Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk
Part 29
Heerlijk vinden wij 't bericht, dat ook in de Minahassa een Inlandsch meisje "dwaze ideeën" heeft als wij. Ziet u wel; wij zijn de eenige "gekken" niet! En als nu de adel hier ons niet hebben wil, en óók het volk ons afwijst, dan vluchten wij naar dat verre zusterzieltje, om ver van het marktgewoel, ergens op een vergeten plaats werk te zoeken en te vinden voor hoofd, hart en handen. Er zal in de groote, groote wereld ergens wel een plaatsje zijn, waar men ons wel verdragen kan.
Mijn oudste zuster is hier geweest; zij is gisteren weer vertrokken, doch niet om door te gaan naar Kendal, maar om op Koedoes bij hare schoonmoeder af te stappen en onze zaak bij haar te bepleiten.[6] Al wat wij in den laatsten tijd hebben ondervonden, maakt ons stil, ernstig! Daar gaat iemand onze zaak bepleiten, die zich steeds zoo scherp tegenover ons had gesteld.[7] Wij hadden ons hoofd niet gebroken om een toespraak samen te stellen, die haar 't hart zou vermurwen. Wij hadden eenvoudig van hart tot hart gesproken, en 't was ons zoo vreemd te moede, toen onze zuster met vochtige oogen en eene trilling in hare stem zeide: "Goed, volvoert je plannen, verwezenlijkt je ideeën; ik zal God bidden, dat Hij je zegene!"
Wij vroegen haar nog: "Zult gij 't u niet aantrekken, als anderen ons beschimpen, veroordeelen?" En zij antwoordde; "Ook de luidste sprekers zullen eenmaal zwijgen!" Zus denkt, dat hare moeder wel zal willen; ook, dat haar man het goed zal vinden.
En hoe 't hier thuis is? Vroeger mochten wij er nooit met anderen over spreken; nu spreken zij er zelf over. Wij spraken onlangs met een vreemde over allerlei onderwerpen; hoe zwol mijn hart van vreugde en geluk, toen ik mij telkens naast Vader zag staan. Ook naar den geest ben ik zijn kind, zong mijn hart! Vader verzocht dien vreemde ook hier te komen, om onze gedachten aan elkaar te toetsen, dat was goed voor ons. O! zal dan onze droom eens verwezenlijkt worden, dat wij onzen weg beginnen met _hun_ vollen zegen!
O! en wat zegt u er wel van, nog vóór wij den Heer Sijthoff[8] geschreven hadden, kregen wij verleden week een heel hartelijken brief van hem, waarin hij ons zijn spijt betuigde over onze koppigheid, om een paar regels verder te verklaren, dat dat hem eerbied afdwong, om daarop ons steun te beloven. Waar wij dien noodig hadden, behoefden wij slechts bij hem aan te kloppen.
[1] Met "priesters" en "priesteressen" worden bedoeld personen die de godsdienstplichten te Mekka hebben vervuld. Met "santries" meer in het algemeen de zeer aan de godsdienstige vormen en gebruiken gehechten.
[2] Botjak-angons sijn jongetjes belast met het hoeden der karbouwen.
[3] Bekakas = gereedschap.
[4] In het nummer van 3 Januari 1903 (blz. 11) met het opschrift "Van een vergeten uithoekje".
[5] Door het afdrukken der portretten, hetgeen zonder toestemming geschiedde. De portretten waren door iemand anders in Nederland aan de redactie verstrekt.
[6] Het doel en de uitslag der bespreking vindt men in den brief van 19 April 1903 (blz. 307).
[7] Men vergelijke hier blz. 52.
[8] Den Resident.
4 Maart 1903 (VIII.)
Ik ben _erg naar_ geweest. Dagen lang had men hier in angst over mij gezeten, en had ik de afschuwelijkste pijnen. Goddank, die ellende is nu achter den rug, 't leed is weer geleden. O! en wat een onnoozel middeltje heeft mij van die pijnen bevrijd. Wij hebben het opgeteekend voor onze verzameling, die later onzen kinderen ten goede zal komen.
Gisteren ben ik weer begonnen te werken; 't gaat best; en vandaag ben ik voor 't eerst eens weer meê uit rijden geweest. Roerend was Vader's dankbaarheid er over. Ik zat natuurlijk naast hem, en Vader hield mij aldoor vast, als vreesde hij me te verliezen. Dat waren weelde-oogenblikken, kostbare herinneringen, voor mij een talisman voor de toekomst! O, wij hebben allen zóóveel geleden, physiek en moreel.
9 Maart 1903 (VIII.)
Wij hebben bericht gekregen, dat het schildpad binnen weinige dagen hier zal zijn en dan gaat de goudsmid er mee naar Solo. Heerlijk, nu zijn er al drie takken van kunstnijverheid in mijne geboorteplaats aan het opleven, en wij zijn doende om nog andere op te sporen, en er leven in te brengen. Zij weten nu, zien in, dat het ons doel is, _henzelven_ tot welvaart te brengen; zij begrijpen hun voordeel, en apprecieeren ons werk, door met lust en ijver mede te werken. Al wat wij voor hen doen, zou nutteloos zijn, als zij niet begrepen, dat wij het _goed_ met hen voor hebben, en _hun_ welvaart voor oogen hebben. Ik ben dankbaar, dat zij dit begrijpen!
Het is heerlijk om te zien, hoe er _leven_ komt in die takken van nijverheid. De dringin-werksters[1] beginnen op groote schaal te werken, en zelfs in de _kampong_, om het Maleische kamp, doen Inlanders er aan. Het gaat dus _goed_. De goudsmid heeft meer knechts en _leerlingen_ genomen. En er zijn knapen, die zich voor het houtsnijwerk-vak laten opleiden. Eén feit heb ik vooral met groote vreugde begroet. Er is onder die leerlingen een knaap van de _kota_, dus geen kind van Blakang-Goenoeng, het houtsnijwerkersdorp. Andere leerlingen zochten wij, maar die ééne uit de kota kwam zichzelven er voor aanmelden. Dat is het ware! en zoo'n heerlijk, verblijdend teeken! Ik ben er erg dankbaar voor!
De kleintjes hier zullen ons werk voortzetten, als wij er niet meer zijn; wij zullen haar leiden van uit de verte, zoolang zij nog leiding behoeven.
* * * * *
Iemand klaagde ons over ondankbaarheid, en over den haat der menschen onderling. Wij zeiden hem, dat als hij verdriet had over de ondankbaarheid der menschen, dat _zijn eigen schuld was_.
Hij keek ons met groote oogen aan en vroeg: "Mijn schuld, als de menschen ondankbaar tegenover mij zijn?" "Ja, uw schuld, als u daarover verdriet hebt; want wij moeten nooit het goede doen, om dankbaarheid te oogsten, doch het goede doen, enkel en alleen omdat het _goed_ is, en wij daarin zelfvoldoening vinden.
Ik denk en geloof, dat 't beste middel om zelf gelukkig te zijn en daarbij anderer leven mooi te maken is, dat wij zóóveel mogelijk trachten te begrijpen. Hoe meer wij begrijpen, hoe minder verbittering er is in ons, hoe liefdevoller, rechtvaardiger ons oordeel is voor anderen. Dit laatste maakt anderer leven mooi, en het eerst ons eigen; niet verbitterd zijn, is gelukkig zijn.
Hij vroeg ons ook:
"Wat zou er gebeuren, als je iemand ontmoette, waarvoor je hart klopte?"
"Ik zou blij en dankbaar zijn, want dat zou beteekenen, dat ik een geestverwant ontmoette, en hoe meer geestverwanten wij vinden, hoe beter voor onze zaak en des te liever is het ons."
"Een geestverwant zal je _nooit_ ontmoeten."
Kras gezegd; òf hij stelde onze mannen zóó laag, òf hij stelt mij overdreven hoog!
Wist hij maar, dat ik zoo juist een enthousiastischen brief kreeg van een mij onbekenden, jeugdigen geestverwant. Ik zal u dien brief bij gelegenheid eens zenden; hij is van een leerling der Inlandsche artsenschool. Een spontane uiting van sympathie, naar aanleiding van het stukje in Eigen Haard, dat u inleidde. Zoo echt jongensachtig--jòng in zijn gloeiend enthousiasme, maar daaruit sprak ontegenzeggelijk een niet alledaagsche geest--een degelijke ondergrond schemerde er door.
Auteurswedde, dat onbekende menschen zich vriend voelen met iemand, wiens woord hun hart trof! Ik vind 't een heerlijk idee, dat u 't was, die mij onder mijn waren naam in 't publiek binnenleidde. Zulk een inleiden door iemand, die men zielslief heeft, moet zegenend zijn.
En als dat stukje eenig succes heeft gehad, dan schrijf ik dat toe aan de omstandigheid, dat het door uwe handen 't licht zag. Er is mij veel wedervaren naar aanleiding daarvan, maar het heeft zijn doel niet gemist; voor onze artisten heeft het eenig succes gehad. Er zijn naar aanleiding daarvan eenige niet onbelangrijke aanvragen naar houtsnijwerk gekomen.
[1] "Dringin" is een bepaalde werkwijze waardoor verkregen worden doeken met hetgeen in Nederland genoemd worden "moesjes".
19 April 1903. (IX.)
_Zelfbeperking_ heb ik zoo zeer noodig aan te leeren.
Het is uitstekend, dat men mij in den laatsten tijd dikwijls daarop attent maakt.
Ik kijk mijn schrijfmap dikwijls met heimwee aan, maar ik moet mij beheerschen; aan mijn schrijflust mag ik niet meer ten allen tijde bot vieren; dat mag nu slechts een uitspanning voor me zijn.
En nu nog iets prettigs. De schoonmoeder van mijne zuster Soelastri, wil met groot genoegen ons chaperonneeren,[1] wáár ook; het aangenaamst voor haar natuurlijk op Magelang, waar zij in familie en vrienden zit, en die allen vóór de vrije opvoeding zijn. Mijn zwager was er dadelijk voor te vinden.
[1] Voor de oprichting van een internaat voor Inlandsche meisjes van goeden huize.
25 April 1903 (I.)
Laf, onvergeeflijk is 't, dat wij je niet direct zelf geschreven hadden, toen het groote besluit genomen was, dat wij vooreerst niet van de vrucht van uw aller edel werk zullen gebruik maken.... Niemand kan meer verbaasd zijn over deze uitkomst dan wij zelven. _Alles_ hadden wij verwacht, doch _nooit_ dat wij uit eigen vrijen wil zouden zeggen: "_wij blijven_!"
Denk niet aan ons, denk aan _de zaak_ en wat voor háár het beste is; daar moeten wij ons bij neerleggen.
O! denk niet, dat wij van gevoelens veranderd zijn; geenszins is dat het geval. Zelfs nu, terwijl ons request reeds op weg is naar den Gouverneur-Generaal gelooven wij vast, dat voor onze toekomstige leerlingen, eene opvoeding in Europa, _uitstekend_ zal zijn. Doch daarnaast staat thans een andere waarheid: "_Voor de zaak_ is op het oogenblik een blijven in Indië _beter_."
Je weet, dat het een onzer grootste illusies is geweest en nòg is, om in Europa onze opvoeding te voltooien. Begrijp je, wàt het ons gekost heeft, om daarvan afstand te doen, terwijl zij op 't punt stond werkelijkheid te worden? Ontzettend hebben wij gestreden, voor wij daartoe konden overgaan. Gaven wij aan ons zielsverlangen toe, dan zochten wij _ons zelf_, want wij weten, dat _de zaak_, op een andere manier beter gediend zal worden. Wij hooren nu ons zelf niet meer toe, wij hooren de zaak toe. Op 't oogenblik dienen wij haar 't beste, door in 't land te blijven. Het publiek, waarvoor wij willen werken, moet ons nog leeren kennen; gaan wij _nu_ weg, dan zullen wij ons daarvan vervreemden. En als wij over eenige jaren terugkomen, zal men in ons Europeesche vrouwen zien. En als men Europeanen zijne dochters niet wil toevertrouwen, des te minder zal men dit willen doen aan een, in zijn oog, Europeesch geworden Javaansche vrouw.
Het doel is _ons volk_. En als dit tegen ons ingenomen wordt, wat zal ons Regeeringshulp baten? De quaestie is nu, zoo spoedig mogelijk aan den slag te gaan, het publiek voor een _feit_ te stellen: een school voor Inlandsche meisjes _is er_! Op 't oogenblik houdt men zich met ons bezig, zijn wij over geheel Java bekend; wij moeten het vuur gaande houden. Als wij weggingen en lang uitbleven, zou die belangstelling verflauwen en op 't laatst verdwijnen. Wij moeten ons nu _persoonlijk_ bekend maken aan ons publiek, zijn sympathie trachten te verwerven en het leeren in ons vertrouwen te stellen. Hebben wij die sympathie en dat vertrouwen, dan kunnen wij gerust gaan. Dat gaan naar Holland vervalt niet geheel, Stella. Wij kunnen nog altijd gaan. En als wij dat van uit Batavia doen, zal dit beter zijn, dan van hier uit. Ten eerste voor de Oudjes. Zij zullen al gewend zijn, ons op een grooten afstand van zich te weten, en dan kunnen zij gemakkelijker er toe overgaan, zich dien afstand nog grooter te denken. Voor ons zelf zou dat ook goed zijn. Kijk, wij zijn nooit van huis geweest. En dan in eens van ons warm nestje, van ons land, verplaatst in eene andere omgeving, in een vreemd land, zoo ver van al wat ons lief is. Die overgang zou te groot zijn.
Doch dat is maar bijzaak, dit wisten wij altijd toch wel, en wij hadden er nooit tegen opgezien. Hoofdzaak is: het gevaar voor onze _onderneming_ zelf. Dit hadden wij nooit ingezien, uit trotschen overmoed, of overmoedigen trots, hoe je het noemen wil. Geheel opgaande in onze extase, dachten wij weinig of niet aan de meening van ons publiek; ja, wij stelden er zelfs eene eer in, om haar te trotseeren, waar zij afweek van de onze; en deze hoog te houden tegenover de menigte, ons niets storend aan hare afkeuring, waar wij voor ons heilig overtuigd waren van het goede van ons willen, streven of daad. Wij blijven dit _goed_ vinden, doch in _dit_ geval mogen wij zulks niet doen, hebben wij wel degelijk rekening te houden met de inzichten van het publiek. Immers voor _ons volk_ willen wij werken, en dan is het zaak het niet tegen ons in te nemen, door met ruwe hand te grijpen in ideeën, waarin het is groot gebracht en oud geworden.
Geduld! hebben de wijzen ons toegeroepen, wij hoorden het, maar verstonden het niet. Nu eerst begrijpen wij het, Stella, nu weten we, wat het wachtwoord is van alle hervormers: _Geduld!_ Wij kunnen den loop der dingen niet bespoedigen, wèl vertragen door te hard van stapel te willen gaan. Als het publiek tegen ons ingenomen was, dan zou dit den gang der zaak vertragen. Men zou huiveren zijnen dochters eene verlichtende opvoeding te geven, als deze zulke onmogelijkheden vormde als wij, die de menigte tot voorbeelden worden gesteld.
Geduld! geduld tot in het oneindige, Stella, ik was zóó ontroerd, toen deze waarheid tot me doordrong. Wij moeten ons beteugelen, er voor waken, dat wij in ons vuur en ijver _het doel_ niet voorbij streven. Mevrouw Van Kol schreef ons: "om een ideaal te bereiken, moet men menige, o menige illusie afleggen". De eerste illusie, die wij hebben afgelegd is: ons te geven aan het publiek zooals wij zijn.
Neen, dat mag niet; het publiek mag nooit weten, wat wij bestrijden. Den naam van den vijand, waartegen wij te velde trekken mag nooit, nooit gehoord worden: _polygamie_. Weet men dit, dan zal geen mensch ons zijn kind ter opvoeding willen geven. Ik heb mij dit erg aangetrokken; 't is mij of wij met een leugen onze taak aanvaarden.
Onze illusie was, dat men ons geheel kende, en dan uit overtuiging ons zijne kinderen afstond.
Dit is onmogelijk.
Wij staan nog vóór onze taak, en wij zien de illusies al een voor een verdwijnen...! O, Stella, maak ons het afstaan van deze groote illusie niet nog zwaarder door er verdriet over te hebben. Zóó is 't ons al hard genoeg. Je hebt 't altijd geweten, dat het een groote, groote illusie van me was, om in je land te komen en daar wijsheid te vergaren voor ons volk. Laat ik er niet meer over spreken. Ik dank je, ook namens mijne Oudjes, duizend maal voor _alles_ wat je voor ons gedaan hebt ... en voor niets! Neen, Stella, niet verloren is je werk; jullie aller werk; maken wij van de vrucht daarvan op het oogenblik geen gebruik, voor de zaak is het van groot nut. De aandacht is er op gevestigd, en weldenkenden bepeinzen dat vraagstuk. De vrucht van deze overdenkingen zal ons volk tot zegen komen.
Reeds zijn ons vragen over de opvoeding van het Javaansche volk gedaan door menschen, die wat in de melk te brokkelen hebben.
Zou men dit ooit gedaan hebben, als niet jullie de aandacht van weldenkenden op ons gevestigd hadden? Zou de Regeering, zouden velen bereid tot helpen zijn, indien jullie niet voor ons gewerkt hadden? Stella, nogmaals duizendmaal dank voor jouw groote, groote liefde! Neen, lieveling, jouw werk, jouw moeiten zijn niet verloren. Uit naam van ons volk dank ik je er innig voor. Aan den Javaan zullen al je moeiten ten goede komen.
Onze plannen zijn, zoodra er gunstig op ons request geantwoord is, dadelijk naar Batavia te gaan. Roekmini om zich te bekwamen voor teekenen, handwerken, gezondheids-, zieken- en verbandleer. In teekenen zal ze les krijgen van een leeraar van het gymnasium, en voor hygiëne de lessen volgen der dokter-djawa-school. Ik ga voor het onderwijs studeeren, met welke studie ik sedert een paar maanden begonnen ben onder leiding van een hoofdonderwijzer. Ik ga maar één acte halen. Zoodra ik die heb, wordt onze school geopend, òf op Magelang òf op Salatiga, beide een koel klimaat en met veel doktoren (officieren van gezondheid). Wij hebben grootsche plannen; als de school er is, en alles goed gaat, dan willen wij daaraan een cursus voor vrouwelijke geneeskundigen, verpleegsters en verloskundigen verbinden, waarin officieren van gezondheid zullen les geven, en waarvan Roekmini de leiding zal hebben. Zoo iets kan hier alleen bestaan onder leiding van eene _beschaafde, ontwikkelde vrouw_.
Wij hebben de Regeering ook subsidie gevraagd voor de oprichting van die school. Wordt het geweigerd, dan gaan wij particuliere hulp inroepen. Misschien gebeurt het dan toch nog, dat wij ons tot de Koningin zullen wenden.
Dat was ook Vader's idee geweest, in Indië studeeren, en daarna voor verruiming van den geesteshorizon naar Europa gaan. Niet zooals wij eerst van plan waren, in Europa studeeren, daar dus _eenige jaren_ blijven.
Het is net een jaar geleden, dat ik je jubelend gelukkig schreef over het bezoek van den heer Van Kol. En precies één jaar daarna moet je dezen krijgen. Stella, heb mij nog een beetje lief; uit piëteit voor de groote liefde die je mij eens toegedragen hebt, smeek ik je: Heb mij nog een beetje lief.
14 Mei 1903. (IX.)
Onlangs kreeg ik eenige aardige kiekjes van sawahs; ik wacht op 't rijp worden van de paddi, om daarover te gaan droomen; en als die droom dan aardig uitvalt, gaat hij met de kiekjes naar Holland om gedrukt te worden.
Wij zijn gisteren op Blakang Goenoeng geweest. Wat genoten wij, èn van de heerlijke mooie kunst, die we zagen, èn van de zichtbare welvaart van onze artisten! Wat is Singo's huis veranderd, sinds we 't laatst daar zijn geweest. Hij heeft nu een houten en steenen huis! Heerlijk! Ze zagen er zóó gelukkig uit! O! U moest ze toch eens bezig zien! De kleine aapjes, die hij opleidt, zijn al zoo handig. 't Is een lust om die _kindertjes_ te zien werken! Wij zijn er gisteren geweest met goede kennissen. En 't was, zooals ik gedacht had; nu zij daar zijn geweest, staat de kunst onzer simpele artisten nòg hooger in hun oog.
7 Juni 1903. (VIII.)
Onlangs maakten wij kennis met een piepjong ding, dat me erg aan uw a.s. schoondochtertje herinnerde. Zij was zoo fijn, o zoo fijn, en blikt zoo vroolijk en gelukkig in het rond; toch heeft zij al veel meegemaakt, dat jonge ding. Kijk, zoo moesten al uwe dochtertjes zijn! ze zouden dan zoo uitstekend passen bij haar lief Moedertje. Wij dachten dat jonge ding een kind van 15--16 jaar, en konden 't nauwelijks gelooven, toen wij hoorden, dat ze _moeder_ was. Dat ranke, fijne ding, _moeder_! 't Speet me zoo, dat ik zoo veraf van haar zat, zoodat ik niet met haar kon praten.
't Was bij Oom,[1] dat ik haar ontmoette, tegelijk met vele anderen.
Wij hadden ons voorgenomen, om dien avond op alles, wat men tegen ons mocht zeggen, niets te antwoorden dan "ja" of "neen", hopende zoodoende de menschen van ons af te houden.
Het ging uitstekend, tot een jonge man zich bij ons voegde, de echtgenoot van dat bekoorlijke kind-moedertje. Hij begon met te vertellen, dat hij onzen Kartono goed kende, tegelijk met hem examen had gedaan.
Ik luisterde onwillekeurig met meer belangstelling naar hem, maar stribbelde toch nog tegen. Doch daar begon hij over kunst, onze heerlijke Javaansche kunst, over ons volk, over 't Mohammedanisme, enz. enz. en voor ik 't zelf wist was ik in een levendig gesprek met hem gewikkeld.
Zoo ziet u, hoe de beste voornemens ijdel kunnen zijn!
Dien avond hoorde ik zooveel interessants, dat ik tevoren niet geweten had!
Wat hebben wij genoten van den mooien dans van de wajangs. Een was er, van wie we de oogen niet konden afwenden. Hij danste éénig en was mooi. Het was eene vrouw, maar moest een man voorstellen.
Heerlijk was het, wat zij ons te aanschouwen gaf! Eene uiting van fiere kracht, en toch o zoo gracieus en fijn. Dat is 't mooie, 't sublieme in onze kunst: de voorname, zachte gratie in iedere lijn, in iedere beweging!
Ik zal die twee feestdagen op Demak nooit vergeten, dat weet ik zeker! Wij gingen er laat naar bed, maar eigenlijk slapen deden wij niet. Hoe konden wij dat?--terwijl buiten de gamelan zoo betooverend klonk, en eene menschelijke stem zoo verrukkelijk daar boven uit zong. Wij konden niet slapen--de sirenenzang hield ons geboeid--en in ons hart bewoog zich het idee: 't is wellicht voor 't _laatst_.
Gamelan en zang zullen wij op Batavia nooit zoo mooi hooren. 't Was mij of ik in die dagen afscheid nam van mijne jeugd.
Iedere phase van ons leven heeft hare eigen bekoorlijkheden, en elk afscheid is weemoedig.
Lieve, lieve Moeske, zal u ons helpen den eersten tijd in den vreemde doorkomen?
Heb ons nog méér lief, als de tijd daar is, dat wij om ons heen dierbare gezichten zullen missen, die noodig zijn voor ons geluk.
Wij kunnen veel ontberen, _liefde_ niet.
U weet wel, dat ons request al een tijd weg is? Wat zal 't antwoord daarop zijn?
[1] Den Regent van Demak Pangeran Ario Hadiningrat.
27 Juni 1903. (IV.)
U zal wel reeds alle vertrouwen in ons verloren hebben. Er komt maar geen brief van me. Vergeef me, lieve, beste Oom. Zusje heeft u zeker reeds verteld, dat ik in Februari en Maart flink ziek ben geweest en daarna nam de studie mij in beslag. Veel mij lief werk moest ik er voor laten rusten. Ik heb het erg slecht gemaakt, juist bij mijn beste vrienden. Hun kon ik geen kattebelletjes zenden. Nú zie ik, hoe dwaas ik gehandeld heb; een kattebelletje is in ieder geval beter dan heelemaal niets. In de vacantie wilde ik geen vacantie nemen; integendeel wilde ik juist hard werken; ik moet nog zooveel leeren. Maar het _Leven_ heeft mij vacantie gegeven, op een minder aangename wijze, natuurlijk. Vandaag ben ik pas voor het eerst op, na twee weken te bed te hebben gelegen. Ik heb zoowat van alles gehad. Kou gevat, koortsen, rheumatische hoofdpijnen, maagpijn en tot besluit mazelen en waterpokken. 't Was wel meenens geweest. Mijne ouders en zusjes weken geen oogenblik van mijn ziekbed; die lieven hebben mij voorbeeldig verzorgd en verpleegd. Zusje Roekmini was engelachtig lief voor me O! u weet niet, hoe dierbaar mij dat kind is, en 't is of zij mij eiken dag vaster aan 't hart groeit. Zij beweert altijd, dat ik haar meerdere ben, maar dat is niet waar; zij is veel meer dan ik, daar zal u ook wel van overtuigd zijn.
Zoo onlangs kregen wij een langen brief van Mevrouw van Kol, die ons o! zoo gelukkig maakte met de mededeeling, dat u haar geschreven heeft over ons. Daarin zien wij uwe warme genegenheid en oprechte vriendschap voor ons. Mijn hartelijken dank ervoor, lieve, trouwe vriend. Nu is u gerust, hè, wij blijven in Indië. Wij moesten u den dank en de hartelijke groeten overbrengen van Mevrouw van Kol. Zij heeft het erg druk; als zij wat beter in haar tijd zit, zal zij u schrijven. Nu moeten wij u maar voor haar antwoorden. Au fond is zij het met u eens over ons gaan naar Holland. Het is zoo; nooit heeft Mevrouw van Kol ons heerlijkheden van Holland voorgespiegeld, doch integendeel van 't begin af aan ons ernstig gewezen op de hoopen bezwaren, moeilijkheden, teleurstellingen en verdriet, die ons wachtten in Holland, maar daar 't _onze wensch_ was er te komen, heeft zij persoonlijk gedaan, wat zij kon, om de vervulling van ons groote verlangen mogelijk te maken. Merkwaardig dat juist zij, die alles gedaan hebben, om ons 't gaan naar Holland mogelijk te maken, zacht en liefdevol oordeelen over ons veranderd besluit.
Het leven heeft ons veel geleerd in deze laatste maanden Het heeft ons ware vriendschap van schijn leeren onderscheiden. Dat deze les met hartebloed gepaard gaat, spreekt vanzelf. Wij zijn Nellie onnoemlijk veel dank verschuldigd. Zij heeft ons geleerd zacht te oordeelen. Bid voor ons. Wij houden op Hem ons oog gevestigd. Zijn wil geschiede!