Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk
Part 26
Dat baanbreker zijn geen kinderwerk noch pleizierwerk is, wisten we altijd; dat het een lot vol bitterheid is, ook; maar dat je de hel in je draagt, neen, Stella, dat wisten we niet. O! en toch duizend maal liever de hel in ons, dan geen gevoel! Al wat uitsteekt, moet geknot worden; al wat blinkt, besmet, bevuild! Ten allen tijde hebben idealisten het hard te verantwoorden gehad. De wereld duldt niet, dat er andere merken onder de menschen rondloopen dan het gros. En iemand, die niet is als de anderen, zal zijn levenlang geplaagd worden, om zijn eigen kleed weg te werpen, en in plaats daarvan het kleed der gewoonheid aan te doen.
* * * * *
Ik kan je niets beloven en wil niets beloven, Stella, want ik weet niet, of ik mijne belofte wel zal kunnen houden. Vindt je Modjowarno dan zoo verschrikkelijk? Wat heb je liever, dat we krankzinnig worden hier thuis, of dat wij genezing zoeken voor onze zielewonden in die liefdesatmosfeer? Daar zal het naar toe, als ons verlangen niet wordt bevredigd, wij nog langer gevangen, gekluisterd gehouden worden door kleinzieligheid en kleingeestigheid. Wij zijn veel te vurig van aard, om ons te kunnen schikken in een toestand, dien wij met hart en ziel verachten en verfoeien. Niet de buitenlandsche vijand maakt ons vleugellam, dien vreezen we niet; maar de binnenlandsche vreet ons in de ziel, in 't hart, in de hersens! Niets kan ons troosten, niemand kan ons helpen dan God en wij zelf!
Toe, zeg, dat je niet terneergeslagen, wanhopig verdrietig zal zijn, als je een brief van me krijgt, om je brieven voortaan naar Modjowarno te adresseeren. Gun ons die troost, Stella. Toe, sta, als 't moet, met weemoed, doch niet met bloedend hart ons af aan Modjowarno. Die plaats heeft voor ons geen verschrikking. Wij hebben de innige overtuiging, dat die omgeving van hooge, reine, zichzelf verzakende liefde onze harte- en zielewonden zal heelen, en ons louteren. Dat wij daar met verscheurde harten en diepgewonde zielen zullen komen, lijdt geen twijfel, maar Modjowarno zal daaraan niet de minste schuld hebben. En nog zal alles dan niet verloren zijn, Stella! Jij zelf hebt mij zoo vaak gewezen op mijne pen. Die zal ik op Modjowarno ook nog hebben. Want ik zal daar niets te verliezen en niets te wagen hebben dan _mijzelf_. Hier waag ik _veel_, als ik alles uitzeg, wat in mij leeft en bruist. Word ik opvoedster, dan is de voorwaarde tot slagen, dat de menschen vertrouwen in mij hebben en mij apprecieeren; anders zal men mij zijne kinderen _niet_ ter opvoeding toevertrouwen. En dat zal men niet, als ik alles zeg, wat ik denk en voel; dat zal de menschen tegen mij in het harnas jagen. En, zooals ik je reeds zei, op Modjowarno zullen wij niet anders komen dan met verscheurde harten en diep gewonde zielen. Weet je wat dit beteekenen zal voor mijne pen?
Niets spreekt zoo tot 't hart als _hartebloed_. De jongste gebeurtenissen hebben het weer bewezen, en mij doen zien, dat ik kàn _meeslepen_ met mijne pen, zoo ... ik haar in hartebloed doop. Ik heb harten doen trillen van ontroering, oogen vochtig doen worden. Je kent mij te goed, hoop ik, om te denken aan ijdelheid, dat ik je dit vertel. Het is mij alleen te doen, om je te laten zien, hoezeer de waarde van een pen stijgt, heeft men hartebloed tot inkt. Weinige maanden nog maar geleden snikte een mij persoonlijk geheel onbekende het uit bij het lezen van enkele woorden van me; zij voelde hòe mijne ziel verscheurde en mijn hart brak, toen de woorden aan mijn pen ontvloeiden. Het greep haar zóó aan, dat zij onmiddellijk werk maakte om redding te brengen in dien nood. Den volgenden dag reeds kon zij ons eene uitkomst bieden; helaas, om een paar dagen later teniet gedaan te worden door het _verstand_.
Men denkt mij zeker een pleizier te doen met me telkens te verzekeren, dat ik "prachtig" schrijf. Wat heb ik daaraan? Ik wil, dat mijn geschrijf blijvend indruk maakt, Stella, en diepte wordt alleen verkregen door _graven_. In mijn hart, mijn ziel moet gewroet, gegraven worden, en als daaruit als een fontein het bloed opspuit, dan eerst zal het blijvende waarde hebben. Treurig, maar waar!
12 October 1902. (VIII.)
Al sinds een jaar heb ik wat van mijzelf gehoord, dat mij bedroeft. _Ik ben coquet_. Spaar mij niet, antwoord mij oprecht: ben ik coquet? En zoo ja, waarin dan? Ik ben er erg verdrietig om, want ik wil niets aan me of om me hebben dat wuft is.
Iemand, geen kwaadspreker, zegt, dat ik met mijne _oogen spreek_. Is het waar? Ik heb den zusjes gevraagd om goed op mijn doen en laten te letten en mij dan te zeggen, wat voor bijzonders zij er in zien, wat er aan is van mijn oogengespeel. En het waarheidlievend zusje zegt, altijd geweten te hebben, dat mijne oogen schitteren, als ik veel spreek, met wie ook.
Geloof me, dat ik het _niet met opzet_ doe, en dat ik er nooit aan gedacht heb, waarmee ook, te behagen, en als ik iets doe, waaraan zij die uitlegging geven, het _onbewust_ is, ondanks mijzelve.
't Is eene vreemde gewaarwording, als men altijd gedacht heeft, een ernstig degelijk meisje te zijn, om dan op eens te hooren, dat men een coquet schepsel is. Ik stond verstomd, en was toen erg verdrietig er over. Geloof me toch, dat ik nooit, nooit gedacht heb aan die dingen, en het ook nooit doen zal.
Men wil, dat ik zedig (schijnheilig) mijne oogen neersla; dat doe ik niet; ik wil de menschen in de oogen zien, niet voor hen mijne oogen neerslaan, noch hen _naar_ de oogen kijken. Ik weet wel, wat men ons zal laten _beloven_, misschien wel onder eede, als wij van hier gaan, dat wij hun die vreeselijke schande niet zullen aandoen, van met Europeanen lief en leed te deelen. Zij kunnen _gerust_ zijn op dat punt.
_Uit ons eigen_ zullen, wij al daaraan niet denken; immers wij zouden er de heele boel mee _bederven_. Van _onszelven_ mogen wij het niet; wij, die _voorbeeld_ willen geven in het goede.
U weet wel, hoe bitter weinig wij geven om wat "men" zegt, maar in dit geval mag men niet en nooit zeggen: "Daar heb je het al, waar 't naar toe gaat, als men zijne dochters Europeesch opvoedt, dan trouwen ze met Europeanen." Dat zou onberekenbare schade aan de zaak toebrengen, en dat màg niet.
En toch doen wij feitelijk niet anders dan lief en leed met Europeanen deelen. Wat doe ik op 't oogenblik? Leven niet Europeanen ons innigste voelen, ons zieleleven mee? en leven wij niet mee het gemoedsleven van Europeanen?
Men kan ons veel, ja alles ontnemen, maar niet mijne pen. Die blijft mijn, en ik zal mij ijverig oefenen in het hanteeren van dat wapen. Laat men ons niet al te veel tergen, ook 't taaiste geduld wordt uitgeput, en dan zullen we van dat wapen gebruik maken, al zullen wij ons-zelven er aan wonden. U kan er zeker van zijn, dat als wij op Modjowarno komen, wij daarvan flink gebruik zullen maken. Dan zullen wij niets meer te verliezen of te wagen hebben dan _onszelf_.
Dat wij in deze dagen meer dan ooit naar een trouw vriendenhart verlangen, hoeven wij u dat nog te zeggen?
Wij zijn _koud_ geworden, wij willen onze verkilde harten warmen aan uw hart, uwe liefde! Wij klagen over andrer egoïsme, en wat zijn we zelf dan? De grootste egoisten! Is het niet puur egoïsme, om anderen in eigen pijnen en smarten te doen deelen? om liefde te vragen, terwijl wij _weten_, dat liefde voor ons _onafscheidbaar_ is van _leed_?
Vindt u ons niet erg achteruit gegaan?
Wij zijn _hard, liefdeloos_ geworden en _scherp_; o, wij schrikken er dikwijls zelf van.
O! God, geef ons kracht, sterk, steun ons! En u, lieveling, vraag ik vergeving voor 't leed, dat ik u doe met dezen brief. Zwijgen is ook weer niet goed, niet eerlijk. Vergeef me, heb uwe bruine kinderen lief.
27 October 1902. (VIII).
O! konden wij u maar zeggen, welk eene verteedering er over ons komt telkenmale als wij bewijzen uwer hartelijke liefde voor ons ontvangen. In al onze ellende achten wij ons _bevoorrechte_ wezens. Er zijn o, zoo vele armen, in ellendiger toestand nog dan wij, die _alleen_, zonder maagd of vriend het leven moeten doorworstelen, nooit een hartelijk-deelnemend woord hooren, een sympathieken blik opvangen, een warmen handdruk krijgen. Wij voelen ons _rijk gezegend_ in het bezit van zulk eene vriendschap en liefde als de uwe.
Blijf ons steeds liefhebben en vertrouwen, Moedertje, zóó maakt u ons gelukkig. Wij danken u innig, innig voor uwe liefde en sympathie.
U ziet, dat we al wat op streek zijn gekomen; hierop wachtten wij om u te antwoorden op uw laatste schrijven, dat wij in ons hebben opgenomen en bewaren als een reliquie.
Och toe, wij bidden en smeeken u, denkt u niet meer zóó aan ons geluk, wij hebben het u al zoo dikwijls gezegd, _niet ons_ geluk zoeken wij, maar dat van _anderen_.
Geloof ons, wij verwachten van _Europa_, noch van _onze toekomst_ rozen voor _ons zelf_. Wij hebben maar één droom, één illusie van Europa, dat het ons goed zal toerusten voor den strijd, dien wij ons hebben aangebonden voor het heil van ons volk, onze zusteren.
Heusch, we verwachten niets, niets van Europa, wat Europeesche meisjes daarvan droomen: "vreugde"; noch daar veel vriendschap en sympathie te zullen vinden; noch ons _gelukkiger_ te zullen gevoelen in eene _Europeesche_ omgeving; wij verwachten en hopen slechts dit eene, daar te zullen vinden, wat wij _noodig_ hebben voor _ons doel: kennis, ontwikkeling._ En dááraan alléén _denken_ wij. Wat komt het er op aan, of wij het niet prettig zullen vinden in Europa, ons nooit thuis zullen kunnen gevoelen in die Hollandsche omgeving, als wij daar maar krijgen wat wij _zoeken_ en _noodig_ hebben voor ons _doel_? Daarvoor komen wij, en niet om er vreugde te scheppen.
Het lichtpunt van ons zijn daar zal zijn het samenzijn met onzen besten broer, aan wien wij verbonden zijn, niet alleen door banden des bloeds, maar ook door verwantschap van ziel en geest!
Werkelijk wij verwachten niet, dat de Europeesche wereld ons _gelukkiger_ zal maken. De tijd is lang voorbij, dat wij in allen ernst meenden "de Europeesche maatschappij is het eenige ware, het voortreffelijke en onovertreffelijke".
Vergeef ons, dat wij het zeggen. Maar u zelf, vindt u de Europeesche maatschappij volmaakt? O, wij zullen de laatsten zijn, die niet dankbaar het vele, zéér vele goede in uwe wereld zullen erkennen; maar zal u ontkennen, dat tegenover het heel-mooie, het grootsche en verhevene in uw maatschappij, veel is, dat dikwijls den naam beschaving tot eene bespotting maakt?
Wij klagen over kleinzieligheid en kleingeestigheid in onze omgeving; meen niet, dat wij denken in de wereld, waarin wij wenschen te komen om ons doel te bereiken, dat kleine niet te zullen vinden.
Wel zal het ons misschien zwaarder vallen, omdat wij van "beschaafden" anders mogen verwachten.
U zelf weet het beter dan wij, dat onder de _duizenden_, die de wereld "beschaafd" heet, slechts _weinigen_ dit in _werkelijkheid_ zijn; dat breedheid van blik en opvattingen nog lang niet het eigendom is van iederen Europeaan, van wien men dat kan en mag verwachten; en dat zelfs in de meest elegante, voorname en schitterende salons _bekrompenheid_ en _kortzichtigheid_ géén zeldzaamheden zijn.
Wij stellen ons Holland heusch niet voor als een ideaal land; integendeel; afgaande op hetgeen wij hier van Hollanders hebben gezien en ondervonden, kunnen wij er vast op rekenen, in hun klein, koud land _veel_ te zullen zien en ondervinden, dat ons gevoelsmenschen _pijnlijk_ zal aandoen en _bitter grieven_.
Men verwijt ons Javanen, dat wij geboren leugenaars zijn, volstrekt onbetrouwbaar en de ondankbaarheid gepersonifieerd.
Niet slechts hebben wij dit gelezen, maar ook meermalen hooren zeggen, wat reeds een mooie proeve aflegt van sprekers fijngevoeligheid.
Wij glimlachen er slechts om, als wij zulke lieflijkheden hooren of lezen; in ons eigen denken wij aan het Europeesche gezelschapsleven, dat o zoo dikwijls de schitterendste getuigenissen aflegt van de waarheidsliefde, oprechtheid van menigen, menigen Europeaan, die zoo hoog neerziet, en schimpt op den volstrekt leugenachtigen, onbetrouwbaren Javaan.
Tot voor eenige jaren geleden kwamen wij zeer weinig met Europeanen in aanraking. De eerste keer, dat wij ons in een Europeesch gewoel bevonden, was ter gelegenheid der kroning van Hare Majesteit. O! hoe u onze ontroering te beschrijven, toen wij voor 't eerst leerden beseffen, welk eene bewonderingswaardige hoogte het komediespelen in de Europeesche wereld, buiten het tooneel, heeft bereikt.
't Was op dat feest, dat mijne roerende vereering voor Europeanen doodelijke steken ontving. We zagen twee dames in druk gesprek, innig gearmd, vertrouwelijk tegen elkaar aanleunend, wij hoorden lieve woorden heen en over. Goede vriendinnen, dachten we. Een heer kwam het tweetal scheiden, en we hoorden de aangezochte tot hem zeggen: "Zoo'n kat!", terwijl de overblijvende tot eene andere dame zeide: "dat malle mensch, om zich zoo bespottelijk toe te takelen". Even tevoren verklaarde zij innig, dat die "lieve" zoo allerliefst was gekleed.
Slag op slag waren we dien avond getuigen van dergelijke en andere "hartverheffende" tooneeltjes. We zagen rood-verhitte mannengezichten, "heeren", die een afschuwelijke dranklucht om zich verspreidden als zij spraken. En o, dat gejoel en getier, waarbij het hooren en zien verging.... Wij werden _koud_ om het hart, en snakten er naar van de "beschaafde" omgeving weg te komen. O! als wij eens gemeen waren en wilden terug vertellen, wat _vrienden_ van elkander zeiden, er zou een formeele burgeroorlog uitbreken.
Zoo pas schreef een meisje ons opgetogen over een bezoek, dat zij aan een wederzijdsche kennis bracht, zij was er zoo allerliefst, zoo allerhartelijkst ontvangen. Kort daarop spraken we bewuste kennis, en bedankten voor de lieve ontvangst van ons kennisje, en wat kregen wij ten antwoord? "Ik vind haar een _akelige_ meid, zij kijkt altijd even _zuur_, is nooit eens lief en vriendelijk, maar altijd even _snibbig_."
Ontelbare malen waren wij getuigen van misselijke zoen-partijen tusschen personen van wie wij wisten, dat zij elkander _haten_.
En het waren niet die geminachte _nonna_'s,[1] die het deden, maar blanken van onvermengd bloed, beschaafd en ontwikkeld opgevoed. Wij zagen ook, hoe onnoozele nonna's voor den gek werden gehouden door knappe, beschaafde Hollanders.
De Javaan is een _geboren leugenaar_, is _volstrekt onbetrouwbaar_!
Wij laten die beschuldiging daar; wij vragen slechts: als een _kind_ zondigt uit _onwetendheid_, en een volwassen, denkend persoon begaat diezelfde zonde met _overleg_, uit _berekening_, wie van beiden is het meest schuldig? Wij vragen ons soms wel eens af: wat is dan _beschaving_? Is het ... is het meesterlijkheid in het ... huichelen?
O! wat doen we? wat hebben wij gezegd? Vergeef ons, Moedertje! U weet wel dat het niet in onze bedoeling ligt u te krenken of te beleedigen, dat wij slechts _oprecht_ tegenover u willen zijn. Nietwaar, oprechtheid is de basis van onze vriendschap, onze liefde? 't Is dikwijls niet hoffelijk oprecht te zijn. Als het niet zijn _moet_, dan willen wij niet gaarne onhoffelijk zijn, daarvoor zijn wij Javanen, tot wier specifieke eigenschappen "hoffelijkheid" behoort.
_Uw_ licht heeft ons doen zien en vragen: "wat is vorm zonder inhoud?" Wij vinden dat u moet weten, hoe wij een en ander in uwe maatschappij vinden; omdat u schijnt te denken, dat wij de Europeesche wereld een ideaal vinden. Wat wij _ware beschaving_ vonden, weet u reeds lang; en wij weten, dat u er ook zoo over denkt: de _ware beschaving_ is nog volstrekt niet het algemeene eigendom in de landen der beschaving. Het _ware_ is ook wel te vinden bij de volkeren, waarop het _gros_ van 't blanke ras, overtuigd als het is van eigen voortreffelijkheid, met _minachting_ neerziet.
Gebreken heeft ons volk zeer zeker, maar daarnaast ook deugden, waaraan de "beschaafde volkeren" wel een voorbeeld kunnen nemen. Wij zijn al ontaard, dat ziet u; anders zouden wij dat zeker niet zeggen, hetwelk geen mooie dunk geeft van een der specifieke eigenschappen van het Javaansche volk: "bescheidenheid".
Vader heeft me eens gezegd: "Ni, denk niet, dat er veel Europeanen zijn, die _werkelijk_ van je houden. Er zijn er maar heel enkelen".
Dat hoefde Vader waarlijk niet te zeggen; wij weten het zelve heel _best_; wij kunnen op onze vingers natellen, en hoeven daarvoor niet eens twee handen te gebruiken, degenen, die het _oprecht_ met ons meenen. De _meesten_ wenden sympathie voor, om mee te _poseeren_ of uit _berekening_.
Bespottelijk! Het beste is maar om in zulke dingen slechts het humoristische te zien; dan ergert men er zich niet aan. O! de menschen zijn dikwijls zoo in-bespottelijk en doen allerdwaast. Denkt u niet, dat zeer velen, die nu roepen om de Inlandsche kunst, er niet over uitgepraat raken, het slechts doen om meê te doen, en niet omdat zij er zelf wat voor voelen? Eenige _voornamen_ interesseeren er zich voor en _iedereen_ dweept er mee! Of men het uit overtuiging doet? Maar wat komt het er op aan als het _doel_ der ware Javanen -en kunstvrienden er maar mee bereikt wordt?
Denkt u, dat wij niet weten, waarom de Echo gaarne stukken van ons plaatst, al zijn we nog zóó _onnoozel_? 't Is een mooie _reclame_ voor het blad. De Hollandsche Lelie stelde mij hare kolommen ter beschikking, en de vorige directrice verzocht keer op keer brieven van me te mogen plaatsen; waarom? Voor de reclame! Brieven van eene echte dochter van het Oosten, van een "heusch Javaansch meisje", gedachten van zoo'n half-wilde en dan door haar zelf in eene Europeesche taal gevat, o, hoe vreeselijk _interessant_? En als wij wanhopig onze ellende uitschreien in het Hollandsch, dan is het weer zoo innig "interessant". En--God moge het verhoeden!--als wij eens mochten sterven aan gebroken harten om ons vermoord ideaal, dan zal het o zoo machtig interessant zijn.
O! en er zijn menschen, die interessant-zijn iets begeerenswaardigs vinden.
* * * * *
Er is zoo heel veel moois in de Javaansche _zedenleer_. 't Is alleen maar jammer, dat niet iedereen _symboliek verstaat_.
Men vat _letterlijk_ op, wat de wijzen leeraren. B.v. onthouding van slaap en voedsel; daaruit ontstaat nu, dat men moet _vasten_ en zoo weinig mogelijk slapen, om goed te gaan in dit leven en in het hiernamaalsche. Het groote idee gaat hun voorbij! "_Niet_ eten en slapen is het _doel_ van ons _leven_."
Ik ben een Boeddha-kindje, weet u, en dat is al een reden om geen dierlijk voedsel te gebruiken. Als kind was ik zwaar ziek geweest; de doktoren konden me niet helpen; ze waren radeloos. Daar bood zich een Chinees (een gestrafte,[2] waar wij kinderen mee bevriend waren) aan, mij te helpen. Mijne ouders namen het aan, en ik _genas_. Wat de medicijnen van gestudeerde menschen niet vermochten, deed "kwakzalverij". Hij genas me eenvoudig door me asch te laten drinken van brandoffers aan een Chineesch afgodsbeeldje gewijd. Door dien drank ben ik geworden het kind van dien Chineeschen heilige, den Santik-kong van Welahan. Een jaar of wat geleden brachten wij den heilige een bezoek. 't Is een klein gouden beeldje, dag en nacht bewierookt. In tijden van epidemiën wordt het naar her en der gehaald en met statie rondgebracht om den invloed van booze geesten te bezweren. Met grooten luister wordt steeds gevierd de verjaardag van den heilige. Chineezen van her en der komen er dan voor over. Van Chineesche oud-ingezetenen hoorden we de legende van dat gouden beeldje, dat voor de Chineezen werkelijk leeft.
Ons land is een land van mystiek, mythen, sagen en legenden.
U heeft zeker wel gehoord van de benijdenswaardige berusting, die de Javanen toonen onder de vreeselijkste slagen van het noodlot. "Het is tekdir!" (voorbeschikt) zeggen zij en daarin putten zij troost en berusting. "Het lot van ieder mensch is bepaald, nog vóór hij 't levenslicht ziet. Geluk en ongeluk is hem voorbeschikt vóór zijne geboorte. Geen mensch vermag te keeren, wat God heeft beschikt. Maar vóór het ongeluk gebeurt, is het plicht alles te doen om het te weren; gebeurt het toch, dan is het "tekdir". En tegen "tekdir" vermag _niets_ ter wereld.
Weet u, wat dit zegt voor ons? Wij moeten _volhouden, doorzetten_, laten gebeuren, wat gebeuren moet, en zij zullen er in berusten en zeggen: "het is tekdir".
Vóórdat het gebeurd is, zullen ze ons nog aldoor tegenwerken; staan ze voor het feit, dan staan ze voor een "_tekdir_" en zullen _berusten_. God geve ons _kracht_!
't Is _diep treurig_; wij zijn bezig ons te vervreemden van onze lieven, banden los te maken, die tot dusver ons grootste geluk hebben uitgemaakt.
Maar liever een klein _gaaf_ hutje, dan van een kasteel de ruïne; liever in een volkomen gaaf schuitje, dan te drijven op 't wrak van een prachtige stoomboot.
Al sinds geruimen tijd moet ik naar bed zonder Vader's bijzonderen nachtgroet voor mij alleen.[3]
Tot voor een paar maanden geleden ging Vader nooit naar bed, zonder op zijn gang daarheen, voor onze kamer stil te staan, zijn hoofd tusschen onze deur te steken, om nog eens zijn dochtertje te zien, haar naam te noemen, vóór hij ter rust ging. Was mijne deur op slot, dan tikte hij er aan; zijn dochtertje moest hooren, dat haar liefste haar niet vergat.
Voorbij nu die lieve, lieve tijd!
Ik heb _veel_ liefde gehad, te veel zelfs. En wat de een _te veel_ heeft, moet een andere _te weinig_ hebben.
God is _rechtvaardig_. Nu is het _mijn_ beurt om te ontberen, te lang reeds heb ik in overvloed gebaad.
_Hard_ is het voor _mij_, maar voor hem, _mijn Vader_, _mijn lieve, hoop, bid_ ik _vurig, innig_, dat het hem zal mogen _gelukken_ mij uit zijn hart te bannen. Mijn armen lieve zal dan veel bitter leed gespaard worden.
Ik heb hem nog steeds innig, hartelijk lief; ondanks alles, is hij mij dierbaar gebleven als voorheen;--alleen--ik moet mij nog wennen aan liefhebben zonder den glans van het ideale.
't Was zóó mooi geweest, o zóó mooi! Ik dankte aan die ideale liefde heel-mooie, werkelijk _gelukkige_ jaren!
Mijn arme, arme Vader, voor hem ware het beter geweest, dat ik géén Boeddha-kind was geworden, dan bezat hij mij nog _geheel onverdeeld_, al was het slechts in zijne herinnering.
't Is zoo waar, wat Nellie zegt: "Het leven brengt soms nog wreeder scheiding dan de dood; en wat de dood ons ontnam in den bloei der liefde en der vriendschap, dat blijft veel zekerder ons geestelijk eigendom, dan wat het leven ons laat!"
Arme, lieve, oude Vader, dat hij dit op zijn ouden dag van zijn hartekind moet ondervinden.
't Is bitter hard voor hem; moge God mij vergeven. Maar niet hij alleen heeft geleden, lijdt en zal lijden; ook wij hebben gestreden en geleden. Wij bidden God vurig, dat hij niet te veel om ons zal lijden, en dat 't hem gegeven mag zijn, mettertijd werkelijk reden te hebben om trotsch op zijne dochtertjes te zijn.
Dat zal hem verzoenen met de groote teleurstelling, die wij hem nu bereiden.
[1] Met nonna's worden aangeduid de vrouwelijke afstammelingen van Europeanen en Inlandsche vrouwen. Het woord is blijkbaar overgebleven van den Portugeeschen tijd in Indië. In het Portugeesch is "nonna" de titel waarmede de nonnen van St. Benedictus worden aangesproken.
[2] De gestraften gingen vroeger dagelijks buiten de gevangenis allerlei werk verrichten op de Gouvernementserven.
[3] Dat deze passage opgenomen is niettegenstaande haren zeer vertrouwelijken aard, geschiedt om een beeld te geven van het zielelijden. Wanneer men later (blz. 304 en elders) leest hoe vader en dochter weder tot elkander komen, zal men de schijnbare onbescheidenheid billijken en vergeven.
21 November 1902. (VIII.)