Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk

Part 32

Chapter 324,159 wordsPublic domain

De overgang van eenvoudig jongmeisje tot echtgenoot, moeder en vrouw van een hooggeplaatst ambtenaar--wat in onze Indische maatschappij veel beteekent--is zóó groot, dat ik in de eerste tijden aan niets anders kon denken, dan hoe ik het best mijne nieuwe plichten zou vervullen.

En dat niet alleen--ook nog eene andere proef moest ik doorstaan. Kort na ons huwelijk werd mijn man op eens zwaar ziek. Daarna begon ik zelf te sukkelen; ik kan tot nu toe nog niet goed met het Rembangsche klimaat overweg. Wij wonen vlak aan zee, maar hetgeen op Japara een tractatie was, is hier op Rembang een plaag. Hier moeten wij oppassen voor den zeewind, die zeer ongezond is, daar hij eerst over koraalriffen en modder heenstrijkt, vóór hij ons bereikt. Doch laat ik u beiden eerst, ook namens mijn man, innig, innig bedanken voor het prachtige, kostbare souvenir, dat u ons bij gelegenheid van ons huwelijk schonk. Het is mij zooveel te dierbaarder, omdat het een stuk voorstelt van het hooggeroemde Thüringerwoud, waar u mij zooveel van vertelde, en waar mijn lieve Duitsche vrienden zóó graag zijn.

De fraaie schilderij en keurige foto van Jena hangen in onze zitkamer, waar mijn man, die een groot liefhebber van mooie schilderijen en beelden is, zijne kunstschatten bewaart. Ik kijk er zoo dikwijls met innig genot naar, en dan vliegen tal van lieve, dankbare gedachten naar mijne vrienden in Jena. Hoe innig, innig lief van u, om mij een boomkoek, het Duitsche nationale gebak, dat bij geen enkel feestelijke gelegenheid in uw land ontbreken mag, te willen geven. U heeft die gedachte niet tot daad kunnen maken, doch voor mij is zij niets minder; ik apprecieer haar evenzeer als was zij een daad.

En nu ga ik u van mijn nieuw rijk leven vertellen; dat hoort u immers zoo graag? U heeft steeds zoo innig veel belang gesteld in het leven van uw Javaansche vriendin, over wier toekomst u zich destijds zoo bezorgd gemaakt hebt.

Gode zij dank, dat wat u vreesde, ongegrond gebleken is. Immers een jong vrouwtje schrijft u deze regelen, een vrouwtje, wie het geluk uit de oogen straalt, en dat geen woorden genoeg weet om haar mooi geluk uit te jubelen!

Mijn man--zou hij mij anders genomen hebben? het is op heel Java bekend, dat ik anders ben dan anderen--en zou ik mij aan hem verbonden hebben?--is mijn echtgenoot niet alleen, doch hij is ook mijn geestesvriend.

Al wat ik heb gedacht, is door hem gedacht, en veel door hem tot daad gemaakt. Ik heb mij een rijk leven voorgesteld als baanbreekster voor de rechten en vrijheid der Javaansche vrouw --als echtgenoote van een hoogstaanden man in wien ik een krachtigen steun vind bij de bereiking der idealen, die mij steeds voor oogen gezweefd hebben, heb ik nu beiden: èn een rijk èn een vol leven.

Ik weet, dat dit u beiden genoegen zal doen te hooren. Uw beider Javaansch vriendinnetje met haar woeligen geest is dus in veilige haven aangeland. Ik wou, dat u me kon zien in mijne nieuwe omgeving.

U weet, hoe bitter weinig ik geef om weelde, om maatschappelijke positie; ze zouden voor mij niets geen waarde hebben, als niet mijn man het was, die ze mij gaf. Nu zijn ze mij een middel, om des te beter tot mijn doel te geraken.

Het Javaansche volk is innig aan zijn adel gehecht; al wat van zijn hoofden uitgaat, vindt makkelijk bij hem ingang. Zoo zal ik nu aan de zijde van mijn man des te eerder en gemakkelijker het hart van ons volk bereiken. Onze plannen van onderwijs en opvoeding gaan door, hoewel ik getrouwd ben.

Thuis zijn wij dat werk begonnen, en nu zetten mijne jongere zusjes ons werk voort. Ons schooltje op Japara telt nu reeds twee en twintig leerlingen, dochters van Inlandsche hoofden; de zusjes geven onderwijs. Ook hier ben ik dat werk begonnen, mijn eigen dochtertjes zijn mijn eerste leerlingen. Zoo hebben de Javaantjes dan haar meisjesdroom tot werkelijkheid kunnen brengen.

Rembang, 8 Juni 1904. (VIII).

Wij gaan niet uit en ontvangen zelden; en toch is mijn leventje steeds vol. Heerlijk, heerlijk! Mijne dagen verdeel ik tusschen mijn besten man, mijn huishouding en mijn kinderen, eigen en aangenomen. En deze laatsten nemen wel het grootste gedeelte van mijn dag in beslag. Als Vader naar zijn werk is, dan werken de kinderen met mij tot twaalf uur. Om half een vindt Vader een troepje schoongewasschen, maar o, zoo hongerige kindertjes. Om half twee wordt 't kleine volkje naar bed geëxpedieerd, en als Vader ook naar bed is,[1] en ik niet te moe ben, dan werk ik met jonge meisjes. Om vier uur ben ik aan de theetafel present. Als de kindertjes hun melk gedronken hebben, en gewasschen zijn, dan mogen zij 't pluimvee naar 't hok drijven, met ons meewandelen, of in den tuin spelen. Wij schemeren dan een poos en praten over alles en nog wat. Als ons troepje binnenkomt, dan is het met schemeren gedaan. Vader zit de krant te lezen en mijn kleuters scharen zich om Moedertje heen. Ik zit op een luierstoel, op mijn schoot de twee kleinsten, op elken arm van den stoel een kind, en aan mijn knie de twee oudsten. Wij gaan spelletjes doen of vertellen. Zoo nadert 't etensuur. Wij eten vroeg om de kleuters. 't Allerkleinste zit naast Moeder. Het kereltje heeft zich tot taak gesteld moeders glazen deksel op te lichten en weer op 't glas te zetten. Niemand mag hem dat werkje uit de hand nemen. En als hij 't eens niet doen mag, dan weet hij, dat hij die straf verdiend heeft. Om acht uur wordt 't kleine goedje naar bed geëxpedieerd. En wij oudjes zitten dan met elkaar te praten; bespreken alles en nog wat tot Klaas Vaak ook ons naar Poeloe Kapok[2] jaagt, en dit gebeurt niet meer zoo laat als op Japara, maar vroeg. Wij staan dan ook heel vroeg op.

Zondag is ons beider vrije dag; dien beginnen we heel vroeg met een wandeling. Na het ontbijt leer ik mijn meisjes nog even koken, en dan mag moeder de vrouw datgene doen, wat ze door de week niet kan. Veel is het niet, want mijn man vindt het gezelliger als ik bij hem zit. Hij tracteert me dan op mooie gamelanmuziek waarbij gezongen wordt. Ik vind het dan prettig om bij mijn man te zijn. Alléén maakt de gamelanmuziek een te grooten indruk op mij. Zij voert mij terug naar tijden, waar ik niet meer aan denken mag. Zij maakt mij week en weemoedig. Zoo vlieten dan mijn dagen henen, kalm, rustig, vredig als het beekje diep in het bosch, rustig en vredig stemmend, wie van zijn aanschijn geniet.

Als het kind, dat ik onder het hart draag, een meisje mocht zijn, wat of ik dan voor haar zou wenschen? Ik zou wenschen, dat zij moge _leven_! een rijk, vol leven. Het leven, dat haar moeder begon, moge zij voltooien. Zij zal niet gedwongen worden iets te doen tegen haar innigste voelen in. Wat zij doet, zal zij doen uit eigen _vrijen wil_. Zij zal een moeder hebben, die voor haar innerlijk welzijn zal waken, en een vader, die haar tot niets zal dwingen. Voor hem zal het niets uitmaken of zijn dochter heel haar leven lang ongetrouwd blijft. Waar hij prijs op stelt, is, dat zij onze achting immer behoudt. Dat hij vrouwen hoogacht, zooals ik innig hoop, dat mijne dochter er eene zal zijn, heeft hij bewezen door mij te trouwen.

O, als u eens wist, wat de laster van mij rondgestrooid heeft. Wat mij bereikt heeft vóór mijn huwelijk, was lof, vergeleken bij hetgeen ik na mijn trouwen te weten kwam. Wèl moest mijn man moed gehad hebben, om mij zijn hart, zijn hand, zijn naam aan te bieden. Nooit had hij een woord geloofd van hetgeen van mij werd verteld; in zijn hart was eene overtuiging, die niemand aan het wankelen kon brengen en die was: wij waren de draagsters van nieuwe ideeën, onbegrepen door de groote massa, die daarom ons steenigde. Zijn eerste vrouw leefde nog, toen hij steeds mijn partij opnam, waar men mijn naam door 't slijk trachtte te halen. Zoo vurig had ze verlangd mijne kennis te maken; in haar laatste ziekte sliep ze in met mijn portret in de hand. En hij voelde, dat ik eens een groote rol zou spelen in zijn leven. En allen hier in huis hadden naar mij verlangd. Er zijn dan voorgevoelens, heimelijke verlangens, die blijken voorboden te zijn van wat gebeuren zal in de toekomst. Alleen ik dacht niet, droomde niet, dat dit mijn toekomst wezen zou.

Ik geef mijn kleintjes geen vacantie: die krijgen zij eerst in September, als mijn kindje komt. In de eerste veertien dagen zal ik wel rust moeten nemen. En dan komt mijn kindje in de schoolkamer. Ik heb al een hoekje voor de kleine gemaakt, waar het kan slapen, als moeder de zusjes en de broertjes leert. Nu krijgen wij iets à la Hilda van Suylenburg: een moeder, die met een zuigeling uit werken gaat.

[1] Zooals men weet, is het in Indië gebruikelijk na den middag een uurtje te rusten.

[2] Het kapok-eiland = bed.

Rembang, 30 Juni 1904. (VIII.)

Wanneer zal ik toch weer als voorheen met u kunnen correspondeeren?

Van alle kanten regent het verwijten, dat ik zoo slecht schrijf. Maar ik kan niet anders. Ik heb een groote taak aanvaard, en het is dure plicht haar goed te volbrengen. De kinderen doen zoo hun best; ik heb er nu twaalf, waaronder een paar volwassenen.

Ik ben nu bezig aan het uitzetje van uw a.s. kleinkindje. De zusjes verlangen naar een meiske, en mijn man naar een zoontje. Als het een dochtertje is, dan zal ik haar dubbel liefhebben, omdat allen hier naar een jongen verlangen.

Rembang, 17 Juli 1904. (VIII.)

Mijn eigen liefste Moedertje,

Meet mijne liefde voor u, mijne belangstelling in alles wat u en de uwen betreft niet naar de grootte of de veelheid mijner brieven.

Het is mij met den besten wil van de wereld niet mogelijk om veel en om dikwijls te schrijven, aan wie ook. Nu vooral niet, nu ik met eene slechte gezondheid sukkel. Ik ben flink ziek geweest, heb kou gevat en heb veel geleden. Dit is nu Goddank voorbij! maar ik moet toch nog erg oppassen. O, en ik _moet_, ik wil gezond zijn voor ons kind.

Wat zoo'n kind der moeder toch niet kost! Al dat gesukkel komt daarvan. O! Moeske, ik moet zóó oppassen, zóó voorzichtig zijn met alles. Al sinds een maand ontvang ik alleen familie, die dan bij me in de kamer komt. Ik schrijf dezen op den langen stoel liggende; het opzitten hindert.

Mama heb ik verleden week bij me gehad. Die lieverd, niets is haar te veel waar het 't welzijn harer kinderen geldt. Zoo kwam ze van Pamalang waar Kardinah ziek is geweest, zoo was ze klaar om hier heen te komen, toen mijn man, in zijn wanhoop mij zoo ellendig te zien, om haar telegrafeerde. Mijn beste man ziet erg tegen de a.s. gebeurtenis op. Hij kan mij niet zien lijden. Arme lieverd, hij had moreel meer geleden dan ik, toen ik zoo ziek was. Hij zou de heele wereld onderste boven willen halen om mij leed en pijnen te besparen.

Rembang, 10 Augustus 1904. (VIII.)

Moeske liefste, ik moet zooveel aan u denken, vooral in den laatsten tijd. En telkens als ik aan u denk, komt er een zacht teeder gevoel over me, doch tegelijkertijd ook diepe weemoed.

Weemoed, dat u zoo ver van me is, en weldra onbereikbaar ver van me zal zijn.

Waarom toch moeten juist die zielen, die aan elkander verwant zijn, onbereikbaar ver van elkaar gaan. Ik kan zóó bedroefd zijn, als ik al te erg naar u verlang.

Ik zit stil voor me te staren, hoor noch zie van wat werkelijk om me gebeurt. Ik ben, ik leef in het verleden, dat zoete en dat bittere verleden, waar ik zoo gaarne toef, en waar als een lichtkrans uwe liefde doorheengeweven is. Ik lijd en ik geniet. Mijn hart is vol weemoed, maar daarnaast ook innige dankbaarheid, dankbaarheid voor het zoet geluk, dat uwe liefde mij gaf.

Ik kan God nooit genoeg danken, dat Hij u tot ons bracht.

* * * * *

Hoe komt de Javaan zoo te verarmen? vraagt men, en zij die deze vraag doen, denken zich tegelijkertijd suf, hoe aan meer geld te komen. En wie moet het ontgelden? natuurlijk de kleine man, over wiens wel en wee men zich zoo uitermate bezorgd maakt, dat men een dure commissie benoemt, om onderzoek te doen naar de oorzaken van zijn achteruitgang!

"Hoe komt de Javaan zoo te verarmen?" en men slaat grassnijders, die 10 a 12 cent daags verdienen in de bedrijfsbelasting aan. Voor ieder geit of schaap dat geslacht wordt, moet 20 cent belasting betaald worden. Zoo betaalt een satee-verkooper,[1] die elken dag 2 schapen slacht, 's jaars _f_ 144 belasting. En hoeveel is zijn verdienste? genoeg om er van te leven.

Bij mijn ouders thuis wist ik al veel, maar hier, waar mijn man elke gedachte met mij deelt, waar ik geheel met hem meeleef, met zijn werk, zijn streven, ben ik nog o, zoo veel meer te weten gekomen, dat ik eerst niet wist, zelfs niet vermoedde, dat bestond.

Er is o zoo veel schreeuwend onrecht, en iemand, die rechtvaardig is, moet als ambtenaar wèl lijden. Hij moet zooveel zien, en ook doen, wat tegen alle rechtvaardigheid in is.

* * * * *

Dag Moeske! Misschien is dit mijn laatste brief voor u! Denk maar veel aan uw dochtertje, dat u beiden zoo innig lief heeft. Groet Mijnheer hartelijk van ons beiden, en u druk ik vast aan 't hart. /$ Uw eigen dochtertje

KARTINI. $/

[1] Satee is een gerecht van stukjes vleesch aan een dun stukje hout geregen en dan geroosterd.

Rembang, 24 Augustus 1904. (VIII.)

Liefste Moedertje mijn. 't Was dus niet de laatste brief geweest, dien u onlangs van me ontving. Ik had er al voor gevreesd, maar misschien is deze het toch wel, want mijn tijd nadert ras, dat voel ik. Moedertje, hoogstwaarschijnlijk komt uw kleinkindje eerder dan wij hem eerst verwachtten.

Dag, mijn lieveling. Houdt u beiden u maar goed! In mijn hart is een bede, die aanhoudt: Behoede God mijn dierbare Vrienden!

Vast drukt u aan 't hart uw eigen dochtertje

KARTINI.

Rembang, 7 September 1904. (VIII.)

Mijn liefste Moedertje, Hoe zal ik u danken voor het schattige jurkje dat u ons kindje gaf. Het heeft voor ons des te meer waarde, omdat wij weten in welke omstandigheden u aan het geschenk voor uw kleinkindje gewerkt heeft. Van Roekmini weten we dat u het slecht maakt sedert uw terugkeer op Batavia. Te bedenken dat u zelf ongesteld zijnde, zooveel zorgen aan 't hoofd hebbende, en bovendien als altijd in eene groote drukte zittende, toch den tijd kon vinden om zulk een geduld-werkje te doen voor ons kind. Wel groot moet uwe vriendschap, diep en innig uwe liefde voor me zijn! Met vochtige oogen en een dankbaar, gelukkig hart bezag ik gisteren het jurkje, en telkens weer moet ik het zien!

Daar spreekt zooveel uit! Moedertje liefste! U heeft er uw dochter zóó gelukkig meê gemaakt. Het beeldige ornamentje zal ik later uw kleinkind om den hals hangen, als het niet meer op zijn jurkje kan gedragen worden. En ik zal het verder voor hem bewaren, tot hij begrijpen kan, als ik hem vertel van de lieve die God zijn moeder gezonden heeft, opdat het ornamentje hem even dierbaar wordt als het nu voor zijn moeder is.

Mijn man zei me gisteren bij de ontvangst van uw cadeau: "Ga Moedertje dadelijk schrijven, vrouw, het kon anders te laat zijn!"

En ik heb zijn raad gevolgd en meteen de stem van mijn hart.

Ons kindje is er nog niet, maar het kan er elk oogenblik zijn. Ik voel, dat zijn komst al heel nabij is!

Innig dank voor uwe bemoedigende woorden, liefste! De gedachte, dat daar ver van me een ziel, die een stuk is van mijn ziel, voor me hoopt en bidt, maakt me sterk, doet me o zoo oneindig goed!

Menschen, die me deze laatste dagen zien, vinden me bijzonder opgewekt.

Hoe zou ik niet opgewekt zijn, waar zoo'n groot geluk me wacht?

Wat tellen al die uren van pijn, waar zulk een zoet geluk de prijs van is? Ik verlang al zoo naar mijn kleine schat. Het is wel zoet te weten, dat zoovelen deze laatste dagen met me leven.

Of ik niet weet, hoe mijn lieven thuis, uur aan uur met me meêleven, voor me hopen en bidden.

Waar zoovele harten eenzelfde bede doen, daar zal de Hemel niet doof er voor blijven. Moeske, ik ben er zoo vast van overtuigd, dat uw dochter het goed zal afbrengen. Natuurlijk hoort u het dadelijk, als de groote gebeurtenis plaats heeft.

Och, kon u, mijn lieve engel, maar aan de wieg van ons kindje staan! Wat zal ik zalig gelukkig zijn! Ik weet, dat u ons kindje zal liefhebben, ook al is het een grooter mormel dan zijn moedertje is! Als het maar niet mormelig in hart en geest is, dan is het goed, hè Moeske! En dat kan haast niet, tenzij kwade geesten waken bij zijn wieg. Maar daar zal uw talisman wel voor zorgen, kwade geesten van uw kleinkindje afweren.

Mijn moeder is al sinds twee weken bij me en nog een oud grootmoedertje om me bij te staan in de moeilijke oogenblikken, die komen gaan.

Ik word hier verzorgd, vertroeteld en bewaakt als een prinsesje.

De luiermand, het bedje, alles staat in onze kamer klaar voor de komst van ons schatje.

En Moeske, hoe gaat het u a.s. Grootmamaatje? Hoe maakt Mijnheer het? O! zoo _innig_ hoop ik dat deze u beiden in den allerbesten welstand zal bereiken.

Hoe gaat het met Edie? Is hij nog in China? Ik las met belangstelling zijn stuk in Elseviers maandschrift.

Wat schrijft die jongen goed! Broer Edie, zou hij zich mijner nog herinneren? Ik heb er nog altijd hartzeer over, dat ik hem niet in persoon heb mogen ontmoeten. En nu, nu is de kans daarop heelemaal verkeken!

Als u hem schrijft, doe hem de hartelijke groeten van zusje Kartini; vertel hem van mijn mooi geluk, en dat wij beiden hem in sympathie gedenken.

Wat riekt het vruchtje heerlijk, echt Inlandsch parfum! Ik heb het jurkje in een kistje bij andere kleertjes opgeborgen, opdat ook deze lekker zullen ruiken. Wat zal mijn schat later heerlijk rieken!

Goeden nacht, liefste Moedertje, ontvang nogmaals ons beider innigsten dank. Groet Mijnheer hartelijk van ons beiden, en wees zelf ferm gekust van uw eigen dochtertje

KARTINI.

Dit was haar laatste brief.

13 September werd haar zoontje geboren en vier dagen later stierf zij plotseling, slechts ruim 25 jaren oud, gezegend en innig betreurd door allen die haar hebben gekend en lief gehad.

GEDACHTEN ONTLEEND AAN NIET OPENBAAR GEMAAKTE BRIEVEN.

Ik geloof in een God van oneindige liefde, in eene liefdevolle beschikking, ons ten goede.

Wij gaan den weg met moed, hoop en vertrouwen, Hij, die ons tot dit werk roept, Hij waakt over ons; Hij zal ons grijpen, steunen, wanneer wij wankelen, en oprichten, wanneer wij vallen!

Waar ik mijn troost, mijn kracht uit put? door zoo min mogelijk aan mezelf te denken, 't allermeest en in de eerste plaats aan _anderen_.

Nu weet ik wat een zegen er uitgaat van de schoone leer: "zichzelf te vergeten, zichzelf 't laatst lief te hebben."

Ik ben daarin pas eene beginneling. Wij hebben altijd gezegd en oprecht gemeend ook, dat niets ons te veel zou zijn, als wij daarmede anderen konden helpen. Wij hadden eene bepaalde manier van helpen in 't oog, en dachten aan niets anders. Wij zouden _gelukkig_ zijn, als wij op _die manier_ konden helpen. Daar school wel degelijk _egoïsme_ achter; wij hadden ons _één_ gemaakt met _die wijze_ van nuttig zijn voor anderen, van offeren. De vervulling van dien wensch had _ons gelukkig_ gemaakt. Dat was dus wel degelijk gedeeltelijk egoïsme.

De schoonste en moeielijkste overwinning waartoe de mensch in staat is, is: zich zelve overwinnen.

We kunnen, we willen niet gelooven, dat mannen, die hunne moeders zielslief hebben, ooit slecht kunnen zijn. 't Lijkt me eene onmogelijkheid toe.

Dat zijn nog de slechtste mannen niet, die trouwe kameraden hunner zusters zijn.

Vriendschap, die niet gebouwd is op volkomen oprechtheid, kan geen echte vriendschap zijn en onmogelijk duurzaam zijn.

Heerlijk is 't om invloed te hebben, maar o zoo angstig tevens! 't Is soms zoo moeielijk uit te maken, waar het goede ophoudt en het kwade begint.

O! in ons schreeuwt dikwijls het verlangen naar die eenvoudige zielen. Wij zullen niet tornen aan hun eenvoud, wij zullen hun niet andere behoeften leeren; wij zullen hen laten in hun eenvoud, hun karakter, en alleen daar verandering trachten te brengen, waar de zeden in strijd zijn met het beginsel _Liefde_.

Ruk de klimplant los van het voorwerp harer innige duizend-armige omhelzing, en zij zal neerhangen, of alle leven uit haar is gebluscht. Lang zal 't duren, eer zij weer opleven kan.

Oude overgeleverde meeningen schuift men niet zoo maar terzijde om plaats te maken voor jonge ideeën.

_Machtig_ zijn de oude nog, waar geheel het land ze huldigt, maar het frissche jonge beginsel zal overwinnen.

Uit den dood zal nieuw leven verrijzen! Men kan 't nieuwe leven _niet_ smoren, en al lukt het nú, _morgen_ zal 't weer opbloeien en aldoor in kracht en sterkte toenemen!

AAN ONZE VRIENDEN.

Wat is het toch dat menschen, Elkander te voren vreemd, na een blik In elkaars oogen doet wenschen, Nooit weer van elkaar te gaan?

Wat is 't toch dat het harte Ontroert bij den klank eener stem, Nooit te voren vernomen, die lang Ons naruischt als een requiem?

Wat is 't toch dat de ziele In jubel vervoering doet opgaan, Ontstuimig ons het harte doet slaan? Wanneer een zeker oogenpaar, Vriendelijk in het onze staart, Warm een hand de onze drukt?

Weet gij het, blauwe zee, Die golft van kust tot kust? Weet gij mij te zeggen, waar Dat wond're op berust?

Wil mij 't zeggen, vluggewiekte wind, Gij, die van zoo verre streken komt, Wat toch is 't dat ongeroepen komt en Voor immer met hechten band 't harte bindt?

O! zeg 't mij, schitterende gouden zon, 's Heelal's machtige licht- en warmtebron, Hoe toch dat groote wonder heet, Dat zoo zalig 't harte maakt, Verzacht, vergeten doet het leed, Dat op aarde ons genaakt?

Een zonnestraal brak door 't loover, Viel neer op den golvenden vloed; 't Werd àl licht, àl schittering rondom, Onder den gouden zonnegloed!

Een apothéose van licht en kleuren Aanschouwde het verrukte oog. En uit de diep geroerde borst Steeg een warm dankgebed omhoog!

Niet één wonder was er, doch drie! Flonkerend op 't vloeibaar parelmoer, Schreef 't Licht met brillanten letters: "Liefde, Vriendschap, Sympathie!"

Liefde, Vriendschap, Sympathie, Murmelden de golfjes na, Zong in de boomen de wind, Aan het vragend menschenkind.

Zoet streelde het luisterend oor De wondere zang van golven en winden, "De heele, heele wereld door Zullen verwante zielen elkaar vinden!"

Zij zien op geen kleur, Noch rang, noch stand, Maar reiken onder alles Elkaar de hand!

En hebben ze elkaar gevonden, Dan laten ze niet meer los de band, Die hen verbindt. En blijven door alles Heen, elkaar trouw, trots tijd en afstand.

In vreugde één, in droefheid één, Zoo door het heele leven heen! O, zalig wie een verwante ziel ontmoet; Die heeft gevonden het heiligste goed!

DJIWA.

BESCHOUWINGEN VAN RADEN ADJENG KARTINI,

NEERGELEGD IN EENE NOTA MET HET OPSCHRIFT:

GEEF DEN JAVAAN OPVOEDING!

Japara, Januari 1903.

Is het absoluut onmogelijk een volk van 27 millioen zielen ineens op te voeden, niet alzoo om voorloopig de bovenste lagen er van zóó op te voeden en te ontwikkelen, dat zij de onderstaanden tot zegen worden. Het volk is innig verknocht aan zijnen adel; wat van dezen uitgaat, vindt makkelijk ingang bij het eerste. Welk profijt heeft men van deze omstandigheid getrokken, die _gelukkig_ kàn zijn voor àlle partijen, èn Regeering, èn adel, èn volk?

Tot dusver vrijwel alleen om er de rust van den Staat mee te verzekeren, en dat de inkomsten geregeld binnenkomen! De Staat en de adel profiteeren er van, maar wat heeft het volk zelf er aan?--Wat heeft het volk aan zijn hoog vereerden adel, dien het Gouvernement gebruikt om over hen te regeeren? Tot dusver niets, of dan maar bitter weinig goeds, veeleer nadeel als de adel eens misbruik maakt van zijne macht, wat nog geen hooge uitzondering is.

Dit moet veranderen, de adel _moet_ de volksvergoding _verdienen_, haar _waard_ worden, wat het volk tot onberekenbaar nut zal strekken.

Daartoe moet de Regeering den adel brengen, en daartoe kan men alléén komen, door den adel eene _degelijke opvoeding_ te geven, eene, die niet uitsluitend is gebaseerd op verstandelijke ontwikkeling, maar waarbij ook wel degelijk gelet wordt op _karaktervorming_.

_Dit punt houde men in 't oog bij alle den Javaan te verstrekken onderwijs!_