Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk
Part 27
Als wij liefhebben, dan moeten wij heel blij en dankbaar zijn, als het voorwerp onzer liefde veel liefde geniet, èn geven èn ontvangen. Is het niet? Als wij liefhebben, dan is onze liefste wensch, dat onze liefste gelukkig is. En _gelukkig_ is degene, die veel liefheeft en veel wordt geliefd. Ik spreek hier niet van eene liefde tusschen man en vrouw; 't is een teer punt, en ik kan er niet over oordeelen. Ik spreek hier van eene liefde, die men voor _velen_ kan gevoelen, hoewel voor de eene weer op een andere wijze dan voor een ander.
Of is 't zelfzucht van mijzelf, als ik van anderen, die ik liefheb, en mij wederkeerig liefhebben, verwacht, dat zij zich zullen verheugen in mijn geluk, ook als dat bestaat uit het wegschenken van mijn hart aan een ander?
21 November 1902. (X.)
Je moet weten drie van de vier planken onzer boekenkast zijn propvol boeken; de vierde houden wij open voor de portretten van onze vrienden en andere souvenirs; zoo hebben wij dan alle vrienden bij elkaar. Je staat tusschen Mama en broer Kartono; iets verder op Dr. Adriani, die zeer sympathieke geleerde en groote menschen-vriend; dan komt een lief schepseltje, een rein, frisch, onbedorven natuurbloempje, waar wij heel veel van houden; ook Papa is er in groot tenue; je bent er in goed gezelschap, werkelijk! 't Is een plaats, waar we iederen dag komen; de dag is voor ons nog niet begonnen, als wij onze vrienden nog niet in de lieve, trouwe gezichten hebben gezien.
* * * * *
Als wij goed nagaan, dan vinden wij het eigenlijk toch wel goed, dat niet al onze wenschen kunnen worden vervuld. Daargelaten, dat het _akelig_ zou zijn, indien wij niets te wenschen zouden hebben, zou het er treurig uitzien, indien al wat we wenschten in vervulling kwam. Wij wenschen niet zelden, _gedachteloos_ iets, dat als het vervuld werd, ons erg berouwen zou. Uit eigen ervaring weten we, dat dikwijls de vervulling van hartewenschen gepaard gaat met bittere tranen.
Wij hebben idee, dat wij je toch eens zullen zien, en dat die ontmoeting dan zal zijn zeer vluchtig. Een ontmoeten, groeten en weer scheiden in een paar minuten tijds. Wij zullen als 't ware een glimp van elkaar zien en dan voor goed voor elkaar verdwijnen. Gek, hè, dat we dat idee hebben en het niet uit ons hoofd kunnen zetten.
Waarom moeten we toch naar een persoonlijk ontmoeten verlangen, als de geestesontmoeting al zoo goed is; meer hebben wij immers niet noodig; de _geest_, is dat niet het beste in ons? En als wij het _beste_ in elkaar kennen, wat willen wij dan nog meer?
* * * * *
Hoe vond je 't vuurschermpje van Japarasch houtsnijwerk--niet heerlijk? O! ik kan je niet zeggen, hoe gelukkig ik ben dat de kunst van ons land hoe langer hoe meer gekend en gewaardeerd wordt. Heil allen edelen Javanenvrienden, die de kunst van Indië en daarmede het zielemooi van het volk aan het licht brachten. Wij hopen innig, dat de belangstelling in de Indische kunst niet zal blijken te zijn als zoo menige andere: _een vluchtige mode_.
Neen, niet waar, dat zal ze niet; wij hopen het van _niet_, al moeten we ook erkennen, dat de meesten, die nu belangstelling toonen in onze kunst, het slechts doen uit mode,--degenen die den eersten stoot gaven tot die beweging, deden het uit _innige overtuiging_, en deze zal het op den langen duur wel winnen op de zucht tot _nadoen_ van het gros.
Maar dat is niet de geschiedenis van al het nieuwe, ook dat voorbestemd is tot een làng leven?
Doch laat ik nu niet langer dit onderwerp uitspinnen.
* * * * *
Zie je, ik zou zoo graag verschillende levens willen meeleven, b.v. in een mijndistrict te midden van mijnwerkers; of wel in een Inlandsche Christengemeente te midden van Inlandsche Christenen; in een Chineesche, een Maleisch kamp, en wat niet al. Vooral zou ik innig graag willen meeleven het leven in de dessa en kampong te midden van het eigenlijke volk. Dat heeft steeds groote bekoring voor me; ik weet dat ons volk me dan nóg vaster aan het hart zal groeien. De ziel van welk volk ook kan je eerst goed leeren kennen, als je een tijd midden in dat volk en met dat volk mee leeft.
Ik heb zooveel liefs van ons eigen volk gezien; het is een voorsmaak van wat ik genieten zal, als ik er midden in leef. Zooveel mogelijk zoeken we aanraking met het volk en als we alleen uitgaan, dan brengen we steeds een bezoek aan een of meer kamponghuizen. In den beginne keken ze ons er wel wat vreemd op aan, maar nu zien ze er niets meer in.
Een kinderhand is gauw gevuld; zoo ook de hand van een kinder-volk. Ze zijn erg gevoelig voor hartelijkheid, en hebben ook veel zin voor humor. Zoo kan je ze met een kwinkslag die hen hartelijk lachen doet, een zware karwei vroolijk doen verrichten. Wij hebben al sinds een paar maanden elken dag een hoop werkvolk van den Waterstaat op het erf. Ze zijn bezig het achterhuis te verbouwen; wij krijgen een aardige pendopo achter.
In het rustuur komen wij dikwijls op de werkplaats om een praatje te maken met het werkvolk. Stel je voor je zusjes op een zandhoop zittend; om haar heen moe gewerkte lieden, bijna geen kleeren aan 't lijf, een strootje rookend of sirih kauwend. Wij moeten natuurlijk steeds het gesprek beginnen; als het niet _moet_, dan zal een mindere liever den geheelen dag zwijgen, dan het eerst te spreken tot zijn meerderen.
Het is erg aardig; we hooren op die wijze het een en ander, dat anders buiten ons gehoor zou blijven. Dat volkje werkt onder toezicht van een Indo.[1] Deze was in den beginne stug, teruggetrokken, groette zelfs niet, als hij kwam en ging. Nu zijn wij goede maatjes--wij zijn begonnen hem eerst te groeten en daarna aan te spreken. Hij was vreeselijk verlegen eerst, maar nu kan hij boomen, hoor!
Hij is goed voor zijn volkje, dat met hem vrij omgaat en toch beleefd. We hoorden het volkje dikwijls gekheid maken met den "toewan", een bewijs, dat de baas goed is voor ze. Kregen ze standjes, moesten ze iets overdoen, dan hoorden wij ze niet mopperen. Aardig hè? Aan dien sinjo[2] konden vele "bazen" een voorbeeld nemen.
[1] Indo = Indo-Europeaan.
[2] Sinjo is afgeleid van het Portugeesche Senhor dat heer (mijnheer) beteekent. Met Sinjo duidt men aan de in Indië geboren afstammelingen van Europeanen en Inlandsche vrouwen.
12 December 1902. (VIII.)
Wat het snijwerk betreft, het is _prachtig_ geslaagd, en wij vinden uw tafeltje het mooiste wat wij ooit van onzen Singo hebben bewonderd.
Heerlijk is 't om te zien, hoe de goede ziel steeds vooruitgaat.
Kort geleden was hij als door een wonder aan een groote ramp ontsnapt. Er brandden om zijn huis elf woningen zijner kameraden tot den grond toe af; de klapperboomen op zijn erfje stonden reeds in lichte laaie, maar als door een wonder bleef zijn huis geheel ongedeerd. Het geheele dorpje liep uit om dit wonder te aanschouwen en om den gelukkigen eigenaar van het gespaard gebleven huis te vragen, welke "ilmoe", ("djimat"[1]), dan wel tooverwapen hij had, dat, waar al de omliggende huisjes geheel afbrandden, het zijne alleen pal bleef staan, ongedeerd. "Neen, hij had "ilmoe", noch "djimat", noch tooverwapen; hij had alleen maar "Goesti Allah", en die heeft hem voor hem en de zijnen gespaard". Aardig geantwoord, vindt u niet? Maar nu moet u verder hooren, den dag na den brand kwam die man bij ons, en verbeeld u, hij _bedankte_ ons voor het behoud zijner woning. Er ging niets van af; _onze zegen_ hield het vuur van zijn huis af. Het was de kracht van onze zegenbede voor hem, die zijn huis voor onheil beveiligde! Wat zegt u daar wel van! Roerend is zulke eenvoud en naïef geloof!
Ik vraag mijzelf af, of ik wel goed doe door de eenvoudige zielen hun naïef geloof te ontnemen, waar zij mee gelukkig zijn? En wat zal ik hun in de plaats daarvan kunnen geven? Afbreken kan de domste, maar opbouwen? Ons geloof kunnen wij hun nu nog niet geven. En kan men zijn geloof wel ooit aan een ander geven? Geloof, echt, waar geloof, geen aangenomen, geërfd, ontstaat door een zieleproces.... Wij vinden het zoo eng, dat ons door die eenvoudige zielen een macht wordt toegeschreven, die wij, noch iemand anders bezitten.
Wij hebben zoo menig liefs van onze vrienden uit 't volk ondervonden.
Dáárom hebben wij ons een langen tijd geheel van allen godsdienst afgekeerd, omdat wij zooveel _liefdeloosheid_ zien onder den dekmantel godsdienst. Eerst langzamerhand leerden wij inzien, dat _niet de godsdienst_ liefdeloos is, maar dat het _menschen_ zijn, die het oorspronkelijke goddelijk mooie leelijk maken. De mooiste en de hoogste godsdienst vinden wij de _Liefde_. En moet men dan absoluut een Christen zijn om naar dit goddelijk gebod te kunnen leven? Ook de Boeddhist, de Brahmaan, de Jood, de Mohammedaan, zelfs de heiden, kan een zuiver liefdeleven leiden.
* * * * *
Er is iets, waarin ik geheel opga, wèg raak, zoo dikwijls ik daarin leef: mooie muziek. Men kan alles van ons gedaan krijgen, als wij bedwelmd zijn door muziek. En als wij eens iets moesten doen, waar heel, heel wat moed toe noodig is, dan zouden wij ons eerst willen bedwelmen door heerlijke muziek. Zoo'n invloed heeft muziek op ons. Toch waren wij eens er volmaakt koud voor.
Anders moeten wij ons dikwijls geweld aandoen, om onze vingers niet te laten meegolven op de tonen van den gamelan, die een vuurstroom in onze aderen gieten. Ook de jongere zusjes hebben hetzelfde gevoel, als zij mooi gamelan hooren. Wij hebben alleen als kinderen aan dansen gedaan, geheel uit ons eigen; toen wij nauwelijks loopen konden, begonnen wij onze armen, handjes en lijf te bewegen op de tonen van de gamelan. En als kleine peuzels was 't onze illusie eens danseressen te worden, en sloten wij vriendschap met danseressen. Heel dikwijls kleedde Moeder ons als eene danseres aan, en dan danste ik tot ik er bij neerviel. O! reine onschuld; vertrouwelijk nestelden wij ons in de armen van danseressen; wij bewonderden haar kunst en zij waren heel lief voor ons.
Later, heel, heel later leerden wij begrijpen, wie zij waren, die wij zoo innig bewonderden, en wij verguisden _de kunst_ om _den mensch_, en wij schaamden er ons voor, ooit verlangd te hebben eene danseres te worden.[2] En heel later weer leerden wij de kunst van den mensch te scheiden--en wij zijn nog steeds leerende. Het moest ons volstrekt onverschillig laten wat de mensch-schrijver is; wij moesten alleen den kunstenaar in hem eeren, evenals in Multatuli het genie.
Zooals ik ergens reeds zei, verlangen wij zeer met menschen van allerlei ras, geloof en richting in aanraking te komen. Dezen laatsten keer op Semarang maakten we kennis met eenige Said's families.[3] Broer kent er heel velen, goede, vrome menschen. Hij bracht ons o.a. bij den kapitein der Arabieren, en we kwamen tot de ontdekking, dat we familie van elkaar zijn. Door over en weer te vragen ontdekten wij, dat zijn familie, grootvader, goed bevriend was met den onzen; zijn vader en oom waren de speelkameraden van Vader en zijn broers en van grootvaders aangenomen zoons. Door omstandigheden verloren de vrienden elkaar uit het oog, tot nu het toeval de kleinkinderen weer tezamen bracht.
Aardig om een kijkje te nemen in een vreemd interieur, en wij vonden er zooveel hartelijkheid. Dat ondervinden wij meer van menschen van allerlei ras, onszelf geheel vreemd, maar die zelf, of wier ouders onze grootouders hebben gekend.
Zoo hebben wij ook in het Moorsche kamp vrienden zitten, wier ouders met onze grootouders bevriend waren. Wij werden er steeds heel hartelijk ontvangen. Onlangs trouwde een zoon van hen met een Moorsch meisje hier. Wij kwamen op de bruiloft; veel van de oude gebruiken zijn thans afgeschaft, zoodat mijne beschrijving van zulk eene bruiloft nu niet geheel juist is. Het is dan ook al zoo oud, ik schreef het als kind en een paar jaar geleden verscheen het in 't tijdschrift voor taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië.[4] Ik weet niet of ik mij er over verblijden moet, dat sommige hunner oude gebruiken zijn afgeschaft, als ik zie, wat zij in de plaats van dat oude hebben aangenomen. Dat namaak-Europeesche, geplakt op het oude kleed der traditie, geeft zoo'n allerpotsierlijkste vertooning. Terecht wekt zulks den lachlust op van Europeanen. De voorname Kodja vindt het nu te min om op zijn huwelijksdag, bij de ontmoeting, zijn jong vrouwtje de gebruikelijke sirih in een sierlijken gouden koker gevat te geven. De bruidegom, dien wij onlangs zagen, gaf zijn bruidje een bloemtuiltje bonte kunstbloemen, waaraan bonte linten wapperden. Geen kenanga, tjempaka en melati tooiden hunne bruidsgewaden, maar bonte kunstbloemen. Zij waren immers Europeesch!
Maar één met de voeten treden van een oud gebruik, juichen wij onverdeeld toe. Het is bij hen het gebruik, dat jonggetrouwden in de drie eerste dagen van hun samenzijn, het huis niet uit mogen. Nu zouden de ouders, die maar kort hier bleven, de jonggetrouwden graag bij ons brengen; maar hoe kon het, de vereischte drie dagen zouden dan nog niet verstreken zijn. Hoe verrast en verrukt waren wij, toen wij hem zijne vrouw hoorden zeggen: "Besok pagi soré kemanten saja sowanken ka kaboepaten".
"Pigi mana dan, belom tiga ari? Masa boleh?" wierp zijne vrouw tegen. En de Kodja antwoordde: "Kangdjeng bilang, itoe atoeran kan tjoema adat sadja. Adat tida toeroet apa-apa; oentoeng, tjilaka pembawakannja orang sendiri. Kaloek atinja sendiri, eklas, boewang adat, slamat tida ada satoe apa. Saja poenja ati menoeroet, dawoenhja Kangdjeng. Soedah slamat, tiada apa apa".[5]
Onze oogen flonkerden hem tegen, wij hadden hem wel de hand willen drukken. Dus ook hij, de aan oude zedelijke gewoonten verkleefde Oosterling, erkent, dat adat niets is dan een aangenomen gebruik, dat men evenals een oud kleed afleggen kan, als 't ons niet meer voldoet, en dat de adat op zichzelf niets te maken heeft met ons levensgeluk.
Wij zijn duizendmaal bevoorrecht. Wij hebben een hoog doel, en wij hebben liefde! Konden wij maar wat geven van onze weelde! Maar geluk kàn niemand ons geven, als wij het niet zelf willen.
Wij durven er niet aan denken, laat staan hopen, maar toch--maar toch, wat zou het zalig zijn, zoo wij één snaar konden doen trillen, zoolang verstikt onder materie, zoo wij de Godsvonk konden aanwakkeren tot een mooie vlam! Aan dat alles denkende, komt in ons een vredig en wonder soort gevoel, en daarnaast innige dankbaarheid. Rijk is ons leven; wel veel bitters is er in, maar daarnaast ook veel wonderzoets.
Het gelukkigste en 't rijkst gezegend voelen wij ons, als wij een medemensch hebben kunnen helpen. Stoffelijk hebben wij niets te geven. Wat wij hebben en kunnen geven, geven wij--dat is onze liefde. Vaak vinden wij 't erg vreemd, dat menschen, zoo veel, veel ouder dan wij, getrouwd en moeder van groote kinderen, in onze armen hun leed uitschreien. 't Stemt ons zóó dankbaar, als wij dan één traan kunnen drogen. Wie dàt gevoel eens heeft gekend, zal 't niet weer kunnen en willen vergeten.
Maakt u zich daarom niet over ons ongerust, lieveling, als onze toekomst eens donker mocht zijn. Zóó lang er op aarde nog tranen te drogen zijn, nog harten liefde behoeven, zullen uwe bruine vriendinnetjes werk hebben en bezig zijn, dat is: gelukkig zijn. Werkelijk, maak u zich niet ongerust over ons, nu niet en later niet, nooit! Draag ons op aan het Opperwezen, aan den Vader van Liefde! Hij zal ons helpen, steunen, troosten en voorlichten. Wees gerust en treur niet, wij weten ons Godes. Hij kent ons, en zal ons richten liefdevol. Willen wij 't goede, dan zal Hij ons helpen; willen wij 't kwade, dan zullen wij onze straf niet ontgaan. Dat geloof draagt ons en geeft ons zoo'n rust en vrede.
Wij streven er naar om _werkelijk sterk_ te worden--zóó dat wij onszelf helpen kunnen. Zichzelf helpen is dikwijls moeilijker dan anderen te helpen. En wie zichzelf helpen kan, zal anderen nog beter kunnen helpen.
[1] Ilmoe = wetenschap om te verkrijgen wat men wenscht. Djimat = middel om van rampen bevrijd te blijven. Met tooverwapen wordt bedoeld een wapen waaraan geheimzinnige kracht wordt toegeschreven in het belang van den bezitter.
[2] De danseressen hebben op Java geen goeden naam.
[3] Said is de titel van Arabische afstammelingen van Nabi Moehammad, den stichter van de Mohammedaansche leer.
[4] Zie de noot op blz. 16.
[5] De vrije vertaling luidt:
Morgenavond zal ik het bruidspaar naar de kaboepaten (regentswoning) leiden. Hoe kan dat; de drie dagen zijn dan nog niet voorbij. De regent zegt, dat het slechts eene gewoonteregeling geldt; geluk of ongeluk veroorzaakt de mensch zich zelf. Als het hart slechts rein is, behoeft men zich niet aan gewoonte te storen; voor het geluk doet het niets ter zake. Mijn hart volgt de zienswijze van den Regent. Het zal wel goed gaan; er zal niets gebeuren.
* * * * *
3 Januari 1903. (VII.)
Hoe zal ik u mijn dank betuigen voor hetgeen uw brief en het Kamerverslag van 26 November j.l. ons melden; wij zullen u nooit, nooit genoeg dankbaar kunnen zijn voor hetgeen u voor ons heeft gedaan. De schuld, die wij aan u hebben, is nooit af te doen, die nemen wij mee naar de andere wereld. O! hoe u te beschrijven den stroom van gedachten, die zich uitstortte in mijn gemoed, toen ik door een floers van tranen heen èn uw brief èn de aangestreepte gedeelten in 't Kamerverslag las. God is groot, God is machtig, God _is_ liefde. Dit is eene goddelijke genade. Wij beidjes keken elkaar aan zonder elkaar te zien, vèr over elkanders hoofden heen zweefde onze blik, zweefden onze gedachten naar verre landen, verre vrienden, naar tijden, gebeurtenissen, die de toekomst nog omsluierd houdt. Beiden dachten en gevoelden we op dat oogenblik hetzelfde. Naast een gevoel van onuitsprekelijke dankbaarheid, was er weemoed, diepe weemoed, in het hart.
Weemoedig waren wij, omdat wij niet oogenblikkelijk de trouwe, edele zielen bedanken konden, onze vrienden niet de hand drukken, of hen aan 't hart sluiten, die deze groote vreugde ons bereidden.
En weemoedig waren wij om de vele lieve, dierbare, beminde harten, aan welke de heugelijke tijding door ons met zoo innige dankbaarheid begroet, bloedende wonden zou toebrengen.
Arme, arme oudjes! De vervulling van onzen hartewensch beteekent voor hen, afstand doen van hunne kinderen, beteekent zielsverdriet. Het zal zoo bitter, bitter hard zijn voor hen, als eenmaal de boot wegstoomt, die hunne lieven van hunne harten scheurt en brengt naar 't verre, vreemde land. Zullen zij ongedeerd weeromkomen?--zullen de oudjes hen wederzien?
Zij zijn zoo innig aan ons gehecht, vooral mijn vadertje aan mij, die hem zoo zeer aan zijne moeder herinnert en in wie hij ziet zijn eigen portret.
God trooste de arme, bedroefde, beminde harten, als het zoo ver is. Het is egoïstisch, maar wij hopen, dat 't _dra_ zoo ver komt.
Broer, Stella en alle vrienden zullen stellig ingelukkig zijn, dat uwe nobele pogingen met zulk een goeden uitslag bekroond zijn geworden. Met diepe ontroering lazen wij uwe rede, waarin u Regeeringshulp in riep voor een paar kinderen van het volk, wiens lot u zich zóó zeer aantrekt; daarna 't antwoord van den Minister en hierop uwe dankzegging!
Als u zeg ik uit 't diepste mijns harten u mijn innigen dank en druk u warm de hand. En als Mevrouw, hopen wij, dat de toekomst zal bewijzen, dat u niet aan onwaardigen uwe sympathie heeft geschonken en er voor gewerkt. Heb wil van uw nobel werk, mijn Vriend!
Zóóveel hebben wij er al voor gestreden en geleden. En wij gelooven, dat nog ernstige beroeringen ons te wachten staan, aleer wij al dat nare, en daarnaast dat vele lieve achter ons kunnen laten, om weg te stoomen naar dat verre land, waarvan wij verwachten, dat het ons goed zal toerusten voor de taak, die wij denken te gaan vervullen.
Men hoeft niemand ooit iets kwaads gedaan of iets in den weg gelegd te hebben om zich felle vijanden op den hals te halen. Men is bezig de familie op te stoken tegen onze plannen. "Het is niet pantes,[1] dat wij naar Holland willen gaan. En wat een _schande_ om te willen gaan op andermans kosten".
Er zijn er, die met leede oogen aanzien, dat ik schrijf; en er is mij een wenk gegeven, om daarmede op te houden. Het is niet "pantes" voor een meisje om voor het publiek te schrijven. O, foei, een _ongetrouwde vrouw_, wier naam links en rechts wordt genoemd: "Als zij een man had, dan kon 't er meê door!"
Van Dr. Adriani heb ik zoo pas een langen brief gekregen over onderwerpen, die u ook belang inboezemen. Ik heb hem verteld, _wat_ u heeft gedaan voor ons, en hij is er zóó blij over. Hij schreef o.a.: "Wat Mevrouw Van Kol u heeft doen zien, is datgene, wat het _wezen_ van allen godsdienst is: de erkenning van God als een persoon, niet een begrip, niet _het_ Goede, maar _De_ Goede!"
Er staan heel mooie en ernstige dingen in zijn brief. Wat zou ik niet graag dien samen met u lezen en bespreken. Ik moet hem nog beantwoorden.
Ergens zegt hij: "maar ik zie het niet anders in: het Christendom brengt niemand geluk aan; alleen de persoonlijke verhouding tot God is het, die aan het Christendom zijne beteekenis geeft".
[1] Pantes = behoorlijk.
14 Januari 1903. (IX.)
Mijn broertje wil absoluut niet priaji worden en bij 't Binnenlandsch Bestuur komen, en als Mevrouw u wel eens 't een en ander van mijne brieven heeft medegedeeld, dan zal u wel weten, dat ik hier niet om treur, maar integendeel juist broertje toejuich om zijne voornemens en plannen. Wij vinden 't _heerlijk_, dat broertje niet tot ideaal heeft, wat duizenden landgenooten vóór en met hem als het meest begeerenswaardige, als het toppunt van geluk beschouwen; een kleine vorst-zijn, schitterende W-knoopen en goudgestreepte zonneschermen! 'Is voor ons een _groote vreugde_, dat die glans en geur niet tot hem spreken; en heerlijk vooral vinden wij, dat hij zoo _jong_ tot die erkenning is gekomen en geheel uit zijn eigen een anderen weg wil inslaan dan die tot nu toe gevolgd en door duizenden platgetreden.
Liever zou ik gezien hebben, dat hij zich ging wijden aan de lijdende menschheid en de doktersstudie koos. Dit is misschien gedeeltelijk zelfzucht van me. Ik zou hem graag dokter zien worden, omdat er op dat gebied zoo ontzettend veel en moois is te doen en ... omdat hij dan ook ideeën van ons zou kunnen verwezenlijken. Wat zou hij niet veel kunnen doen voor de wederzijdsche waardeering van het Europeesche en het Inlandsche element! Hij zou zijn volk vertrouwd kunnen maken met de Europeesche geneeswijze en in de Europeesche wereld aandacht vragen voor eenvoudige Inlandsche middelen, welker deugdelijkheid is geconstateerd.
Ik sprak broertje van de dokter-djawa-school, maar daar heeft hij geen lust in, en wij willen geen pressie uitoefenen.
17 Januari 1903. (VII.)
In geen drie weken is er een druppel regen gevallen; 't is hier zoo snikheet, als wij 't nooit hebben gehad, zelfs niet in den droogsten Oostmoesson.
Vader is wanhopig; de bibit-paddi staat op de sawahs te bruinen. O! arm, arm volk! Tot dusver heeft de bevolking dezer afdeeling genoeg voeding, en kent zij die vreeselijke ramp "voedingsgebrek" niet. Maar wat niet is, kan komen, en deze groote droogte in den Westmoesson voorspelt alles behalve goeds. Waar moet het heen, als de droogte aanhoudt? Sedert een paar morgens waaien er winden, die wij anders in Mei krijgen. Is de kentering nu al ingetreden? en de Oostmoesson begonnen?
Vreeselijk: men staat er machteloos over. Ontzettend is het om al wat men heeft gezaaid en geplant te zien bruinen en sterven, zonder er iets tegen te kunnen doen. Men kan geen water maken! En die groote warmte werkt ook afmattend op het lichaam; men voelt zich loom en lusteloos.