Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk

Part 28

Chapter 284,006 wordsPublic domain

Wat zegt u wel van zulk een klacht van een kind der zon! O! hoe verschrikkelijk voor de menschen die op de velden werken, als het hier bij ons al zoo broeiend warm is--en dat in den Westmoesson. Stuur nu toch wat van uw koü, u mag van onze warmte zooveel nemen als u wil. Konden wij dàt maar werkelijk doen!

25 Januari 1903. (IX.)

Lang heb ik op 't papier zitten turen, zonder dat ik verder kwam dan de aanhef; zoovele gedachten waarden in me rond, zoovele gevoelens doortrilden mijne ziel. In die enkele oogenblikken leefde ik mijn geheele leven van de laatste jaren weer.

Naast jubelend geluk kenden wij uren van bittere smart, wanhoop en vertwijfeling. 't Is ons, of wij in dien korten tijd verscheidene levens hebben afgelegd. De jaren van ons blij-kind-zijn lijken al zóó ver achter ons te liggen. Rijk aan groote oogenblikken waren de laatste dagen en weken weer voor ons.

En er was weemoed, er was dankbaarheid, er was van alles wat in mijn hart, maar weemoed had er den boventoon.

Nu, terwijl ik schrijf, varen mij dezelfde gewaarwordingen weer door de ziel; heb ik een gevoel als om te stikken. Neen, ik wil er niet aan toegeven; ik neem uwe woorden, vanmorgen gesproken, ter harte. Ik wil mij niet laten vermeesteren door treurige gedachten; de meerdere wil ik zijn van 't leed; het verdriet moet me dienen.

En wat u aan 't strand en vanmorgen in den wagen met ons gesproken heeft, o, hoe zullen wij u daarvoor bedanken?[1]

Ik weet geen woord, dat onze gevoelens goed kan weergeven. Dat laat zich alleen gevoelen, niet zeggen! Wij zijn o zoo dankbaar en gelukkig, dat u met ons gesproken heeft. Dat was de taal van een oprecht vriendenhart. Ik heb gisteren den heelen nacht aan uwe woorden aldoor moeten denken, en wat dit voor eene uitwerking heeft, weet u. Wij beiden hebben er lang met elkaar over gesproken gisteren en vandaag, en zoodra Vader wat meer aangesterkt zal zijn, zullen wij er met hem over spreken. Nu kunnen wij alvast beginnen met Mama op de hoogte der zaak te brengen, en onderwijl rustig en kalmpjes de nota schrijven. Is het zaakje beklonken, dan gaan er brieven naar Holland. Wij hebben nu zoo'n rustig gevoel over ons. Dat was het, waaraan wij behoefte hadden; een kalm, ernstig, sympathiek woord van een, dien wij oprecht vriend weten.

Wij hadden er naar gesmacht om met u beiden te spreken. Uit het diepst van mijn hart zeg ik u dank voor uwe woorden, uwen raad.

Wat ons ook naar Holland deed verlangen, was de wensch om een tijdje geheel van _die_ wereld weg te zijn, die zoo smartelijk onze zielen heeft gewond. Dat helsche leed mocht niet weer geleden worden. Holland sluit die mogelijkheid geheel uit, maar in plaats daarvan bergen van andere ellende.

Dank, dat u er ons op gewezen heeft.

[1] Het gesprek blijkt uit den volgenden brief.

27 Januari 1903. (X.)

Ik dacht aan den vorigen keer toen met je Vader je Moedertje samen met ons genoot van de zee, _onze zee_! Dat waren weelde-oogenblikken die je niet, nooit vergeet! Ook dezen laatsten keer zal dat aan 't strand zitten met je Vader steeds in onze herinnering blijven voortleven. Dáár sprak je Vader met ons over onze plannen.

Wàt was ons dàt weldadig, dat gesprek van hart tot hart met een dien wij zóó hoogachten, liefhebben en oprecht vriend weten. En wat dàt voor eene uitwerking had? Ik had er den geheelen nacht niet van kunnen slapen; ik had in bed liggen woelen met je Vader's ernstige, liefdevolle woorden in mijn hoofd en in mijn hart! D&t was het waaraan wij behoefte hadden, waarnaar wij met smachtend verlangen hadden uitgezien: een ernstig, liefdevol woord gesproken van hart tot hart, oog in oog.

Den volgenden ochtend heel vroeg moest je vader al weêr weg tot ons groot verdriet; wij brachten Z.Ed. weg en in den wagen hervatten wij weder ons gesprek aan 't strand. Het resultaat daarvan is, dat wij al heel gauw met volkomen toestemming van de oudjes een request aan den Gouverneur-Generaal zullen richten, om door de Regeering in de gelegenheid te worden gesteld ten bate van de Javaansche vrouw in de toekomst, onze opvoeding te voltooien op ... Batavia!

Kijk je er niet van op beste broer? Ik weet niet hoe jij het vinden zal. Maar vindt je ons niet erg wispelturig? Dat wilde eerst met alle geweld naar Holland; bewoog hemel en aarde om haar zin te krijgen, en nu zij eindelijk kunnen gaan, dank zij 't werk der vrienden, zeggen zij: "Ik blijf!" Wat zeg je wel van zulk een wispelturigheid? Maar beter gedwaald en ten halve gekeerd, dan heelemaal gedwaald, soms alleen uit dwazen trots om niet ongelijk te willen bekennen.

Weet je wanneer dat idee van naar Holland gaan in ons vaste vormen nam?

In de Decemberdagen van 1901, toen wij nameloos leden. In ons kwam een wild, woest verlangen wèg, ver, ver weg te gaan, geheel van de omgeving weg, die ons zoo bitter heeft doen lijden. Weg, weg, weg, vèr weg, in een andere atmosfeer, in een ander land, in een andere luchtstreek ademen, leven, en als onze zielewonden waren geheeld, en wij naar den geest, en misschien ook naar lichaam, waren gesterkt, terugkeeren als herboren in onze oude maatschappij om er te werken aan hare hervorming.... Dat helsche leed mag niet meer worden geleden. Holland sluit die mogelijkheid geheel uit, men zal niet meer aan ons denken; helaas, dat men dat vergeten maar al te goed zal doen. Ook door dat deel der Inlandsche maatschappij zullen wij vergeten worden, voor wie wij juist werken willen, zijn wij in Holland geweest. En wat in Holland ons wacht? bergen verdriet, waarvan wij geen flauw vermoeden hebben. Hierop heeft je Vader ons gewezen en op ander verdriet, dat ons _hier_ wacht van de zijde van hen juist, voor wie we werken willen als wij in Holland zijn geweest.

Het is alles zéér waar,--o! arme illusies! Je weet, dat 't steeds een groote illusie van ons is geweest, om in Holland opgeleid te worden voor de taak, die wij denken te gaan vervullen.... Ook Vaders laatste zware ongesteldheid heeft ons tot nadenken gebracht. Z.Ed. is zóó aan ons gehecht.... Aangrijpende tooneelen aan zijn jongste ziekbed staan me voor den geest, waaruit wij zagen hoezeer dat lieve hart aan ons gehecht was. Maar ik vraag mezelf af, zouden wij wel tot dit besluit zijn gekomen, als je beste vader niet hier was geweest en met ons had gesproken, zooals Z.Ed. het heeft gedaan? Ik weet het niet ... doch dat onze oudjes je Vader veel te danken hebben, lijdt geen twijfel. En wijzelf zijn Z.Ed. o zoo dankbaar!

Lang hebben zusje en ik over je Vader's woorden gesproken en nagedacht, en de slotsom is, dat het gaan naar Holland voorloopig onder het loodje blijft, en wij hopen al heel spoedig te Batavia te kunnen komen.

Doch dit alles is _persoonlijk_. Op den voorgrond moeten staan de practische voordeden, die onze zaak heeft van eene opleiding op Batavia. Wij zouden al dadelijk kunnen beginnen, terwijl als wij naar Holland gingen, wij nog zoolang moeten wachten. Ik denk aldoor aan je Vader's woorden: "Waarom niet dadelijk gedaan, wat gedaan kan worden? Het is dan _gedaan_, terwijl dat andere nog in de toekomst ligt." Je Vader sprak van een gewonde, die om hulp roept: daar komt iemand, maar die zegt: "Neen vriend, ik wil je nu niet helpen, ik zal eerst leeren, hoe wonden moeten verbonden worden." Die iemand gaat weg, studeeren, en als hij eindelijk volgens de kunst verbinden kan, is de gewonde, die om hulp riep, al lang dood.

Dan sprak je Vader van een parel, die diep ligt in zee. Je weet, dat zij er in ligt, maar je weet niet precies waar. Je stapt in zee en wil haar zóó halen. Het water komt je aan de lippen. Er komt iemand, die je zegt: "Vriend, doe zoo niet, ga niet verder, 't water reikt je aan de lippen; als je verdrinkt, dan heb je de parel nog niet. Ga terug, stap in een prauw, peil en visch naar de parel."

Je Vader zei, dat als wij wilden, wij al dadelijk de school konden openen, zonder eenig examen gedaan te hebben. 't Staat nergens in de wet voorgeschreven, dat men examen moet gedaan hebben om aan Inlandsche meisjes onderwijs te geven. Wij konden dan Europeesche onderwijzeressen er bij nemen, dat was bijzaak. Maar vindt je wel dat wij die school mogen openen, zonder er eerst voor opgeleid te worden? 't Is waar, dat wij met "Onze School" (hoe grappig klinkt het, en pedant tevens) meer een zedelijke opvoeding beoogen dan een doctrinale. Daarom zouden wij de school niet van Regeeringswege opgericht willen hebben, maar particulier, omdat wij ons anders aan bepaalde voorschriften moeten onderwerpen, en wij willen ons schooltje geheel inrichten volgens ons idee, de kinderen onderwijzen, niet schoolsch, maar zooals eene moeder hare kinderen opvoedt.

Het moet volstrekt niet aan eene school herinneren, maar aan een groot huisgezin, waarvan de leden elkander liefhebben en van elkaar leeren, en de moeder niet in naam, maar _inderdaad moeder_ is--de lichamelijke en geestelijke opvoedster van het kind.

Aan dat idee van je Vader hebben wij wel meer gedacht, maar op deze manier: als wij _niet konden studeeren_ en thuis moesten blijven, zouden wij dan niet dochtertjes van regenten bij ons nemen, zooveel als de kaboepaten maar bergen kan, ze hier naar school laten gaan en thuis hare zedelijke opvoeding op ons nemen, spelenderwijze de jonge hartjes leiden, de karaktertjes vormen, en op uren, dat ònze kinderen schoolgaan, andere kindertjes van Inlandsche hoofden hier ter plaatse bij ons nemen, ze leeren handwerken, enz., onderwijl ongemerkt aan hare hartjes kloppende voor den geest, dien wij voorstaan? Maar als wij eene _school_ konden openen, dan wilden wij liever eerst studeeren, vindt je dat ook niet, broer? De school zal komen òf op Magelang òf op Salatiga. Je Vader heeft er met den onzen over gesproken, en er is heel geen bezwaar; wel voor dat gaan naar Holland. Heerlijk, hè broer?

Op de wijze als daareven aangegeven, had indertijd mijn Grootvader anderer hoofdenzonen opgevoed. Grootvader had een gouverneur uit laten komen voor zijne kinderen, en Pangerans van Solo en een regent van Midden-Java zonden Grootvader hunne zoons om op te voeden. Zoo zie je; er is niets nieuws onder de zon; ons idee, zoogenaamd "splinternieuw", is al een _oud_ idee, van Grootvader reeds afkomstig. Onze denkbeelden, onze geest is overgeërfd; hij, Grootvader, was de pionnier; wij zetten slechts zijn werk voort. 't Waren beste menschen, beiden, Grootvader en Grootmoeder.

Je Vader heeft ons den inhoud van het request voorgezegd; 't is een enkel regeltje maar, doch daarbij moet een nota gaan, waarin onze plannen en ideeën uitvoerig en nauwkeurig moeten omschreven worden, en het moet geschreven worden _uit het hart_, heelemaal niet denken, dat het bestemd is voor den Gouverneur-Generaal, maar eenvoudig schrijven wat 't hart ons ingeeft.

Je Vader wil die nota wel eerst lezen, als wij daarop gesteld zijn, maar Z.Ed. denkt, dat 't niet noodig is.

Wij moeten eenvoudig schrijven wat uit 't hart komt.

31 Januari 1903. (X.)

Vandaag moet de brief af, want morgen sluit de mail, waar hij meê moet gaan. Wat vliegt de tijd toch! 't Is vandaag al een week geleden, dat je beste Vader hier kwam.

Nu even over zaken spreken, is het goed? Het tafeltje en 't boekenplankje heb ik den houtsnijwerker opgegeven, hij is er al aan bezig. Maar je zal wel een beetje geduld willen oefenen, niet waar? Hij heeft een hoop te doen voor Oost en West. Je tafeltje hebben wij achtkantig laten maken, en naar een batik-patroon van een kain van me, zuiver Javaansch, hoor! Ik heb het, evenals het boekenplankje, laten uitvoeren in sonohout (donker gevlamd); het is het mooiste hout dat wij hier krijgen kunnen. Het boekenplankje hebben wij uit twee planken laten bestaan, niet te groot, zooals jij 't me gevraagd hebt. De juiste afmeting ben ik op het oogenblik vergeten. Ik heb eigenlijk twee tafeltjes laten maken van verschillenden vorm. Hierbij een ideetje daarvan. Ze staan op drie bewerkte pootjes met kleiner blad er tusschen in.

Het scherm dat wij dezer dagen verzonden voor den Gouverneur-Generaal is om voor neer te knielen. Je vader heeft het nog hier gezien, en is er vol lof over. Nu laten wij twee vuurschermpjes maken, een driebladig in schelpvorm à jour en een in den vorm van een garoeda (legendarische Inlandsche vogel) met beweegbare vleugels.

Gedurig schieten ons nieuwe denkbeelden te binnen, en 't is heerlijk dat Oost en West ons in staat stelt ze uit te laten voeren. Soms valt ons iets in, als wij al in onze mandjes zijn; gauw er uit gekropen, het licht aangestoken, (gekke uitdrukking toch) en de gedachte opgeteekend; wij mochten haar soms vergeten den volgenden morgen en dat zou toch jammer zijn.

Vertel jij aan Moedertje, dat wij reeds met de oudjes hebben gesproken over dat gaan naar Batavia en die school op Meester-Cornelis of Salemba. Ze hebben heelemaal geen bezwaar. Heerlijk hè, broer? Ze zijn _verrukt_, dat wij op Java blijven. "Ik zou 't _vreeselijk_ vinden, als je ging," zei Vader. "Ik moet je altijd kunnen zien." Arme lieverd! Nu is het goed. Ze zijn je Vader zoo dankbaar. Wij moesten Mama beloven altijd bij elkaar te blijven en samen te werken. Kan 't mooier? dat is juist wat wij willen.

Het is toch wel goed geweest, dat wij eerst absoluut naar Holland wilden. Nu zijn ze _gelukkig_ met Batavia; als wij Batavia hadden gewild, zouden er bezwaren zijn geweest; na Holland vallen die bezwaren weg. Nu gaat al heel gauw ons request in zee met nota en Vader's verklaring niets tegen onze plannen te hebben.

Wat zal Annie Glaser er blij om zijn! Nu zullen wij dan weer bij elkaar komen! Leuk idee!... Ze komt dan misschien bij ons op Batavia. Dat was haar plan, vroeger. Dan zouden wij weer bij elkaar zijn, en als trouwe kameraden, zuur en zoet samen deelen. Gisteren kregen wij een briefje van haar, en verbeeld je, met een lijstje vragen ter beantwoording, van een mijnheer, die veel belang stelt in de vraag van den dag: de opvoeding van het Javaansche volk, en gaarne onze gedachten en ideeën er over zou vernemen. Mr. Slingenberg, aan 't Ministerie van Koloniën[1] werkzaam, hierheen gezonden door de Regeering om een nieuwe strafwet te maken. Annie zegt, dat hij 't ernstig meent, zijn best wil doen en zien wat hij voor ons doen kan. Hij kan niet meer hier komen, daar hij half Februari weer weg moet. Daarom moesten die vragen spoedig beantwoord worden en uitgebreid ook!!!

Het zijn zeer belangrijke vragen, die hij ons ter beantwoording stelde, juist die, waarvan wij vervuld zijn; maar juist daarom zouden wij ze met roef-roef kunnen en willen beantwoorden. Om je maar iets te noemen, vraag 1 luidt: "Welke maatregelen zijn geschikt om het volk van Java tot meerdere ontwikkeling en welvaart te brengen?" een vraag, waarop grijze, kundige mannen hebben _gestudeerd_ ... en die zouden wij een, twee, drie, en dan gedetailleerd moeten beantwoorden!

2. In welke richting moet 't onderwijs verbeterd en uitgebreid worden?"--'t is me een vraag om met een enkel woord beantwoord te worden! er zouden minstens een stuk of wat pagina's voor noodig zijn!

Vraag 5 kan echter dadelijk en met één woord beantwoord worden: "Wordt de beteekenis van de vrouw in de ontwikkeling van den Javaan door de staatslieden niet te weinig in het oog gehouden?"

Hij is stellig een nieuw-denkend mensch die deze vraag heeft gesteld.

En de laatste vraag is eenvoudig verrukkelijk om te beantwoorden. "Op welke wijze kan het best een aanvang gemaakt worden met de meerdere beschavingen ontwikkeling der Javaansche vrouw van hooger of lager stand, en komt men, zoo doende niet in strijd met de zeden en gebruiken van het land?" Allemaal heerlijke vragen! wij zullen er nog uitvoerig over correspondeeren; is het goed?

Ze inspireeren ons gedachten en gevoelens, die wij zonder die vragen niet zouden hebben gehad. Wij hebben ze gisteravond laat opgeteekend en gaan ze verder uitwerken. Vreemd toch, zooals 't toegaat in de wereld. Het eene lokt het andere uit, en ten slotte hangt alles aan elkaar. Daar zijn ideeën in ons opgekomen, die zeker het Christelijk Kabinet niet aangenaam zouden zijn, als het er van hoorde.

Wat denk je van een zending, die niet het kerstenen beoogt, allen godsdienst er buiten laat, maar enkel en alleen uit liefdebeginsel het volk van Java wèl doet? Waarom zouden er niet op meer plaatsen van Java instellingen als op Modjowarno kunnen komen, zonder dat zij gedekt staan, onder godsdienstig vaandel? Zoo zal men de Mohammedaansche bevolking niet tegen zich in het harnas jagen. De Mohammedaan beschouwt met min of meer minachting den voormaligen geloofsgenoot, die zijn eigen geloof verzaakt en een ander omhelst. Dit is in het oog van den Mohammedaan de grootste zonde, die men begaan kan. En de Christen geworden Mohammedaan kijkt van zijn kant met minachting neer op zijn voormaligen geloofsgenoot. Nu hij dezelfde leer belijdt als de blanda[1], denkt hij even hoog te staan als deze. Ik hoef niet verder uit te spinnen wat hieruit voortvloeit.

Wil men den Javaan absoluut godsdienst leeren, welnu, leer hem dan den eenigen God kennen, den Vader van liefde, die de Vader is van alle schepselen, die van Christenen, zoo goed als van Mohammedanen, Boeddhisten, Joden enz. Leer hem den waren godsdienst, d.i. den _innerlijken_, en men kan dien godsdienst belijden als Christen, zoowel als Mohammedaan e.a. Ons idee is, dat Nederland zende beschaafde, ontwikkelde en hoogstaande menschen, die uit zuivere menschenmin zich willen vestigen midden in het Javaansche volk, met hen levende en lievende, hen onderrichtende, genezende, helpende, overal waar hulp noodig is.

Het volk latende in zijn eenvoud, geen meerdere behoeften leerende kennen, en alleen dáár ingrijpen met _zachte_ hand waar de zeden lijnrecht staan tegenover het hooge beginsel: Liefde! Later zou dit werk ter hand genomen kunnen worden door de kinderen van 't land zelve; op 't oogenblik zijn daarvoor nog geen krachten beschikbaar.--In 't kort, zendingsarbeid--doch _zònder doop_.

Zou dat uitvoerbaar zijn? 't Zal wel lastig zijn om geschikte elementen voor zulk werk te vinden. Ik kom er telkens weer op terug. Er moet eerst een zedelijke ondergrond gevormd worden, en bij alle te geven onderwijs dit punt in 't oog houden.

Hoe de volwassenen en half-volwassenen dien zedelijken ondergrond bij te brengen? Mij dunkt door _lectuur_. Men moet bladen uitgeven, die ontspanningslectuur (om veel gelezen te worden) bevatten, maar altijd met een opvoedkundigen ondergrond. Hetzelfde idee, dat wij op onze kindertjes willen toepassen, spelenderwijs, onderwijzen en opvoeden, waarom zou dat niet toegepast kunnen worden op volwassen menschen?

Op Batavia hopen wij veel met de a.s. dokter-djawa's in aanraking te komen om met hen veel over die dingen te praten, en te zien of wij niet een paar er voor kunnen winnen. Zij zouden dan dat zendingswerk zonder doop kunnen doen.

Mijn jongste zus Soematri heeft onlangs het klein-ambtenaarsexamen afgelegd. Zij is het eerste Javaansche meisje, dat dat examen deed! Leuk hè!

[1] Mr. J. Slingenberg, thans rechter in de Arr. Rechtbank te Amsterdam. De nota volgt achter de brieven op blz. 353.

[2] Blanda = Europeaan, meer bepaald: Hollander.

1 Februari 1903. (IX.)

Maar nu de oudjes zelf; roerend was hunne verrukking, dat wij zullen blijven. Zij zijn er u innig dankbaar voor! Achteraf beschouwd is het toch wel goed geweest, dat wij eerst absoluut naar Holland wilden; nu zijn de oudjes blij met Batavia, en hebben heelemaal geen bezwaren voor onze verdere plannen; alleen bedong Mama, dat wij beiden steeds bij elkaar moesten blijven en samenwerken. Kan 't mooier? Dat is juist wat wij _willen_.

Ik moet u toch nog eens hartelijk bedanken voor uw vriendenraad. Wat heeft me dat gesprek enorm goed gedaan. Waarom zal ik 't u niet bekennen, van die zijde hebben wij de zaak nog niet bezien; n.l. dat het gaan naar Holland voor de zaak zelve gevaarlijk zou zijn. Onze "vrienden" zouden zeker maar al te gaarne het praatje verbreiden, dat wij geheel "blanda" zijn geworden, als wij naar Holland gingen, en menige ouders zouden huiverig worden ons hunne kinderen toe te vertrouwen. Goddank, dat u nog bijtijds ons de oogen er voor opende! Hartelijk dank!

Van morgen op een rijtoertje waren wij getuigen van een staaltje van naïef volksgeloof.

't Was buiten op 't veld. Mensch en dier waren er vereenigd in een gebed tot den Allerhoogsten om de dorstige aarde te laven met hemelwater.

Vooraan zaten de priesters en santries, daarachter priesteressen[1] in witte gewaden, en aan weerszijden honderden mannen, vrouwen en kinderen. Schapen, geiten, paarden, karbouwen, stonden aan paaltjes gebonden. Een priester leidde den dienst, stond aan de spits en bad met luide stem. De menigte viel in met "amin, amin", waarbij zich mengde het geblaat der schapen.

"Sembajang istira" heet het. Roerend naïef geloof en vertrouwen van ons kindvolk.

Het zegengebed heeft drie dagen en drie nachten geduurd. U kunt begrijpen hoe opgetogen en dankbaar het volk is, dat het sedert heeft geregend, dat het goot. Het gebed heeft geholpen! En weet u wat men zegt? Omdat wij den dienst bijwoonden!

Het is hun niet uit het hoofd te praten, dat wij daar part noch deel aan hadden.

Tevoren had men op andere plaatsen óók "sembajang istira" gehouden, maar nergens viel een drup regen, en 't toeval wilde, dat wij geen van die plechtigheden bijgewoond hadden. Dat deed ons naïef kindvolk de conclusie trekken, dat wij kracht hadden bijgezet aan het laatste zegengebed, waarom het dan ook dadelijk werd verhoord.

Werkelijk, roerend is zoon kinderlijk vertrouwend geloof!

Ik wenschte zoo dikwijls, dat ik een fototoestel had en kieken kon, als wij eigenaardigheden zagen van ons volk, waar geen Europeaan bij kan komen. Zoo veel zouden wij in woord en beeld willen vastleggen, dat den Europeaan een zuiver beeld zou kunnen geven van ons Javanen.

Iemand beloofde mij om het heele wordingsproces van de paddi voor ons te kieken, de karbouwen en de botjak-angons[2] incluis. Ik zou er dan eene beschrijving bij geven, zooals ik als kind van 't volk zelve de dingen zie en voel.

U weet, dat ik altijd gráág wat voor u doe, dat het voor mij een _feest_ is, om wat voor u beiden te mogen doen. Ook Oost en West kan steeds over mij beschikken. Ik bewijs daarmee niemand dan mij zelve een dienst. Het is voor _ons volk_, en daar voel ik mij _één_ meê. Al wat ik aan ons volk doe, doe ik aan mijzelve. Beschik dus steeds gerust over mij, draag mij zooveel op als u wil; vrees nooit, dat 't mij te veel zal zijn. Alleen roep ik uw aller welwillendheid in, als een en ander niet vlug genoeg naar uw zin kan afkomen.

In heb met den goudsmid gesproken over het gaan naar Solo, om daar het bewerken van schildpad te leeren. De man was er dadelijk voor te vinden, toen ik het hem voorstelde. Kammetjes kan hij al maken, en hij heeft er de bekakas[3] voor; doch het polijsten kan hij nog niet goed, dat zou hij dan op Solo leeren. Ook bewerkt men daar hoorn en parelmoer; dat moet hij er ook bij leeren, en dat wil hij wel.

Wij staan nog maar heel aan 't begin van de wederopkomst onzer mooie kunst, en natuurlijk, dat dan alles niet dadelijk in de puntjes kan zijn.

Ik kreeg een aardigen brief van Dr. Pijzel, een der redacteurs van Eigen Haard; ook eenige afdrukjes van 't stukje over het houtsnijwerk.[4] De kiekjes zijn mooi afgedrukt, vindt u ook niet? Ik kreeg er een paar op mooi papier afgedrukt. Weet u wat ik heerlijk vindt? Dat Moedertje mij heeft ingeleid, den allereersten keer, dat ik onder mijn eigen naam voor 't publiek schreef. Maar minder aardig vinden wij, dat men ons weer als reclame heeft gebruikt.[5] Dat schijnt nu zoo er bij te moeten behooren.