Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk
Part 7
Kon zij berusting leeren? In 't jonge hoofd woelden rusteloos honderden gedachten; in haar hart rijpte de geest van verzet tegen de bestaande toestanden. Ze zou, ze wilde zich er niet aan onderwerpen; ze wilde, ze moest een nieuwen weg opgaan. Hoè wist ze nog niet; 't was nog zoo duister en verward in haar dom brein, maar ze wilde 't, dàt wist ze.
Vroegrijp kind! op een leeftijd, waar slechts zonnige gedachten aan dartel gespeel en gestoei 't jonge hoofdje moesten vervullen, hield ze zich bezig met akelig sombere en donkere gedachten over die treurige dingen in 't leven. 't Kòn niet anders; zij was doof noch blind, en leefde als 't ware midden in scheve en schotsche toestanden der Inlandsche maatschappij, die geen rekening hield met jeugd en fijn gevoel. Ruw werden de jonge teere oogen geopend voor 't werkelijke leven in al zijn ruwheid, platheid en schokkende wreedheid. Van hare ouders zelf hoorde zij nooit een ruw woord, dat haar rein gemoed schokte en 't fijnvoelend hartje kwetste, maar zij leefde niet alleen met hare ouders; zij leefde in de menschenwereld en die hield geen rekening met jeugd en fijn gevoel.
O dood! waarom wordt gij toch een verschrikking genoemd, gij, die den mensch uit 't wreede leven verlost! Ni zou u zoo dankbaar en met vreugde volgen!
Zij had niemand, die haar wees op 't schoone, 't hooge, dat er was naast al 't lage en gemeene in 't leven. De Inlandsche gewoonten brengen mee, dat een zekere afstand bewaard blijft tusschen ouders en kinderen. Zeker kunnen ze vertrouwelijk zijn met elkaar, maar tot zulk eene innige vertrouwelijkheid, zooals bij vele Europeesche ouders en kinderen 't geval is, kan 't nooit komen. Ni had haren Vader zielslief, en tòch, al zou ze nooit iets buiten hare ouders om doen, hun hare innigste gedachten blootleggen, kon ze niet. Koud en koel stond de strenge Javaansche etiquette tusschen hen beiden in. Ni ontvluchtte zooveel zij kon de menschen, die met hun cynisme haar naar omlaag trokken. En waar de zeden en gewoonten van haar land haar geen toevluchtsoord deden vinden in de oudersarmen, aan oudersharten, voor haar droef lijdend zieltje, vond zij troost bij stille, zwijgende vrienden: "boeken".
Ze had steeds veel van lezen gehouden, doch nu was hare liefde voor lectuur eene passie geworden. Zoodra was niet 't werk, dat haar opgedragen werd, verricht, of zij greep naar een boek, een krant. Zij las àlles, wat haar onder de oogen kwam; zij verslond gulzig groen en rijp. 't Gebeurde wel eens, dat zij een boek vol afschuw van zich wegwierp. Ze hoefde immers niet in boeken te zoeken, wanneer zij walgelijke, vieze dingen wilde weten; 't werkelijke leven zat er vol van, en juist om dàt te ontloopen, verwijlde ze in haar geest in werelden, die 't menschelijk vernuft schiep naar de natuur of fantaisie.
Er waren zooveel mooie boeken, waarvan zij onuitsprekelijk genoot, die haar al 't naars in 't leven deden vergeten. Mooie karakters, edele levensopvattingen, groote zielen en geesten, deden haar hartje gloeien van geestdrift en trillen van verrukking. Zij leefde geheel meê met alles, waarvan zij las. En aan lectuur ontbrak het haar niet; ze hoefde slechts haar hand uit te steken en te grijpen in den leestrommel, die elke week nieuwen voorraad bracht; en haar Vader, die haar zoo graag een pleizier deed en zelf schik had in haren leeslust, bedierf haar met boekgeschenken. Ze begreep lang niet alles, wat ze las; maar ze liet zich daardoor niet ontmoedigen. Wat bij de eerste lezing onbegrijpelijk was, werd bij de tweede reeds minder raadselachtig, en bij de derde of vierde lezing vrijwel verstaanbaar. Elk onbekend woord dat ze las, noteerde ze, om later, als haar lievelingsbroer thuis kwam, hem er de beteekenis van te vragen. En hij hielp zusje zoo graag en trouw. O! hoe hemelsch verrukt was ze, als ze naderhand bemerkte, dat de lectuur haar niet enkel genot schonk, maar ook oneindig veel leerde. O! indien zij haar bemind Vadertje niet had, haar trouwen broer en hare boeken, zou zij die droeve jaren wel hebben kunnen doorkomen? Ze zou wis en zeker bezweken zijn, onder 't vele naars, dat haar jong leventje, haar jong zieltje zoo zwaar drukte. Vader en broer stilden den honger van haar naar liefde smachtend hartje, en de boeken gaven haar hongerigen geest, die de Hollandsche taal had wakker geroepen, voedsel!
Een broertje werd geboren. En dit hulpelooze wicht hield Ni van een groot kwaad terug, bracht haar op 't goede pad, waarvan zij was afgeweken. Zij was hard op weg om een slecht kind voor Moeder te worden. Zij sloot al meer en meer haar hartje voor haar. En klein broertje deed de poorten van dat hartje weder openspringen voor Moeder. Klein broertje leerde haar: wàt een _moeder_ is, en wat haar kind haar is verschuldigd.
Moeder had donkere kringen onder de oogen, zag er zwak en afgetobd uit, en broertje deed dat, broertje, dat haar bijna nooit met rust liet, dat haar 's nachts keer op keer wakker riep. En tòch, hoe lastig broertje ook was, nooit zag ze eenigen wrevel op Moeders gelaat; wanneer broertje moord en brand schreiend haar riep, in een oogwenk was zij bij hem, en teeder nam zij hem op om hem niet uit de armen te leggen, voor hij weer zoet ingesluimerd was. Was zij ook eens niet zoo klein en hulpeloos als broertje geweest? en had haar moedertje zich toen niet afgesloofd om haar?...
De ijskorst om Ni's hart smolt en warm klopte 't weer voor de vrouw, die haar 't leven schonk!
Broertje was tot zijn eerste jaar een gezond kind, maar sukkelde daarna, en drie jaar lang lag 't kleintje ziek, als 't ware in een aanhoudende worsteling met den dood. En aan deze ziekensponde leerde Ni, 't jonge kind, ten volle begrijpen, wat een moeder is.
Ze zag haar eigen tekortkomingen in; zij was zoo zelfzuchtig, ze dacht maar altoos aan eigen grieven, en dacht niet dat ook anderen grieven hadden, en dat zij daaraan schuld kon hebben. Zij was eens heelemaal van Moeder geweest, zooals broertje nu, ze kon zonder Moeder niet bestaan; toen waren die boeken enz. enz. gekomen en hadden haar van háár vervreemd. Moeder moest wel geleden hebben en leed misschien nu nog. Wel kon zij 't niet helpen, dat zij anders dacht dan Moeder, maar 't nam daarom niet weg, dat zij háár daarmee verdriet deed.
Klein broertje leerde haar nadenken, veelzijdig zien, leerde haar toegevendheid, dankbaarheid en geven zonder terug te vragen.
Vier jaren waren voorbijgegaan, rustig en kalm voor den oppervlakkigen toeschouwer, maar voor den scherpzienden, van innerlijken en uiterlijken strijd voor Ni.... Zij mocht dan veel geleerd hebben in drie jaren: zelfbeheersching, toegevendheid, aan zich zelf niet 't allereerst te denken, maar berusting had ze niet geleerd, kòn ze niet leeren. In haar hoofd spookten nog steeds woelige gedachten rond, gevoed door hetgeen zij zag in directe en indirecte omgeving, dat haar bloed deed koken, en door de stemmen die kwamen van 't verre Westen in boeken, tijdschriften, couranten en brieven van Hollandsche vriendinnen en die doordrongen tot in 't diepst van haar hart.
Slechts enkele keeren was zij in die vier jaren haar ouderlijke woning uitgeweest. Tegen 't begin van de vastenmaand, als hare ouders naar de graven gingen, mochten hare zusters en zij mee; en eens hadden hare ouders haar oudste zuster en haar naar een oom gebracht, die op een andere plaats woonde.
Gedurende een jaar hadden hare zusters en zij iederen namiddag een uur les gehad in handwerken van een Hollandsche dame. Voor Ni, waren dit uurtjes van genot, want ze kon dan Hollandsch spreken, de taal zoo door haar geliefd.
Haar oudste broeder was intusschen overgeplaatst, en Ni schaamde zich erover, dat zij zich er zoo zeer over verheugde. Hij was toch háár broer, al was hij dan ook niet lief voor haar geweest.
Tijd en afstand deden echter wonderen; zij namen allen wrok van Ni's hartje weg, en zij had broer weer lief; zij had meelij met den grooten jongen, die zich door 't laffe gevlei en geflikflooi van kruiperige, baatzuchtige menschen had laten misleiden, verblinden. Hoe goed deed 't haar, toen zij bemerkte, dat hij langzamerhand zelf zijn ongelijk inzag. Hij bekende 't haar wel niet in woorden, maar zijne daden spraken van zijn berouw over zijn vroegere onrechtvaardigheid tegenover haar. En Ni dankte God met tranen in de oogen, dat haar broer haar nu liefhad. Was zij vroeger 't gepeste, gehate zusje, nu was 't bij hem Ni voor, Ni na, en wat anderen, zelfs zijne vrouw, niet van hem gedaan konden krijgen, dat kon zij.
Sedert een half jaar was een jonger zusje de gevangenschap komen deelen. Bemi had geboft, want op een leeftijd, dat Ni reeds lang veilig achter de hooge en dikke muren opgesloten zat, dartelde zij nog vrij rond en mocht ze reizen en andere dingen doen, die Ni verboden werden. Bemi was 14 1/2 jaar, toen zij voor goed thuis kwam.
Ni was 16 jaar geworden, de oudste zuster trouwde en met dit huwelijk begon verandering in haar leven te komen. Ni leerde hare zusjes kennen, die tot dusver als vreemden, met en naast haar hadden voortgeleefd. Oudste zus stond niet meer tusschen hen--zij was nu oudste zus--en zij wilde geen oudste zijn, zooals hare zuster, zooals haar oudste broer ... zij wilde geliefd zijn en niet gevreesd. Vrijheid, gelijkheid, vroeg zij voor zichzelve, moest zij niet beginnen met 't aan anderen te geven? Vrij en ongedwongen moest de omgang tusschen de zusjes onderling zijn; weg dus àlles, wat zulks belemmeren kon.
Met Bemi en Wi, een zusje, dat intusschen ook thuis was gekomen, kreeg Ni zus' kamer....
En hier waren de drie levens, die elkaar tot dusver vreemd waren, op 't punt gekomen, waar ze elkaar ontmoetten en samenvloeiden tot één geheel!
Hier begint nu 't eigenlijke verhaal van de drie zusters.[3]
[1] Raden Ajoe de titel van gehuwde Javaansche vrouwen van goeden huize.
[2] De eerste gedachte van den bewerker dezer brieven was deze passage en hetgeen volgt weg te laten. Tot het behoud gaf doorslag de overweging dat later de verhouding geheel anders werd, toen de schrijfster en de haren elkander beter hadden leeren begrijpen en waardeeren. De lezer zal zich zelf hiervan rekenschap kunnen geven door hetgeen voorkomt op blz. 57 en 58 en in een brief van 3 Januari 1902. Behoud kwam ook noodig voor om volkomen te doen gevoelen wat in het hart der schrijfster moet zijn omgegaan, toen en later.
[3] De brief wordt enkele dagen later vervolgd mededeelingen van geheel anderen aard. Het verhaal is niet voortgezet. Wat de drie zusters voor elkander zijn geweest, kan men echter lezen op menige bladzijde.
Augustus 1900. (II).
Vreemd, dat afwezige, ons dierbare personen ons niet in den droom verschijnen, daar wij toch zooveel aan hen denken en van hen spreken. Eens maar droomde uwe oudste van u. U beiden kwam op Japara terug en wij reisden u tot Semarang tegemoet. Allen waren we heel aangedaan door het wederzien; zonder een woord te spreken, sloot u ons een voor een aan 't hart, zoo innig, zoo vast, als om ons nooit weder los te laten. En daar aan uw hart schreiden we van stil, dankbaar geluk. Toen uw dochter wakker werd, was haar kussen nat van tranen. En den heelen morgen was ze weemoedig gestemd, omdat die zaligheid slechts was een _droom_!
Wij vreezen, wij vreezen, Moedertje, dat u uwe dochtertjes niet meer terug zult vinden, als u haar verlaten had. Wij voelen ons achteruitgegaan. Al meer en meer komen we tot 't pijnlijk besef, dat we niet meer zijn, wat we zijn geweest. Indroeve, smartelijke gewaarwording! O! Leven, wat hebt ge van Moedertje Mies' eigen dochtertjes gemaakt? Wat is er van hare meisjes geworden?
Waar is onze heerlijke geestdrift gebleven? die kostbare schat, die ons door zooveel heeft heengeholpen en ons onmisbaar is om 't leven door te komen, dat _hard_ zal zijn voor ons? Waar die ijver, die heerlijke lust tot immer bezig-zijn, die zooveel liefs ons deed voortbrengen? Waar dat pleizier hebben in alles, dat ons vergeten deed, dat ooit 't woordje "verveling" in 't woordenboek bestaat?
Dingen, waarin we nog voor korten tijd geleden zoo belangstelden en pleizier hadden, laten ons nu onverschillig. Moedertje, kunt u zich iets verschrikkelijkers voorstellen, dan een onverschillig mensch? En daar zal 't naar toe gaan, als er niet iets is, of gebeurt, dat ons opwekt uit den toestand van apathie en geestkrachteloosheid, waarin wij verkeeren.
Al onze voormalige liefhebberijen liggen bestoven ergens in een vergeten hoekje. Schilderijen, muziek (!), handwerken en koken, correspondentie, lectuur; ja zelfs lectuur, die ons eens eene levensbehoefte was, verwaarloozen we. Intens lui zijn wij geworden. Wij moeten ons dwingen om een klein boekske uit te lezen. Lezen een dwang, terwijl het een van de grootste en heerlijkste genietingen was, die we kenden! Moedertje, zoo ver is 't met ons gekomen! O! waar is onze energie gebleven? Wij lijden onbeschrijfelijk onder deze geestverdooving, geestkrachtsverlamming, of hoe U 't noemen wil! Wij voeren niets uit. Doen wij iets, dan doen wij het werktuigelijk als een automaat. Wat scheelt ons toch? Ziek zijn we niet. Is dit misschien de terugwerking van den ellendigen tijd, dien we hebben doorstaan?
O! die moreele pijn, 't is soms niet uit te houden. Wij moeten iets hebben, _werk_, dat ons _geheel_ in beslag neemt, ons niets geen tijd laat tot martelend denken; dat is 't eenige, dat onze sluimerende geestkracht wakker schudden kan, en ons geestkracht hergeven! _Werk_, daar zit 't hem juist. 't Smachten naar werk, dat ons lief is, dat is 't wat ons zoo ternederdrukt. Vreeselijk is 't om werkkracht en werklust in je te voelen en tot werkeloosheid te zijn gedoemd!
Dat en al die andere ellende hebben ons in dezen toestand van apathie en verlamming onzer geestkracht gebracht. Uw oudste staat verbaasd over zichzelve, hoe deze brief toch zoo lang kàn zijn geworden--maar 't is waar ook--'t is voor Moedertje Mies, dat deze biecht geschreven wordt, en de woorden vloeiden als vanzelf uit de pen.
Wij willen, wij kunnen niet gelooven, dat ons leven zoo heel gewoon, zoo banaal zal eindigen, en toch kunnen wij alweer ons niet voorstellen, dat eens die mooie droom van ons verwezenlijkt zal worden! Hoe dicht hadden wij reeds gestaan bij verwezenlijking onzer illusies, althans wij dachten het! wij dachten dat slechts nog _dagen_ ons scheidden van het nieuwe leven, zoo vurig door ons begeerd!
Bittere, bittere ontgoocheling! 't Doet zoo'n pijn daaraan weder te denken. Wij spreken er hier nooit meer over, maar zwijgen is nog niet altijd toestemmen, toegeven; alles opgeven, nu wij zoo ver zijn gekomen, doen we _niet_, en wij hebben daartoe nooit plannen gehad.
Of 't verstandig is, wat we doen, weten we niet, maar wij kunnen en willen niet anders dan de stem van ons hart volgen.
Door liefde te geven, de liefde te winnen van hen aan wie wij hopen ons eens te zullen wijden, is een groote illusie van ons. Toen wij in Juni bij den heer Sijthoff[1] waren, vroeg de Resident uwe oudste of zij reeds wist dat de Directeur van Onderwijs eene directrice voor de op te richten kostschool voor Inlandsche meisjes zocht. "Heeft u 't uwe dochters al verteld, Regent?" wendde de Resident zich tot Vader, en daarna weder tot uwe dochter: "Zou je niet directrice van die school willen worden?" Zij zeide niets, wendde haar gezicht af, opdat Vader en de Resident, die naast elkaar tegenover ons zaten, _niet_ hare oogen zouden zien, die àlles zeiden, wat de stijfgesloten mond verzweeg.
Beloofd had ze niet, dat ze zou zwijgen over hare wenschen en illusies, maar ze _wist_, dat vader niet graag had, dat zij er met anderen over sprak. Alle emotie moest Vader bespaard worden, en die quaestie nu is Vaders cauchemar....
"Wij hadden als jongens geboren moeten worden; er zouden flinke kerels uit ons kunnen groeien", hoorden wij tot vervelens toe beweren.
Als 't werkelijk waar is, dat er in ons de eigenschappen aanwezig zijn, waaruit flinke jongens gevormd worden, waarom zouden wij daarvan dan geen partij mogen trekken, ons tot flinke vrouwen te ontwikkelen? Of heeft men hiertoe andere bestanddeelen noodig, dan voor het gebak "flinke man"? en zijn flinke vrouwen der maatschappij van geen nut? Maar 't is waar ook, wij Javaansche vrouwen hebben in de eerste plaats meegaand en onderworpen van natuur te zijn; wij moeten zijn als leem, waaraan men iederen vorm kan geven, dien men wenscht. Doch waartoe over dit alles te spreken? 't Is of men op een zinkend schip jammert, waarom men toch niet thuis was gebleven; elkaar verwijten doet; de oorzaak van 't ongeluk napluist en den schuldige daaraan opspoort. Met dit al behoedt men 't schip _niet_ voor vergaan; alleen flink de hand aan het roer slaan, pompen, waar 't lek is, zal 't onheil kunnen afwenden, anders verdrinkt men maar....
In dat eene jaar, dat achter ons ligt, hebben we meer geleefd dan in al de voorgaande jaren tezamen.
't Komt uw oudste voor, alsof Vader haar wat te zeggen heeft, maar aarzelt, omdat 't haar pijn zal doen. Kunt u zich voorstellen, Moedertje, hoe pijnigend dit voor Vader en voor haar is?
Lang geleden toen ze op 't spoedig beëindigen onzer zaak aandrong, zag ze een blik op zich rusten zoo smartelijk alsof het zeggen wilde: "heb je dan zoo'n haast om me te verlaten, kind?" Ze wendde haar gelaat af--geroerd tot in't diepst van haar innerlijk zijn!
Wat is liefde toch een wonderlijk ding; zij is de hemel en de hel tezamen. Hem liefhebben, vereeren is ons eene levensbehoefte, maakt 't grootste deel van ons geluk uit. Zonder zijn liefde zou voor immer een schaduw op ons leven rusten. Uit _zijn_ hand willen wij het geluk ontvangen; anders is 't voor ons géén geluk. Zonder zijne liefde zullen wij nooit geheel gelukkig kunnen zijn, en _met_ zijne liefde nooit geheel ongelukkig.
[1] Destijds Resident van Semarang, tot welk gewest Japara was gaan behooren.
23 Augustus 1900. (I.)
Stella, geloof me, als er van mij, van ons, ooit wat terecht komt in dien zin, die jij en ik 't "terechtkomen" bedoelen, dan hebt gij dat op je geweten. Ik schrijf dit niet zoo maar neer, maar meen het met heel mijn hart. Je hebt mij héél veel geleerd, en je aanmoediging is mij een lieflijke steun, een kracht. Ik wil, ik zal mijne vrijheid bevechten. Ik wil, Stella ik wil, hoor je dat? hoe zal ik ooit kunnen overwinnen, als ik niet strijd? hoe zal ik kunnen vinden, als ik niet zoek? Zonder strijd geen overwinning; ik zal strijden, Stella, ik wil mijne vrijheid veroveren. Ik zie niet op tegen bezwaren en moeilijkheden, ik voel me sterk genoeg ze te overwinnen, maar er is iets, waar ik vreeselijk tegen opzie. Stella, ik heb je al meer verteld, dat ik Vader ziels, ziels liefheb. Ik weet niet, of ik den moed zal hebben mijn wil door te zetten, als ik daarmee zijn hart breek, dat zoo vol liefde voor ons klopt. Ik heb hem lief, oneindig lief, mijn ouden, grijzen vader, oud en grijs door zorgen voor ons, voor mij. En als een van ons beiden dan toch absoluut ongelukkig moet worden, laat mij 't dan zijn. Ook hierin schuilt egoïsme, want ik zou toch niet gelukkig kunnen zijn, ondanks vrijheid, ondanks onafhankelijk-en zelfstandigheid, als ik Vader daardoor rampzalig maakte.
Maar zie je den toestand niet een beetje te donker in? vraag je, O! was het maar zoo! Ik ben zelfs optimistisch geweest door te zinspelen op een mogelijke uitkomst! Wil ik je wat zeggen? De levensweg der Javaansche meisjes is afgebakend en gevormd naar een en 't zelfde model. Wij mogen géén idealen hebben; de eenige droom, dien wij droomen mogen is: vandaag of morgen de zooveelste vrouw te worden van den een of anderen man. Ik tart hen, die dit weerleggen kunnen.
Over Indische en Europeesche toestanden nadenkende, en ze met elkaar vergelijkende, moet je wel erkennen, dat het daar geen haartje beter is dan hier, wat de moraliteit der mannen betreft, en zijn daar de vrouwen er even ongelukkig aan toe als hier, met dit verschil echter dat de vrouwen daar, althans de overgroote meerderheid uit vrijen wil den man in 't huwelijksbootje volgen, terwijl hier de vrouwen niets te willen hebben, maar eenvoudig getrouwd worden, krachtens den wil van ouders of voogden, met wien deze machthebbenden 't maar goed vinden. In de Mohammedaansche wereld is de toestemming, ja zelfs de tegenwoordigheid der vrouw niet noodig bij 't sluiten van een huwelijk. Vader kan bijv. vandaag thuiskomen en mij vertellen: "je bent met die en die getrouwd". Ik heb dan mijn man te volgen, of ik kan 't ook wel weigeren, maar dit geeft den man dan recht om me levenslang aan zich te ketenen, zonder dat hij zich wat om mij te bekommeren heeft. Ik ben zijn vrouw, ook al volg ik hem niet, en als hij zich niet van mij wil laten scheiden, dan ben ik heel mijn leven lang aan hem gebonden, terwijl hij vrij blijft in zijn doen en laten, zooveel vrouwen trouwen kan, als hij maar wil, zonder zich om mij te bekreunen. Als vader me op zoo'n manier uithuwt, dan maak ik me maar eenvoudig van kant. Maar dat zal Vader nooit doen.
God heeft de vrouw geschapen als gezellin van den man, en de bestemming der vrouw is 't huwelijk. Goed, 't is niet te weerspreken, en gaarne erken ik, dat 't hoogste vrouwengeluk, ook eeuwen na deze, zal zijn: een harmonisch samenleven met den man! Maar hoe kan van een harmonisch samenleven sprake zijn, als onze huwelijkswetten zoo zijn, als ik je er een voorbeeld van beschreef? Moet ik als vanzelf niet het huwelijk haten, verachten, als het de vrouw zoo gruwelijk verongelijkt? Neen, gelukkig niet ieder Mohammedaan houdt er vier vrouwen op na, maar iedere getrouwde vrouw in onze wereld weet, dat zij zijne eenige niet is, en dat vandaag of morgen manlief haar een gezellin kan thuis brengen, die op hem evenveel rechten heeft als zij; volgens Mohammedaansche wet is zij ook zijn _wettige_ vrouw. In de Gouvernementslanden hebben de vrouwen 't lang zoo hard niet te verantwoorden als hare zusters in de Vorstenlanden, Soerakarta en Djokjakarta. Hier zijn de vrouwen al doodongelukkig met een, twee, drie, vier bij-vrouwen van hare mannen; daar in de Vorstenlanden noemen de vrouwen dat kinderspel. Je vindt daar bijna geen enkele man, die maar één vrouw heeft; in de adellijke kringen, vooral in de omgeving van den Keizer, hebben de mannen tot over de 26 vrouwen.
Mogen deze toestanden voortbestaan, Stella?
Ze zijn er al zoo aan gewend, dat zij er niets meer in vinden, maar dat neemt niet weg, dat die vrouwen er ontzettend onder lijden. Bijna iedere vrouw, die ik ken hier, vervloekt dit recht der mannen. Maar verwenschingen helpen niets; gehandeld moet er worden.
Komt, vrouwen, meisjes, staat op, reiken wij elkaar de handen en laten wij samen arbeiden, om verandering te brengen in die onhoudbare toestanden.
Ja, Stella, ik wist het, dat ook in Europa de toestand op zedelijk gebied der mannen intreurig is. Ik zeg met jou, hulde aan de jonge mannen, die de ingekankerde gewoonten, die verleiding den rug toekeeren; en schande over de hedendaagsche meisjes, die niet onwetend mannen volgen, wier leven bezoedeld is. Ja zeker, de jonge moeders kunnen hieraan 't meest doen, dat heb ik reeds meer betuigd met mijne zusters.