Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk
Part 5
Mijne broeders spreken hoog-Javaansch tegen hunne superieuren, en deze spreken hen óf in het Hollandsch òf in het Maleisch aan; het eerste doen zij, die met ons bevriend zijn, en enkelen van dezen verzochten mijn broers zich tegen hen van de Nederlandsche taal te willen bedienen, doch zij verkozen 't niet te doen en Pa stond het ook niet toe. De jongens en Papa weten maar al te goed, waaraan zij zich op dat punt te houden hebben. Er wordt te veel met het woord prestige geschermd door de zich godheden wanende bestuursambtenaren. Ik trek mij niets van hun geplaag aan; ik heb juist pleizier over de wijze, waarop zij het prestige tegenover ons, den Javaan, bewaren. Met eenige mij zeer bevriende ambtenaren bij het Binnenlandsch Bestuur besprak ik ook deze quaestie. Ik werd niet tegengesproken, doch mijn beweringen werden evenmin beaamd, ofschoon ik zeker weet, dat zij mij in hun hart gelijkgaven. Dit is ook alweer voor 't prestige. Kun jij je nu begrijpen, dat ik een glimlach niet kan onderdrukken, bij zulk een geval? Het is bepaald vermakelijk, hoe de groote heeren ons ontzag zoeken in te boezemen. Ik moest op mijne lippen bijten, om het niet uit te schateren, toen ik onlangs op reis zijnde, een assistent-resident van zijn kantoor naar zijn woning zag gaan onder de schaduw van een gouden zonnescherm, die zijn oppasser boven zijn edel hoofd open hield. 't Was toch zoo'n dwaze vertooning! O, godheid, wist gij maar, hoe de menigte, die nu eerbiedig voor de schitterende zonnescherm terzijde wijkt, u straks achter uwen rug uitlacht. Hoe vindt je, dat er vele, ja zeer vele bestuursambtenaren zijn, die zich den voet en de knie laten kussen door Inlandsche hoofden? Een voetkus is het hoogste eerbiedsbewijs, dat wij Javanen, òf aan onze ouders, en oudere bloedverwanten, òf aan onze _eigen_ hoofden geven. Wij betoonen dat niet graag aan vreemden, en slechts met weerzin doen wij dat, als 't moet. Neen, de Europeaan maakt zich slechts belachelijk in ons oog, wanneer hij van ons de eerbewijzen vraagt, waarop alleen onze eigen hoofden aanspraak hebben. Dat de residenten en assistent-residenten zich "Kandjeng" laten noemen, is zooals 't hoort, maar dat zelfs tuinopzichters, weegbrugopzieners en morgen misschien ook de stationschefs zich zoo door hunne bedienden laten betitelen is gewoon zotgek. Weten die menschen wel, wat "Kandjeng" beteekent? Zij vragen van hunne minderen dezelfde eerbewijzen, die 't volk zijne hoofden brengt. O! O! ik dacht, dat alleen de _domme Javaan_ houdt van dat geflikflooi, maar nu zie ik, dat de beschaafde, ontwikkelde Westerling daar ook niet afkeerig van is, ja daar zelfs verzot op is.
Ik sta nooit toe, dat vrouwen ouder dan ik, doch in stand mijne minderen, mij de hulde bewijzen, waarop ik aanspraak heb. Ik weet wel, dat zij 't gaarne doen, ofschoon ik zooveel jonger ben dan zij, maar ik ben eene afstammelinge van het door hen zoo aangebeden oud adellijk geslacht, voor wie zij goed en bloed veil hebben. Roerend is het, hoe verknocht de minderen aan hunne grooten zijn. 't Stuit mij tegen de borst om menschen, ouder dan ik, voor mij in 't stof te zien kruipen.
Met leede oogen ziet menig Europeaan hier aan, hoe de Javanen, hun _minderen_, zich langzamerhand ontwikkelen, en er telkens een bruine opduikt, die bewijst, dat hij evengoed hersens in zijn kop en een hart in zijn lijf heeft als de blanke.
Maar gaat uw gang maar, gij zult den drang van den tijd toch niet kunnen tegenhouden. Ik heb de Hollanders heel, heel lief, en ben hun dankbaar voor veel, dat wij van hen en door hen genieten. Velen, zeer velen onder hen mogen wij onze beste vrienden noemen, maar ook zeer, zeer velen, staan vijandig tegenover ons, om geen andere reden dan dat wij het waagden in ontwikkeling en beschaving hun nabij te streven. Op zeer gevoelige wijze laten zij ons dat voelen. "Ik ben Europeaan, gij Javaan", of m.a.w. "ik overheerscher, gij overheerschte". Niet eens, doch verscheidene malen sprak men ons aan in brabbel-Maleisch, ofschoon men zeer goed wist, dat wij de Nederlandsche taal spreken. 't Kan mij niet schelen, in welke taal men ons aanspreekt, als de toon, die zij aanslaan, maar heusch is. Onlangs werd een Raden Ajoe ook zoo aangesproken door een heer en heel bij de hand antwoordde zij: "Mijnheer excuseer me, dat ik u vriendelijk verzoek, mij maar in uwe taal te willen aanspreken. Ik versta en spreek wel Maleisch, doch helaas slechts hoog-Maleisch, het passer-Maleisch ken ik niet!" Of onze mijnheer op zijn neus keek! leelijk, hoor!
Waarom toch vinden vele Hollanders het onaangenaam om in hun eigen taal met ons te converseeren? O, ja, nu weet ik het, het Nederlandsch is te mooi om door een bruine mond te worden uitgesproken. Dezer dagen waren wij op visite bij Tòtòkkers.[4] De menschen, die bij hen dienden, waren oude sobats van ons; wij wisten dat zij goed Hollandsch verstonden en spraken. Dit vertelde ik ook en wat kreeg ik ten antwoord van mijnheer mijn gastheer? "Neen zij mogen geen Hollandsch spreken". "Niet? Waarom?" vroeg ik. "Inlanders mogen geen Hollandsch kennen". Verbaasd keek ik den spreker aan, spoedig bekwam ik van mijne verwondering, en een spottende glimlach deed mijne mondhoeken trillen. De heer werd bloedrood, mompelde iets in zijn baard, en ontdekte iets merkwaardigs aan zijn schoen, ten minste hij wijdde daaraan al zijn aandacht.
Nu nog een klein vertelseltje, dat in de Preanger speelde, 't Was in den vooravond--de Regent van X. ontving bezoek in zijne kaboepaten. Er was een particulier en de Resident van dat gewest; even daarna kwam een aspirant-controleurtje het gezelschap vergrooten. De zoon des huizes, een gymnasiast, met vacantie thuis, liep de pendopo op. Toen hij echter zag, dat zijn vader niet alleen was, wilde hij zich weer verwijderen, doch de Resident had hem gezien en riep hem tot zich. Z.Ed. begroette den jongen hartelijk en maakte een lang en vriendelijk praatje met hem. Als het onderhoud met Z.Ed. was afgeloopen, kwam hij naar het jonge ambtenaartje toe en maakte eene beleefde buiging voor hem. Het heertje echter vond het niet noodig, om dien beleefden groet met iets meer te beantwoorden dan een nauw merkbaren hoofdknik, en terwijl zijne koude oogen hem minachtend van top tot teen opnamen, stootte hij koel dit woordje uit: "Tabee" (Maleische groet). De jongen verbleekte, zijne lippen trilden, een paar vuisten balden zich.
Veel later vertelde hij aan den particulier, die dit voorval bijwoonde: "Ik houd heel, heel veel van de Hollanders, mijnheer, en tel onder hen mijne beste vrienden, doch ik zal _nooit_ die "Tabee" van dien aspirant vergeten kunnen, het sneed mij door de ziel".
O! Stella, ik heb blikken geworpen in allerhande toestanden in de Indische maatschappij, onwillekeurig keek ik achter de schermen van de ambtelijke wereld. Er zijn afgronden, zoo diep, Stella, dat het gezicht er van alleen je reeds doet duizelen! Ach God! wat is de wereld toch vol wandaden, vol akelige afschuwelijkheden! Er zijn residenten en assistent-residenten, waarbij Slijmering in Max Havelaar nog een heilige is. Neen, ik wil mijn brief niet maken tot een schandalenkroniek.
O, nu begrijp ik, waarom men tegen de ontwikkeling van den Javaan is. Wanneer de Javaan ontwikkeld is, zal hij niet meer op alles ja en amen zeggen, wat zijne meerderen hem verkozen voor en op te leggen.
Zie, in den laatsten tijd worden er in de "Locomotief" (het voornaamste dagblad van Indië) artikelen gepubliceerd, geschreven door Inlanders. In die stukken leggen zij hunne opinies bloot over veel, dat sedert jaren heimelijk de gedachten beroert van zoo niet alle, dan toch het grootste deel der Inlandsche ambtenaren. Niet alleen de hoogsten van 't land, doch ook de minderen laten hunne stemmen hooren. De dagbladen noemen dit een verblijdend teeken des tijds en juichen 't zeer toe. Hoe de Europeesche ambtenaren er over denken, is mij niet bekend; wel weet ik, dat een controleur, eene reorganisatie van het Binnenlandsch Bestuur voorstelde, die de Regeering niets kost en die ten goede komt niet alleen aan de Europeesche, doch ook aan de Inlandsche ambtenaren. Hij bepleitte het nut van een bestuur van eigen hoofden, over het volk. Een denkbeeld, dat ook door de beide Kamers der Staten-Generaal wordt voorgestaan. Zij ook eischen het verplicht stellen van het Nederlandsch als diensttaal tusschen de Europeesche en Inlandsche ambtenaren. Heerlijk! dat mijn broer dus niet alleen staat.
Het is hier net als bij jullie de vrouwenbeweging, de Javaan emancipeert zich. En evenals jullie vrouwen en meisjes daar tegengewerkt worden door hen, die eeuwenlang de meesters zijn geweest, wordt de Javaan hier door zijn meerdere in zijne bewegingen belemmerd.
Het is hier nu nog maar een begin. Goddelijk toch, dat mannen van naam en aanzien onze zaak behartigen. De strijd zal fel zijn; de strijders zullen niet alleen te kampen hebben met de tegenstanders, maar ook met de onverschilligheid van eigen landgenooten, voor wie zij de lans breken.
En als de strijd van de mannen aan het woeden is, dan zullen de vrouwtjes opstaan. Arme mannen, wat zult gij 't volhandig hebben!
O! heerlijk, dat wij juist leven in dezen tijd! de overgang van het oude in het nieuwe!
Dezer dagen las ik: "Keurt niet af, gij ouden van dagen, al wat nieuw is. Bedenkt, dat al wat nu oud is, ook eens nieuw is geweest". (Ik citeer uit het geheugen.)
O, wat heb ik geschreven; ik hoop, dat ik je er niet al te zeer mee vermoeid heb. En, o, vergeef me, als ik door mijn geestdrift mij te zeer heb laten meeslepen en hier en daar iets schreef, dat je pijn doet! Stella! vergeef me, dat ik zoo heelemaal vergat, tot wie ik sprak. Ik ontmoette je in zoo groote sympathie. Mij heb je gezegd, dat ik niets anders voor je ben dan eene geestverwante. En evenzoo heb ik je beschouwd! Ik ben geen Javaan, geen kind van het geminachte bruine ras voor je, en je bent voor mij, niet eene die tot het blanke ras hier behoort, dat den Javaan haat en veracht en bespot. Je bent voor me de blanke in den waren zin van het woord, de blanke van huid en van ziel, tegen wie ik _hoog_ opzie, die ik liefheb van ganscher hart, en met mij vele landgenooten stellig, als zij je kenden. O, dat alle Hollanders zoo waren als gij en vele mijner blanke vrienden, die ik hoogacht en liefheb!
Barthold Meryan is mij toegezegd, doch tot nu toe zie ik niets komen, denkelijk heeft de boekhandelaar het eerst uit Nederland moeten laten komen.... Maar ik las dezer dagen "Moderne Vrouwen", door Jeanette van Riemsdijk uit het Fransch vertaald. Teleurgesteld legde ik het boek neer, ik had er zooveel schitterende recensies over gelezen. Deze tendenzroman moest in alle opzichten hooger staan dan Hilda van Suylenburg. Het moest volmaakt zijn en heelemaal zonder gebreken.
Maar ik voor mij vind, dat H.v.S. nog altijd de Ratoe (Vorstin) is van alle tot nu toe verschenen werken over de Vrouwenemancipatie. Ik zal mij er wel voor wachten om een kritiek (!!!) uit te spreken over de "Moderne Vrouwen", maar naar mijn inzien mist dat boek die gloed en bezieling van H.v.S.
Wil je wel gelooven, dat ik in één stuk door H.v.S. had uitgelezen? Ik sloot me in onze kamer op, vergat àlles, ik kon 't boek niet uit mijn handen leggen, 't sleepte me zoo mee!
't Is jammer, dat mijn notitieboekje zoek is geraakt; ik wou je vragen iets te lezen, dat ik onlangs gelezen heb. Het is een stuk uit het Engelsch vertaald en heet: "Het doel der Vrouwenbeweging", ik weet echter niet goed meer of dat in de "Gids", dan wel in de "Wetenschappelijke bladen" heeft gestaan. En dan wat je lezen moet, als je 't nog niet kent, "De Wajang Orang" van Martine Tonnet in "de Gids", November-nummer. Het is iets over Javanen en hun kunst en het hof te Djokjakarta, heel interessant. Ge zult er van genieten, heusch. Dezer dagen las ik voor den tweeden keer "Minnebrieven" van Multatuli. Wat is hij toch een geniale man. Heerlijk, dat eerdaags eene goedkoope uitgave van al zijn werken verschijnen zal. Ik zal Papa maar eens heel lief aankijken.
De vader van onzen assistent-resident is een goede vriend van Multatuli, en van hem hooren we eenige bijzonderheden uit het leven van dat genie.
Couperus is nog steeds in Indië, als hij weer in het Vaderland terug is, zal er, geloof ik, een schitterend boek over mijn land verschijnen. Wat is zijn taal toch eenig en mooi!
[1] Kotta betekent hoofdplaats.
[2] Pasangrahan is een logeergebouwtje van Gouvernementswege voor reizende ambtenaren bestemd.
[3] Met Z.E. (Zijne Excellentie) wordt de Gouverneur Generaal bedoeld.
[4] Tòtòkkers = sedert kort in Indië gevestigde personen.
Begin 1900. (II.)
U weet wel hoe vurig steeds wij naar Europa verlangd hebben. Wij namen er vrede mee hier te studeeren, omdat Europa onbereikbaar voor ons was. Verleden jaar zouden wij al dolgelukkig zijn met Batavia, schoon toen onze gedachten reeds naar Europa vlogen. Aan de Indische Regeering wilden we n.l. vragen ons op 's lands kosten naar Europa te zenden; Roekmini voor de beeldende kunst, om later haar krachten te wijden aan de wederopbloeiing der Indische kunst, één der middelen tot volkswelvaart. Kleintje naar de huishoudschool, om later de toekomstige moeders en huisvrouwen de waarde van het geld en zuinigheid te leeren, een deugd, die het zorglooze, ijdele, pracht- en praallievende Javaansche volk zoo noodig heeft aan te leeren. En ik voor het onderwijs, om den toekomstigen moeders, naast wetenschappen, het begrip _liefde_ en _rechtvaardigheid_ te leeren, zooals wij dat verstaan hebben door de Europeanen.
De Regeering wil Java tot welvaart brengen, 't volk spaarzaamheid leeren en daarmee beginnen met hare ambtenaren. Wat baat het of de mannen gedwongen worden wat geld op zij te leggen, als de vrouwen, in wier hand het huishouden berust, de waarde van 't geld niet kennen? De Regeering wil den Javaan ontwikkelen, beschaven en dwingt om te beginnen de bovenste laag, d.i. de aristocraten, de Hollandsche taal te leeren. Daar wordt bij benoemingen nu immers op de ontwikkeling der candidaten gelet. Maar is een verstandelijke ontwikkeling alles?
Wil men werkelijk beschaven, dan moeten verstandelijke ontwikkeling en zedelijke ontwikkeling hand aan hand gaan.
En wie kan 't meest voor deze laatste doen, 't meest bijdragen tot de verhooging van 't zedelijk gehalte der menschheid?--de vrouw, de moeder, omdat aan den schoot van de vrouw de mensch zijne allereerste opvoeding ontvangt, het kind daar het eerst leert voelen, denken, spreken. En de allervroegste opvoeding is niet zonder beteekenis voor 't geheele leven.
Een der ondeugden, die bij den Javaan zoo noodig den kop moet worden ingedrukt, is _ijdelheid_; dat zal _veel_ bijdragen tot de welvaart van Java, en wij kunnen daartoe komen alleen door _moreele opvoeding_.
_Zoovele krachten_, die het land en volk tot nut en zegen hadden kunnen zijn, liggen ongebruikt, omdat de bezitters uit ijdelheid niet verkiezen daarvan gebruik te maken. De adel lijdt liever bittere armoe en ellende, dan het goed te hebben, maar te moeten werken, zonder dat een goudgetinte pajong den hooggeboren kop dekt. De adel minacht alles, wat niet gedekt wordt door dat zoo begeerde artikel--gouden zonneschermen!
* * * * *
Ons volk is niet erg vatbaar voor hooge idealen; wij moeten het verbazen door een voorbeeld, dat _spreekt_ en tot _navolgen dwingt_, willen wij ons idee van voorgaan en voorlichten bereiken. En daarom naar Holland gaan--en voor _alles_, voor de studie, voor _ons_ is 't goed, dat wij er heen gaan, moedertje, help ons gaan!
Als wij afgestudeerd zijn en op Java terugkomen, zullen wij een internaat openen voor dochters van den adel; als 't kan van Regeeringswege, zoo niet, dan zullen wij 't van de particulieren gedaan zien te krijgen, door een geldloterij, of zoo iets.
Er zal wel wat op gevonden worden, als we al zoo ver zijn--voorloopig hebben we het meest hier thuis uit te vechten, zullen wij met Vader's toestemming rijker zijn dan een vorst. O! mogen wij die krijgen!
O! 't doet zoo'n pijn, zoo'n pijn. Vreeselijk is 't om een Javaansch meisje te zijn en een fijnvoelend hart te hebben. Arme, arme oudjes, welk noodlot was het, die hun zulke dochters gaf, als wij? Wij hopen en bidden vurig, dat hun een lang leven geschonken wordt, en dat zij later trotsch kunnen zijn op ons, al loopen wij niet onder een glanzenden gouden zonnescherm!
Helpt, vrienden, ons van hier te gaan, om te werken aan de verwezenlijking onzer idealen. Er zal een begin gemaakt worden aan het einde van dat groote onrecht, dat duizenden vrouwen- en kinderharten heeft doen bloeden.
Ik wil mij goed op de Nederlandsche taal toeleggen, ze volkomen onder de knie hebben, dat ik met ze doen kan wat ik wil--en dan zal ik trachten door middel van mijne pen de belangstelling van hen gaande te maken, die ons kunnen helpen, bij ons pogen om verbetering te brengen in 't lot der Javaansche vrouwen.
"Arme dwazen", hoor ik u zeggen, "wil je met je beidjes aan dat reuzengebouw schudden, wil je het omverhalen?"
Wij zullen er aan schudden, Moedertje met al onze kracht, al zal slechts één steen er uit vallen, wij zullen ons leven dan niet vergeefsch beschouwen. Wij willen voor wij daartoe overgaan, eerst trachten ons de medewerking te verzekeren, van al is 't slechts één van de beste en ontwikkeldste mannen van Java. Wij willen ons in verbinding stellen met onze ontwikkelde, vooruitstrevende mannen, hun vriendschap trachten te verwerven, en daarnaast hunne medewerking. Niet tegen de mannen binden wij den strijd aan, maar tegen oude, overgeleverde meeningen, adats, die niet meer deugen voor ons Java van de toekomst, waarvan eenige anderen met ons de voorloopers en voorloopsters zijn. Door alle tijden heen hebben de baanbrekers, op welk gebied ook, 't hard te verantwoorden, _wij weten het_. Heerlijk is 't een ideaal, een roeping te hebben. Noem ons gekken, dwazen, al wat u maar wil; wij kunnen niet anders, 't zit ons in 't bloed. Grootvader was baanbreker, toen hij een halve eeuw geleden zijn zoons en dochters een Europeesche opvoeding gaf. Wij hebben 't recht niet om _dom_ te zijn; om _niets_ te zijn. Adeldom verplicht! Excelsior! Nu kunnen wij ons nog niet in verbinding stellen met onze mannen van de jonge garde. Wij zullen dadelijk verdacht gemaakt worden. Vriendschap tusschen ongetrouwde vrouwen en mannen, getrouwd of ongetrouwd, acht men onbestaanbaar. Later als wij onze onafhankelijkheid veroverd hebben, kunnen wij 't doen. Mijn broer kent ze allemaal, persoonlijk of door correspondentie. Wij weten, dat er mannen zijn, die beschaafde, denkende vrouwen apprecieeren. Ik heb een man, hooggeplaatst Inlandsch ambtenaar, hooren zeggen, dat het zoo'n groote hulp en steun is voor den man, wanneer de vrouw beschaafd en ontwikkeld is.
13 Augustus 1900. (VIII.)
Wij voelden ons diep, diep rampzalig, omdat de ruwe werkelijkheid onze idealen dreigde te vermoorden; het koele, koude verstand beval droomen en illusies weg te werpen, te begraven, omdat onze Inlandsche maatschappij ze niet noodig had....
En daar kruiste u ons levenspad.... Wij voelen ons onmachtig in woorden weer te geven, wàt ons innerlijk beroert; de warmste, innigste bewoordingen lijken koud en koel bij hetgeen 't hart gevoelt; weet slechts dit, lieve Mevrouw, dat zoolang onze harten kloppen, uw beider namen in dankbare herinnering bij ons zullen blijven. Toen Vader een maand geleden vertelde, dat de Directeur van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid hier zou komen, en met welk doel, droegen we uwen, ons nog onbekenden echtgenoot reeds groote sympathie toe; we wisten dat hij _hart_ had voor den _Javaan_ en voor de _vrouw_! Met welk een verlangen verbeidden wij zijn komst. Hij kwam en aan zijne zijde schreed een lieve zachte vrouw, die met vriendelijke hand bloemen strooide voor ons. Lieve, hartelijke woorden ruischten van hare lippen als muziek in onze ooren en drongen diep, diep ons in 't harte. Ze waren als zonnestralen, die verhelderden ons gemoed, en ons 't hart verkwikten en verwarmden.
We danken God innig, dat hij u tot ons zond en wij in u zoo groote sympathie mochten ontmoeten!
Een paar dagen geleden wisten we nog _niets, niets_ van u, en nu is u ons zóó lief als kenden wij u heel ons leven lang!
Hoe vreemd en mysterieus is sympathie toch; zij laat zich niet dwingen, nergens binden; komt ongeroepen, onverwacht en bindt met één enkel woord, doch één, dat een diepen blik geeft in elkaars gemoedsleven, twee zielen, die tot dusver elkaar vreemd waren, met sterken, hechten band!
O! 't is zoo heerlijk, zoo zalig! gevoelens, denkbeelden, die in ons leven en die wij liefhebben, bij anderen terug te vinden; en dit is 't, dat onzichtbare, doch sterke draadjes van 't eene naar 't andere hart spant en ons nader tot elkaar brengt, dan ooit jarenlange omgang 't zoude kunnen doen.
* * * * *
O! we zouden 't wel willen uitjubelen van vreugde, met de vogeltjes in de boomen meezingen liederen van lof en van dank den Schepper van 't al gewijd, en met de gevleugelde zangers jubelend ten hemel opstijgen om Hem te danken voor 't mooie, heerlijke leven! Mooi en heerlijk is 't leven, ondanks zijn vele en donkere schaduwzijden; en zijn deze er niet juist om't licht scherper te doen uitkomen? God heeft 't goed met ons bedoeld; 't leven is ons gegeven als zegen en niet als last; wij menschen zelf maken het veelal tot een kruis.
Hoe goed de Schepper 't met ons meent, voelen, weten we 't best, als we in Zijn vrije natuur zijn. Op Klein Scheveningen, waar alles ademt van schoonheid en poëzie, van vrede en rust, kunnen wij vaak ons geluk niet op.
't Lijkt me toe, alsof ons leven nu heelemaal is veranderd, veel mooier is geworden.
O! hoe groot is toch de macht, de invloed der geestes- en gemoedsaristocratie, dat zij in enkele uren tijds zoo'n groote verandering in zoovele levens kan teweeg brengen.
Augustus 1900. (VIII.)
"Welke is toch de taal, al is men die ook nog zoo machtig, waarin men goed de emoties van de ziel uit kan drukken? Deze bestaat niet."
Ik geloof met u, zij bestaat niet, althans niet in die, welke gesproken en geschreven wordt; maar er is een stille, geheimzinnige taal, die in woorden noch in letterteekens zich uitdrukt, en die toch verstaan en begrepen wordt door ieder, die voelt, en waarop men ten volle kan vertrouwen, omdat in haar ganschen woordenschat 't woordje "leugen" is onbekend!
't Is de reine, kuische taal der oogen, de klare spiegels van de ziel! En als u dien middag me kon zien, vijf zacht geurende velletjes trilden in mijne bevende handen, warme tranen drupten me langs de wangen, zoudt u zonder één enkelen klank van mijnen mond te vernemen, alles verstaan, begrijpen, wat er in mij omging! Wat de mond noch de pen vermocht te uiten, hadden u de oogen, die drijvend in een floers van tranen opblikten ten hoogen, als om daar te zoeken, te vinden te midden van andere engelen Gods, die eene, die met zachten vleugelslag tot ons was neergedaald om onze bedroefde harten, die bitter weenden om vee! treurigs op deze aarde, te troosten en te vervullen met eene hemelsche vreugde! Dank! dank! dank! riep elke hartslag, elke polsslag, en iedere ademhaling was een dankgebed!
* * * * *