Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk

Part 33

Chapter 333,538 wordsPublic domain

Men beweert dat door het eene het andere van zelf komt, door verstandelijke ontwikkeling het gemoed vanzelf beschaafd, veredeld wordt. De voorbeelden zijn zonder tal, die bewijzen, dat hooge intellectueele ontwikkeling nog volstrekt geen brevet is voor zedelijke superioriteit!

En men mag dezulken, wier gemoed, ondanks hun schitterend intellect, ruw, onbeschaafd is gebleven, niet hard vallen; meestal toch ligt het niet aan henzelve, maar aan hunne _opvoeding_. Men had de uiterste zorg gedragen voor hunne verstandelijke ontwikkeling, maar wat had men gedaan aan hunne _karaktervorming_? _Niets_! Zonder zedelijke vorming zou 't beste onderwijs niet die vruchten kunnen dragen, welke men er van zou kunnen verwachten.

En de Inlandsche maatschappij heeft zóózeer noodig een beteren zedelijken grond, zonder welken de maatregelen der Regeeringen, hoe goed ook gemeend, zoo niet geheel schipbreuk moeten lijden, dan toch slechts povere resultaten opleveren. Men verbetere derhalve de zedelijke grondslagen der Inlandsche maatschappij; is een degelijke zedelijke basis er eenmaal gelegd en gevormd, dan zal men met het meeste succes kunnen voortbouwen en zaaien.

Dat _de vrouw_ bij de _zedelijke vorming_ der maatschappij eene groote taak te vervullen heeft, wie zal het ontkennen? _Zij_, juist _zij_ is er de aangewezen persoon voor; _zij_ kan veel, zoo niet _'t meest_ bijdragen tot het verhoogen van het zedelijk peil der maatschappij. De natuur zelf heeft háár die taak aangewezen. Als _moeder_ is zij de _eerste opvoedster_ van het menschdom; aan háár schoot leert het kind 't allereerst _voelen, denken, spreken_; en in de meeste gevallen is deze allervroegste opvoeding niet zonder beteekenis voor het geheele leven. Het is de _moederhand_, die in 't menschenhart 't allereerst de kiemen legt van deugden en ondeugden, welke den mensch niet zelden 't geheele leven door bijblijven. Niet zonder grond spreekt men van deugden en ondeugden met de moedermelk ingezogen. En hoè kunnen nu Javaansche moeders hare kinderen opvoeden, als zij zelf zijn _onopgevoed_? _Nooit_ zal de beschaving, ontwikkeling van het Javaansche volk krachtig kunnen voortschrijden, indien de _vrouw_ daarbij _ten achter blijft_, er géén taak te vervullen heeft.

_Ontwikkel_ de Javaansche vrouw naar _hart_ en _verstand_, en men zal _flinke_ medearbeidsters hebben gevonden voor het schoone reuzenwerk: de beschaving van een volk van millioenen! Geef Java flinke, verstandige moeders, en de beschaving, opheffing van één volk is maar een quaestie van tijd!

Voorloopig voed op, onderwijs de dochters van den adel; van hier moet de beschaving uitgaan tot het volk; vorm haar tot flinke, verstandige, degelijke moeders, en zij zullen krachtig de beschaving verbreiden onder haar volk. Op hare kinderen zullen zij hare beschaving en ontwikkeling voortplanten; hare dochters, die weder moeders zullen zijn; haar zoons, die geroepen zullen worden mede te waken over het wel en wee van 't volk. En nog op tal van andere wijzen zullen zij als beschaafden naar den geest en 't hart èn haar volk èn hare omgeving tot nut kunnen strekken.

Voor zoover bekend, is de tegenwoordige Directeur van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid de eenige Regeeringspersoon, die aandacht heeft geschonken aan de beteekenis der vrouw in de ontwikkeling van het Javaansche volk, en die in die richting ook stappen heeft gedaan.

Helaas! zijne pogingen hebben schipbreuk geleden, en wel door den onwil der personen zelf, aan wie dat zegenwerk zou ten goede komen en tegelijk aan heel het Javaansche volk. De Regenten, wier advies in deze werd gevraagd, achtten over 't algemeen, den tijd nog niet gekomen om voor dochters van Inlandsche hoofden en andere grooten scholen op te richten.

Doch wat ziet men in de practijk? De Regenten, die zulks adviseerden, achten voor _hun_ dochters den tijd wèl gekomen, om eene verlichtende opvoeding te ontvangen, en geven haar die. De quaestie is: nu de Europeesche opvoeding nog niet algemeen is, in 't bijzonder voor Inlandsche meisjes, wil ieder voor _zichzelf_, zéér gaarne zijne kinderen 't beste onderwijs geven, dat er te krijgen is, maar het _niet_ aan anderen aanbevelen, of 't bij anderen aanmoedigen, omdat men _zelf_ gráág ontwikkeld is, doch _niet_ gaarne ziet, dat anderen het óók zijn.

Werden er nu scholen geopend, _ieder_ zou er zijne kinderen naar toe zenden, en zij zouden dan dezelfde ontwikkeling krijgen, waarvan men gráág de _eenige_ bezitter zou blijven.

Teekenend is wat een voornaam, ontwikkeld Inlandsch hoofd, naar aanleiding daarvan zegt: "de Javaan, in 't bijzonder de aristocratie, wil voor _zichzelf_ zéér gaarne _witte_ rijst op tafel hebben, die hij anderen _niet gunt_; voor die anderen is _roode_ rijst goed genoeg."

"Houd de menigte dom, dan heeft men de macht in handen!" zou de leuze kunnen heeten van menig, menig hooggeplaatste, die met leede oogen aanziet, dat óók anderen naar kennis en ontwikkeling streven.

Het is bekend, dat menige "doekoen" (Inlandsche geneeskundige) een geheim middel wetende voor de een of andere kwaal, zijn geheim meenam in 't graf, zelfs aan eigen kinderen 't niet willende toevertrouwen. Het solidariteitsgevoel ontbreekt ten eenenmale in de Inlandsche maatschappij, en men heeft dit daar zéér noodig aan te kweeken, zonder hetwelk vooruitgang van een geheel volk onmogelijk is.

Dat, het-beste-alleen-voor-zichzelf-willen-hebben-en-'t-beschouwen-als-goed-recht, spruit bij de aristocratie voort uit een diep geworteld dwaalbegrip, dat de adel absoluut béter mensch, een wezen van hooger orde is, dan 't volk, en als zoodanig 't recht hebbend op 't beste van alles! Tot 't uitroeien dier begrippen, die remmend werken op den vooruitgang, kunnen wéér de _moeders_ ontzaglijk veel doen. En instede daarvan juicht nu de adellijke moeder haar kind toe, wanneer 't wurmpje, dat nog niet eens op zijne beentjes kan staan, een keel opzet, zoo het niet aangesproken wordt met den hem toekomenden titel!

Werkelijk, een _belangrijke factor_ tot volksbeschaving zal zijn de _vooruitgang der Javaansche vrouw_! Derhalve is het der Regeering eerste taak het zedelijk bewustzijn der Javaansche vrouw op te heffen, haar op te voeden, te onderwijzen, te vormen tot flinke, verstandige moeder en opvoedster!

Particuliere en gouvernementsscholen bewijzen, dat hoe langer hoe meer Inlandsche hoofden óók voor hunne dochters eene verlichtende opvoeding wenschen.

Er zijn eenige Regenten, die met hun kinderen óók de moeders er van laten onderwijzen door Europeesche onderwijzeressen. En nog méér ouders zouden hunne meisjes laten leeren, zoo daartoe maar de gelegenheid bestond; want niet overal is er een meisjesschool, en men ziet er tegen op om de meisjes naar gemengde scholen te zenden.

In de Preanger bestaat er sedert een paar jaar een particuliere, gesubsidieerde school onder leiding eener Europeesche onderwijzeres, speciaal voor kinderen van den Inlandschen adel. Jongens en meisjes gaan er school, echter in afzonderlijke lokalen; en de jongens gaan eerder naar huis, zoodat de kinderen van beiderlei kunne elkaar niet ontmoeten, volgens de zeden van het land.

Men redeneere niet langer, doch stelle de Inlandsche maatschappij voor een _feit_: _de_ (één) school voor dochters van hoofden is er!

Persoonlijke eigenschappen, een goeden naam, erkende kundigheden van degenen, die zulk een school leiden, zouden haar succes waarborgen, doch óók de Regeering heeft hier eene taak te vervullen. Zij kan dat succes bevorderen, eerstens door die school allen steun te geven, dien zij behoeft, voorts door op een of andere _sprekende_ wijze te _toonen_ prijs te stellen op _den vooruitgang der Javaansche vrouw_!

Het Javaansche volk is, als andere kind-volken, uiterst gevoelig voor glans, geur, schittering. Welnu, men voldoe dááraan, maar gève dan tegelijk iets _degelijks, iets blijvend goeds_!

Men denke aan kinderen, die men voor hunne gezondheid bevorderlijke medicijnen wil ingeven. Zet men hun de pillen b.v. voor zooals ze _zijn_, zij zullen ze slechts met _tegenzin_, en dan met vele lieve woordjes, vermaningen en eindelijk dreigementen willen innemen; maar geef hun _diezelfde_ pillen met suiker, zilver, goudpapier omwikkeld, 9 van de 10 gevallen, dat 't kind dadelijk de handjes er gretig naar uitstrekken zal!--Verstandiger geworden zal het geen suiker noch verguldsel behoeven om pillen in te nemen, die het voor zijne gezondheid bevorderlijk weet!

Zou 't voorbeeld door wijlen den Pangeran van Demak nu een halve eeuw geleden gegeven,--hij was de _eerste_ Javaan, die aan zijne kinderen eene Europeesche opvoeding gaf,--zóóveel navolging gevonden hebben, indien niet de Regeering door _sprekende bewijzen toonde_, die daad te apprécieeren?

Vier zoons en twee kleinzoons van genoemden Pangeran waren en zijn Regenten; en mannen tot oordeelen bevoegd, waren en zijn vol lof over die familie van Regenten.

Het is waar, de Regeering heeft direct voordeel van die daad van dat Inlandsche hoofd; maar het _nut_, dat de vooruitgang der Javaansche vrouw heeft voor de heele Inlandsche maatschappij, is aangetoond, en moet ieder inzien, die wèl denkt.

_Scholen_ alleen kunnen de maatschappij niet vooruit brengen, ook het _huisgezin_ moet _meêwerken_. _Vooral_ van het _huisgezin_ moèt de _opvoedende_ kracht uitgaan, --het huisgezin is er _dag_ en _nacht_, de school slechts op ènkele uren van den dag.

En hoe kàn nu 't huisgezin zegenend opvoeden, als zulk een voornaam element daarin, de vrouw, de moeder, geheel onbekwaam is tot opvoeden?

Als de Regeering nu op een of andere, het Javaansche volk wèlgevallige manier, _toonde_ prijs te stellen op den vooruitgang óók der Javaansche vrouw, zou Zij krachtig die goede zaak bevorderen. Beter nog dan op eenige andere wijze zou zulk een aanmoediging werken. Het zou méér, grooter effect hebben, dan wanneer b.v. de Regeering direct last gaf, dat alle Inlandsche hoofden hunne dochters moesten naar school zenden, een maatregel, die de Regeering wel nooit zal provoceeren!

_Weet_ de aristocratie, dat de Regeering er op is gesteld, dat hare dochters zich eene meerdere beschaving en ontwikkeling eigen maakten, dan zal zij in de eerste jaren niet uit overtuiging, dan toch uit _eigen beweging_ hare dochters naar school zenden. Hiertoe moet de aristocratie gebracht worden! Wat doet 't er toe met welke drijfveeren men zijne dochters naar school zendt? De quaestie is, dat men ze _naar school zendt_!

Aan de personen, die onderwijs geven, de _taak_, om de meisjes, die hun worden _toevertrouwd_, naar hun _beste weten_ en met _àl hun vermogen te vormen tot beschaafde, ontwikkelde vrouwen, bewust_ van _hare zedelijke roeping_ in de maatschappij, om er te worden de liefdevolle moeder, de verstandige, degelijke opvoedster, en voorts om op alle mogelijke wijzen _nut_ te stichten in eene maatschappij, waar op èlk gebied hulp dringend noodig is!

Voorloopig opene men één school, _internaat_, opdat men de kinderen geheel in dien geest kan opvoeden; echter zij die inrichting óók toegankelijk voor uitwonende leerlingen.

Het voermiddel zij daar de _Nederlandsche taal_!

_Alleen de kennis_ van eene _Europeesche taal_, en in de eerste plaats natuurlijk het _Hollandsch_, zal, voorloopig de bovenste lagen der Inlandsche maatschappij, tot ontwikkeling, tot _geestelijke vrijheid_ kunnen brengen!

Het beste middel om die taal te leeren, is, dat men zóóveel mogelijk in die taal denkt en die taal spreekt. Maar daarom verwaarlooze men de _eigen taal_ niet; daaraan bestede men de meeste zorg naast het Hollandsch.

Het denkbeeld heeft veel bekoorlijks om al de Europeesche werken, die ontwikkelend en opvoedend zouden zijn voor den Javaan, in diens taal over te brengen. En men moèt dit óók doen! Doch het is er nog niet, en zal er in den eersten tijd nog niet zijn.

Moet dan in dien tijd van wachten de Javaan in onkunde en onwetendheid opgroeien, terwijl "meer licht" dringend noodig is in eene maatschappij, die zooveel behoefte heeft aan betere zedelijke grondslagen om te komen tot betere materieele welvaart? Het is niet de bedoeling om heel 't Javaansche volk de Nederlandsche taal te leeren; wat zou de landbouwer, houthakker, grassnijder enz. enz. hebben aan kennis der Hollandsche taal? Men leere alleen de elementen, die er aanleg en geschiktheid voor hebben 't Hollandsch, en men houde bij dat taalonderwijs den leerlingen helder voor oogen en werke in dien geest: dat de kennis van het Hollandsch op zichzelf nog niets is, nog volstrekt geene beschaving beteekent, dat _de_ beschaving nog in iets anders zit dan in Hollandsch spreken, Hollandsche uiterlijke maniertjes kennen, en nog minder in de Europeesche kleeren. De kennis der Hollandsche taal is de sleutel, die de schatkamers van Westersche beschaving, wetenschappen, ontsluit; men heeft er te _werken_ om zich wat van die schatten eigen te maken.

Er moet een flink aantal beschaafden naar geest en hart gevormd worden, doorkneed in eigen taal en zaken, en daarnaast in 't Nederlandsch en de Europeesche wetenschappen. Die krachten moeten het _Nieuwe_ verwerken voor andere landgenooten, dat het door dezen _aangepast_ kàn worden!

Vertaal _nu_ alle belangwekkende Europeesche werken in 't Javaansch, zet dat 't Javaansche volk voor; òf de menigte 't dan zou lusten!

* * * * *

Aan hen, die in hun vroegste en latere jeugd alle zedelijke vorming moeten missen, wat nagenoeg het geheele Javaansche volk doet, kan nog zeer wel dat zeer gewichtig punt in de opvoeding bijgebracht worden.

Dit kan soms door toeval geschieden; men komt in aanraking met edele en kundige menschen, die zich onze geestelijke vorming aantrekken, of wel die onwillekeurig ons opvoeden door _edele voorbeelden_.

Een willekeurig middel tot opvoeding, waarvan veel heil kan verwacht worden, is: lectuur! Zij zal een uitnemende mede-opvoedster zijn. De Javaan heeft nagenoeg geen lectuur; wat hij heeft zijn enkele heldendichten en zedelessen, die nog wel slechts voor zeer weinigen bereikbaar zijn, doordat bijna alle met de hand zijn geschreven; erfstukken, die van geslacht tot geslacht overgaan en ook doordat vele geschreven zijn in symboliek en in eene voor gewone menschen onverstaanbare taal. Dan nog dit; de Javaan vat doorgaans zijn boeken letterlijk op, waardoor zij zoo niet alle dan toch veel van hunne practische waarde verliezen.

In de Javaansche zedenleer wordt bijv. onthouding van voedsel en slaap aangeprezen als de weg tot wereldlijk en hiernamaalsch welzijn.

Heel mooie gedachten liggen daaraan ten grondslag, echter voor de massa _verloren_.

Men vast, hongert, waakt, en denkt er reeds te zijn, terwijl de mooie idee hun ontsnapt. "Niet eten, drinken en slapen is het doel van het leven!--en--door lijden (inspanning, zelfbeheersching en beperking) tot heerlijkheid!"

En zoo doet men met meer dingen.

Men geve den Javaan lectuur, geschreven in een populaire, voor ieder verstaanbare taal, géén _preeken, óók_ niet licht-zinnige, oppervlakkige banaliteiten, maar _eenvoudige, frissche, onderhoudend_ vertelde verhalen, stukjes uit 't werkelijke leven, uit 't heden, 't verleden, óók uit 't rijk der fantasie, daarbij altijd in 't oog houdende: _een zedelijke, opvoedende ondergrond moet er steeds zijn_!

_Al prettig keuvelende_, geve men den Javaan voedsel voor _hart_ en _geest_ en nuttige wenken voor 't _practische leven_.

Er moeten boeken en boekjes in dien geest voor volwassenen en voor kinderen worden geschreven, en dan bladen en blaadjes, die wekelijks of maandelijks verschijnen, worden uitgegeven, waarin van alles en allerlei geschreven wordt wat den blik verruimt, den geest ontwikkelt en het gemoed veredelt. Volstrekt geen gewone krantenlectuur van brand, diefstal en moord, en anonieme zwartmakerijen en opkammerijen. Den lezers worde de gelegenheid gegeven vragen op allerlei gebied te doen, die dan òf door de redactie, òf door de medelezers worden beantwoord.

En zooveel mogelijk moet een uitwisseling en wrijving van gedachten tusschen de lezers onderling door dat blad bevorderd worden.

Evenals met de oprichting van scholen voor dochters van hoofden, moet men ook met de oprichting van zulk een blad eerst op kleine schaal beginnen. Het is immers gemakkelijk om het gaandeweg uit te breiden, terwijl het zóó ontmoedigend is, als men groot begint en het succes gering is.

Verblijdend is de verschijning van "Bintang Hindia", het Maleisch-Hollandsch geïllustreerd blad, dat in Holland uitgegeven en geredigeerd word door een bond van jongelieden der jonge generatie, die in Nederland hunne studiën voltooien aan de Hooge Scholen. Het zijn jonge mannen vol liefde en geestdrift voor hun land en landgenooten, die zij willen voorlichten naar de beschaving! Men steune dat streven!

* * * * *

Populaire kennis over Indië en zijne bevolking worde verspreid onder de Nederlanders; men leere hun den Javaan van een zuiver standpunt kennen, waardoor vooroordeel zou verdwijnen en in de toekomst niet alleen de buitengewone, maar ook gewone Nederlanders den Javaan beschouwen als medemensen, die geheel buiten zijn schuld geestelijk hun mindere is, en _niet_ omdat zijn huidskleur _bruin_ is.

Boeken in dien geest geschreven voor Nederlanders zouden veel nut kunnen stichten èn voor Java èn voor Nederland zelf, en van grooter waarde en kracht zou 't zijn, indien een kind van 't eigen volk Nederland dat volk leerde kennen! Dáárom ook is 't uitstekend, dat aan den Javaan Hollandsch wordt geleerd--het best zal hij door de Nederlanders verstaan worden, indien hij zich uitdrukt in hun taal, daarin zijne wenschen, behoeften en nooden vertelt.

Maar waarom zou eerst op later leeftijd bij Nederlanders de belangstelling voor Indië worden gewekt?--kan dat niet eerder geschieden? De scholen bieden daartoe eene uitnemende gelegenheid, in Nederland zoowel als in Indië.

Men neme op de scholen onder de leesboekjes, _leesboekjes_ op, die een helderen kijk geven op land, volk, zeden, gewoonten, toestanden van Indië; geen droge, geleerde, wetenschappelijke werkjes, maar onderhoudende lectuur, zooals kinderen ze gaarne lezen, en die een degelijke kennis bevat van de schoone landen en dat zachte bruine volkje van ver over zee.

Om de kinderen op school degelijke kennis van Indië bij te brengen, is 't niet genoeg daarvoor alleen boekjes te gebruiken, hoe populair en met groote kennis van zaken ook geschreven, 't Is óók noodig, dat de onderwijzers méér kennis van Indië bezitten, dan nu 't geval is, al ware 't alleen maar, opdat zij niet met een mond vol tanden zouden staan, als de kleine weetgierigen naar aanleiding van het gelezene over Indië het een en ander weten wilden.

Zou 't niet aanbeveling verdienen op kweekscholen voor onderwijzers een nieuw vak in te voeren; uitgebreide, degelijke kennis van Indië?

O! alle middelen moesten te baat genomen worden om in Nederland, en vooral ook bij de jeugd, belangstelling voor Indië te wekken.

De kinderen van heden zullen de _regeerders_ over Indië van de toekomst zijn!

Beter nog dan 't populairste werk zou _aanschouwelijke_ kennis van Indië in Nederland de belangstelling opwekken voor deze landen en volken.

_Tentoonstellingen_, zooals "Oost en West" er meer gaf in Den Haag van Indische voorwerpen van kunst en nijverheid, en zoo mogelijk in de eigene omgeving; bijv. een Inlandsche woning met bewoners (echte Javanen) en gamelan, op véle, véle plaatsen des lands gehouden, tegen zoo laag mogelijk gestelden toegangsprijs, opdat het volk er ook van profiteere. Zulk eene expositie bijeenbrengen en ze dan van plaats tot plaats door heel Nederland laten trekken en kijken.

Het is _diep treurig_ voor Indië, en _beschamend_ voor Nederland, dat de Nederlanders over het algemeen, de ontwikkelden niet uitgezonderd, zoo bitter, bitter weinig of niets van Indië afweten. Een der maatregelen door de Regeering te nemen om 't volk van Java tot meerdere ontwikkeling en welvaart te brengen en ten goede van Nederland zelve, is ongetwijfeld de kennis van Indië onder de Nederlanders zelf te bevorderen, bij hen belangstelling te wekken voor den "Oost".

Er kan van de Nederlanders in Indië een zegenrijke invloed uitgaan tot 't volk: ieder ontwikkelde Europeaan, in 't bijzonder degenen, die uit den aard van hunnen werkkring direct òf met den adel òf met 't volk in aanraking komen, kan in zekeren zin opvoeder en weldoener zijn van den Javaan. Men kan persoonlijken invloed ten goede oefenen en weldoen in den vorm van hulpverschaffing in gevallen van ziekten en verwondingen.

Welk een grooten, zegenenden invloed kon er van de ambtenaren persoonlijk uitgaan, zij die direct aanraking hebben met de hoogsten van het land: de hoofden en aristocratie.

Wat is van dien persoonlijken invloed te bespeuren? Over 't algemeen bedroevend weinig, o zoo bitter weinig! Dankbaar worden herdacht de ambtenaren, die hart hebben voor 't bruine volkje, dat zij regeeren, die de aan hen ondergeschikte Inlandsche ambtenaren beschouwen, niet als minderwaardigen in _alles_--bestemd om hen te aanbidden, maar als evenmenschen en _kameraden_.

O! dat er eene betere verhouding kome tusschen Europeesche bestuursambtenaren en Inlandsche, voornoemde aangehaalde verhouding _regel_ worde, en niet langer uitzondering blijve!

Het "prestige" staat er als scheidsmuur tusschen, houdt 't Europeesche en Inlandsche element van elkaar.

Zal èn Nederland èn Indië niet beter gebaat worden, indien over 't algemeen de Nederlanders en in 't bijzonder de bestuursambtenaren op eene àndere manier het "prestige" zoeken hoog te houden dan tot nu toe gevolgd is?

Humaniteit zal op den duur blijken te zijn beter, en is óók 't _beste_ middel om Java aan Nederland te ketenen, dan wanneer de Nederlanders, inzonderheid de bestuursambtenaren, de bevolking ontzag voor Neerland's gezag inboezemen, door zichzelf te plaatsen "op een verheven standpunt van goddelijke vereering". De Inlandsche ambtenaren bewijzen den Europeeschen den eerbied, dien zij hun eigen hoofden geven, omdat men _weet_ dat de heeren daarop gesteld zijn--maar of men 't uit het hart doet???!

De Nederlandsche ambtenaar sta _hoog_ genoeg, om géén eerbiedsbewijzen te willen aanvaarden, dan die uit het _hart_ komen!

Ook van de Europeesche vrouw kan hier grooten zegen uitgaan tot de Inlandsche maatschappij.

Er zijn gevallen bekend van Inlandsche meisjes, die van huis uit reeds eenige ontwikkeling mee brachten en die door den persoonlijken invloed van Europeesche vrouwen zich eene meerdere ontwikkeling verwierven, welke in de toekomst tot nut zal strekken der Inlandsche maatschappij, ten volle bewust als zij zijn daarin eene zedelijke roeping te vervullen te hebben.

Het voordeel, dat Nederland zelf heeft van die daad van humaniteit zijner dochters; zij hebben in de harten dier Inlandsche vrouwen en harer familie _liefde_ geplant voor haar land, hare natie. Zelf hebben zij het Javaansche volk van een beter standpunt leeren kennen. Het heeft dus geleid tot wederzijdsche waardeering en óók _vertrouwen_, welke beide partijen ten goede komen.

Er is ontzaglijk veel moois te doen in Indië voor den Europeaan en voor de Europeesche vrouw. Met een beetje goeden wil zouden zij zoo gemakkelijk de liefde der inboorlingen kunnen winnen. De Javaan kent geen dankbaarheid, wordt wel beweerd. O! als men maar eens hoorde hoe die "ondankbaren" met schier aandoenlijke liefde en vereering van Europeanen spreken, van wie zij _liefde_ hebben ondervonden, men zou ànders spreken.

De Javaan is zóó gevoelig voor uit 't hart komende vriendelijkheid. De Europeanen hebben den eersten stap tot toenadering te doen; uit zich zelf zullen de Javanen _nooit_ tot de Europeanen gaan, daarvoor zijn zij te bescheiden, te beschroomd, en--de Europeaan moet immers nog hun vertrouwen winnen?