Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk
Part 31
Wij hebben het zoo straks erg gezellig gehad; aan de tafel, waar ik nu aanzit, zaten wij met ons vijven te werken. Justinah, het vroedvrouwtje, en wij viertjes. Zij is vanmorgen gekomen en blijft tot de volgende week bij ons logeeren. Wij vinden haar een snoes, een schat! Zij besteedt haar tijd hier nuttig, leert van ons wat handwerken; zij borduurde zoo strakjes slofjes. Wat een vluggertje is dat; ze heeft den slag dadelijk te pakken gekregen. Hoe rijk gevoelde ik mij vanmorgen, toen zij vertrouwelijk met haar hoofd tegen mijn schouder aanleunde, terwijl ik haar het een en ander uitlegde. Nu gevoelt zij zich thuis bij ons. Ik kijk zóó graag naar hare mooie intelligente oogen, die zooveel zeggen.
Het is een dessa-kind. O! wat eene liefdevolle leiding al niet vermag! U zou zoo'n pleizier in haar hebben. Zij luisterde met zooveel belangstelling en deed zulke belangstellende vragen. Mocht u ooit weer in onze buurt komen, dan hoop ik haar bij u te kunnen brengen. Het dappere vrouwtje heeft reeds 48 barende vrouwen bijgestaan. En och, ze is zoo'n jong ding nog, een kind haast.
De Regent van Rembang komt den 17den dezer; ik heb gevraagd zijne kinderen mede te brengen; ik zou graag met ze, _mijn toekomst_, kennis maken. Die kinderen zijn mijn toekomst; daar wil ik voor leven en werken, en strijden en lijden, als het moet. Ik hoop, dat ze van mij zullen kunnen houden. Wat ik van den vader vraag is: algeheele overgave zijner kinderen aan mij. Mijne illusie: velen tot mijne kinderen te mogen maken, nadert hare verwezenlijking.
Er zijn er meer, die mij hare kinderen aanboden, o.a. de ondercollecteur van hier, een gefortuneerde regentszoon: maak van mijn kind uw dienstmaagd, laat haar de vloer vegen, water putten, al wat u wil, als zij maar bij u mag zijn. 'k Hoorde 't aan met een lach, en inwendig een traan.
Ik zeide niets, beloofde niets, niets; bad alleen innig, dat ik al die mij toevertrouwde kleinen aan mijn hart sluiten mocht, koesteren met mijn liefde.
Eén kindje alleen neem ik mee naar mijn nieuwe woon, een meisje van een jaar of acht, mij door hare ouders afgestaan. Zij is een dochter van een onderwijzer en heeft school gegaan. Het is een beeld van een kind, is vlug en handig. Als zij aanleg er voor heeft, zal ik haar voor een vak laten opleiden. Nu krijgt ze voorloopig handwerkles van de zusjes.
In het Rembangsche zijn vrouwtjes en meisjes van onze ontwikkeling; daarbij zal ik me later aansluiten.
Mijn aanstaand schoonzusje is ook al een door de Westersche beschaving "besmette". Erg prettig voor mij.
Mijne dagen thuis zijn geteld; nog maar twee maandjes en dan komt mijn toekomstige beschermer mij halen. Hij en zijn jongere broer, de Regent van Toeban, zijn hier geweest. De dag is bepaald; 12 November a.s. zal het zijn; in alle stilte, alleen de familieleden zullen er bij tegenwoordig zijn, en beiden gaan we niet in bruidscostuum; hij in zijn uniform en ik, zooals u mij steeds gezien heeft. Dat is mijn en ook zijn wensch. Zijne kinderen zijn niet meegekomen tot mijn groote spijt; ze zijn nog zoo klein, en de reis is vermoeiend.
25 Augustus 1903. (VIII).
Ik zal te Rembang een _ruim_ arbeidsveld vinden, en ik zal er Goddank niet alleen staan; hij heeft beloofd, mij krachtig ter zijde te zullen staan. Dat is, wat hij _wenscht_ en _hoopt_ en _verlangt_: mij te mogen steunen in mijn pogen om tot nut van ons volk werkzaam te zijn. Hij zelf is al sedert jaren in dien geest werkzaam. Ook hij wenscht opvoeding en onderwijs te geven: en daar hij die zelf niet kan geven, laat hij het door anderen doen. Verscheidene verwanten van hem krijgen op zijn kosten eene opvoeding.
Wat hij van mij verwacht is: zegen voor de zijnen en voor zijn volk.
Moge hij in zijne verwachting niet teleurgesteld worden.
Wat mij dankbaar stemt, is, dat óók zijne familie zijne gevoelens deelt, ingenomen is met zijne keuze. Zij verwachten mij als de toekomstige _opvoedster_ hunner kinderen. En in die hoedanigheid zal ik ook werkelijk komen; aan al 't andere denk ik niet.
Soms vergeet ik geheel, dat ik zooveel mooie illusies verliezen ga; ik denk, dat ik langs een anderen weg, dan ik mij dien zelve afgebakend had, mijne roeping ga volgen. En ik zal dit steeds denken; dat geeft mij rust en stemt mij blijmoedig.
Niets is er volmaakt en niets màg er volmaakt zijn in deze wereld. Ik had gehoopt, gewenscht, gebeden, dat ik de _moeder_ en de _zuster_ mocht worden van heel velen, en God heeft mijne bede verhoord, al is het ook een beetje anders, dan ik het bedoeld had.
Ook van hem is het eene illusie ons volk mede te kunnen opheffen. Hij is werkelijk innig goed voor het volk en voor zijne ambtenaren; ze dragen hem op de handen.
Eergisteren is de collecteur den geheelen avond bij Vader geweest, om over zijn dochtertje te spreken, dat hij mij wenscht af te staan ter opvoeding. Zijne vrouw heeft er mij reeds over gesproken, en nu kwam de vader het aan Vader zeggen.
Ik krijg ook nog andere kinderen van hier; ik weet niet, of ik ze allen nemen zal; ik vind 't hard om te weigeren, en ik wil niets beloven. Wij zullen eerst zien, hoe het gaat.
Ik ben volstrekt niet van plan om mij gevangen te geven aan de zoogenaamde conversatie. We zullen vaste dagen stellen voor die zure plicht; op andere dagen zal ik niet te spreken zijn dan alleen in dringende gevallen, in hoogst gewichtige, aangelegenheden. Men zal het mij wel vergeven, als men weet, dat ik het niet uit trotschheid doe, maar dat ik mijn tijd nuttig besteed ten bate van anderen, van hun eigen kinderen misschien.
Rembang is gelukkig een stil plaatsje; en wat heerlijk is, hij houdt evenals ik niet van uitgaan.
Ik ben blij, dat ook de Resident[1] van daar belangstelt in onze zaak. Ik zal er dus niet vreemd aankomen. En wie ik er zal vinden, mijne groote vriendin: de zee! Zij ligt maar op een 100 pas afstands van het huis af.
Toen ze hem vertelden, dat ik mij erg interesseerde voor de kunstnijverheid en de industrie van ons volk, zei hij, dat daar ook goudsmeden en houtsnijwerkers zijn; zij wachten alleen maar op leiding. Hij doet daar ook aan. Dat is dus gezond. En hoor eens, iets aardigs. _Misschien_, gaat onze goede Singowirio meê ... d.i. de _man_[2] van Blakang-Goenoeng.
Naar Batavia[3] zou hij zijne Bendoro niet kunnen volgen, maar nu de richting anders is, heeft hij er veel zin in. Wij hebben goede plannen met hem voor.
Om die industrie tot iets beduidends te brengen, is noodig allereerst èn kapitaal èn leiding. Een groote werkplaats oprichten, veel knechten nemen, en andere opleiden, en hen onder geregeld toezicht laten werken, in onze onmiddellijke nabijheid.
Als het geld er maar is om een werkplaats te bouwen, materiaal te koopen, veel knechts te onderhouden, en veel leerlingen op te leiden. Singo zal dan aan het hoofd dier inrichting staan.
Ik geloof, dat binnen een jaar, hoogstens twee, het kapitaal, dat er in gestoken wordt, reeds weer binnen zal zijn.
Ik had dat hier willen beginnen, maar met het oog op ons beider toen a.s. vertrek naar Batavia, is daarvan afgezien. Onze zusjes zouden er dan vóór moeten staan, en dat zou te zwaar zijn voor haar. De verantwoordelijkheid is zoo groot. Nu is 't anders. Wij kunnen er voor staan, als wij het benoodigde geld er voor kunnen krijgen, dan geloof ik wel, dat die kunstnijverheid een goede toekomst heeft.
Onlangs reisden wij samen met den heer Brandes, broer van Dr. Brandes;[4] hij stelde veel belang in de kunstvoortbrengselen van ons land. Toen ik sprak, van een tokootje[5] van Inlandsche kunstvoorwerpen op Semarang, was hij er dadelijk voor te vinden. U moet n.l. weten, dat 't Semarangsche publiek er tegen op ziet naar Batavia te bestellen, wat toch zoo in de buurt ligt. Verscheidenen wenschten ons te spreken er over--maar wij bleven pertinent op ons stuk staan en verwezen hen naar Oost en West. Bij mezelf evenwel zon ik op middelen om aan dien wensch van het publiek tegemoet te komen. En dat middel scheen gevonden te zijn. Oost en West moest een tokootje openen op Semarang. Maar daarvoor is weer _geld_ noodig, en Oost en West heeft zooveel nog niet. Toen ik dit aan den heer Brandes zei, antwoordde hij: "O, maakt u zich daarover maar niet bezorgd. Het geld zal er zijn, als u maar voor 't andere zorgen wil". Ik zei: "maar er moet iemand van smaak zijn, die op Semarang daarvoor wil staan". "Ook die zal er zijn, als u maar zorgt, dat er mooie dingen vervaardigd worden".
Ik kreeg een briefje van hem; hij heeft verscheidene vrienden over dat plannetje gesproken en veel belangstelling gevonden met belofte van geldelijken steun.
Ik sprak hem ook over ons andere idee, om het houtsnijwerk tot bloei te brengen.
En dadelijk vroeg hij, hoeveel geld wij er voor noodig zouden hebben. Ik noemde nog geen vaste som, want ik moet daarover nog eerst met deskundigen spreken; hoeveel zou de werkplaats kosten, hoeveel het hout, en hoeveel het loon, dat eenige maanden aan de houtsnijwerkers moet uitbetaald worden.
De werkplaats moet voorloopig maar heel eenvoudig zijn. Het zwaartepunt is hier gelegen: er moet zóó veel geld zijn, dat een stuk of vijftig lui aldoor kunnen werken; d.w.z. dat zij niet op hun loon behoeven te wachten, tot hun werk verkocht is geworden.
Rembang zal een uitstekend land voor de houtsnijwerkers zijn; het is het land van djati, en ook is er veel sono.[6]
En Singo zelf vindt dat idee uitstekend. Als nu het geld er maar is.
Als het goed gaat, wat een nasleep zal ik toch krijgen! daarvoor ben ik ook eene moderne vrouw. Zeker is het, dat ik een heel eigenaardigen bruidschat meê brengen zal.
De Regent van Rembang trouwt een heele kotta. Wat doet hij ook zich te stellen tusschen het volk en diens bruid.
Och hemel, wat tref ik het ongelukkig; ik zal er komen juist in den druksten tijd van het jaar, Poeasa-Lebaran-Nieuwjaar. Ik heb al gezegd, dat ik niet den voet gekust wil worden. Ik heb 't nooit toegestaan, dat iemand 't mij deed. Ik wil een plaats in hunne harten, en niet uiterlijke vormen!
Ik kan mij de toekomst niet voorstellen zonder mijne Roekmini. Hoe zal ik 't zonder haar stellen, en hoe zij zonder mij? Als ik daaraan denk, dan blijven mijne oogen den ganschen nacht strak open.
[1] Destijds de Heer L. Ch. H. Fraenkel.
[2] Houtsnijwerker.
[2] Toch is sedert enkele jaren door de zorg van de Vereeniging "Oost en West" ook te Batavia eene werkplaats van houtsnijwerkers, o.a. uit Japara tot stand gekomen.
[4] Dr. J.L.A. Brandes, de helaas _zoo vroeg_ overleden beoefenaar van taal en kunst der Javaansche oudheid.
[5] Tokootje = kleine winkel.
[6] Eene donkere houtsoort.
19 October 1903. (VIII.)
Weet u 't al? de datum is vervroegd--op zijn dringend verzoek. Niet den 12den maar den 8sten November zal het zijn, 's middags tegen 5 uur en Woensdag den 11den vertrek van huis.
3 November 1903. (VIII.)
Uw meisje leeft weer, zij leeft. Haar hart gloeit en trilt weer; en geen vlijmende smart, geen bittere, doffe wanhoop doet de snaren trillen, _liefde_, vol en zwaar, ruischt in de accoorden.
Wat klaag ik ondankbare, met zoo'n rijken schat in mij!
De liefde is het _meeste_! Zij is het rijkste als zij geeft.
En ik kàn geven, en ik zàl geven, als eens rijken Vader's kind, met volle hand, liefde om mij heen. Wat u en anderen mij geven, dat zal ik met interest betalen aan anderen. O! er zijn er zóó velen, die hongeren, dorsten naar wat liefde!
Wat kan 't toch vreemd, wonderlijk toegaan in 't leven, 't Was wel opmerkelijk, zooals hij zich tot Vader aangetrokken gevoelde van af 't oogenblik dat zij elkaar voor een paar jaar geleden voor 't eerst ontmoetten. Sedert zocht hij ons en werden Vader en hij vrienden.
En van zijn arm vrouwtje was het een illusie met hem en al de kinderen bij ons te komen, om met ons kennis te maken. Beiden noemden zij mijn Vader "Vader". Zij had zoo graag met ons kennis gemaakt, helaas, nog vóór zij haar wensch in vervulling kon brengen, nam de dood haar weg.
Kort vóór haar dood, zag hij in droom zijn vrouw: zij was in een vurig gebed verzonken, en de innige bede, die zij tot den Allerhoogsten opzond, was: dat zij en Raden Adjeng Kartini vriendinnen mochten worden en blijven tot de eeuwigheid. Sinds dien was mijn naam hem niet uit de gedachten.
Ja, veel heeft hij geleden, haar heengaan was hem een zware slag, hij hield zoo innig veel van haar.
En zijn hoop voor hem zelf is, dat Vaders kleinood, zijn "wasiat djati"[1], zooals hij mij noemt, hem over zijn leed zal heen helpen.
He, ja, toe, laat mij een woordje van u vinden, als ik den 11den intrede doe in mijn nieuw tehuis. Het zal mij zijn, als leidde uw dierbare hand mij zegenend mijn nieuwe leven, mijn groote taak in!
[1] Wasiat = testament, djati = wezen. Testament van zijn wezen, m.a.w. waarin zijn geheele wezen voor altijd overgaat.
7 November 1903. (VIII.)
Mijn liefste Moedertje, de laatste groet van uw dochtertje als jong meisje, op den vooravond van haar huwelijksdag. Morgen om halfzes trouwen we. Ik weet wie morgen met geheel haar hart bij me zal zijn.
Dag mijn lieveling, groet uw man hartelijk voor mij, en wees u zelf innig omhelsd door uw eigen dochtertje K.
Rembang, 11 December 1903. (VIII en IX.)
Mijn liefste, beste Vrienden. Of ik niet weet, met welk een verlangen naar dezen wordt uitgezien, mijn eersten brief uit mijn nieuwe tehuis. Godlof, een tehuis, waar ik het in alle opzichten _goed_ en _lief_ heb, waar wij _allen_ mèt en door elkaar gelukkig zijn.
Hoe innig betreur ik het, dat ik door omstandigheden eerst heden dezen kan schrijven. Vergeeft me, lieven. De eerste dagen waren zoo ontzettend druk; daarna sukkelden onze kinderen; en ten slotte kwam voor mij de reactie van al de vermoeiende dagen, die wij doorgemaakt hadden. Ik gevoelde mij minder wel, en moest mij in acht nemen. Nu ben ik weer frisch en vroolijk, weder de oude wildzang van vroeger, en kijk met _zonnigen_ blik de toekomst tegemoet.
Hoef ik 't nog nader uit te duiden, liefsten? Ik _zegen_ den dag, waarop ik mijne hand gelegd heb in die van hem, dien de Alvader mij tot reiskameraad door het groote en dikwijls zoo moeilijke leven gewezen heeft.
Al wat mij voor schoons en edels voor oogen gezweefd had, vind ik hier verwezenlijkt. De droomen, die ik nog droom, zijn jaren geleden al door hem tot werkelijkheid gebracht of door hem gedroomd nog. Ik sta er zoo dikwijls ontroerd van, zoo geheel eens in voelen en denken en ideeën als wij met elkander zijn.
U beiden zal van hem gaan houden als u hem kende; u zal zijn helder hoofd bewonderen en zijn innig goed hart waardeeren. Zóó heb ik 't mij voorgesteld, dat de adel moet wezen voor het volk; zóó heb ik mij gewenscht der edelen plicht opgevat. Dáár moet onze adel heen, en hij, mijn hartekoning, is voorgegaan.
't Is vandaag juist een maand geleden, dat mijn man mij hier bracht, in zijne afdeeling; in zijn huis, thans ons huis, binnenleidde.
De Koningin had men niet hartelijker kunnen ontvangen. Heel Rembang vierde feest; van af de grens vlagde ieder huis; zelfs van de huurkarretjes woei de driekleur. En de geestdrift van het volk was zoo spontaan, was echt gemeend; het kwam zoo warm uit zijn hart, die betuiging van sympathie. Het volk was blijde, jubelde mee, omdat zijn bemind Hoofd gelukkig was. Telkens bracht mijn man me op 't balkon; het volk moest zijne nieuwe Goesti Poetri zien.
Ik zat of stond zwijgend naast hem, met vochtige oogen, en een hart overvol gevoel; daar was geluk, daar was dankbaarheid, daar was trots in; trotsch op hem, dat hij zich zulk eene warme plaats wist te veroveren in 't hart van het volk; dankbaar, dat één groote illussie van mij verwezenlijkt was; en gelukkig, omdat ik daar aan zijne zijde zat.
Kon u mij maar zien als de jonge vrouw en moeder, wie 't geluk uit de oogen straalt, en wier mond en pen geen woorden genoeg kunnen vinden, om haar weelde uit te jubelen.
En onze kinderen!--hoe zal ik u van deze weelde vertellen? 't Zijn zulke lieve, aanhankelijke wezentjes, waaraan ik mij al dadelijk gehecht heb; en zij groeien mij al vaster aan het hart. De vader heeft er zoo'n goed fond in gelegd, hen opgevoed juist zooals ik het altijd gewenscht had, in eenvoud en nederigheid. Mijne schatjes achten zich niet verheven boven den minsten persoon hier in huis; allen zijn ze elkaar gelijk. Ik vind hier den akker bereid; ik hoef slechts voort te zaaien.
Met Januari hoop ik ons schooltje te kunnen openen. Wij zoeken eene goede onderwijzeres; zoolang wij die nog niet hebben, geef ik les; en mocht ik door omstandigheden geen onderwijs kunnen geven, dan neemt een der zusjes de taak van mij over, zoolang, tot ik haar weer op mij nemen kan.
Er zijn al een paar ouders, die mij hun kinderen ter vorming boden.
Ons idee is, als wij hier eene goede onderwijzeres konden krijgen, bij ons thuis eene school voor dochters van Inlandsche hoofden te openen.
Kunnen wij eene uitstekende gouvernante krijgen, dan zorgt zij voor de verstandelijke ontwikkeling van onze kinderen, en ook voor hunne zedelijke vorming.
Als de boel goed marcheert, kunnen wij op eene Gouvernements subsidie hopen? Het schoolgeld moet zoo laag mogelijk worden gesteld; kost en inwoning krijgen de kinderen vrij van ons.
Zal ik nog een nota schrijven er voor?
De ouders zijn vol vertrouwen, en _vragen_--de gelegenheid moet er nu zijn; wij moeten geven. Enfin ik zal er u nog uitvoerig over schrijven.
Ik heb 't volst vertrouwen, dat eene meisjesschool, bij ons thuis gehouden, onder leiding van eene Europeesche onderwijzeres en mij als "opperste" leidster! zal opnemen.
Wij hebben groote plannen samen. Wat zou ik er niet voor willen geven, zoo wij alles met u beiden mondeling konden bespreken.
Ik schrijf dit vijf uur in den ochtend. De kinderen zijn wakker en hangen om mijn stoel heen; Moeder moet hun melk en brood geven.
U moest onze jongste toch eens kunnen zien; hij is nog geen twee jaar, maar o, zoo verstandig. Als ik zit, dan komt hij met een voetenbankje aandragen; is 't hem te zwaar, dan sleept hij het naar Moeder. Moeder's voeten mogen niet hangen. En de lievert klimt dan zoo op mijn schoot. Als ik 't een of ander klaar maak, dan vechten de kinderen er om, wie mij dit of dat aanreiken zal, en onze kleine Sis brengt mij hoopen lepels en vorken.
Wie stout is, mag niet bij Moeder komen. De grootste pret hebben ze, als ze met mij samen baden, en ik geniet er nog 't meeste van. 't Is zoo'n genot om naar die frissche, lachende gezichtjes te kijken!
En nu zit ik maar aldoor over mij zelve te praten. Ik heb u nog niet eens bedankt voor al 't innig liefs, dat wij in deze dagen van u hebben ondervonden. Hoe gelukkig maakt u beiden mij met uwe brieven die ik op Japara ontving. Mijn innigsten dank er voor, liefste. En u, Moedertje, liefste, kus ik hartelijk op beide wangen voor uw welkomstgroet, die ik bij mijne aankomst hier vond. Ik was er zoo in-gelukkig meê!
16 December.
Een groote rust. Een heele geschiedenis ligt er tusschen. Mijn brief kan ik niet vervolgen vóór deze er uit is.
U kan het _nooit_ raden, wie we te logeeren gehad hebben en wie vanmorgen vertrokken zijn. De familie Bervoets van Modjowarno! Zij zijn op Japara geweest, bij mijne Ouders, en die hebben hen hierheen gestuurd. 't Was eene heerlijke ingeving van Vader; wij zegenen dubbel het toeval dat den weg dier liefde-engelen hierheen voerde.
Zoo innig had ik verlangd met dit edel echtpaar kennis te maken. Mijn wensch is vervuld, en op welk een wijze! Gedacht ik vroeger met innige sympathie die nobele zielen, thans mengt zich bij die sympathie innige dankbaarheid.
Eergisteren was mijn man den geheelen dag frisch en opgewekt; dien middag kwam de familie Bervoets, en 't viel hun op zoo vroolijk als mijn man dien avond was; weinig vermoedende, dat een paar uurtjes later hij hard ziek zou worden. Opgewekt namen wij even vóór middernacht afscheid van onze gasten. Een uurtje later werd mijn man in eens hevig ongesteld; de ziekte kwam plotseling, en binnen 3 minuten was mijn man zoo naar, dat hij dacht, den morgen niet meer te zullen halen. Hoe ik was, kan u zich begrijpen. Ik liet Dr. Bervoets opkloppen. Hij zou den volgenden morgen om acht uur vertrekken, maar hij en zijne vrouw hadden 't hart niet, ons zoo ellendig alleen te laten. Zij zouden toen om 1 uur vertrekken; ook daarvan zagen zij af, daar mijn man medische hulp voortdurend noodig had, en onze dokter op tournée was. Het was een hevige aanval van darmkoliek, een ziekte, die mijn man van zijn leven nooit had gehad. Gisterenmiddag trad een verbetering in; mijn man kon slapen. Hoe dankbaar ik was, kan u zich voorstellen. Vanmorgen om acht uur zijn onze nieuwe vrienden vertrokken. Mijn man neemt in beterschap toe; hij is alleen nog maar vreeselijk afgemat. Op het oogenblik slaapt hij rustig al sedert een groot half uur. God geve, dat hij spoedig geheel beter worde!
Het is toch zoo vreemd, zoo vreemd, tot aan haar laatste dagen had de eerste vrouw van mijn man het steeds over mij. Zij verlangde zóó innig met mij kennis te maken en vriendinnen te worden. Hare illusie was naar Japara te gaan, en mij hare kinderen te brengen. Mijn portret legde ze feitelijk niet uit de hand, tot zelfs op haar laatste ziekbed had zij het bij zich.
Toen zij overleden was en men de eerste smart te boven was, hadden allen, tot zelfs de Inlandsche hoofden, maar één wensch..., die welke nu vervuld is sedert 8 November. Daarom was de vreugde algemeen toen wij kwamen.
Mijn man ontving met groot genoegen uw brief. Het paardentuig voor Oost en West lag al lang klaar, is nu ingepakt, en, als mijn man beter is, dan gaat het weg. Ook bestelde mijn man allerlei soorten pauwenveeren sigarenkokers en zoeken wij mooie echte Lassemsche sarongs. Wij zullen dan verder zien, wat wij voor Oost en West kunnen doen. Mijn man vindt 't idee om de Japarasche houtsnijwerkers hier te laten werken, uitstekend, zal mij daarin krachtig steunen, evenals in alle andere dingen, die ik zoo gaarne wensch te doen. Een ambachtschool voor Inlanders is al lang een illusie van hem.
Mijn man zou zoo gaarne zien, dat ik een boek schreef over de sagen en legenden van Java. Hij zou ze voor mij verzamelen; wij zouden dan samen er aan werken. Een heerlijk vooruitzicht!
Er is nog zooveel, dat hij samen met mij wenscht te doen; op mijne schrijftafel liggen al vast een paar stukken van zijn hand.
Rembang, 6 Maart 1904. (VIII.)
Mijn liefste eigen Moedertje,
O! dat ik nu mijn armen om uw hals kon slaan; zoo zielsgaarne zou ik u hart aan hart vertellen van mijn mooi geluk, deelgenoote maken van ons heerlijk geheim. Mij wacht een groot, zoet geluk. Zoo God het wil, komt tegen het einde van September een Godsgezantje ons reeds mooi leven mooier maken, de band nog nauwer, vaster toehalen, die ons nu reeds aan elkander bindt. Moeder, mijn Moeder, hoe ik mij gevoel, nu dra een zieltje uit ons beider zielen geboren, mij moeder noemen zal!
Kan u 't zich voorstellen? ik aanstaande moeder! Ik maak u oud, Moedertje! ik maak u grootmoeder! Komt u later naar uw kleinkindje zien? Naar Batavia gaan zal ik nu niet kunnen. Ons plan was eerst deze maand op reis te gaan met een maand verlof, maar nu moeten wij daarvan afzien. Ik mag in de eerste maanden niet rijden! En als ons kindje er is, dan kan ik ook niet op reis. Dus Batavia zie ik niet meer--althans zoolang u daar nog is. En wat is het mij waard, als u beiden er niet meer zijn? Mijn man is zoo zielsgelukkig met 't nieuwe leven, dat ik onder 't hart draag.
Dàt alleen ontbrak nog aan ons geluk.
Rembang, 10 April 1904. (III.)
Hooggeachte Vrienden,
Wat zal het u bevreemden niets van me te hooren over uwe zoo hartelijke brieven, en die prachtige cadeaux, waarmee wij toch zoo innig, innig blij zijn. Als elke gedachte, die ik dankbaar aan u wijdde, daad werd, wat zou u dan hoopen brieven van me hebben. Vergeeft me, lieve vrienden, dat niet reeds veel, veel eerder deze u bereikte.