Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk
Part 30
Mijn verlangen om u te schrijven is zoo groot, dat ik op den langen stoel liggend met potlood een briefje krabbel. Ik hoop, dat u dezen met uwe lieve vrouw in den besten welstand zal ontvangen. Ontvang van zusje een hartelijken groet en een warmen handdruk van
UWE KARTINI.
Op ons request nog geen antwoord gekregen, wij verlangen daar toch zoo vurig naar.
4 Juli 1903. (VIII.)[1]
Zóóveel hebben wij er reeds voor gestreden en geleden; wij dachten, dat het genoeg was, dat wij door al dat leed en strijden ons het voorrecht waardig gemaakt nebben: de bruiden van ons dierbaar volk te zijn! De vervulling van onzen diersten wensch scheen al zóó nabij, en nu staan wij er in ééns weer zóó ver af. Moedertje! o Moedertje! Stil, niet klagen, niet zuchten, niet weenen. Bidden wil ik, slechts bidden tot in het oneindige, dat wat de toekomst ook ons brengen moge, wij immer blijven mogen, wat wij waren: blijmoedig, en vertrouwend en geloovend!
Zoo dikwijls heb ik anderen toegeroepen: "Wanhoop niet, en vloek het kruis niet, levensmoe. In lijden ligt heerlijkheid. Niets geschiedt in tegenstelling met de Liefde. De vloek van heden blijkt de zegen van morgen te zijn. Beproeving is goddelijke opvoeding!"
Wie dit met het hart zeggen kan, moet het ook in de practijk weten te beoefenen. Nu is het mijn beurt om de theorieën, die ik verkondig, zelf in toepassing te brengen.
Nu wil ik aan niets meer denken, niet aan strijd, aan lijden, aan zorg, aan beproeving; het maakt mijn hoofd zoo moe, en mijn hart zoo krank; ik wil ademen in bloemengeuren en baden in zonneschijn; ook die zijn er, ons ten troost en ten zegen.
En nu van de bloemen die hier in ons hof geuren.
Moeske, wij zijn ons heerlijk werk begonnen. Bedank uw man voor zijn raad, om dadelijk te beginnen, óók zonder acte. O denk eens, Moeske, liefste, ons schooltje telt reeds zeven leerlingetjes en er komen nog steeds nieuwe aanvragen. Heerlijk, zalig!
Wij hadden het niet durven hopen, dat het zóó zou opnemen.
De kinderen vinden het heerlijk, en de ouders zijn verrukt!
Onze eerste leerling is het dochtertje van den vroomsten ambtenaar van de afdeeling. Wij hebben met de moeder wat gepraat, haar uitgelegd het een en ander, en het resultaat was, dat de ouders ons hun dochtertje zonden. Maar het zusje, een prul van nog geen vijf jaar, wilde niet thuis blijven; zij zou en moest mee. Och, het kan nauwelijks over de tafel heen zien! Als ik haar niet op een voetenbankje zet, dan neem ik haar op mijn schoot. Het kleine ding wilde met alle geweld meedoen. Na deze kindertjes kwamen de dochtertjes van den collecteur en een dochtertje van den assistent-collecteur. Eergisteren bracht de djaksa van Karimoen Djawa[2] ook een dochtertje hier om onderwezen te worden. Stel u voor, Moeske, zij zenden hun dochtertje uit huis, en doen ze hier bij familie in de kost!
Wij zijn zóó dankbaar! De ouders zijn zóó ingenomen met onze plannen, dat er een paar zijn, die ons hunne meisjes geheel afstonden, maar dit hebben wij nog niet willen aannemen--later van ganscher harte. Vandaag kwam het zusje van Hasim[3] ook op de les. Gisteren kwam een jonge moeder bij me; met zoo'n innige spijt zeide ze mij, dat ze zóó ver van ons afwoonde; ze zou zelf zoo graag bij ons komen leeren. Nu dit niet kan, wil ze voor haar dochtertje bestemmen, wat zij zelf moet missen. En denk eens, haar kind is nog geen jaar oud. Zoodra het 6 jaar is, zal ze het ons zenden, waar we ook mogen zijn, en zij vroeg zóó om haar kind te willen aannemen.
De kinderen komen hier vier maal in de week van 8--12 1/2 uur. Zij leeren schrijven, lezen, enz., handwerken en koken. Wij onderwijzen niet volgens de kunst, maar zooals wij denken, dat de Javaantjes graag onderwezen willen worden.
O, Moeske, u beiden moest toch eens ons troepje zien; u zou daar zóó'n pleizier in hebben. Ze komen altijd zoo keurig netjes, zien er allen zoo lief uit en zoo frisch en onbedorven. En wat maken ze het ons gemakkelijk; ze zijn zoo vlug, zoo bevattelijk en handig, en daarbij zóó gezeglijk. Ze raakten al gauw met ons vertrouwd, en praten nu vrij en ongedwongen met ons. Er is een mooi kindje bij, dat eerst een nufje was; nu merken wij tot onze groote vreugde van die nuffigheid niets meer. Ze likt niet meer aan hare lippen, en speelt ook niet met hare prachtige oogen, doch is altijd verdiept in haar werk. Dus die nuffigheid sproot voort uit ledigheid! En wat gaan ze aardig met elkaar om. Ze spreken onder elkaar hoog-Javaansch en toch niets gedwongen.
Er is vandaag een jarige in huis; wij wilden de kinderen tracteeren en op eene bijzondere wijs. 't Moest vanmorgen eigenlijk een handwerkmorgen zijn, doch wij hebben daar een kookdag van gemaakt. Och, wat repten de kleine, vlugge, lenige vingertjes zich! Een bakt poffertjes, een ander flensjes, een ander weer maakt vla. De kinderen krijgen er gloeiende wangen van. Wat schitteren de oogjes! En ze gingen zoo verrukt naar huis, om haar baksel aan haar Ouders te laten zien. Zie dat is zegen, een zegen voor ons. Wij hebben dit werk[4] voor de kleine zusjes begonnen.
Later zal Kartinah de handwerk- en kookles hebben, en Soematrie neemt dan de rest voor haar rekening.
Wij hebben gelukkig nog wat benoodigdheden voor handwerken; zoolang de voorraad strekt, krijgen zij alles gratis; daarna moeten de kinderen, wier ouders het kunnen, zich het een en ander zelf aanschaffen. Maar met de andere leermiddelen zitten wij verlegen, waar kunnen wij de Hollandsche en Javaansche leesboekjes koopen? Zou u dat even aan Meneer willen vragen, Moeske? Als het goed blijft gaan, en het leerlingenaantal grooter wordt, zijn we voornemens ... subsidie er voor aan te vragen. Zou dat mogen, denkt u? Het is _niet_ voor _onszelf_, maar om de kosten daaraan verbonden te bestrijden. De lagere Inlandsche hoofden kunnen zoo weinig missen. Hoofden met _f_50 tractement kunnen net hun gezin onderhouden, en dan werken de vrouwen nog dikwijls hard mee; voor extra-uitgaven kan niets overschieten. En wij zelf kunnen hun kindertjes niet altijd alles geven, dat begrijpt u wel.
Zoodra ik reizen mag, gaan we naar Semarang; ik moet door den dokter worden onderzocht; de rheumatische hoofdpijn mag geen chronische kwaal worden. Wij gaan dan meteen het een en ander voor onze kleintjes koopen. Wij hebben hier geen enkele haakpen of lei meer in huis.
[1] Met potlood geschreven na eene ziekte.
[2] Een eilandengroep op de hoogte van Japara.
[3] Een der leerlingen van de Inlandsche artsenschool.
[4] Dit lieve werk is blijven bestaan tot nu toe.
5 Juli 1903. (IV.)
Wat is u toch innig goed en lief voor ons, steeds is u er op uit, om ons een pleiziertje te bezorgen. O! en als ik bedenk, hoe wij, en in 't _bijzonder_ ik, al dat goeds en liefs beantwoord, 't Lijkt zoo ondankbaar, 't heeft er zoo ontzettend veel van of ik al dat goede en lieve niet waardeer.... Nichtje K. kan zwijgen als het graf.
Vergeving, lieve, beste Oom!
Toen eergisteren uw groet, in den vorm van een overdruk uit "Album Kern" kwam, vlogen mijne gedachten naar Sonder, en ik nam mij stellig voor ze spoedig door woorden te laten volgen. En ik ben gelukkig, dat ik mijn voornemen kan ten uitvoer brengen.
Wij danken u recht hartelijk voor uw lieven, zeer gewaardeerden groet; het stuk las ik met groote belangstelling.
Als iedere gedachte aan u in daad omgezet werd, wat een bergen van brieven zou u dan van hier hebben!
Mevrouw van Kol schreef toch zoo hartelijk en sympathiek over u, en dat maakte ons gelukkig; want dat hoort tot een onzer liefste wenschen, dat al degenen, die wij hartelijk liefhebben en vereeren, elkaar ontmoeten in sympathie.
Hoe maakt u beiden het, Oom? Bevalt het u goed in Sonder? Ziet u daar wel eens Toradja's? Ik kan het mij levendig voorstellen, dat het u smartte, uw werk voor zoo'n langen tijd te moeten laten rusten. Waar ons hart is, dat verlaten wij niet gaarne, daar is onze toekomst, ons leven.
En nu ga ik u iets prettigs vertellen. In afwachting van de dingen, die komen zullen, hebben wij maar alvast ons werk begonnen. Wij hebben hier thuis een schooltje geopend, dat nu al zeven leerlingetjes telt, dochters van Inlandsche hoofden. Zooeven kregen wij bericht, dat wij nog drie kinderen er bij zullen krijgen, en wel van buiten.
Wij zijn begonnen met één leerling; al gauw klom dat getal tot vijf en morgen komen er acht op de les en over eenigen tijd tien.
Wij genieten telkens weer, als wij onze kindertjes zien. Het is zoo'n frisch, onbedorven troepje, en hoe keurig netjes komen ze steeds, en ze gaan zoo aardig met elkander om. Met ons zijn ze al gauw vertrouwd geraakt; de vormen in acht nemende, zijn ze toch vrij en ongedwongen tegenover ons, of er geen rang- en standverschil bestond. Dáár willen we heen. En wat maken de kindertjes het ons gemakkelijk; ze zijn zoo vlug, zoo bevattelijk en zoo handig, en daarbij zoo gezeggelijk. Nog geen een keer hebben wij moeten straffen.
De kinderen komen zoo graag, leeren met lust en ijver en de ouders zijn verrukt. Alles schijnt er op te wijzen, dat wij hier slechts voldoen aan een lang gevoelde behoefte. Groot is de zegen, die ons toestroomt van den Vader van Liefde. Schoon, heerlijk de taak, waarmee Hij ons vereerde: o, mogen wij haar naar behooren kunnen vervullen, mogen wij het in ons gestelde vertrouwen waard zijn en blijven!
Dat is het, waarnaar wij zoo innig verlangen, wat wij zoo vurig wenschen te mogen en te kunnen doen: reine, jonge hartjes, frissche, onbedorven zieltjes, zoo blank als pasgevallen sneeuw, leiden, jonge karaktertjes vormen.
Bid voor ons! Moge God ons streven en werken zegenen!
O! en dat anderen hetzelfde werk willen verrichten als wij! Goede krachten zijn er, zij hoeven slechts wakker geschud te worden. Wij hebben geprobeerd om ons in verbinding te stellen met meisjes en vrouwen van onze ontwikkeling, doch het lukte niet. Persoonlijk propaganda maken, zooals wij dat hier gedaan hebben, pakt misschien beter. En--geen betere preek dan een goed voorbeeld, een goed voorgaan.
Een ons onbekend jongmensch, élève Inlandsch arts, schreef me en droeg ons zijn twee nichtjes op. Of wij op haar zedelijken invloed willen uitoefenen. Wij moesten die meisjes schrijven. Wij wilden het gaarne doen, en hopen, dat het wat zal geven. Maar dat jongmensch zelf is er een vol gloed en idealen. Ook met een anderen jongen correspondeer ik, een aardige, lieve jongen, een neef van ons. Wat was hij verrukt, toen hij me schrijven mocht!
Wij hebben ontegenzeggelijk veel op anderen voor door onze geboorte en door Vaders maatschappelijke positie. Dat en nog andere dingen maken het ons gemakkelijk.
Wat wij doen is zoo nieuw. Nooit hebben jonge meisjes met jongelui gecorrespondeerd. En wij doen het gewoon, of het van zelf spreekt. Wij gaan met hen om als kameraden, en zij zien in ons zusters. Het is voor hen nog zoo nieuw, zoo nieuw, dat wij van zoo'n hoogen stand, het niet beneden ons achten met menschen die in stand zoo ver beneden ons staan, vriendschappelijk om te gaan.
Het neefje vertrouwt ons, en ziet in ons eene oudere zuster, naar wier raad en woorden hij gaarne luistert. Ik bid God telkens vurig, dat wij zijn vertrouwen nooit mogen beschamen, en dat hij in ons steeds moge vinden, wat hij zoekt en behoeft.
Het doet ons zoo goed om die jonge, reine, geestdriftige naturen te kennen! O, moge het leven hun rein idealisme niet bederven!
Nooit zijn we gelukkiger, dan wanneer wij een ander zedelijk hebben kunnen steunen.
't Is vreemd, maar wij beiden hebben ons bijna altijd ouder gevoeld dan zeer velen van onzen leeftijd en zelfs ouderen dan wij. Dat komt zeker, omdat wij in ons kort leventje al zooveel hebben ondervonden, doordacht en doorworsteld.
't Klinkt zoo eigenwijs, als wij hier spreken van onze kinderen en daarmede onze zusjes bedoelen, die nu toch zooveel jonger niet zijn dan wij. Maar ook zij beschouwen ons meer als hare moeders, dan als hare zusters.
Van velen, velen, de moeders, de zusters te zijn, o! moge God ons dat geven!
Onze school mag zoo weinig mogelijk van een school hebben en wij van schoolmeesters, doch het moet een groot huisgezin zijn, waarvan wij de moeders zijn.
Wij zullen ze leeren met daad en woord de Liefde, zooals wij haar verstaan.
In onze jeugd was een leiddraad voor ons, dat eenvoudige en alombekende woord: wat ge niet wilt, dat u geschiedt, doe het ook aan een ander niet.
Mevrouw van Kol vertelde ons veel van uwen Jezus, van de apostelen Petrus en Paulus en het deed ons goed.
Wat doet het er toe van welk geloof of ras men is, een groote ziel is een groote ziel, een edel karakter, een edel karakter. Kinderen Gods vindt men bij elk geloof, onder elk ras.
Ik heb "Quo Vadis" gelezen, en ik heb bewonderd en liefgehad de geloofs-martelaren, die onder het bitterste lijden nog dankend en vertrouwend opzagen ten Hooge, nog Zijn lof verkondigden in schoone zangen. Ik heb met hen geleden, en ik heb met hen gejubeld.
Kent u "Wij beiden" van Edna Lyall? Ook dat is heerlijk mooi. Het handelt over atheïsten en Christenen, over het ware Christendom en over de afschuwelijke verdraaiing daarvan, zooals helaas niet weinig voorkomt in de wereld. Een grootsch figuur is de atheïst Luke Raeburn en daarnaast ook een heerlijke, edele figuur Erica Raeburn, die van ijverig atheïst een overtuigd, oprecht vrome, geloovige christin werd. Vader en dochter, die elkaar zielslief hebben en in elkaar opgaan.
Ook hebben wij gelezen: "de Ziel van een Volk" over het Boeddhisme, een heerlijk mooi boek ook. Nu zouden wij graag over het Jodendom (zegt u dat zoo?) lezen. Misschien zullen de boeken van Zangwill ons geven, wat wij zoeken: "Droomen van het Ghetto".
7 Juli 1903. (VIII.)
Morgen hebben we ook les--ons beider troost--9 leerlingetjes, vele nieuwe aanvragen, waaronder van Maleische ouders. Eene overwinning! Zoo is 't leven dan een vallen en opstaan, een struikelen en gaan, een verliezen en ovenvinnen.
* * * * *
Tusschen dezen brief en den volgende zijn eenige brieven, die niet voor openbaarmaking vatbaar zijn. Zij brachten o.m. het bericht, dat geen gebruik zou worden gemaakt van het Gouvernements besluit, waarbij een bedrag van _f_ 4800 beschikbaar was gesteld voor de studie te Batavia van de schrijfster en hare zuster Raden Adjeng Roekmini, alsmede van het voorgenomen huwelijk, dat in den brief op blz. 324 wordt aangekondigd.
24 Juli 1903. (VIII.)
Nu heb ik een groot, groot verzoek aan u, eigenlijk is het aan Mijnheer. Wil u het ZEd. overbrengen?
Wij stellen heel veel belang in een jongmensch, en zouden zoo innig graag zien, dat hij gelukkig werd. Dat jongmensch heet Salim; is een Sumatraan uit Riouw, die dit jaar eindexamen H B.S. gedaan heeft, en N°. 1 van de drie H.B.S.en is. Die jongen zou dolgraag naar Holland willen gaan, om voor dokter te studeeren; helaas, zijn financiën laten dat niet toe. Zijn Vader heeft maar _f_ 150 tractement.
Hij zou desnoods als matroos willen dienen, als hij maar naar Holland kon gaan.
Vraag Hasim naar hem, die kent hem en heeft hem hooren spreken in Stovia.[1] Een flinke, kloeke borst, die verdient geholpen te worden.
Toen wij van hem hoorden en van zijne illusie, kwam in ons een machtig verlangen op, om het onze te doen, ten einde het hem wat gemakkelijker te maken. Wij dachten aan het Gouvernementsbesluit van 7 Juli 1903--dat besluit met zoo smartelijk verlangen door ons verbeid en met smart ontvangen.
Moet de vrucht van den arbeid van nobele vrienden, van ons hopen, bidden en verlangen onbenut verloren gaan?
Kan een ander daarvan niet profiteeren? Het Gouvernement stond ons beiden _f_ 4800 toe voor de voltooiing van onze opvoeding; zou dat niet aan een ander, die misschien veel meer, doch stellig niet minder dan wij verdient geholpen te worden, overgedragen mogen worden? Het zou heerlijk zijn als de Regeering zijne geheele opleiding wilde bekostigen; dat zal zoowat _f_ 8000 bedragen; als dat niet kan, zouden wij al heel dankbaar zijn, zoo Salim de ons toegestane _f_ 4800 mocht hebben. Voor het ontbrekende zullen wij dan aan anderen hulp vragen.
O, laat hem die vreugde smaken, waar onze ziel jaren naar gesmacht heeft, en die ons ontzegd is.
Maak ons gelukkig, door een ander, met dezelfde verlangens, gevoelens en aspiraties bezield als wij, gelukkig te maken. Wij weten wat het is, om leven in zich te voelen, om eene brandende begeerte in de borst te dragen. O! laat dat mooie jonge leven, die frissche kracht niet verloren gaan! Dat moet in goeden zin geëxploiteerd worden ten bate van het volk, dat zulke krachten o zóó noodig heeft.
Wat zou Salim als dokter niet ontzaglijk veel goeds voor het volk kunnen doen!
Dat is ook Salims illusie: te werken voor ons volk!
Het is heel een gek verzoek, dat wij doen, dat weten we; maar o, als het eens toegestaan kon worden! Moeske, dan zouden wij al die maanden, jaren strijd niet verloren, nutteloos achten. Laat ons het zeldzaam voorrecht smaken, nog bij ons leven de vrucht van ons lijden en strijden te zien; deze zal zijn: de verwezenlijking van Salims ideaal.
Moge God onze bede verhooren.
Salim zelf weet van dit alles niets; hij weet niet eens, dat wij bestaan. Hij weet alleen, dat hij met hart en ziel verlangt zijne studiën te voltooien om later voor zijn volk te werken, en dat hij dat niet kan, omdat hij geen geld heeft.
Wij leven, hopen en bidden voor Salim."[2]
[1] Stovia is ontstaan door de beginletters van de "school tot opleiding van inlandsche artsen".
[2] De heer Salim is nu sedert vier jaren geplaatst bij het Nederlandsch Consulaat te Djeddah (Arabië) als secretaris-drogman.
1 Augustus 1903. (VII.)
Een kort woord, om u zoo spoedig mogelijk een nieuwe wending in mijn levenslot te melden. Ik zal niet als eene alleenstaande vrouw onze heerlijke taak gaan vervullen; een flinke, nobele man zal mij terzijde staan in mijn streven, om nuttig werkzaam te zijn voor ons volk.
Hij is mij daarin al ver voor, heeft zijne sporen reeds verdiend, waar ik nog beginnen moet. O het is zoo'n lief, best mensch; naast een edel hart, heeft hij een flink, helder hoofd. Hij is daar geweest, waar zijn bruidje zoo graag heen zou willen, maar het van haar volk niet mag: Holland.
Het is eene heele verandering, maar met ons beiden, elkaar steunend en aanvullend, gaan we regelrecht en langs den kortsten weg de verwezenlijking van onze illusies voor het heil van ons volk tegemoet. We ontmoeten elkaar op menig, menig punt. En nu weet u nog niet eens, wie mijn verloofde is: Raden Adipati Djojo Adiningrat, Regent van Rembang. En nu, adieu! _Spoedig schrijf ik meer_, en dan uitvoerig hoop ik.
1 Augustus 1903. (VIII.)
Ik wil mij den hoogsten titel waardig maken, die er is: kind-Gods.
Zei ik u niet, dat wij al lang afstand gedaan hebben van alle persoonlijk geluk? Nu komt het leven mij die belofte opeischen. Niets zal voor ons te bitter, te zwaar, te hard zijn, als wij daarmede een korreltje zand kunnen bijdragen tot den bouw van het schoone monument: volksgeluk.
Nu word ik getoetst: wat ben ik waard?
Gisteren--het was weer een _dag_ voor ons. Wij kregen het stuk van het Departement van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid waarin de vraag gedaan werd, of wij al dan niet wenschen gebruik te maken van de ons geboden gelegenheid tot het ontvangen eener opleiding voor onderwijzeres, enz. In het ontkennend geval moesten wij eene schriftelijke verklaring dienaangaande geven, om aan den Gouverneur-Generaal opgezonden te worden.
Hoe moet die gevraagde verklaring gesteld worden? Kort en zakelijk, dat ik niet meer van die gelegenheid wensch gebruik te maken, omdat ik verloofd ben, of, omdat mij nu eene nog betere gelegenheid geboden wordt, mijne illusiën van te werken voor ons volk te verwezenlijken. Aan de zijde van een Hinken, nobelen man, dien ik acht, die met mij het volk liefheeft, en die mij krachtig zal steunen in mijn streven, zal ik nog veel meer voor ons volk werkzaam kunnen zijn, dan wij beiden, als alleenstaande vrouwen het ooit zullen kunnen.
En Roekmini wenscht van die gelegenheid niet meer gebruik te maken, omdat zij niet kan, mag en wil alleen gaan. Zij zal op eene andere manier haar doel zien te bereiken. En dan hulde en dank brengen aan de Regeering, die weder getoond heeft, vóór alles de belangen van het volk te willen behartigen; waar een kind van het volk haar stem deed hooren, haar gehoor te verleenen; waar zij haar wenschen voor het toekomstige heil haars volks uitte, die wenschen tegemoet te komen. Na deze daad is Nederland nog nader tot ons gekomen. Nu zijn we er van overtuigd, dat Nederland _wil_; Nederland wil het geluk van Indië.
Dit is geen holle frase, wij meenen het.
* * * * *
Allen die mij kennen, onder mijne landgenooten, hebben dat voor mij gewenscht en gebeden: "Bendoro Adjeng Tini mag nergens anders komen dan in een kaboepaten."
En de eenvoudigen van hart zijn blijde, dat hun illusie hare verwezenlijking nadert. En het volk is blijde; ook dat is hun wensch voor zijne "Bendoro." Ziet ge wel, mijne eenvoudige vrienden triomfeeren. Vox populi vox dei. Indien dit waar is, dan heeft door eene hoogere bestiering mijn levensweg een andere richting genomen dan ik zelf afgebakend had.
"Wees een zegen, een toevlucht voor velen; de boom, in wiens schaduw velen eene schuilplaats vinden voor de hitte des daags" is de zegenwensch van menig oudje voor me.
Moge ik beantwoorden aan de verwachtingen der eenvoudigen van hart.
Een groote taak ligt voor mij, ontegenzeggelijk zwaar, maar als ik die goed ten einde kan brengen, dan zal ik ons volk gediend hebben, als ik niet op eene andere wijze zal kunnen.
Mijne zending goed volbrengen, is het prachtigste propaganda-maken dat er voor de zaak gemaakt kan worden.
Hoe het zij, voor mijne landgenooten is mijne toekomst de mooiste en begeerenswaardigste, die er bestaat. Het a.s. huwelijk op zichzelf komt de zaak al ten goede. Het wekt de ouders op; spoort hen aan hunne meisjes eene opvoeding te geven. Meer nog dan duizend bezielende woorden, zal deze a.s. daad tot de harten mijner landgenooten spreken. Ze staan vooreen feit: schoonheid en rijkdom worden versmaad voor gemoeds- en geestesgaven.
Ik herinner me mijn eigen woorden, toen iemand me vroeg, hoe men het moest aanpakken om onze vrouwen, onze meisjes op te voeden: "Het Javaansche volk is even als andere natuurvolken, kinderen van de zon, idolaat op glans en schittering. Welnu, voldoe aan dien wensch; geef wat hun hart begeert, maar tegelijk ook iets _degelijks_."
Nu zullen wij niet ruw ingrijpen in de zeden en gewoonten van ons land; ons kindvolk zal zijn glans en schittering hebben. De vrijwording der vrouw is onvermijdelijk; zij komt; alleen kunnen wij hare komst niet bespoedigen.
Wij kunnen het noodlot niet afwenden; het komt; maar daarna onvermijdelijk de _zegepraal_!
Wij zullen het niet meer beleven, maar wat doet het er toe?
Wij hebben den weg meê helpen opbreken, die daartoe leidt--en dat is al heerlijkheid!
Stel u gerust; mijn aanstaande zal mij niet kortwieken; dat juist heeft mij in zijn oog verheven, dat ik vliegen kan. Hij zal mij des te meer gelegenheid geven mijne vleugels uit te slaan; hij zal mijn arbeidsveld uitbreiden.
Uw meiske apprecieert hij; niet de mogelijke voorbeeldige huissloof, die er uit haar groeien kan.
8 Augustus 1903. (VIII.)
Weet u wat het vandaag voor een dag is? De derde verjaardag van onze ontmoeting. Drie jaar geleden, dat drie kind-meisjes jubelden over een kostbaar Godsgeschenk: Vrienden naar haar hart! De kind-meisjes zijn vrouwen geworden; het Leven heeft rimpels in de nog jonge aangezichten gegroefd; de harten zijn door vuur gehaald. Zijn ze verteerd, tot asch vergaan, of zijn ze gelouterd uit het vuurbad gekomen?
* * * * *