ontstemd door de stoornis, maar toen ik achter hem zijn zwager, den waard zag binnenkomen, begreep ik dat er gewichtige redenen voor moesten bestaan om mij uit den slaap te halen en zette ik een vriendschappelijker gezicht.

--Heer,--zeide de waard. Ik dacht niet dat ik u zoo spoedig zou weerzien. Neem mij niet kwalijk, dat wij u in uw rust komen storen, maar er staat veel op het spel. Het geldt uw leven!

--Alweer! Maar we willen hopen dat het niet zoo ernstig is als gij u voorstelt.

--Het zou zeer ernstig zijn, wanneer ik u niet had kunnen waarschuwen. De beide Aladschy's zijn hier bij mijn broeder geweest!

--Ah! wanneer?

--Bij het aanbreken van den dag!--antwoordde de mandenmaker tot wien ik deze laatste vraag had gericht. Wij waren al vroeg wakker, want de vreugde over uw geschenken hield ons uit den slaap. Zelfs de kinderen waren reeds opgestaan. Ik was naar de rivier gegaan, om naar de netten te zien, die ik gisteren avond nog had uitgezet. Toen ik terugkwam, hielden juist twee ruiters voor de deur stil, waar zij met de kinderen spraken. Vader lag nog te bed. Toen zij mij zagen aankomen, vroegen zij of hier gisteren niet vier ruiters waren voorbij gekomen, waarvan een, een Scherif-tulband droeg, en een gekleurden bril op had. Een der paarden was een zwarte Arabische hengst.

--En wat hebt gij geantwoord?--vroeg ik in spanning.

--Wel, ik dacht dadelijk dat dit wel de Aladschy's zouden zijn waarover gij ons hadt gesproken, en verzweeg de waarheid.

--Hm! dat zal je wel slecht zijn bekomen.

--Begrijpt gij dat al?

--Uw kinderen hadden het zeker reeds verraden!

--Zoo is het. Zij sloegen mij met hun zweepen en dreigden mij te dooden, als ik hun niet de waarheid zeide.

--Het is heel goed, dat gij hun de waarheid hebt verteld.

--Weet ge dan, dat ik dat heb gedaan?

--Ik merk het aan uw schuwen blik. Gij vreest dat ge iets verkeerds hebt gedaan en hebt daardoor geen rustig geweten.

--Effendi, gij hebt het bij het rechte eind. Ik had me wel uit de voeten kunnen maken, maar dan hadden zij dat zeer zeker op mijn vader en de kinderen gewroken. En daar deze laatsten toch al hadden gebabbeld, zei ik dat gij inderdaad voorbij waart gereden.

--Maar toch verder niets?

--Ik wilde dat alleen zeggen, maar zij hadden de kinderen reeds volkomen uitgehoord en van hen vernomen dat gij uw laarzen geledigd en aan vader geld gegeven had en dat ik u vandaag naar Taschköj zou brengen, waar ik ook reeds met de booze mannen was geweest.

--Dan hebt gij 't wel moeten bekennen!

--Ja, ik kon niet anders, en ik hoop dat u er niet boos om zult wezen.

--Ik kan er u niet om beknorren. Ik had voorzichtiger moeten zijn en er niet over spreken in tegenwoordigheid der kinderen. Hadden de roovers geweren?

--Ja, en zij zagen er uit alsof zij 't hard hadden te verantwoorden gehad. De een had een pleister op de bovenlip, en zijn neus had de kleur van een blauwe pruim.

--Dat is Bybar geweest, dien ik met een houw de bovenlip had opgescheurd. Maar hij droeg toch een baard?

--Dan heeft hij dien afgeknipt om een pleister op de scheur te kunnen leggen; mijn broer zal dat wel weten. Hij sprak in het geheel niet. Zijn broer deed het woord. Deze zat zoo slecht in den zadel alsof hij zijn ribben had gebroken.

--Ik smakte hem tegen een boom en daarvan zal hij de gevolgen nog voelen. Wat deden zij toen?

--Zij gaven mij nog een paar stompen, en reden toen in de richting van Radowitsch weg.

--Dat geloof ik niet. Ik denk dat zij naar het bosch zijn gereden, waar gij ons doorheen moet brengen. Zij zullen ons dáár willen overvallen. Zij kennen ongetwijfeld den omtrek!

--Gij hebt goed geraden, Effendi. Ik dacht hetzelfde en ben hen daarom achterna geslopen. Al heel gauw sloegen zij rechts af, de bergen in.