Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk
Part 9
Arme, dierbare Vader, hij heeft zoo ontzettend veel geleden, en 't leven brengt hem nog steeds nieuwe en smartelijke teleurstellingen. Stella, mijn Vader heeft _niemand_ dan zijne kinderen, wij zijn zijn _alles_, zijn vreugde, zijn troost. Ik heb mijn vrijheid zeer lief, o, 't is àlles voor me, en 't lot mijner zusteren gaat mij zeer ter harte; ik heb veel voor haar over, en ben tot ieder offer bereid, dat haar ten goede kan komen. 'k Beschouw 't als mijn levensgeluk, mij geheel daaraan te kunnen en te mogen wijden. Doch _liever_ dan dat alles tezamen, is mij mijn Vader. Stella, noem mij laf, wankelmoedig, maar ik kan niet anders; als Vader er zich tegen verzet, dat ik mij daaraan wijd, hoe mijn hart ook schreien zal, ik zal er in berusten! Ik heb den moed niet, dat hart, dat trouwe hart, dat zoo warm voor me slaat, nog meer wonden toe te brengen, nog meer te doen bloeden. Het heeft al genoeg gebloed, al ben ik daaraan ook volkomen onschuldig. Je zegt, dat je niet kunt begrijpen, dat iemand trouwen moet. Je stelt tegenover "het moet" steeds "ik wil". Als 't anderen gold, zou ik zeer zeker 't zelfde doen, maar tegenover mijn Vader zou ik 't niet kunnen, vooral nu niet, nu ik weet, welk een onnoemlijk zwaar leed hem trof. Wat ik te doen zal hebben, beschouw ik niet als een "moet," maar als iets dat ik vrijwillig op me neem voor "hem". Ik schrijf, schilder, en doe alles, omdat Vader daar plezier in heeft. Ik zal hard werken en al mijn best doen, om iets goeds te maken, omdat ik daar hèm genoegen mee doe. Stella, noem mij dwaas, overdreven, maar ik kan niet anders. Vader is mij zoo onuitsprekelijk lief! Ik zal wel heel erg verdrietig zijn, als Vader zich tegen mijn vrijheidsplannen mocht verzetten, maar ik zou nog oneindig bedroefder zijn, wanneer mijn vurigste wensch werd vervuld, maar ik tegelijkertijd Vader's liefde verliezen moest. Och verliezen zal ik haar nooit, dat geloof ik niet, maar ik kon hem 't hart breken. Van iemand anders zou hij misschien beter teleurstellingen verdragen, doch van mij zou hij 't zich _erg_ aantrekken, omdat hij van mij misschien een beetje meer dan van anderen houdt. En hij is mij zoo dierbaar!
't Is toch vreemd, hè? mij zelf doet niemand haast ooit kwaad, en toch ik lijd voortdurend. O! dat diep voelen dàt is lijden, en toch ik zou niet anders willen zijn; al moet mijn hart ook menigmaal bloeden, het geeft mij soms toch zoo'n onbeschrijfelijk zalig geluk, als waarvan de koele verstandsmenschen zich geen idee kunnen vormen.
Augustus 1900. (II.)
Nu, als wij niet naar Holland gaan, mag ik dan naar Batavia om voor dokter te studeeren? Wat Vader hierop antwoordde, is in 't kort samen te vatten: "dat ik niet moest vergeten, dat ik ben een _Javaan_, dat het _nu nog niet mogelijk_ is, dat ik die richting opga--over 20 jaar zal 't anders zijn--maar _nu_ kan 't nog niet--of ik zou 't _verschrikkelijk moeilijk_ moeten hebben--"omdat ik dan de eerste zou zijn". Vader kon niet zoo maar op stel en sprong beslissen. Vader zou er eerst lang en breed over nadenken, met anderen er over spreken en velen raadplegen.
Dit laatste bewijst, dat Vader mijn idee _niet_ geheel en al verwerpt; dat Vader weet, dat ik tot elken prijs vrij, zelfstandig, onafhankelijk wil worden; en dat ik _werkelijk niet_ gelukkig zal kunnen zijn in een huwelijksleven, zooals dat tot nu toe is.
Toen vroeg ik: "maar als de Inlandsche meisjesschool van Mr. Abendanon tot stand komt, mag ik dan onderwijzeres worden?" en ik vertelde wat mevrouw Abendanon me vroeg en voorstelde.
O! Moedertje, 't was alsof de hemel openging, een eindelooze heerlijkheid zich aan mij vertoonde, die me verblindde en bedwelmde, toen ik daarop Vader hoorde zeggen: "Dat is mooi, dat is prachtig! dat mag je wel!"
"Maar ik moet er eerst voor opgeleid worden; ik moet een jaar of vier naar 't klooster om te leeren en dan examen te doen. Zonder akte wil ik er niet komen."
En Vader vond 't _goed_, billijkte mijn verlangen.
O! Moedertje, hoe zalig gelukkig gevoelde ik me; ik had niet gedacht dat 't zóó gemakkelijk zou gaan. Er was geen enkel hard, bitter of scherp woord gevallen; ik kreeg heel wat op mijn kop--ja--doch ik heb 't verdiend; dat erken ik zelf gulweg. Maar Vader deed 't zoo zachtzinnig, zoo liefderijk. O! ik heb mij dan toch niet in zijn onmetelijke liefde voor mij vergist, in zijn geheel meêvoelen, meêleven met zijn kind; dat Vader méér nog dan ik zelf zou lijden, als hij mij dat leed moest aandoen, en dat hij even vurig als ik zelf hoopte, dat er eene uitkomst voor mij mocht wezen.
O! welk eene woeste, jubelende vreugde maakte zich van mij meester, toen ik die zalige zekerheid had; wist, dat Vader, mijn afgodisch beminde Vader, zich _zonder verdriet_ bij mijne ideeën, wenschen en verlangens neêrlegde!
't Was om hèm, dat ik mij zoo ellendig gevoelde, maanden lang, dat ik wankelmoedig, zwak, ja _laf_ was, want ik kòn zijn hart niet breken; en ik _moest_, omdat ik _niet kon, niet wilde_ mij vernederen, mijn vrouwenhart, mijn waarde als vrouw, als mensch laten vertrappen; ik _moest_ mij tegen hunne plannen verzetten; ik was 't zedelijk verplicht aan mijn eigen fierheid, die ik 't zwijgen niet vermocht op te leggen. Hard was die innerlijke strijd geweest.
O! en Vadertje heb ik voor mij gewonnen; daarmeê is de _grootste_ moeilijkheid, overwonnen, het grootste struikelblok uit den weg geruimd. Waar ik _Vader_ aan mijne zijde weet, heb, ga ik onverschrokken, blij en opgewekt, met luchtigen tred, en een glimlach om den mond den vijand tegemoet!
Nu hangt het alleen van mijn eigen willen en kunnen af of ik mijn doel al dan niet bereiken zal! Ik ben vol hoop, vol moed, houd u dien moed frisch in me, Moes! Ik heb Vader dadelijk gevraagd of ik Mevrouw Abendanon die goede tijding mocht berichten, en ik mocht! Dien zelfden avond nog schreef ik haar en u dit regeltje.
't Is wel nog een vraag, of de Inlandsche meisjesschool tot stand komt, maar ik wanhoop niet; 't een en ander wijzen op een ernstig streven van eenige, zoo niet vele, invloedrijke personen om de Inlandsche wereld op te heffen, en om "licht" te brengen der Inlandsche vrouwenwereld, haar op te heffen uit haar treurigen staat.
Op Djokdja zochten we Mevrouw Ter Horst op, zooals ik u reeds schreef. Ze was heel aardig voor ons, haalde ons van 't station af, waar ze ons echter misliep, daar we een station eerder waren afgestapt; zij had eene rijsttafel voor ons klaar. We kwamen alleen om haar te groeten, doch zij had wat met me te bespreken. Zij vertelde mij dat Resident de B.,[1] afgescheiden van Mr. Abendanon's plannen, waarvan hij niets wist, ernstige plannen had, om zoo mogelijk van Regeeringswege, zoo niet, dan uit particuliere middelen, een kostschool voor dochters van Inlandsche hoofden op te richten. De Resident vroeg haar daarvoor een plan te ontwerpen, dat hij dan verder zou uitwerken, en ze vroeg nu hoe ik daarover dacht, en wat ik noodig vond, dat de Inlandsche meisjes, dochters van hoofden, hoog en laag, weten en kennen moesten om tot meer zedelijke welvaart te geraken. Onlangs vroeg de directeur der hoofdenschool te Probolinggo me dit onderwerp: "'t Inlandsch onderwijs voor meisjes" te willen behandelen voor een Hollandsch tijdschrift voor Inlanders. Er bestaat dus werkelijk een ernstig streven om de Inlandsche meisjes onderwijs te geven. Mochten de pogingen van Mr. Abendanon om Inlandsche meisjesscholen op te richten, mislukken, wat de hemel verhoede! en ik dus geen onderwijzeres worden, dan laat u mij niet alleen, nietwaar, Moedertje? Maar wil mij wel helpen om Vader's toestemming te verkrijgen voor 't dokter worden? Of mag ik 't van u beiden ook niet? U beiden kunt zoo veel van Vadertje gedaan krijgen, als u maar wilt.
Vader is sedert dien gedenkwaardigen middag dubbel lief voor me; hij kan zoo zacht, zoo teeder mijn hoofd tusschen zijn beide handen nemen, zoo warm en innig zijn arm om mij heen slaan, als om me te beschermen tegen naderend onheil. Ik voel uit alles en alles zijne onmetelijke liefde, en ik ben daar trotsch op, en er o zoo gelukkig meê!
Sedert we van Batavia terug zijn, hebben we een gevoel alsof wij thuis komen, alleen om even uit te rusten, goeden dag te zeggen en weer uit te vliegen. Waarheen??? Ik wil volop genieten van mijn thuis-zijn, want nergens in de heele wereld zal ik 't zoo goed hebben als bij mijn eigen ouders thuis, en 't stemt mij zoo oneindig dankbaar te weten, dat wanneer ik vandaag of morgen 't huis verlaat, 't zal zijn met zijn zegen, en ik hoop innig ook met dien van de anderen.
Vroeger kon ik nogal gemakkelijk leeren--ik was niet achterlijk --maar tusschen 't toen en nu ligt al zoo'n heel menschenleven. Alles wat ik op de "bewaarschool" geleerd heb, ben ik vergeten,--ik was 12 1/2 jaar, toen ik die school verliet. Maar _willen_ is bijna altijd _kunnen_, nietwaar, Moedertje. Ik zal in elk geval _goed, goed_ mijn best doen en hard werken. Geef mij uw beider zegen! houd den goeden geest, wil en moed steeds wakker in me, liefsten! Nu heb ik u alles trouw en eerlijk opgebiecht, Moedertje! Hoe denkt u beiden over dit alles? Zeg mij ronduit uw beider meening, ik ben _geheel uw kind_, en u weet, hoeveel waarde ik aan uw beider opinie hecht.
Ik heb deze biecht geschreven in de volle overtuiging--in 't vaste vertrouwen, dat _niemand_ warmer belang kan stellen in al mijn aangelegenheden, dan u beiden, en deze betreft _heel_ mijne verdere toekomst. Ik weet ook dat ik ten allen tijde bij u komen mag, wanneer ik raad en steun en troost behoef. En in de komende tijden zal ik zeker dikwijls daarom tot u komen.
[1] Welke resident bedoeld wordt, blijkt niet.
7 October 1900. (VIII.)
Ik wacht mijn tijd kalm af; is die daar, dan zal men zien, dat ik geen zielloos voorwerp ben, doch een _mensch_ met een hoofd en hart--die denkt en voelt.
't Is vreeselijk egoïstisch van me, om u deelgenoote te willen maken, van alles wat ik in me omdraag; mij zal 't verlichting schenken, doch u ... verdriet! Ziedaar, wat ik allen geef, die mij genegen zijn! O! ik zou u willen toeroepen, omdat ik zoovéél, zoo zielsveel van u houd: Laat me los, trek u terug van me! ban me uit uwe gedachten, uit uw hart! vergeet me! Laat me alleen worstelen! want o God! u weet niet in welk een wespennest u zich steekt met mij de hand te reiken! Laat mij maar alleen! Laat ik maar dankbaar zijn, dat ik u in zoo groote sympathie heb ontmoet, u mijn levenspad hebt gekruist en daarop licht en bloemen hebt laten vallen. Laat onze ontmoeting zijn, zooals die der schepen op den wijden Oceaan, die elkaar voorbijvaren in een donkeren nacht. Een ontmoeten, een blij groeten, even een spoor in den waterspiegel, en dan niets meer! Maar ik vrees, ik weet, dat u dit _niet_ kunt, al zoudt u 't willen. Laat ik er niet meer over spreken.
* * * * *
Een tijd geleden met Mama over 't een en ander de vrouw betreffend, sprekend, gaf ik voor den zooveelsten keer te kennen, dat niets mij meer bekoorde en aantrok, niets vuriger door mij werd verlangd, begeerd, dan te mogen drijven op eigen wieken. Mama zeide: "Maar er is niemand nog bij ons, die dat doet".
"Dan wordt 't tijd dat iemand 't eens doet."
"Maar weet je wel, dat alle begin moeilijk is? dat allen eerst-beginnenden een hard lot beschoren is? Dat miskenning, teleurstelling op teleurstelling, spot je wacht, weet je dat alles wel?"
"Ik weet 't! 't Is vandaag of gisteren niet, dat die denkbeelden bij mij zijn opgekomen, ze hebben reeds _jaren_ in me geleefd."
"En wat zou je zelf er aan hebben? Zal 't je voldoening geven? gelukkig maken?"
"Ik weet, de weg, dien ik wensch op te gaan, is _moeilijk, vol doornen, distelen, kuilen_; hij is steenachtig, hobbelig, glibberig, hij is ... _ongebaand_! En al zal ik dan zoo gelukkig niet zijn, het einddoel te bereiken; al zal ik halverwege reeds bezwijken; ik zal gelukkig sterven, want de baan is dan toch gebroken en ik heb meê geholpen opbreken den weg, die leidt naar de vrijheid en zelfstandigheid van de Inlandsche vrouw. Het zal mij reeds eene gróóte voldoening zijn, als dan de ouders van andere meisjes, die ook zelfstandig willen worden, niet meer zouden kunnen zeggen: "daar is niemand nog bij ons, die dat heeft gedaan".
Vreemd, maar ik voel me volstrekt niet beangst, bevreesd of verontrust, ik ben kalm en zoo vol moed; alleen dat domme, dwaze hart doet èrg, èrg zeer.
October 1900. (II).
Ik wil voor 't onderwijs opgeleid worden--de twee actes--lager en hoofdacte halen--en dan cursussen volgen in gezondheids-, verbandleer en ziekenverpleging.
Heel later ga ik een taalacte, mijn eigen moedertaal halen. Zijn we klaar, dan gaan we met ons beiden eene kostschool openen voor dochters van Inlandsche hoofden. Ik wil in Holland mijn opleiding ontvangen, omdat Holland mij in alle opzichten _beter_ zal toerusten voor de groote taak, die ik op mij wil nemen.
* * * * *
Hoevele malen in eigen leven heb ik reeds niet ondervonden, dat de vervulling van hartewenschen vaak gepaard gaat met hartewonden.
En zoovele, vele gebeurtenissen in den laatsten tijd wijzen er op: De mensch wikt--God beschikt. Het zijn waarschuwingen voor ons kortzichtige menschen, waarschuwingen, om toch vooral niet zoo ijdel te wezen: in allen ernst te meenen, dat wij _zelf_ een _eigen wil_ hebben.
Er is een Macht, hooger, grooter dan alle aardsche tezamen; er is een Wil, sterker, machtiger dan alle menschelijke willen te zamen. Wee den mensch, die zich verhoovaardigt op zijn _eigen, ijzer sterken reuzenwil_!
Er is maar één wil, dien wij mògen en moèten hebben: de wil om hem te dienen: het Goede!...
Ik hoef het u niet te zeggen, u weet het zelf wel, dat wij beiden vurig, vurig _hopen_ en _verlangen_ u beiden weer te mogen zien op Semarang of ergens anders.
_Vurig verlangen_ en _hopen_ wij dat, liefste, maar er vast op rekenen doen we niet. Wij hopen en bidden maar, dat God ons die vreugde toesta!...
Wat moet er dan veel veranderd zijn in ons, dat wij zóó spreken....
Ja, véél is er in ons veranderd, heel veel!
O! Moedertje, wij kunnen u niet zeggen, hoe blij, hoe innig dankbaar wij zijn, dat wij mevrouw van Kol kennen.
"De liefste, de beste menschen zijn maar zwakke, feilbare wezens"--zegt ze ... en wij voegen er aan toe: "de mensch is sterfelijk!" ... Bouw op geen mensch!... En waarom zal ik 't u niet zeggen, wij hebben op _menschen gebouwd_ ... onze kracht in _menschen_ gezocht.... De geschiedenis van ons laatste levensjaar leert, hoe wij hebben gedwaald. Wij zijn Nelly o zoo dankbaar, dat zij ons den weg heeft gewezen tot de ware vrijheid.
Geen mensen is vrij, die zich aan eenig mensch gevangen geeft.
Steunen op menschen is zich gevangen geven aan menschen.
De weg tot God en die tot de ware vrijheid zijn _één_. Wie God _waarlijk dient_ is aan géén mensch gevangen, is waarlijk _vrij_.
Er is dezer dagen ons iets zeer onaangenaams overkomen, dat ons vóór dezen ommekeer in ons zieleleven, stellig wanhopig zou hebben gemaakt.
Maar nu klemmen wij ons vast aan Zijn hand, op Hem houden wij onafgewend onzen blik gericht--Hij zal ons richten--beoordeelen --liefdevol.... En daar werd de duisternis licht, de stormwind zachte bries.
Alles om ons is hetzelfde gebleven, feitelijk, en toch is het hetzelfde niet meer voor ons. De verandering _is in ons_, en zij bestraalt àlles met haar licht. Er is zoo'n rust en vrede in ons...
Moedertje wij zijn gelukkig.
Geen dol, jubelend geluk--maar kalm, vredig, innig.
Zoo graag zouden wij over dat alles met u willen praten....
De heer Van Kol zond ons een stukje van een brief zijner vrouw ... "doch wordt vooral niet ijdel! want alle gaven zijn slechts een geschenk van Allah!" Hetzelfde wat Mama ons zoo dikwijls zegt. Die waarschuwing komt wel van pas. Wij, die van onze prilste jeugd af aan leven in een wereld van vleierij, hebben het zeker noodig.
Wij, juist wij, hebben ons zeer noodig voor ijdelheid te behoeden, de klip, waar zoo menig schip jammerlijk is gestrand, wanneer de ziele ten Hooge vaart!
Wij bidden aldoor maar om kracht en sterkte om alles te kunnen dragen èn leed èn vreugde!--Vreugde vooral, want in vreugde is de verzoeking groot. Menig jong levensbootje raakt uit den koers door den eersten vreugdestorm, en menig jong leven is er in vergaan!
Wat een wijsneuzigheid, hé?--Trek u mij maar eens flink aan de ooren, als u me ziet.
Hoe zullen wij elkaar toch vinden, als wij elkaar eens mochten wederzien! Ik weet al wat u bijna 't eerst tot me zeggen zal: "Maar kind, wat ben je dik geworden!" En--fluister ik u tusschen twee haakjes toe: ik ben _oud_ geworden--uiterlijk---en innerlijk gedeeltelijk ook--maar dat plekje in 't hart--waarop met gouden letters geschreven staat: _Liefde_--is hetzelfde gebleven: immer jong.
1 November 1900. (VIII.)
Goede tijding!
Ik mag! ik mag! ik mag! wensch me geluk! druk me in gedachte aan uw hart en lees 't geluk in mijne stralende oogen! Liefste, _ik mag voor onderwijzeres studeeren_! Ik heb met Vader gesproken! hem verteld, wat u mij vroeg, toen u hier waart! En vader vond 't _uitstekend_, vond 't _prachtig_! Ik mag weer in de klasse gaan zitten, om er later vóór te gaan staan, als ik daartoe de bevoegdheid verworven heb.
_Mogen_ en _willen_! _willen_ en _mogen_! mooier combinatie kan er niet zijn! en _kunnen_ moet 't trio volmaken!
_Willen_ is _kunnen_, nietwaar?
O! ik ben zoo gelukkig! en ik weet, dat u beiden zich innig met me verheugt in mijn geluk.
Ik ben nu nog _niets_, dat is waar, maar ik _mag iets_ worden, heerlijk! "Hoop, vertrouw en wees moedig". Deze uwe woorden staan me voortdurend voor den geest, en hebben me vergezeld, toen ik zooeven naar Vader toeging om hem te spreken. Ik was heel kalm, en opgewekt zelfs, als had ik al een vaag voorgevoel, dat 't onderhoud gelukkig voor me zou afloopen.
Vader vond 't idee, onderwijzeres te worden aan de Inlandsche meisjesschool eenig mooi! Hoe zacht en vriendelijk sprak hij mij toe! o, ik heb mij in hem dan toch niet vergist; en hij heeft zijn kind _lief_ en begrijpt haar volkomen!
Ik heb aan den rand van een afgrond gestaan en gestaard in de donkere, peillooze diepte! Voorbij dit alles, voorbij I Liefde
heeft mij er over heen gedragen. Ik zou de heele wereld aan mijn hart willen drukken van pure blijdschap. Vader's toestemming en zegen heb ik, en daarmee is het eerste en grootste struikelblok op de te betreden levensbaan afgewenteld, opgeruimd!
2 November 1900. (II.)
Een goddelijk geheimpje ga ik u toefluisteren, liefste, dat naar ik hoop en vertrouw _binnenkort géén geheim meer zal zijn_! Ach! wat ben ik gelukkig! sluit me innig in uw armen, druk me aan uw hart, dierste, kus mij, wensch mij geluk! 't Was géén bleeke hersenschim, geen ijdel droombeeld, dat ik najaagde; luister, o, Moedertje, _ik mag me vrij en zelfstandig_ maken! ik _mag iets_ worden! Sedert gisteren is 't mij als of ik niet meer leef, niet meer op de aarde ben, maar ver van huis in den hemel der gelukzaligen!
Ik mag! ik mag! ik mag! heb ik al meer dan duizend keeren herhaald, en ik herhaal 't nog steeds. O, alles juicht en jubelt in me; dat kunt u zich wel begrijpen, niet waar Moedertje, u, die mij kent tot in 't diepst van mijn hart en weet wat een stormen kort geleden daarin hebben gewoed. Wat een angst en helsche pijnen heb ik in de laatste maanden uitgestaan; 't was een afschuwelijk ellendige tijd, dien ik heb doorgeworsteld. Doch 't was goed geweest--die harde innerlijke strijd heeft me gesterkt!
O, Moedertje, als de zaak op Batavia en die op Modjowarno in orde komen, zal 't een _harde_ strijd worden voor me. Naar beide trekt mijn hart; aan den eenen kant--in uwe nabijheid te komen; dan samen te zijn met de zusjes, die zeker op Modjowarno komen, als de ingewonnen informaties bevredigend zijn--buiten wonen op een eenvoudig plaatsje, ver van 't stadsgewoel en kleinzielig menschengedoe, temidden van eenvoudige harten, reine zielen, die leven in een atmosfeer van mooie, heilige, zich aan anderen gevende Liefde--en 't andere...?
"Niets dat te gemakkelijk, te laks is verkregen, kan lang waarde en bekoring hebben voor ons", zegt Mevrouw Abendanon.
Doch laat ik nu mijn hoofd nog niet breken over de keuze--kalmpjes aan, zoo komen wij er wel--overhaasting bederft meestal. Ik zal goed 't stemmetje hier binnen afluisteren en naar wat 't zegt, zal ik in overleg met hetgeen het hoofd zegt, handelen: is 't zoo goed, Moedertje?
9 Januari 1901. (I.)
Er zullen nieuwe toestanden komen in de Inlandsche wereld; al is 't niet door ons, dan door anderen; de emancipatie zit in de lucht--zij is voorbeschikt. En wie 't Lot tot de geestelijke moeder koos van dat Nieuwe _moet_ lijden. 't Is de eeuwige natuurwet: wie baart moet barensweeën kennen, maar 't kind, dat we al liefhebben, vóór anderen van zijn bestaan vermoeden, dat we ontvangen door lijden en smarten, is ons oneindig dierbaar!
* * * * *
O! niets is ellendiger, dan werkkracht in je te voelen en tot werkeloosheid te zijn gedoemd. Goddank! Goddank, dat deze _vloek_ van me is genomen!
Er is kort geleden een professor uit Jena bij ons geweest. Dr. Anton, met zijne vrouw, in 't belang zijner studie reizende, kwam hier om kennis met ons te maken.
Ik ben zoo bang, dat men _al_ te veel in me ziet. Ik ben er zeker van, dat men zich misleiden laat door de bekoring van 't nieuwe en misschien ook door medelijden. _Nieuw_ zijn we voor _velen_, zelfs voor menschen van hier, en al wat nieuw is, bekoort min of meer. De professor dacht ons nog halve wilden, en vond gewone menschen; 't vreemde was alleen de huidskleur, kleeding en omgeving, en deze gaven aan het gewone een eigenaardig cachet. Voelen we ons niet aangenaam aangedaan als wij onze eigen gedachten terugvinden in een ander? En als die ander is een vreemde, iemand van ander ras, van een ander werelddeel, ander bloed, kleur, zeden en gewoonten, dan verhoogt dit nog de bekoring van de geestverwantschap. Ik ben er van overtuigd, dat men niet een kwart zooveel notitie van ons zou nemen, als wij in plaats van sarong en kabaja, japonnen droegen; in plaats van Javaansche, Hollandsche namen, en Europeesch bloed in plaats van Javaansch bloed door onze aderen stroomde....
Zoo pas kregen we van vriendinnen een paar boeken cadeau, o.a. ook dat prachtige werk van B. v. Suttner "De wapens neer gelegd".
Ik las verscheidene andere boeken, waarvan vooral "Moderne Maagden" mij boeide en ontroerde, door 't terugvinden daarin van veel wat ik zelf gedacht, gevoeld en geleefd heb. Ik kan niet anders zeggen, dan dat Marcel Prévost _goed_ heeft waargenomen, en uitstekend zijne indrukken, gedachten en gevoelens weet weer te geven. Ik vind zijn boek heel mooi. Ik ben nu wel even ver van de oplossing van het groote vraagstuk gebleven als vóór de kennismaking met "M.M.", maar nooit heb ik zoo klaar en duidelijk, zoo treffend door waarheid en kracht het doel der Vrouwenbeweging zien uiteenzetten. Dat de schrijver zich niet van een zeer kinderachtigen spot heeft onthouden door b.v. alle kampvechtsters voor de vrouwenbeweging met uitzondering van Fedi en Lea absoluut leelijk, gebrekkig, mismaakt te laten zijn, neem ik hem niet kwalijk. Wat een heerlijke woorden, zoo waar en zoo schoon, laat hij Pirnet, de beminnelijke, mismaakte apostel der vrouwenbeweging tegen het eind van 't boek zeggen; woorden, die helder 't doel der vrouwenbeweging ontvouwen. Ik heb er dubbel van genoten, omdat de man ze dacht en schreef. Even vóór ik 't boek las, schreef ik aan mijne twee beste vriendinnen hier groote brieven. Wanneer ik ze schreef na kennismaking met "M.M.", zou ik meenen ze te schrijven onder den invloed--indruk van het gelezene, zoo wonderlijk veel overeenkomst als beide vertrouwelijke brieven met veel in 't boek hadden.
Ik wou, dat ik hier iemand had om mee te praten over "M.M." Er is veel daarin, dat ik graag zou willen bespreken met iemand van veel ervaring en ondervinding.