Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk
Part 6
Wij zijn maar heel, heel _gewone_ menschenkinderen, een mengsel van kwaad en goed, zooals millioenen anderen. 't Kan zijn, dat er op 't oogenblik in ons van 't goed meer aanwezig is, dan van 't kwaad, maar de oorzaak hiervan zou dan niet ver zijn te zoeken. Waar men leeft in eene eenvoudige omgeving, is 't geen moeite, om goed te zijn; men wordt 't als van zelf. En 't is volstrèkt géén kunst, géén verdienste, om geen kwaad te doen, waar ons geen gelegenheid daartoe geboden wordt. Later, als wij 't warme, veilige ouderlijke nest zijn uitgevlogen; staan in 't volle menschenleven, waar geen trouwe oudersarmen om ons heen worden geslagen; als om ons 's levens stormen woeden en razen; geen liefdevolle hand ons steunt; vasthoudt, als onze voeten wankelen ... dàn eerst zal 't blijken, wàt we zijn! O! ik bid zoo vurig, dat wij niet nog verhoogen mogen den berg van teleurstellingen, dien het leven u reeds heeft gebracht, en aan u een even vurige bede: denk ons _niet_ zoo mooi! want zóó kan 't niet anders, of 't moèt wel op eene teleurstelling uitloopen, en 't zou ons zoo bitter bedroeven. Zoo langzamerhand bij brokjes en stukjes zal ik u naar waarheid álles van ons vertellen, opdat u een juiste kijk krijgt op onze karakters en ons in uwe groote goedheid geen mooie eigenschappen toedenkt, die wij niet bezitten!
* * * * *
Nog een heel leven ligt vóór ons; laten wij zien, wat daar nog van te maken is.
"Ik voel zooveel voor de vrouw, ik trek mij haar lot zoo aan, miskend en onderdrukt als zij is in vele landen nog in deze eeuw van "licht", ik verdedig haar zoo graag en trouw". Dank voor deze heerlijke sympathieke woorden, waarin luid uw groot mededoogen spreekt, uw diep meevoelen het leed uwer medemenschen, schepselen, die eeuwenlang verongelijkt zijn en nog worden door haar medemensch: den man. Dank, mijn God, dank! er zijn dan toch edelen van hart en geest, die zich 't droeve lot der Inlandsche vrouw aantrekken, die _licht_ willen ontsteken in hare arme, donkere wereld! Het Inlandsche vrouwenhart heeft _genoeg_ gebloed, onschuldige kinderzieltjes _genoeg_ geleden.
Blanke zuster met uw warm, diep voelend hart, uw ruimen blik, uw rijken geest, reik ons de hand, hef ons op uit den poel van jammer en ellende, waarin de zelfzucht van den man ons heeft gestooten, en gedompeld houdt. Help ons bestrijden dat niets ontziend mannen-egoïsme, het demon, dat jaarhonderden de vrouwen heeft gegeeseld, vertrapt, zóó, dat gewend als ze zijn aan de mishandeling, zij daar geen onrechtvaardigheid meer in zien, maar het onderworpen met stille berusting beschouwen als het goed(!) recht van den man, als een erfenis van rouw van iedere vrouw. Jong ben ik nog, maar ik ben doof noch blind geweest, en ik heb véél gehoord en gezien, tè veel zelfs, misschien, dat mijn hart deed ineenkrimpen van pijn, me woest opzweepte tot òpstaan tegenover ingekankerde gewoonten, die vrouwen en kinderen zijn ten _vloek_!
En radeloos, in hevigen smart wring ik de handen ineen, mij als één mensch onmachtig gevoelend tegenover een kwaad van reusachtigen omvang, en dat--o, wreedheid! onder bescherming staat der Mohammedaansche leer en gevoed wordt door de onwetendheid der _vrouw_, het slachtoffer!
O! en dan te bedenken, dat 't lot mij eens dat gruwelijke onrecht, dat polygamie heet, in de hand zou laten werken.... "Ik wil niet!" krijt de mond heftig, en 't hart echoot dien kreet duizendvoud.... Maar ach ... willen!--hebben wij menschen wel een wil?
Wij moeten, moeten van af onzen eersten levenskreet tot aan onzen laatsten ademtocht!
Leven, hoe vol raadselen en geheimenissen zijt ge!
Wij meenen zoo veel te weten en eigenlijk weten wij nièts! Wij meenen een wil, een ijzeren wil te hebben, wij verbeelden ons sterk om bergen te verzetten ... doch één brandende traan, één smartelijke blik uit beminde oogen en gebroken is onze kracht!
Mag ik u een verhaal vertellen, dat onderhoudend noch interessant is, maar droog, eentonig, langdradig, en véél van uw geduld vergen zal. Vooraf vraag ik u nederig vergeving voor 't vervelend uurtje, dat ik er u om ga bezorgen. Ik durf 't doen, omdat u mij schreef: "Schrijf mij zooveel en zoo lang als gij kunt". Och, kon u maar vooruit weten, welk een misbruik van uwe groote goedheid zou gemaakt worden, dan zouden die woorden nooit zijn neergepend.
Het is de geschiedenis van drie bruine meisjes, kinderen van 't zonnige Oosten; blindgeborenen, die men ziende heeft gemaakt, heeft laten zien, genieten en bewonderen 't schoone, 't hooge in 't leven; en nu, nu hun oogen aan licht en schoonheid zijn gewend, zij de zon, de mooie omgeving der verlichte wereld liefhebben, staan ze op 't punt om den blinddoek weer voor de oogen te voelen, te worden teruggeduwd in het duister, vanwaar ze zijn gekomen, en waar allen en ieder van haar voorgeslacht in hebben geleefd!
Men wijt aan boeken vol "onzin", die van 't verre Westen kwamen en doordrongen tot 't hartje van 't binnenland, 't stille, vredige oord, op Java's immer-groene kust, waar de zusters wonen, dat deze weerspannig, onwillig zijn 't juk op te nemen, dat toch al hare vrouwelijke voorzaten gewillig en geduldig hadden getorst, en dat thans hangende en slingerende is in de lucht en ieder oogenblik op de onwillige schouders neerploffen kan.
Men heeft niet heel en al gelijk; niet de boeken alleen hebben haar oproerig gemaakt, toestanden doen haten, die sedert onheugelijke tijden hebben bestaan en die een vloek--een vloèk--zijn voor àl wat heet vrouw of meisje!
Het verlangen naar vrijheid, zelfstandigheid en onafhankelijkheid, is niet van jongen datum. Reeds in haar vroegste jeugd, toen "emancipatie" voor haar nog was een onbekend woord, en boeken en andere geschriften, die 't daarover hadden, ver buiten haar bereik waren, was er in een der drie zusjes die drang geboren; toestanden in directe en indirecte omgeving riepen hem in 't leven op.
't Was speeluur op de Europeesche school van 't plaatsje Japara. Onder de geelbebloesemde waroeboomen op 't schoolerf groepeerden zich in gezellige wanorde groote en kleine meisjes op 't mollige, groene grastapijt. 't Was zoo warm, niemand had lust in spelen.
"Toe, Letsy, vertel jij eens wat, of lees eens voor", vleide een bruin meisje, dat niet slechts, door hare huidskleur, maar ook door hare kleeding, de Inlandsche verried. Een groot blond meisje, dat lui leunde tegen een boomstam en ijverig in een boek las, keek op en sprak: "Ach neen, ik moet mijn Fransche les nog leeren".
"Dat kan je thuis immers doen, want 't is geen schoolwerk."
"Ja, maar als ik mijn Fransche lessen niet goed leer, mag ik over twee jaar nog niet naar Holland gaan. En ik verlang al zoo erg naar de kweekschool om voor onderwijzeres te studeeren. Als ik later dan als schooljuf uitkom, wordt ik misschien hier geplaatst, en dan zal ik vóór in plaats van in de klasse zitten, Maar, zeg eens, Ni, je hebt 't mij nog nooit verteld, wat wil je later toch worden?"
Twee groote oogen keken 't spreekstertje verbaasd aan.
"Nu, vertel maar op."
't Javaantje schudde 't hoofd en zeide laconiek: "Weet niet". Neen zij wist 't werkelijk niet, zij had daar nooit aan gedacht, ze was nog zoo jong en ging geheel op in haar dartel jong leventje. De vraag harer blanke vriendin maakte echter diepen indruk op haar. Zij liet haar niet met rust, onophoudelijk hoorde zij in haar ooren ruischen: "wat wil je later worden?" Zij peinsde en peinsde er haar hoofdje moe van. Dien dag liep ze in school menig strafwerk op, ze was zoo verstrooid, gaf de dwaaste antwoorden als men haar wat vroeg en maakte de domste fouten in haar werk. 't Kon ook niet anders, hare gedachten waren niet bij hare lessen, ze toefden bij hetgeen ze in 't uitspanningsuur had gehoord. Haar eerste doen, toen ze thuiskwam, was naar haren vader toe te loopen en hem die gewetensvraag voor te leggen: "Wat zal ik later worden?" Hij zeide niets, lachte maar en kneep haar in de wang. Doch zij liet zich niet afschepen en bleef zeuren om antwoord. Een oudere broer kwam aanloopen, vernam hare vraag en hare gretig luisterende ooren vingen deze woorden op: "Wat meisjes worden moeten? wèl een Raden Ajoe,[1] natuurlijk!" Het meisje was tevreden en snelde blijde weg. Een "Raden Ajoe" herhaalde zij telken male bij zichzelf--wàt is een "Raden Ajoe"? De nieuwe gedachte liet haar niet met rust, aldoor dacht ze aan de twee woordjes "Raden Ajoe". Ze moest later zoo een worden; ze blikte om zich heen, zag en kwam in aanraking met vele Raden Ajoe's aan wie zij van toen af aan hare aandacht wijdde en die zij bestudeerde.
En wat 't _kind_ kon te weten komen van 't leven dier vrouwen, deed in haar hartje den geest van verzet wakker worden tegen het "Raden Ajoe zijn", den eeuwenouden steeds gehuldigden regel: meisjes moèten trouwen, moeten een man toebehooren, zonder te vragen wat, wie, en hoe!
Het meisje was 12 1/2 jaar geworden, en het werd tijd, dat zij haar dartel kinderleven vaarwel zeide: afscheid nam van de schoolbanken, waar zij zoo gaarne op zat; van Europeesche makkertjes, in wier midden zij zoo gaarne vertoefde. Zij was oud genoeg bevonden om thuis te komen, en zich te onderwerpen aan de gewoonten van haar land, die den jongen meisjes gebieden, in huis te blijven, te leven in strenge afzondering van de buitenwereld, zoolang tot de man, dien God voor ieder harer heeft geschapen, haar komt opeischen en meevoeren naar zijn woning.
Wat ging er al niet om in 't jonge hoofdje, in 't jonge hartje, toen zij voor 't laatst den weg van school naar huis aflegde. De donkere oogen zwommen in heete tranen, heftig zwoegde het tengere borstje op en neer, en 't kleine mondje trilde van ingehouden snikken.
Ze wist o, zoo goed, dat met de schooldeur _veel_ wat haar oneindig lief was, gesloten werd voor haar. 't Afscheid van den geliefden onderwijzer, die haar zoo lief en hartelijk had toegesproken bij haar heengaan; van makkertjes, die haar met betraande oogen de hand drukten; van de plaats, waar zij zooveel heerlijke uurtjes had gesleten; kostte haar onnoemlijk veel. Maar dit woog niet op tegen haar smart over het eindigen harer lessen. Zij hield zoo hartstochtelijk veel van leeren, en zij wist, dat er nog oneindig veel te leeren was behalve hetgeen men op de lagere school kon leeren. Zij was eerzuchtig; zij wilde in "knapheid" niet achter staan bij hare blanke vriendinnetjes, die naar Europa gaan; bij hare broers, die de hoogere burgerschool bezoeken.
Zij smeekte haren Vader haar meê met de jongens te laten gaan naar Semarang om er de H.B.S. te bezoeken, ze zou steeds haar best doen; hare ouders zouden niets over haar te klagen hebben. Zij lag op hare knieën voor hem; hare gevouwen handen rustten op zijne knie, vol gloeiend verlangen werden hare groote kinderoogen tot hem opgeslagen, en in angstige spanning verbeidde zij ademloos zijn antwoord. Liefkoozend streelde hij 't zwarte hoofdje; zijne vingeren streken zacht de weerbarstige haartjes van haar voorhoofd weg, en zacht doch beslist klonk van zijnen mond: "Neen!"
Zij sprong op; zij wist wat een "neen" van hèm beteekende; rende weg en kroop onder een bed om zich voor anderen te verbergen; zij wilde alleen zijn met haar droefheid, die zich uitte in een woest, onbedaarlijk snikken.
Eens had haar onderwijzer gevraagd, of zij niet met Letsy, zijn dochter en haar vriendin, mee wilde naar Holland, om verder te leeren. Gretig, met schitterende oogen had zij toegeluisterd. "Nu, wil je?"
"Vraag mij niet of ik wil, vraag mij of ik màg!" klonk 't gesmoord van haar bevende lippen.
Goede man, hij had 't zoo best met haar gemeend. Vreemdeling, die hij was in Inlandsche gewoonten, wist hij niet hoe wreed hij was, met haar die vraag te doen. Een hongerige voedsel, lekkers voor te houden, waar zij niet bij kon....
Dwaas meisje, 't was de bedoeling uwer goede ouders _niet_, u naar school te zenden om oproerige gedachten in uw hartje te brengen. Gij moest er Hollandsch en Hollandsche maniertjes leeren, en meer niet. Dom, klein ding, hadt gij dat maar begrepen en u daaraan gehouden, dan zou veel leed in de toekomst u zijn bespaard. Doch 't domme, kleine ding had zichzelve niet gemaakt; zij kon 't niet helpen, dat God haar een ontvankelijk gemoed gaf, en een hartje, dat willig in zich opnam àl wat de Hollandsche taal haar leerde mooi te vinden.
Arme kleine: in haar hartje hielden Westersche gedachten jubelend intocht, en aan handen en voeten zag zij zich geketend aan de Oostersche tradities. En hare spieren waren nog zoo zwak, zoo teer, om de banden en boeien, die haar omknelden, te kunnen verbreken. En later, als ze zich sterk gevoelde om met één ruk alles van zich af te schudden, toen ... doch laten wij de geschiedenis niet vooruitloopen; wij zijn er nog verre niet.
De schooldeur viel achter haar toe, en vriendelijk nam de ouderlijke woning haar in zich op.... Groot was dit huis en overruim het erf, maar hoog en dik waren ook de muren, die het omgaven. En die afgesloten vierkante ruimte was voortaan haar wereld, haar heelal. Hoe ruim en fraai en vol geriefelijkheden een kooi ook is, voor het vogeltje, dat er in opgesloten wordt, is 't een _kooi_!
Voorbij! voorbij haar dartele jeugd! voorbij alles, wat de vreugde uitmaakte van haar jong kinderleven. Zij gevoelde zich nog zoo'n kind, en zij was het inderdaad ook, maar de adat rangschikte haar onverbiddelijk onder de volwassenen. En zij, voor wie geen slootje te breed was om er over te springen; voor wie geen boom te hoog was, om er in te klimmen; die nooit liep, maar aldoor huppelde als 't dartele veulentje in de wei; moest nu kalm, bedaard, deftig zijn, zooals 't een Inlandsche jonge dame van hoogadellijken huize betaamde. Een juweel van een Javaansch meisje is: stil, onbewegelijk als een houten pop; spreken alleen, wanneer 't hoognoodig is met een fluisterstemmetje, zelfs voor mieren onverstaanbaar; loopen, voetje voor voetje als een slak: lachen, geluidloos zonder de lippen te openen; 't staat zoo leelijk wanneer de tanden zichtbaar zijn; je lijkt dan wel een "loewah" (vos).
Ni zondigde ieder oogenblik.
Een dof, eentonig sleurleventje brak voor haar aan, dag aan dag dezelfde bezigheden, dezelfde omgeving, dezelfde menschen om zich heen. Een lichtpunt was in de eerste dagen de komst van Letsy. 't Was een feest, als Letsy bij haar was; zij was weer 't oude vroolijke kind, en vergat geheel hare gevangenschap, die zich deze veronachtzaming wreekte door zich dubbel op haar te doen gevoelen, als 't blanke vriendinnetje weer vertrokken was.
Doch dit lichtpunt was al gauw van haar kleurloos leven verdwenen! Letsy vertrok naar 't verre, hooge Noorden. Ni had geen vriendin meer. Maar de vriendschap zou niet door den afstand verbroken worden, zij zou in brieven worden voortgezet.
't Sleurleventje ging voort, doffer, eentoniger....
Met hoe'n smachtend verlangen keek zij hare jongere zusjes na, wanneer deze met leien en boeken gewapend, de deur uitgingen om naar den tempel der wijsheid te gaan en kennis te vergaren.
Een tijdje lang had ze zelf hare lessen voortgezet, doch inziende 't nuttelooze van een leeren zonder meester, bergde zij met een diepen zucht hare leerboeken weg.
O! indien bantal en goelings spreken konden, wat zouden zij dan veel kunnen vertellen; zij zouden verhalen het leed van een klein menschenzieltje, dat in heete tranen aan hun boezem werd uitgeschreid avond aan avond!
't Jonge menschenkind kon maar geen berusting leeren! In 't dwaze kopje en hartje woelden rusteloos honderden oproerige gedachten.
Ze gevoelde zich zoo eenzaam en verlaten temidden van velen, waarmede zij dag in dag uit samenleefde.
Och, men kan wel broers en zusters zijn, dag in dag uit met elkaar samenzijn, maar als onze zielen elkaar niet vinden, blijven wij toch ten eeuwigen dage vreemden voor elkaar.
Ze had eene oudere zuster, die met haar de gevangenschap deelde; ze hield wel van haar, maar van een innige verhouding tusschen beiden was geen sprake. Daartoe verschilden beider karakter en levensopvattingen te zeer met elkaar. De oudere zuster was stil, eenzelvig, kalm en bedaard; en zij, de jongere, daarentegen was één en al leven en vurig van natuur. De denkbeelden, die deze aanhing, waren fouten in de oogen der eerste, die zeer gehecht was aan de oude tradities en gewoonten[2].
Hoe dikwijls was niet de jongere met schitterende oogen tot de oudere zuster gekomen om haar enthousiast het een of ander te vertellen of voor te stellen. En als zij had uitgesproken--dit liet de oudere zuster haar steeds doen--klonk haar immer koud en koel tegen: "Ga je gang, ik ben een _Javaan_!" Ni's hartje kromp ineen, als had een ruwe hand het aangeraakt. Een ijzige koude beving haar inwendig. Ook de jongere zusjes waren van haar vervreemd. De oudste zag niet gaarne, dat ze veel met Ni samen waren. Ni, die zulke rare ideeën had. En zus was heel streng; de zusjes waren doodsbang voor haar.
Ni vond dit hard, doch zoo hard toch nog niet als hetgeen haar moeder haar aandeed. Ook deze sloot voor haar haar hart, omdat hare denkbeelden lijnrecht stonden tegenover die van haar kind. Arme, kleine Ni, haar zieltje smachtte naar teederheid, en zij vond slechts koelheid, waar zij zelve liefde gevend, bedelde om een beetje genegenheid. Waarom was zij ook zoo vreemd, zoo raar, zoo anders dan anderen? Ach, ze had al zoo dikwijls geprobeerd, om anders, zooals anderen, te denken; en telkens, wanneer 't haar bijna gelukte, gebeurde er iets, dat de sluimerende gedachten, die de kennis der Hollandsche taal in haar hartje had gegaard, wakker schudde, en berouw hebbend over haar ontrouw daaraan, hechtte zij zich des te inniger aan de opnieuw ontwaakte denkbeelden.
Maar zoo geheel dof en kleurloos was haar leven toch niet.
Er waren er twee, die van haar hielden, zooals ze was; die haar liefhadden, zooals ze 't gaarne had: warm en innig. En die twee hing ze aan met al de teedere aanhankelijkheid van haar naar liefde dorstend hartje. Het waren haar Vader en haar derde broer, de jongste harer oudere broers. Wèl kon hij niet vervullen haar innigsten en zoetsten wensch: vrij zijn!--kon hij niet bevredigen haar hartstochtelijk verlangen naar wetenschap; maar haar bemind Vadertje was zoo innig goed voor zijn dochtertje, zijn eigen dwaas meisje; hij had haar lief, dat wist ze, dat voelde ze. Hij kon haar zoo innig en trouw aankijken, zijn zachte hand kon zoo teeder streelen hare wangen, heur haar, en zijn sterke armen konden zich zoo heerlijk warm ronden om haar halsje en schouders.
En broer hield van haar; dat wist ze, ofschoon hij 't haar nooit had gezegd, hij haar nooit een lief woord had toegevoegd en haar nimmer had geliefkoosd! Maar tallooze fijne attenties, zooals alleen een liefhebbend hart 't kon bedenken, spraken haar van zijne warme genegenheid voor haar. Hij lachte haar niet uit, wanneer ze hem sprak over hare idealen, hoorde haar belangstellend aan en nooit deed hij haar huiveren met een koud: "Ga je gang maar, ik ben een Javaan!" En al zeide hij haar niet dat hij sympathiseerde met hare ideeën, toch wist zij, dat hij in zijn hart 't met haar eens was. Ze wist, dat hij alleen maar zweeg, omdat hij haar niet nog oproeriger wilde maken. Dat zeiden haar de boeken, die hij zijn zusje in de hand stopte. Ni voelde zich zoo rijk met de liefde harer beide lievelingen, met de geestelijke sympathie van haar broer.
Maar haar vader was niet altijd bij haar, hij had zijn werk; en waar hij werkte, daar mocht zij niet komen; immers zij mocht de afgesloten ruimte, haar verblijf, niet uit; en broer was maar enkele keeren in 't jaar thuis, hij ging nog school op Semarang. Haar oudste broer kwam thuis, hij was van school af, had eene betrekking op de plaats gekregen en woonde bij zijn ouders in. Ni's leven werd er niet vroolijker door--integendeel, 't werd droeviger. Leed zij vroeger vóór zijn komst door de koelheid van bijna al hare huisgenooten, door 't opgesloten zijn, door allerlei gewoonten, waaraan zij zich niet onderwerpen kon, thans kwamen gesar en geplaag het aantal harer grieven vermeerderen. Ni wilde, Ni kòn niet naar de pijpen van haren broeder dansen. "Jongeren zijn gehoorzaamheid aan ouderen verschuldigd", werd haar steeds voorgepredikt, en "vooràl moeten meisjes haar oudere broers gehoorzamen". Maar eigenzinnige Ni zag niet in, waarom dat zoo moest zijn. "Zij kon 't niet helpen", redeneerde zij, dat zij later dan haar broers geboren was; dat ze hun daarom gehoorzamen moest, vond ze zotgek. Zij was niemand, niemand gehoorzaamheid verschuldigd dan haar geweten, haar hart. En zij zou haar broer _niets_ toegeven, dan alleen wanneer zij overtuigd was, dat hij gelijk had.
Een bedorven zoontje, moeders lieveling, door iedereen om 't hardst gevleid en naar de oogen gekeken om den hoogen rang van zijn vader, dacht hij niet beter of 't hoorde zoo, dat ieder die hij als zijn mindere beschouwde hem onvoorwaardelijk moest gehoorzamen.
En hij was eerst verbaasd, daarna toornig geworden, toen hij zag, dat 't kleine meisje, dat een half dozijn jaren met hem verschilde, zijn wil durfde trotseeren. Hij zou, hij moest 't brutale onderkruipsel klein krijgen. Alles was fout, wat Ni deed; om 't minste iets werd zij streng berispt. Geen dag was er nagenoeg, waarop broer en zuster niet tegenover elkaar stonden, hij met een donker gelaat haar barsche woorden toevoegend, die haar hartje bloedig striemden, en zij met bevende lippen en trillend stemmetje haar goed recht of dat van anderen verdedigend, dat hij wilde vertrappen. En zij stond geheel alleen in den strijd tegen het despotisme van haar broer, haar toekomstigen beschermer, wanneer zij 't ongeluk mocht hebben haar ouders te verliezen, vóór zij onder dak was gebracht, onder bescherming stond van den man, dien God voor haar schiep!!! Hij zorgde wel, dat hij haar niet kwelde in Vaders nabijheid, die zulks nooit zoude toestaan; en hij wist, dat zij te trotsch was, om te klikken.
Maar de overige huisgenooten, die 't zagen, lieten het stilzwijgend toe, ofschoon zij wisten, dat zij was in haar _recht_. Men moest brutaliteit niet in de hand werken en 't meisje was ongelooflijk brutaal; zoo jong als ze was, durfde ze "neen" zeggen als haar zooveel oudere broer "ja" zeide. Een meisje mag geen recht hebben, waar 't ook maar eenigszins den man benadeelt in zijne belangen. 't Recht van het meisje is hetgeen haar _on_zelfzuchtige broeder haar gelieft toe te staan.
En in later jaren, als Ni zich dit alles herinnerde, kon zij zich zoo goed begrijpen, wááróm de man zoo egoïstisch was. Immers, van huis uit, als _kind_ werd hem geleerd zelfzuchtig te zijn en ... door zijn _moeder_ 't allereerst. Van kindsaf aan werd hem geleerd, het meisje--de vrouw te beschouwen als een wezen van lager orde dan hij. Hoorde zij niet hare moeder, hare tantes, hare vrouwelijke kennissen o zoo dikwijls op smalenden, minachtenden toon zeggen: "een meisje, 't is maar een meisje!" 't Is de vrouw zelf dus, die den man leert, de vrouw te verachten. Ni's bloed kookte, wanneer zij smalend en minachtend over 't meisje hoorde spreken door eene vrouw.
"De vrouwen zijn niets". "De vrouwen zijn voor de mannen, voor hun pleizier geschapen, zij kunnen met hen doen wat zij willen", klonk honend, sarrend als de lach van Satan haar in de ooren. Hare oogen schoten vonken, driftig balde ze hare handen en klemde in machtelooze woede de lippen stijf op elkaar. "Neen, neen!" schreeuwde en gilde 't in 't haar heftig kloppend hartje: "wij zijn menschen evengoed als de man. O, laat mij 't bewijzen. Maak mijn boeien los! Laat mij mogen, en ik zal toonen, dat ik ben een mensch, een mensch, evengoed als de man". En zij wrong zich en kronkelde, zij trok en rukte, maar de ketens waren sterk, en sloten nauw om hare tengere polsjes en enkels. Zij verwondde er zich aan, maar breken deed zij ze niet.