Chapter 10
--Nu goed, dan zal 't geen loon, maar alleen een fooi zijn. Ik zal het aan uw vader geven.--Ik wenkte Halef mij mijn brieventasch en mijn beurs te geven, en verzocht den ouden man naderbij te komen. Toen hij vijftig piasters in zijn gekromde vingers zag, was hij buiten zichzelf van vreugde, en wilde mij het grootste deel van 't geld terug geven.
--Ik wil geen piaster terug hebben!--zeide ik beslist.
--Dan weet ik niet, hoe ik u danken zal!--antwoordde hij. Moge het den dokter gelukken, uw voet spoedig te genezen!
--Dat willen we hopen! Maar zeg eens, Küfedschi, hoe heet die beroemde dokter?
--Zijn naam is Tschefatasch.
--O hemel, wanneer zijn kennis verband houdt met zijn naam, dan dank ik voor zijn hulp!
Tschefatasch beduidt namelijk, Steen der martelaren!
--Gij behoeft niet bevreesd te zijn!--troostte mij de mandenmaker. Hij zal u namelijk toch niet zijn naam, maar wel een pleister op den voet leggen. En die kunst verstaat hij bij uitstek.
--Kom, wanneer gij dan met ons mee wilt gaan, laten we dan op weg gaan!
Hij stak wat eten bij zich om dat onderweg te verorberen, en wij braken op. In een kwartier hadden wij de stad bereikt en onze gids bracht ons in een eenvoudige maar zindelijke herberg, waarvan de eigenaar mij met veel verontschuldigingen en plichtplegingen mededeelde, dat hij maar één klein vertrekje, dat aan de gelagkamer grensde, te mijner beschikking had. Het kwam in deze streken, maar zoo hoogst zelden voor, dat een reiziger een afzonderlijk vertrek verlangde. Men kon dat in de geheele stad niet vinden, en ook zijn kamertje moest eerst schoongemaakt en opgeknapt worden, waarom hij mij verzocht in de gelagkamer te willen blijven.
Ik was daarmede zeer tevreden en steeg af. O wee! mijn voet was opgezwollen. Ik kon er niet zonder hevige pijn op staan en moest me stevig aan Osko vasthouden.
Toen wij de gelagkamer binnentraden was daar niemand. Ik zette mij achterin in een hoek, dicht bij de deur die naar het voor mij bestemde vertrekje leidde. Halef, Osko en Omar gingen naar buiten, om voor de paarden te zorgen. Ik had er onderweg niet aan gedacht mijn vermomming af te leggen. Bij een fanatieke bevolking zou dat zeer gevaarlijk zijn geweest, hier echter had het niet veel te beduiden.
De mandenmaker bood aan, den dokter te gaan halen, wat ik gaarne aannam. Hij was juist de deur uitgegaan toen een gast binnentrad.
Ik zat met den rug naar de deur en keerde mij half om, om naar den man te zien. Het was niemand anders dan.... de Bokadschi Toma, de boodschapper die ons aan de beide schavuiten had verraden.
--Nu, pas maar op dat de Hadschi je niet te zien krijgt, dacht ik en keerde mij weer om, daar ik niets met hem te maken wilde hebben. Hij dacht er echter niet zoo over. Misschien had hij zin in een praatje. Ik was de eenige dien hij vond, en daarom bleef hij na eenig aarzelen op zij van mij staan en vroeg:
--Zijt gij hier vreemd?
Ik deed alsof ik de vraag niet had gehoord.
--Zijt gij hier vreemd?--herhaalde hij luider.
--Ja,--antwoordde ik nu.
--Slaapt gij hier?
--Dat weet ik nog niet!
--Waar komt gij vandaan?
--Uit Stamboel!
--O, uit de hoofdstad, het afschijnsel van alle heerlijkheden der aarde! Gij zijt wel een gelukkig mensch, zoo in de nabijheid van den Padischa te wonen.
--Zijn nabijheid maakte alleen goede menschen gelukkig.
--Meent gij dat daarginds veel slechte menschen zijn?
--Evenals overal!
--Wat zijt gij dan?
--Een schrijver!
--Dus een geleerde. Met zulke menschen spreek ik gaarne!
--Maar ik niet met anderen.
--Allah! wat zijt gij terugstootend. Ik wilde u al vragen of het vergund was bij u te gaan zitten!
--Vergund is het wel, maar het zal u niet aangenaam zijn.
--Waarom niet?
--Mijn gezicht bevalt niet aan iedereen.
--Dan zal ik eens zien of het mij bevalt.
Hij zette zich aan de tafel op de bank tegenover mij.
Het gezicht dat hij trok is niet te beschrijven. Ik had den tulband nog op het hoofd en den bril nog op den neus; dat bracht hem in de war, ofschoon mijn gezicht in het geheel niet veranderd was. Hij sperde zijn mond open, trok de wenkbrauwen saam en zijn oogen rustten op mij met een uitdrukking, zoo allervermakelijkst, dat ik moeite had om niet in lachen uit te barsten.
--Heer,--Effendi,--wie--zijt gij?--vroeg hij.
--Dat heb ik u reeds gezegd.
--Hebt gij de waarheid gezegd?
--Durft gij mij van liegen te verdenken?
--Neen, om Allah's wil, neen, want ik weet dat--dat gij--Hij kon niet verder komen van angst en twijfel.
--Wat is er dan? Wat weet gij van mij?
--Niets, niets! Heelemaal niets, dan dat gij een schrijver zijt en in Stamboel woont.
--Wat praat ge dan voor dwaasheid?
--Dwaasheid? Ach Heer, maar dat is toch heelemaal geen wonder, want gij schijnt degeen te zijn, waarvan ik denk dat hij degeen is, van wien--O Allah, gij hebt groot gelijk. Ik ben heelemaal in de war, maar die gelijkenis is dan ook al te groot.
--Op wien gelijk ik dan zoo?
--Op een dooden Effendi!
--Zoo, en wanneer is die gestorven?
--Vandaag... onderweg.
--Dat is zeer treurig, wanneer een geloovige onderweg komt te sterven. Dan kunnen de zijnen in de ure des doods niet eens voor hem bidden. Waaraan is hij gestorven?
--Hij is vermoord geworden!
--Verschrikkelijk! Hebt gij zijn lijk gezien?
--Neen, Heer!
--Dus heeft men u alleen verteld dat hij dood is?
--Zoo is het!
--En wie heeft hem vermoord?
--Dat weet men niet. Hij lag midden in het bosch, tusschen hier en Ostromdscha.
--Ik ben door dat bosch gekomen. Hoe komt het dat ik dan niets van dien moord heb vernomen? Heeft men hem willen berooven?
--Neen, het moet uit wraak zijn gebeurd!
--Misschien een bloedwraak?
--Een andere. Deze onvoorzichtige man heeft in Ostromdscha een formeelen opstand in het leven geroepen, de menschen tegen elkander opgestookt en 's nachts zelfs de hut van een vromen man in brand gestoken.
--Dat is zeer zeker een misdaad, die Allah nooit zal vergeven!
--O, die man gelooft niet aan Allah. Het was een Giaur, een Christen die varkensvleesch eet.
--Dan wacht hem de hel.
--Uit wraak heeft men op hem geloerd en hem vermoord.
--Was hij alleen?
--Neen, er waren er nog drie bij hem.
--En waar zijn die dan gebleven?
--Verdwenen! Men vermoedt dat zij eveneens zijn vermoord.
--En waar heeft men zijn lijk gelaten?
--Dat weet ik niet!
--Zonderling, en op dien ongelukkige gelijk ik?
--Gij lijkt sprekend op hem, zoowel wat de houding als gezicht betreft, alleen is uw haar en baard veel korter en lichter!
--Dus bestaat er tusschen hem, den Giaur, en mij, den Scheriff, althans een onderscheid waarover ik mij van harte verheug. Maar wie zijt gij eindelijk?
--Een Bokadschi uit Ostromdscha!
--Gij moet dus alles vrij nauwkeurig weten. Maar--hm, ik hoorde vandaag onderweg, dat er twee Skipetaren zijn, die berucht zijn in den omtrek. Hebt ge daar wel eens van gehoord?
--Ja, want wij boden hooren van alles!
--En kent gij ze?
--Neen, Heer! Hoe kan een eerlijk man roovers kennen? Wat is er met hem aan de hand?
--Zij zijn van morgen gezien geworden in de nabijheid van Ostromdscha!
--Dan zij Allah deze streek genadig!
--Er was ook een Bokadschi bij hen. Ik meen dat hij Toma heet.
De bode sidderde van schrik; ik vroeg echter kalm:
--Kent gij dien misschien?
--Zeer goed. Hij is,--een kameraad van mij!
--Dan moogt ge hem wel waarschuwen, als gij hem ontmoet, want de politie zoekt dien man.
--Allah, w' Allah! en waarom dat?
--Omdat hij medeplichtig is aan den moord, want hij heeft dien Christen verraden--aan de beide Aladschy's, de moordenaars. Hij heeft hun den tijd gezegd, waarop de vreemdelingen Ostromdscha wilden verlaten.
--Is----is dat waar? stotterde hij
--De vermoorde heeft het zelf gezegd.
--Kan een doode dan spreken?
--Hij is niet dood, hij is niet vermoord. Niemand weet zelfs dat hij vermoord zou worden, dan gij alleen, Toma!
De bode sprong van schrik op.
--Gij kent mij dus?--riep hij ontsteld.
--Ja, wel zeker, en die dáár kennen u ook!
Ik zette den tulband en den bril af, en wees naar de deur waardoor Osko, Omar en Halef juist binnen kwamen. De man stond een oogenblik als versteend van schrik, want nu herkende hij mij.
--Ik moet weg! Spoedig weg. Ik heb nog zeer dringende zaken te doen.
Hij sprong naar de deur, maar Halef had hem al bij den kraag gepakt.
--Waarom wilt gij ons zoo spoedig verlaten, waarde vriend?--vroeg hij op vriendelijken toon.
--Omdat ik nog zooveel te doen heb!
--Ik dacht dat gij alleen boodschappen meenaamt naar hier. Dus gij belast u ook met opdrachten van hier naar Ostromdscha?
--Jawel! Maar houdt me nu niet langer op!
--Ge zoudt ook wel iets voor mij kunnen meenemen!
--Naar wien?
--Dat zal ik wel voor je opschrijven.
--Wat is het?
--Een groet, alleen een groet!
--Daarmede zal ik me gaarne belasten, maar laat me dan nu heengaan!
--Maar dat gaat niet. Ge moet toch wachten tot ik den groet heb opgeschreven en het adres daaraan heb toegevoegd.
--Duurt het lang?
--Volstrekt niet. Ik maak bij zulke vriendschaps-betuigingen nooit heel veel complimenten. Ik heb ook geen papier of inkt noodig, want ik schrijf op onbereid perkament. Het bodenloon voeg ik er dadelijk bij. Het potlood heb ik in den stal. Dus zult gij de moeite moeten nemen om met mij daarheen te gaan, mijn waarde Toma. Kom!
De bode keek den kleinen man onderzoekend aan. Hij vertrouwde hem blijkbaar niet best, maar Halef sprak zoo buitengewoon vriendelijk! Hij volgde hem dus naar buiten, en Omar en Osko gingen glimlachend met hen mede.
Ik kon van mijn plaats, door het open venster waarin geen ruiten waren, nagenoeg de geheele binnenplaats overzien. Ik zag hen met hun vieren daarover heen gaan, en achter een deur, waarschijnlijk de staldeur, verdwijnen, die daarna werd gesloten.
Na eenige oogenblikken hoorde ik in de verte de geluiden, die men heden ten dage alleen nog in China en Turkije te hooren krijgt, die onbeschrijfelijke tonen, die worden voortgebracht, wanneer een zweep in aanraking komt met de menschelijke huid.
Toen ging de deur weer open en de bode trad naar buiten. Zijn houding was niet zeer imponeerend, zijn gang leek op dien van een oerang oetang, die zonder stok op de beenen moet blijven, de knieën naar voren gebogen, de borst kromgedrukt en het hoofd daarover heen hangend.
Hij was blijkbaar niet erg nieuwsgierig, welken indruk deze dramatische uittocht maakte, want hij keek in 't geheel niet om, maar ging stil zijns weegs.
De drie wrekers kwamen dadelijk weer bij mij.
--Het noodlot heeft hem hierheen gevoerd!--zei Halef, terwijl hij zich over zijn baard streek en tevreden glimlachte.--Wat zei de kerel wel, Sihdi, toen hij u zag?
Ik vertelde het.
--Zoó'n brutale kerel! Nu mag hij de dertig groetenissen, die ik hem heb opgedragen mee te nemen naar Ostromdscha, daar uitdeelen aan wien hij wil.
--Verweerde hij zich niet?
--Hij had daar wel eenigen lust in, maar ik zeide hem heel vriendelijk en deelnemend, dat hij, wanneer hij tegenspartelde, er vijftig kreeg; ging hij gewillig op den grond liggen, dan kreeg hij er maar dertig. Hij was zoo wijs het laatste te kiezen. Maar ik heb er voor gezorgd dat die dertig groetenissen minstens evengoed in zijn geheugen zullen zijn geprent als vijftig. Zijt gij 't met mij eens, Effendi?
--Ditmaal, ja!
--Ik wilde dat het noodlot mij eens meer zoo gunstig was, als het zulke schelmen betreft. Er zijn er nog verscheidene anderen, die ik ook nog wel gaarne eens de keus tusschen dertig of vijftig zou willen laten. Ik wil hopen, dat ik te gelegener tijd nog eens den een of ander ontmoet. Maar hoe is het met uw voet, Sihdi?
--Niet al te best. Omar moet maar eens gaan zien of hier ergens in de stad ook gips te krijgen is en dan ongeveer vijf liter daarvan meebrengen. Haal gij in dien tijd een emmer met water waar ik mijn voet in kan zetten, en trek dan mijn buis uit.
Nu kwam de mandenmaker terug, die mij mededeelde dat hij lang had moeten zoeken vóór hij dokter "Martelsteen" had gevonden. Dit heerschap had het erg druk, maar zou dadelijk komen.
Ik dankte hem voor zijn moeite, gaf hem nog wat tabak en liet hem toen naar huis gaan.
Halef bracht me het water. Toen ik nu den gezwollen voet onderzocht, bemerkte ik dat ik dien, hoewel gelukkig niet ernstig, had verstuikt. Ik had het gewricht wel weer zelf op de rechte plaats kunnen brengen, maar wilde er toch maar liever een dokter bij hebben. Een kleine misgreep kon me misschien noodzaken langeren tijd hier te blijven. Ik zette intusschen mijn voet in het koude water.
Eindelijk kwam de dokter. Maar ik had hem eerder voor een Chineeschen brievenbesteller dan voor een Europeesch geneesheer gehouden.
Hij was klein van gestalte en tamelijk dik. Hij had wangen blozend als appeltjes, zijn kleine eenigszins scheef liggende oogen, wezen er op, dat de bakermat van zijn geslacht had gehangen aan den stang van een Mongoolsche tent. Op zijn glad geschoren hoofd droeg hij, ver naar achteren geschoven, zoodat zijn geheele voorhoofd bloot kwam, een oude versleten Fez, die in plaats van een kwast met een bundel roode, blauwe en gele sigarenbandjes was versierd. Zijn korte kaftan reikte hem slechts tot aan de knieën en scheen uit één grooten zak te bestaan, want hij stond naar alle kanten, van boven en van onderen, links en rechts, van voren en van achteren, wijd uit. Deze bevatte de wandelende apotheek van den dokter.
Ten overvloede hing een tamelijk groote verbandmand aan riemen over zijn schouder en bevatte zijn kostbare instrumenten.
Hij droeg dikke wollen kousen, met dubbele vilten zolen, en daaroverheen pantoffels, die men veilig de zevenmijls pantoffels had kunnen noemen.
Toen hij binnen kwam, deed hij deze laatste uit en trad op zijn kousen op mij toe.
Daar ik met mijn voet in 't water zat, begreep hij natuurlijk dadelijk dat ik degeen was die zijn hulp behoefde. Hij maakte een buiging en ik beantwoordde zijn groet, zoo goed en kwaad als dat ging. Hij maakte de mand los, zette die op den grond en vroeg:
--Spreekt gij gaarne veel?
--Neen!--antwoordde ik kortaf.
--Ik ook niet! Dus korte vragen en korte antwoorden. Dan zijn we spoedig klaar!
Zooveel energie had ik bij den kleinen dikkert niet gezocht. Hij keek me van onder tot boven aan, en begon toen:
--Gij zijt toch den man niet met een voet?
--Neen, met twee voeten.
--Wat! Alle twee gebroken?
Hij had mijn grap niet begrepen.
--Neen, een, den linker.
--Dubbel gebroken?
O wee! Hij sprak van een saamgestelde breuk! Waarom niet een tiendeelige! Dat was echter zijn zaak. Hij kon moeilijk van mij verlangen dat ik op de hoogte der verwonding wezen zou.
--Alleen verstuiking,--antwoordde ik.
--Steek uw tong uit!
Dat was nu nog mooier! Maar ik deed wat hij vroeg en stak mijn tong uit. Hij bekeek en betastte dien, schoof hem naar links en naar rechts, en merkte toen hoofschuddend op:
--Een gevaarlijke verstuiking!
--Neen, slechts een lichte!
--Stil! Ik zie het aan de tong. Wanneer is het gebeurd?
--Drie, hoogstens vier uur geleden!
--Dat is al veel te lang geleden! Daar kan heel licht bloedvergiftiging bij komen!
Ik had hem bijna in zijn gezicht uitgelachen, maar ik bedwong me en verwonderde er mij alleen over, dat het woord bloedvergiftiging, ook al in het Turksch, burgerrecht verkregen had.
--Hebt gij pijn?--vroeg hij.
--O, dat is wel uit te houden.
--En eetlust?
--Een uitstekende, dat verzeker ik u.
--Goed, goed. Dan komt gij het wel te boven, maar laat nu uw voet zien.
Hij ging op zijn hurken zitten, maar daar hem dit niet heel gemakkelijk viel, zette hij zich naast den emmer op den grond, en ik legde heel vertrouwelijk mijn voet in zijn schoot.
Hij betastte dien eerst zacht, daarna al harder en harder met de vingertoppen, knikte en vroeg mij:
--Schreeuwt gij gauw?
--Neen.
--Des te beter.
Een vlugge greep, een krachtige ruk, een licht knersen der botten--toen keek hij mij glimlachend aan en vroeg:
--Nu, hoe was dat?
--Heerlijk.
--Nu, dan zijn wij klaar!
--Heelemaal?
--Neen, nu nog verbinden.
Als chirurg was hij zeer zeker een flink kereltje. Wie weet hoe een ander mij zou hebben geplaagd en gemarteld, alleen om de zaak ernstiger te doen schijnen en daardoor een grooter honorarium te kunnen bedingen.
--Waarmee verbinden?
--Met planken. Waar is hout?
--Daar houd ik niet van.
--Waarom niet?
--Dat deugt niet.
--Wat deugt niet, wilt ge soms planken met goud en briljanten?
--Neen, ik wil een gipsverband.
--Gips, gips. Ben je nu heelemaal gek, gips smeert men op muren, maar niet op een been.
Dit was zijn zwakke zijde, maar ik was in Turkije.
--En met gips maakt men ook prachtige verbanden.
--Dat zou ik wel eens willen zien.
--Dat kan gebeuren, ik heb gips laten halen.
--En hoe zult gij dat aanleggen?
--Heb nu maar geduld, dan kunt gij het zien.
--En als ge nu geen gips kunt krijgen?
--Dan maak ik een verband uit klei.
--Klei!--riep hij uit. Nu wilt ge mij toch wat wijs maken.
--Volstrekt niet.
--Denk ook maar niet, dat dit u mogelijk zou zijn.
--Als ik maar wilde!--riep ik lachend uit.
--Wat denkt ge wel, ik ben een geleerde.
--Ik ook.
--Waarin hebt gij gestudeerd?
--In alles,--antwoordde ik kortaf.
--En ik zeker nog driemaal meer, ik ken het geheele Dispensatorium van Sabur Ibu Saheli.
--En ik ken het geheele geneeskundige boek van Abd al Meschid uit het hoofd.
--Ik ken het niet alleen uit het hoofd, maar het zit mij in vleesch en bloed. Een verband van gips of klei! Gips is meel en klei is week en vloeibaar. Een verband moet vast en stevig zijn.
--Maar gips en klei worden vast en stevig. Gij zult er verbaasd over staan; trouwens een verband mag nog niet worden aangelegd, eerst moet ik natte omslagen hebben, totdat de zwelling heeft opgehouden en de pijn minder is geworden. Begrijpt gij?
--Allah, gij spreekt als een geneesheer!
--Dat weet ik wel, ik versta de kunst ook.
--Breng dan uw voet zelf weer in orde, als gij dien hebt verstuikt. Waarom hebt gij mij dan laten roepen?
--Om u mijn tong te laten zien.
--Dan is een rundertong nog wel zoo groot en belangrijk. Maar bedenk wel, dat mijn bezoek tien piasters kost. Gij zijt een vreemdeling en betaalt dus dubbel. Begrepen?
--Hier hebt gij twintig piasters, maar doe mij nu het genoegen en kom niet weer terug.
--Ik denk er niet aan. Ik heb aan deze eene keer meer dan genoeg!
Hij wierp het geld in een sleuf van zijn kaftan, hing de mand weer over den schouder en ging naar de deur. Daar deed hij zijn pantoffels weer aan, en wilde juist heengaan zonder groeten, toen Omar binnenkwam met een emmer in de hand.
De dokter bleef stilstaan, keek naar den inhoud van den emmer en vroeg:
--Wat hebt gij daar?
--Altschy--gips.
--Dat is dus de gips, waarvan de planken gemaakt moeten worden? Wat een dwaasheid, wat een onzin! Dat is toch de grootste nonsens, die men bedenken kan! Zoo iets kan alleen in het brein van een gek opkomen!
Nog hield Omar de deur, in wier opening hij stond, open. Nu deed hij die achter zich dicht, zoodat de dokter er niet uit kon, zette den emmer neer en pakte den geneesheer bij de armen zeggende:
--Wel dikkert, wie zijt gij nu eigenlijk?
--Ik ben de dokter! Begrepen?
--Nu, ge zijt misschien een zeer bekwame kwakzalver. Maar wat hadt ge nu eigenlijk te vertellen van dwaasheid, onzin en nonsens? Onze Effendi verlangde die gips, en weet altijd opperbest wat hij doet. Duizend van die kwasten als gij zijt, hebben niet zooveel verstand, in al hun leege hoofden samen, als hij in één enkel haar! Wanneer gij hem zulke woorden durft toevoegen, zoudt gij nog wel terecht kunnen komen, waar gij liever niet wilt wezen! Men ziet dadelijk dat ge o, zoo dom zijt!
Dat werd den man der wetenschap toch te veel. Hij rukte zich los van Omar, deed een paar passen achteruit, haalde diep adem, en barstte los, alsof zijn longen met kruit waren geladen:
--Wat--, wat--moet ik je doen, met mijn muts je den mond stoppen?--Daar dan, zoon van een aap, kleinkind en achterkleinkind van een baviaan!
Hij rukte zich de muts van het hoofd en wierp dien Omar in het gelaat. Deze raapte hem op, greep met de andere hand den emmer en vulde de muts met aangemengd gips.
--Daar heb je het bedeksel van je ongelukkige verstand weer terug!
En hij wierp hem het met gips gevulde hoofddeksel in het aangezicht, dat rood was van toorn. De gips vloog uit de Fez, en in het volgend oogenblik zag de dokter er uit, als een uit peperkoek gekneed kerstmannetje. De gips was ook op zijn oogen terecht gekomen. Hij veegde en veegde, stampte met de voeten, verloor zijn pantoffels en schreeuwde of hij vermoord werd, trok, toen hij eindelijk weer kon zien, de riemen van zijn mand en wilde Omar daarmede naar het hoofd gooien. Deze was daarop echter voorbereid en ving de mand op. Daarbij ging het deksel open en de geheele inhoud: tangen, scharen, pincetten, zwachtels, doozen en allerlei voorwerpen, rolden op den grond, natuurlijk ook het voornaamste instrument dat een oostersch geneesheer gebruikt, de klisteerspuit niet te vergeten.
De vlugge Arabier bukte handig en begon den dokter met al deze voorwerpen te bombardeeren. Deze wist in zijn woede niet anders te doen dan de wet der wedervergelding in praktijk te brengen. Hij nam eenige dezer voorwerpen, die tegen zijn lichaam terecht waren gekomen, weer op en wierp ze met geweld naar Omar terug, onder het uiten van allerlei vloeken en scheldwoorden, waarin hij het bijzonder ver scheen te hebben gebracht, maar die nagenoeg niet zijn weer te geven.
Gips droogt, zooals bekend is, zeer snel. Reeds na verloop van een paar minuten was het een steenharde massa. Hier ging dit natuurlijk nog eens zoo gauw, daar al het vocht in zijn kleeren trok. Toen zijn bovenkleeren geheel wit waren geworden, staakte Omar het bombardement.
--Zie zoo! nu hebt ge genoeg gehad. Raap nu je rommeltje maar netjes bij elkaar. De kuur is geëindigd. Sta maar op!
De dikke wilde van den stoel opstaan, maar zijn kleederen die geheel stijf geworden waren, belemmerden hem daarbij. Dat was ook de reden waarom ik niet tusschenbeiden was gekomen. De mogelijkheid om van gips een verband te maken, was hem nu proefondervindelijk bewezen.
--Ik kan niet opstaan! Ik kan niet opstaan!--riep hij uit, zijn tien vingers, wijd uitgespreidende.--Mijn kaftan is van glas! Mijn kaftan breekt!
Halef nam de fez bij de sigarenlintjes beet, en hield hem die voor.
--Kijk eens hoe mooi je hoofddeksel is geworden! Wat zegt ge daar nu van!
De Fez was bikkelhard geworden; 't was grappig om te zien!
--Mijn muts! mijn muts!--schreeuwde de dikke. Ik heb die van jongs af gedragen en nu wordt hij door zoo'n ongeluk van een mensch ontheiligd! Geef hier!
Hij wilde er naar grijpen, maar toen hij zijn arm ophief brak de gips.
--Hebt gij 't gezien? Hebt gij 't gehoord. Mijn lichaam brokkelt af. Ik voel dat ik ook innerlijk in stukken breek. Gij hebt mij tot een voorwerp van afschuw en spot gemaakt. Ik ben een verloren man en gij kunt me wel dadelijk laten brengen naar het kerkhof waar de cypressen over mij zullen treuren! O Allah, Allah, Allah!
Zijn toorn was in weemoed overgegaan. Het verlies zijner sierlijkheid en lenigheid van gestalte ging hem zeer ter harte. Reeds stonden allen op 't punt zijn weemoedige ontboezeming met een hartelijk gelach te beantwoorden, toen ik met een handbeweging stilte gebood en hem antwoordde:
--Jammer en treur niet, Hekim. Uw verdriet zal zich omzetten in vreugde, wanneer gij beseft welk een gewichtige ontdekking gij hebt gedaan en welke nuttige ondervinding gij hebt opgedaan!
--Ja, ik heb wel ondervinding opgedaan, maar voor mij van weinig gewicht. Ik heb geleerd, dat men zich niet moet afgeven met menschen zonder eenige beschaving!
--Meent gij dan misschien, Hekim, dat men die bij u vinden kan?
--Ja, want ik ben de man die kranken geneest en vermoeiden weer doet opstaan. Dat is de ware beschaving.