Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk

Part 3

Chapter 33,925 wordsPublic domain

Ik zal _nooit, nooit_ kunnen liefhebben. Om lief te hebben, moet er eerst achting zijn, naar mijn meening, en ik kan geen achting hebben voor de Javaansche jonge mannen. Hoe kan ik iemand achten, die _getrouwd_ en _vader_ is, en toch, omdat hij genoeg heeft van de moeder zijner kinderen, weer eene andere vrouw in huis haalt, volgens Mohammedaansch recht _wettig_ getrouwd. En wie doet zulks niet?[1] En waarom zal men het niet doen? 't Is geen zonde, evenmin een schande; de Mohammedaansche leer staat den mannen toe, vier vrouwen tegelijk te houden. Al mag dit duizendmaal géén zonde zijn voor de Mohammedaansche wet en leer, ik blijf 't eeuwig zonde noemen. Zonde noem ik alle daden, die een medemensch lijden doen. Zonde is een ander, mensch of dier pijn doen. En kunt ge u voorstellen, welke hellepijnen een vrouw moet uitstaan, wanneer haar man met een ander thuis komt, die zij als zijne wettige vrouw, hare mededingster moet erkennen? Hij kan haar ten dood toe folteren, mishandelen zooveel hij wil; wanneer hij niet verkiest haar hare vrijheid terug te geven, dan kan zij naar de maan fluiten om recht! Alles voor den man en _niets_ voor de vrouw, zijn onze wet en leer.

"Adeldom verplicht", zegt gij in uw laatsten brief. Dwaas die ik was, om te denken, dat geestesadel steeds hand aan hand gaat met karakteradel!--dat geestelijk hoogstaan ook beteekende zedelijke superioriteit! Hoe bitter was ik hierin teleurgesteld.

Begrijpt gij nu den diepen afkeer, dien ik voor 't huwelijk heb? Het nederigste werk zou ik dankbaar en met liefde verrichten, zoo het mij daarvoor bewaarde en mij onafhankelijk maakte. Maar ik mag niets, niets doen, om der wille van Vader's maatschappelijke positie.

Als ik een werkkring koos, moest deze zijn iets dat mij paste!! 't Werk, dat ons lief is en geen schande zou zijn voor mijne hoog-adellijke en hooggeplaatste familie (een reeks regenten van Java's Oosthoek tot het Midden) ligt zoo onbereikbaar ver van ons! Het eischt een langdurig verblijf in het Westen, en daartoe hebben wij de middelen niet. Wij hebben onze oogen te hoog opgeslagen, nu moeten wij de gevolgen ervan maar zelf dragen. Waarom gaf God dan talenten, als men alle middelen missen moet om ze te ontwikkelen. Mijn beide zusjes hebben heelemaal zonder eenige leiding 't aardig ver gebracht in het teekenen en schilderen--volgens deskundigen--ze zouden zoo graag zich daarin verder willen bekwamen. Hier op Java bestaat daartoe geen gelegenheid, en naar Europa gaan kunnen we niet. Om dat grapje te doen, heeft men noodig de toestemming van Z.E. den Minister van Financiën en Z.E. geeft die niet. Wij moeten dus maar zelf zien vooruit te komen.

O, Stella, weet je wat het is, iets vreeselijk graag te willen, en dan je onmacht te voelen? Als Vader 't kon, ik twijfel niet, of Vader zou ons zonder aarzelen naar je ver en koud land gezonden hebben. Ik schilder en teeken ook, maar mij trekt oneindig meer dan 't penseel de pen aan. Begrijp je nu, waarom ik zóó verlang, meesterschap over je schoone taal te bezitten? Neen, maak me maar niets wijs. Ik voel mijne onmacht zelf al te wel. Wanneer ik meesterschap over de Nederlandsche taal bezat, dan was mijn toekomst verzekerd. Een ruim arbeidsveld lag dan voor mij open en ik ware een vrij menschenkind. Want zie--ik als een geboren Javaansche, weet _alles_ van de Inlandsche wereld. Een Europeaan, hoe lang ook op Java gewoond hebbende, en onbekend met de Inlandsche toestanden zijnde, kan toch nog niet zoo op de hoogte zijn van alles in onze Inlandsche wereld als de geboren Inlander zelf. Veel wat nu nog duister en een raadsel is voor Europeanen, zou ik gemakkelijk met een paar woorden kunnen oplossen, en daar waar geen Europeaan toegang heeft, kan de Inlander komen. Allerlei finesses in de Inlandsche wereld, die zelfs voor den grootsten Indoloog onbekend zijn gebleven, kan de Inlander aan 't licht brengen.

Ik voel mijn onmacht maar al te goed, Stella. Ieder zou 't uitproesten van 't lachen, wanneer men over mijn schouder heen dit blaadje papier kon lezen. Wat een krankzinnig idee van me, niet waar, ik, die niets heb geleerd, niets ken, ik zou mij aan letterkunde willen wagen! En toch, al lachte ook jij mij uit, en ik weet, dat je 't niet doet, ik zal dat denkbeeld _niet_ laten varen. 't Is wel een wanhopig werk; maar "die niet waagt, die niet wint," is mijn lijfspreuk! Vooruit maar! Alles brutaal aandurven en aanpakken! De brutalen hebben drie vierden van de wereld.

Ik zond je 't stukje uit de Bijdragen van het Koninklijk Instituut voor Land-, Taal- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië. Dat ding schreef ik een jaar of vier geleden en keek er verder niet naar, tot kort geleden bij 't opruimen van oude papieren 't mij weer onder de oogen kwam. Vader kreeg juist een verzoek om medewerking van 't Bestuur van bovengenoemd Instituut. Pa zond 't stukje op en na eenigen tijd kreeg ik een hoop overdrukjes gestuurd. Ik dacht, dat 't je misschien interesseeren zou en zond je er dus een.[2]

Een stukje over 't batikken, dat ik verleden jaar voor de Vrouwenarbeid-Tentoonstelling maakte, waarvan ik nooit iets hoorde, wordt opgenomen in een standaardwerk over 't batikken, dat gauw zal verschijnen.[3] Wel leuk, toen ik dezer dagen van het onverwachte nieuws hoorde. Ik was die heele geschiedenis reeds vergeten.

Je vraagt me, hoe ik tusschen vier dikke muren kwam te zitten. Je dacht zeker aan een cel of zoo iets. Neen, Stella, mijne gevangenis was een groot huis, met een uitgestrekt erf rondom, doch hieromheen was een hooge muur, en deze hield mij gevangen. Hoe ruim ons huis en erf ook zijn, als je er _altijd_ blijven moet, dan wordt het je toch te benauwd. Ik herinner mij, hoe ik in stomme wanhoop mijn lichaam telkens tegen de steeds gesloten deuren en den kouden steenen muur wierp. Welke richting ik ook nam, 't eind van iedere wandeling was een steenen muur of een gesloten deur!

Met de inhuldiging van onze jonge Vorstin gingen de deuren van onzen kerker voorgoed open; reeds lang echter was deze groote gebeurtenis voorbereid. Europeesche vrienden hadden al jaren gebeukt en gehamerd op de stevige muren, die ons omsloten. Eerst boden ze krachtigen weerstand, doch gestadig druppelen holt den steen. En steentje voor steentje brokkelden de muren af, tot met de Kroningsfeesten onze Ouders ons met één sprong uit de puinhoopen heen naar buiten trokken in Gods open, vrije veld!

In den laatsten tijd zei Mevrouw Ovink me vaak: "Kind, kind, hebben we wel goed gedaan met jelui vanachter de hooge kaboepatenmuren te voorschijn gehaald te hebben? Ware 't niet beter geweest, als jelui steeds in de kaboepaten gebleven waart? Want hoè moet 't gaan? hoè zal 't gaan?"

En als ze onze schilderijen en teekeningen zag, riep ze vol wanhoop uit: "Kindertjes, kindertjes, zit er dan niets anders voor jullie op?"

Niets, de eenige, de beste oplossing, die ik weet, is dat wij drieën in de lucht sprongen, en Pa en Ma vergaten, dat zij ooit ons drieën bezeten hadden. Gelukkig, dat ik optimistisch van natuur ben en niet gauw mijn kop hangen laat. Nu, als ik niet worden kan, wat ik zoo graag wil worden, dan word ik maar een keukenmeid. Je moet dan weten, dat ik een "genie" ben in koken. Mijne familie en vrienden behoeven zich niet bezorgd over mijne toekomst te maken, vind je ook niet? Een goede keukenmeid is altijd te gebruiken en kan overal terecht komen.

Wat zijn de salarissen in Holland klein vergeleken bij die in Indië. En ze klagen hier altijd over schrale tractementen. In Indië heb je na 20 jaren dienst al recht op pensioen en predikanten reeds na 10 jaren. Een "dorado" is Indië wel voor de ambtenaren, vindt je niet? En toch schelden een menigte Hollanders Indië uit voor 't "beroerde apenland". Ik kan er zoo helsch onder worden, wanneer ik hoor zeggen: "beroerd Indië". Men vergeet maar al te dikwijls, dat het "beroerde apenland" menigen leegen zak met goud vult, wanneer men naar Patria terugkeert na eenige jaren verblijf alhier.

* * * * * 't Zou maar nuttelooze moeite zijn Hilda van Suylenburg in 't Maleisch te vertalen. Wie leest die taal, behalve de mannen? Er zijn ook nog zoo weinig Maleisch lezende Javaansche vrouwen. En om H.v.S. ingang bij haar te doen vinden, moesten ze eerst erop voorbereid zijn. Ze zouden dat als een aardig vertellinkje beschouwen en meer niet.

Eene verandering in onze geheele Inlandsche wereld zal komen; het keerpunt is voorbeschikt; maar wanneer? Dit is de groote vraag. Wij kunnen het uur der revolutie niet vervroegen. Dat juist wij in deze wildernis, in dit diepe binnenland, waarachter geen land meer is, zulke oproerige gedachten moesten hebben! Mijne vrienden hier zeggen, dat wij verstandig zouden doen, door een jaar of 100 lang te slapen--als wij ontwaakten, dan zou dat net een goede tijd zijn voor ons. Java is dan zoover, als wij 't hebben willen.

"Maatschappelijk werk in Indië" bezit ik. Ik kreeg 't van Vader, die 't weer present kreeg van Mevrouw Van Zuylen-Tromp. Deze dame zond Vader dat werk, met verzoek om open aanmerkingen te willen maken, en ook om medewerking. HEd. wilde een boek over de Inlandsche vrouwen uitgeven. Ik heb er voor bedankt. Véél heb ik over de Javaansche vrouwen te vertellen, maar ik ben nog zoo jong en heb maar weinig, bitter, bitter weinig levenservaring. Het onderwerp, dat ik bespreken moest, is mij te ernstig en te heilig, om dat zoo maar af te maken. Ik kan 't verlangde stuk nu ook wel schrijven, als ik wil, maar ik weet zeker, dat ik er spijt van hebben zal, als ik 't deed. Waarom? Omdat na een jaar of vier ik een beter en helderder blik zal hebben op verscheidene zaken, en ik de talrijke denkbeelden, die nu verward door mijn brein jagen, goed beet hebben zal misschien.

Van de Mohammedaansche leer kan ik je niet vertellen, Stella. Zij verbiedt haar belijders aan belijders van een ander geloof over haar te spreken. En, in trouwe, ik ben een Mohammedaansche, omdat mijne voorouders dat waren. Hoe kan ik mijn leer liefhebben, als ik haar niet ken? niet kennen mag? De Koran is te heilig om vertaald te worden, in welke taal dan ook. Hier kent niemand Arabisch. Men wordt hier geleerd uit de Koran te lezen, doch 't gelezene verstaat men niet. Ik vind 't een gekkenwerk, iemand te leeren lezen, zonder 't gelezene te leeren verstaan. 't Is evengoed alsof je mij een Engelsch boek leert lezen, en ik 't heelemaal uit het hoofd moet kennen, zonder dat je mij de beteekenis van een enkel woordje daarin zegt. Wil ik mijne leer kennen en verstaan, dan dien ik naar Arabië te gaan om daar de taal te leeren. Ook zonder vroom te zijn kan je toch wel een goed mensch zijn, nietwaar Stella?

En op het "goed zijn" komt het aan.

Godsdienst is bedoeld als een zegen voor de menschheid, om een band te vormen tusschen alle schepselen Gods. Allen zijn we broers en zusters, niet omdat wij dezelfde menschelijke ouders hebben, maar omdat wij allen kinderen zijn van één Vader, van Hem, die daarboven in de hemelen troont. Broers en zusters moeten elkaar liefhebben, helpen, sterken, steunen. O, God, soms zou ik wenschen, dat er nooit een godsdienst had bestaan. Want deze, die juist alle menschen tot één vereenigen moest, is door alle eeuwen heen oorzaak geweest van strijd en verdeeldheid, van de bloedigste en gruwelijkste moordtooneelen. Menschen van dezelfde ouders staan dreigend tegenover elkaar, omdat de wijze, waarop zij één en denzelfden God dienen, van elkaar verschilt. Menschen, wier harten door de teederste liefde met elkaar verbonden zijn, keeren zich diep ongelukkig van elkaar af. Verschil van kerk, waarin toch dezelfde God wordt aangeroepen, richt een scheidsmuur voor beider voor elkaar luid kloppende harten.

Is godsdienst wel een zegen voor de menschheid? vraag ik me zelf dikwijls twijfelend af. Godsdienst, die ons voor zonden bewaren moet, hoevele zonden juist worden niet onder Uw naam bedreven!

Max Havelaar bezit ik, doch "Wijs mij de plaats, waar gij gezaaid hebt", ken ik niet. Ik zal er navraag naar doen, want ik houd heel, heel erg veel van Multatuli.

Over den toestand der minderen en der hoofden vertel ik je een anderen keer. Nu heb ik al zooveel geschreven, en dat onderwerp eischt voorzeker geen geringe plaats, hoor!

Wat of wij thuis spreken? Wat een vraag, Stellalief. Natuurlijk onze taal en dit is Javaansch. Maleisch spreken wij met vreemde oosterlingen, dit zijn Maleiers, Mooren, Arabieren, Chineezen enz. en Hollandsch alleen met Europeanen.

O! Stella, wat moest ik lachen, toen ik je vraag las: "Mag je je ouders b.v. zonder hunne toestemming wel eens hartelijk omhelzen?" Luister dan, den eersten kus moet ik mijnen Ouders, broers en zusters nog geven. Zoenen is in de Javaansche wereld geen gebruik. Alleen kinderen van één jaar tot 3, 4, 5, 6 worden gekust. Wij zoenen elkaar nooit. Ja, kijk daar maar verwonderd van op! 't Is toch zoo. Alleen onze Hollandsche vriendinnen kussen ons en kussen wij terug. Dit laatste is zelfs van zoo'n ouden datum niet. Wij lieten ons eerst maar zoenen, doch kusten nooit terug. Sedert we zoo bevriend zijn met Mevrouw Ovink--Soer hebben wij zoenen geleerd. Als zij ons kuste, vroeg HEd. ons ook een kus terug. In den beginne vonden wij 't wel wat vreemd en zoenden ellendig lam. Maar dit werkje leer je gauw aan, hé? Hoe lief ik iemand ook heb (eene Hollandsche altijd, wij Javanen zoenen elkaar niet), ik zal 't nooit in mijn hoofd krijgen om haar uit eigen beweging een zoen te geven. Want, zie je, ik weet niet, of ze dit wel prettig zal vinden. Voor ons is 't een genot om een zacht, blank wangetje met onze lippen te beroeren, maar of de bezitster van dat wangetje 't ook prettig vindt, een groezelig, zwart gezicht tegen 't hare te voelen, is een andere vraag. Laten de menschen ons maar voor onhartelijk uitkrijten, uit eigen beweging zullen wij nooit iemand omhelzen.

* * * * *

Als 't waar is, wat je zegt, dat ik niet hoef onder te doen voor menig Hollandsch meisje, dan is dit voornamelijk het werk van Mevrouw Ovink, die met ons, Javaantjes, omging als met eigen zusters. De omgang met de beschaafde, zeer ontwikkelde volbloed Hollandsche dames had een heilzamen invloed geoefend op de bruintjes. Moesje weet wel, dat door tijd en afstand heen de harten harer dochtertjes hun beiden zullen toebehooren. Vadertje had ons beloofd, of eigenlijk Mevrouw Ovink liet Vadertje beloven op zijn eerewoord, ons bij hen op Djombang te brengen. Mijnheer Ovink wilde ons maar dadelijk meenemen. Wij hebben hen zoo lief, zoo lief, haast zoo lief als Pa en Ma. Wij missen hen erg, erg. Ik kan mij tot nu toe maar nog niet goed voorstellen, dat zij werkelijk van ons weg zijn. Wij hebben zóóveel met elkaar meêgemaakt. Hartelijk hebben wij al dien tijd elkaars familieleven meegeleefd.

[1] Men bedenke bij het lezen van dezen in 1899 geschreven brief, dat de schrijfster destijds nog zeer jong was, en het haar blijkbaar onbekend was, dat in de Inlandsche maatschappij meer en meer de opvatting doordringt om zich slechts met één vrouw te verbinden, al is het _recht_ blijven bestaan om met vier vrouwen gehuwd te sijn. In hare brieven van vijf jaren later, zal men zien, dat het huwelijk haar een groot geluk bracht, daar de band tusschen haar en haren echtgenoot met hare innigste wenschen overeenkwam.

[2] Het stukje draagt tot opschrift: "Het huwelijk bij de Kodja's en is opgenomen in deel I (6e volgreeks 6e deel) blz. 695 e.v. der Bijdragen.

[3] Zie G.P. Rouffaer en Dr. H.H. Juynboll. "De Batikkunst in Ned.-Indië en hare geschiedenis", blz. XI der inleiding, waar vermeld wordt, dat het stuk van Raden Adjeng Kartini een belangrijk deel uitmaakt van het eerste hoofdstuk van voormeld werk.

November 1899 (II.)

O, liefste, liefste Mevrouwtje, wat een allerleuksten Zondagmorgen hadden we eergisteren.

Pa was met broertje een toertje gaan maken en kwam na een poosje thuis. Broertje met opgewondenheid vertellen: "O, zus, er is een oorlogschip op de reê. Op de passer wemelt 't van matrozen en er zijn er twee met ons meêgegaan. Gauw ga hen zien, ze zijn voor bij Pa."

Wij sprongen bij dat woord oorlogschip op, als werden wij door een bij gestoken en vóór broertje was uitgesproken, vlogen we reeds onze kamer uit naar voor. We zagen twee in 't wit gekleede heeren aarzelend ons erf opkomen; na een poos zagen wij hen met Pa in de middengalerij zitten. Een poosje later kwam een jongen ons zeggen, dat wij bij Pa moesten komen, wat wij maar al te graag wilden. Een, twee, drie schoone kabaais aangetrokken, en een oogenblik later zaten wij al te wippen op de schommelstoelen en in druk gesprek met--een paar officieren van de "Edie". Ik weet niet hoe 't kwam, maar we raakten toch zoo dadelijk op ons gemak en spraken met de heeren alsof wij ze al jarenlang kenden. Maar hoe kwamen de menschen in de Kaboepaten verzeild? Dat zal ik u vertellen. Pa ging, zooals ik boven reeds vertelde een toertje maken; onderweg kwam Pa een stuk of vijf heeren tegen. Drie sloegen een anderen weg in en twee volgden Pa's rijtuig in de Kaboepaten. Ze dachten (de heeren zijn nooit op Java geweest), dat de weg, dien de wagen nam, een straatweg was en ons huis een magazijn of zoo iets.

Pa zond iemand op de heeren af om hen te verzoeken binnen te komen. Ze schrokken natuurlijk, toen ze hunne vergissing bemerkten en iemand naar zijn eigen huis gevolgd hadden. Wat te doen nu? Ze vonden 't niets pleizierig, vooral niet, omdat ze onze taal niet kenden, en slechts gebrekkig Maleisch spraken. Papa maakte aan deze weifeling een einde, door hun tegemoet te gaan en in hun taal aan te spreken. Verbazing, verrassing aan den kant der heeren. Nu wilden ze graag in de Kaboepaten komen. 't Bleek, dat een der heeren een familielid was van iemand dien Pa heel goed kende. Ik herinner mij niet me ooit zoo op mijn gemak gevoeld te hebben met een wildvreemde. Ik dacht er heelemaal niet aan, dat ik die menschen nooit van mijn leven had gezien en niet wist dat zij bestonden vijf minuutjes tevoren nog. Vreemd, maar een feit is 't, dat wij ons met zeelui altijd direct thuis gevoelen. Wij hebben onze harten nu eenmaal aan de zee verloren; alles wat daarmeê in verband staat, interesseert ons. U weet wel hoe één verrukking we zijn, als er van een roeitochtje sprake is. Wij gloeien voor de zee, dat weet U zelf; toen ik daar halfdood in de opiumprauw lag, vond ik 't prettig, dat ik op de baren was. Van vroeger af aan dweepten we met de goddelijke zee. Als ik een jongen was, bedacht ik me geen twee tellen, doch werd direct matroos. Verbeeld U wat Pa aan de heeren vertelde: "mijne dochters houden zooveel van varen en gaan erg graag aan boord". Die lieve, lieve Pa van ons. Pa weet alles wat er in onze harten omgaat. Pa zegt 't wel niet, doch ik ben er zeker van. Zoo nu en dan vertelt Pa het een en ander van ons aan anderen, precies zooals wij 't gedacht hebben, doch dat wij voor ons zelf gehouden hebben. Wij zijn dan één verbazing, hoe Pa toch dat alles kan weten, wat we bij ons zelven dachten en niet aan anderen openbaarden. 't Komt zeker, omdat Pa zooveel van ons houdt, en wij van Pa. Nu en dan verrast Pa ons door een gedachte bloot te leggen, die op den bodem van mijn hart lag en waarvan ik dacht, dat niemand behalve ik zelf haar bestaan wist. Zou dat nu zieleverwantschap zijn?

Als ik wat meer bijgeloovig was, zou ik heusch denken, dat Pa gedachten kon lezen.

Maar ik zou U van den leuken Zondagmorgen vertellen en niet van het geheime telefoonkabeltje, dat van onze harten loopt naar dat van mijn liefsten Vader.

De officieren vonden 't vreeselijk jammer, dat de "Edie" niet langer op onze reê bleef; ze zouden 't anders zoo leuk gevonden hebben, ons aan boord te zien. De "Edie" moest riffen zoeken op Karimoen Djawa, en moest hier eigenlijk niet zijn, doch de commandant vond 't aardig ook eens Japara te zien. Beide heeren zullen alle moeite doen om den commandant over te halen, vóórdat de "Edie" a.s. Maandag naar Soerabaja vertrekt, eerst den Zaterdag en den Zondag te Japara door te brengen. Lukt hun dit en komt dus Zaterdag de "Edie" hier, dan zullen zij 't ons doen weten, door een der vuurmondjes te laten losbranden. Ik maak mij heelemaal geen illusies, dat zij slagen zullen, maar 't zou toch alleraardigst zijn, als de boot weêr kwam. Ik heb den heeren gezegd, dat, mochten ze Japara weêr passeeren, zij voor onze kust een schroefas of zoo iets moesten breken, waardoor 't schip dan verplicht was in onze haven stil te liggen.

Toen de officieren weer weg waren, en wij in onze kamer terug, dachten we aan een droom. En werkelijk, 't was alsof we gedroomd hadden. Zoo plotseling, zoo onverwacht verschenen ze ons om weer even gauw te verdwijnen. Maar een alleraardigste verrassing, vindt U niet? Ik moet er nog steeds om lachen, als ik aan dat grappige avontuurtje denk.

O! Moedertje, Mevrouwtjemijn, ik wou, dat U weêr terug was. Uwe dochtertjes missen U zoo. Wij verlangen de gezellige daagjes met U doorgebracht, terug; de heerlijke uurtjes in uwe lieve zitkamer, waar U ons zoo dikwijls liet genieten van mooie lectuur, waar wij zooveel bespraken, dat immer tusschen ons blijven zal. Ik mis de vertrouwelijke gesprekken met U, waarin ik aan mijn lief Moedertje al de gedachten, die in dit oproerig hoofd woelden, en de gevoelens van mijn rusteloos hart bloot legde. Wanneer ik in een gedrukte stemming was, ik hoefde slechts Uw lief, opgewekt gelaat te zien, en ik was weer 't vroolijke, zorgelooze kind, dat in dollen overmoed zingen kon: "Al valt de hemel naar omlaag, ik zet er kloek mijn schouders onder". Mevrouwtje, U had ons tè veel bedorven, tè veel verwend! Nu doen we niet anders dan den heerlijken tijd van ons samenzijn terug te verlangen. En toch, ofschoon wij zoo hard naar U verlangen, hopen wij zeer, dat de reis naar Djombang zoolang mogelijk uitgesteld zal worden. Waarom? Wij weten, wij _voelen_ het, dat op Djombang wij elkaar voor 't laatst zullen zien. 't Weêrzien zal ook een _afscheid_ voor _goed_ zijn. Op Japara komt U nooit weêr, en zoo maar naar U toe gaan, kunnen wij niet. Daarom laat die reis zoolang mogelijk uitgesteld blijven. Heerlijk om iets prettigs in 't vooruitzicht te hebben; wij willen hiervan zoo lang mogelijk genieten; dan het goddelijke weerzien en--uit is al de pret. Neen toch, ons blijft de herinnering.

Wij zijn goed, noch lief, zooals U zich ons denkt. Weet U wel, lief Moedertje, dat 't niets dan egoïsme is, dat ons eens een enkelen keer tot goed en lief doen drijft? Want o! niets heerlijker vind ik, dan een blijden glimlach te kunnen te voorschijn roepen op eens anders gelaat, vooral dat van hen, die wij liefhebben. Niets goddelijker, dan wanneer een paar beminde oogen je zoo lief en blijde aankijken, en jij je schuldig voelt aan die vreugde.

Hoe aardig, dat kokkie ook aan ons denkt!

12 Januari 1900. (I.)