Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk
Part 25
Groot is mijn schuld tegenover u; nog grooter het kwaad, dat wij daardoor onszelven doen. Vergeef ons! wij zijn zwak geweest. Wil u ons helpen sterk te worden?--dàt moeten wij zijn, om de groote taak, die wij zoo zielsgraag op ons willen nemen, naar behooren te kunnen vervullen.
Wij zijn nog zoo jong, staan nog heel aan het begin, nog vóór onze taak, vóór het leven, wij, jonge, onervaren menschen, heel alleen met ons beiden. Zóóvele gedachten hebben in deze jonge hoofden gewoeld, zoovele gevoelens de jonge harten beroerd. Groot was telkenmale het verlangen om ons te wijden aan onze vrienden, maar wij onervaren kinderen waren te zwak en te onbedreven om ons los te rukken van de tallooze gedachten en gevoelens, die ons gevangen hielden. Zusje heeft u reeds alles verteld van wat er heeft omgegaan, en nog omgaat in onzen geest en ziel, van wat er is gebeurd in ons leven van de laatste maanden, van onze plannen, onze droomen voor de toekomst. Wij hopen, dat u daaraan uwe sympathie zal hechten.
In vele emotievolle en dikwijls zeer moeilijke dagen was de gedachte aan u beiden, edele menschenvrienden, ons een troost, een. steun, eene opbeuring. Wat ons in 't leven zóó bedroefd, is der menschen egoïsme, dat dikwijls geen grenzen kent. En als wij weemoedig gestemd door 't zien en weten van grove zelfzucht, "het afschuwelijk monster", dat ons van alle kanten aangrijnst, aan u beiden denken, komt over ons pijnlijk getroffen hart eene groote verteedering. _De Liefde_ is, ondanks dat zelfzucht de wereld schijnt te besturen.
Te midden van brandend denken en gevoelen, over veel, dat gevoelige naturen als de onze moet pijn doen in het leven, en ontmoedigt, is eene gedachte aan u beiden ons eene lafenis, die versterkend werkt.
Veel spreken en denken wij aan u beiden, en dat doet zóó goed. U zei ven onbewust gaf u ons steun en troost in vele moeilijke uren. Wij danken God, dat wij u op onzen weg hebben mogen ontmoeten, en wij hopen en bidden vurig, dat wij uw vriendschap heel het leven door mogen behouden.
U kent nu àl onze plannen, ons doel, ons streven; wij hoeven 't u niet te vragen, ons hart zegt ons, dat u zelf het reeds gedaan heeft en nog meermalen doen zal: voor uwe jonge Javaansche vriendinnen bidden om hulp en steun van Boven, van den Allerhoogste, het Opperwezen!
Hoe verschillend de wegen ook zijn, die wij bewandelen, zij leiden alle tot één en hetzelfde doel: het Goede. Wij ook dienen het Goede, dat u God noemt, en wij Allah.
Waarom zullen wij het u niet zeggen? Eerlijk en oprecht willen wij steeds tegenover u zijn--eene vriendschap, of welk verbond ook, dat niet oprechtheid tot grondslag heeft, zal de tand des tijds niet kunnen weerstaan, en wij willen, dat onze vriendschap, die ons heel lief is, zal blijven ons heele leven door--langen tijd was God, Alla, voor ons slechts een _aanroep_. Goddank! dat die heerlijke naam thans voor ons heeft een gewijden klank en heilige beteekenis.
O! hoe zal ik u zeggen, hoe gelukkig we zijn, hoe rustig en vredig het in ons is, nu wij Hem hebben gevonden, om er ons geheel aan over te geven, om er op te steunen en te vertrouwen. Wij zijn zóó gerust en voelen ons zoo veilig in Zijn hoede. Er is een Vader, die ons kent, ziet en liefdevol oordeelt!
Wie ons dien schat, het geloof in het Opperwezen heeft doen vinden? Mevrouw Nellie van Kol. 't Mag dan zijn, dat lang te voren het in ons reeds aan het werken en gisten is geweest, wij ons zelven onbewust, een zieleproces ondergingen; een feit is en blijft: Mevrouw van Kol heeft de nevelen voor onze oogen weggevaagd, waardoor het Licht helder tot ons straalt.
Zij heeft ons den weg doen vinden tot den Vader van Liefde, dien u God en wij Allah heeten.
Wij voelen ons zoo onuitsprekelijk gelukkig met dien gouden schat in ons, de overtuiging, het innige geloof aan het bestaan van een Vader van Liefde.
Dat geloof doet ons alles in een ander en gelukkiger licht zien; het verzoent en vertroost en maakt ons vrijer en gelukkiger.[1]
* * * * *
O, we kunnen niet genoeg dankbaar zijn, dat die goddelijke uitvinding, die correspondentie heet, bestaat. Zij heeft zooveel goeds en liefs in ons leven gebracht. Wat zou ons leven zijn zonder die nooit volprezen uitvinding: correspondentie?
Superieure gedachten in boeken en andere gedrukten tot ons komend werken opvoedend, ontwikkelend, veredelend en verheffend op ons--van nog grooter opbouwende kracht zijn ze, wanneer ze tot ons komen direct van de personen zelf, wier geest en ziel die gedachten voortbrachten. Wij kunnen nooit genoeg dankbaar zijn, dat wij tot de bevoorrechten behooren, die direct in verbinding staan met enkele superieure geesten en zielen. Dat maakt ons het leven zoo rijk en zoet.
't Is voor ons een feest als wij brieven ontvangen, waarvan wij door de personen, die ze afzonden, weten, dat zij mooie, zooals Nellie zegt, "levensgeluk en liefde verspreidende gedachten" bevatten.
U kunt wel raden, wie o.a. ons een feestdag bezorgt met ons zijne gedachten over de post te doen toekomen. Met groote belangstelling en genoegen namen wij kennis van den inhoud der geschriften, die u zoo vriendelijk was ons te schenken.
Wij achten het een groot voorrecht om den schrijver dier belangwekkende artikelen persoonlijk te kennen en de geschriften direct van hem te krijgen. Mevrouw Abendanon vertelde ons zooveel van uwe lezing op Batavia, nu twee jaar geleden. Zij sprak er ons met zooveel enthousiasme over. Wij waren erg verlangend kennis te nemen van het gesprokene op 3 September 1900. Hoe verrukt waren we, toen u, zonder 't te weten, dien wensch van ons vervulde. Hoe heerlijk moet het zijn, om wat gedrukt tot ons kwam, van u zelf te hooren!
Waar zal de tijd zijn, die dien innigen wensch van ons zal vervullen? Wij hopen, dat hij eens komen, en niet te lang op zich laten wachten zal.
En nu danken wij u recht hartelijk voor uwe vriendelijkheid, om ons de zoo leerzame, boeiende en belangwekkende lectuur te zenden; wij hebben er zeer van genoten en veel in ons opgenomen. Met zeer veel belangstelling ook volgden wij de levensschets van "Njai Magdalenah". Reeds meer hebben wij van die vrome, godvruchtige vrouw gelezen; het laatst, meen ik, in de Hollandsche Revue. 't Is toch zoo jammer, dat Mapane[2] zoo ver en zoo moeilijk te bereiken is. Wat zouden wij 't anders verrukkelijk vinden, om bij u te komen! Er is zooveel, dat wij zoo gaarne met u zouden willen bespreken, en moeilijk alles in een brief zeggen kunnen. De langste, uitvoerige brief haalt niet bij een rustig uurtje mondeling gesprek. In een gesprek kan men zooveel beter zich uitdrukken, wat men denkt en wil.
Het verslag van het eindexamen der kweekelingen van de kweekschool voor Inlandsche onderwijzers te Tomohon heeft zeer onze aandacht getrokken; wij lazen het met klimmende belangstelling en genot.
't Is voor ons een groote vreugde om bewijzen te zien van de vatbaarheid voor ontwikkeling der volken in Indië. Wij bewonderen ze zoo graag en zijn er zoo gaarne trotsch op!
Hoe graag zouden wc in de Minahassa willen komen, en er de landskinderen leeren kennen. Al wat vandaar komt, boezemt ons belangstelling in. Zoo gaarne zouden wij de geschiedenis van dat land en volk kennen. En wat wij er gaarne zouden zien, is de kostschool voor Inlandsche meisjes in Tomohon. We zouden er zooveel uit kunnen leeren.
Steeds hebben wij belang gesteld in de Minahassa en de Minahassaërs. Nu wij in die buurt een vriend hebben zitten, die het beschavingswerk begint onder de koppensnellers, stellen wij des te meer belang in die landen en volken.
Moge u steeds voldoening hebben van uw edel werk; 't is een bede, die uit het diepst van mijn hart opstijgt, telkenmale, als ik aan u en aan uw werk denk.
Hoe gaarne zouden wij een tijdje op uw zendingspost, bij zendelingen, willen vertoeven. Ons lijkt het zoo iets heerlijks toe om te zijn te midden van reinen van hart, die leven enkel voor de Liefde.
Als het hart zoo rumoerig is, in opstand komt tegen het lot, hoe vredig zou die reine liefdes-atmosfeer op ons inwerken!
De omgang met reine, liefdegevende en zichzelf geheel vergetende menschen moet louterend werken.
Wie weet of die wensch niet vervuld zal worden. En, zooals het meer gaat, de vervulling van lieve wenschen gaat menigmaal gepaard met bittere tranen.
Als wij naar Modjowarno mochten gaan, zullen wij afgedaan hebben met andere illusies en droomen; wij zullen den dood aan ze gebracht en ze begraven hebben.
Zusje heeft u reeds verteld, wat onze plannen zijn, als wij onze ideeën niet tot werkelijkheid konden brengen, niet konden studeeren voor de vakken, waarin wij gaarne zouden willen opgeleid worden, afstand moesten doen van onze illusie: eene school op te richten voor meisjes van den Inlandschen adel.
Niet, dat Modjowarno voor ons een schrikbeeld is; ik vertelde u reeds, wat wij ons daarvan voorstellen: voor het uiterlijk bedrijvig, rusteloos; voor het innerlijk, een vredig rustoord. Maar u begrijpt wel, dat het voor ons bitter hard zal zijn, om afstand te moeten doen van onze idealen, die wij reeds zóó lang in ons hebben omgedragen en liefgehad.
[1] De hier volgende beschouwingen zijn reeds opgenomen in den brief van 15 Aug. 1902.
[2] Mapane is de plaats aan de golf van Tomini (Midden-Celebes) waar de Heer Adriani destijds woonde.
4 October 1902. (III.)
Werkelijk, meermalen had ik de pen reeds opgenomen om u te schrijven, maar dan kwam er weer dit en dat tusschen, dat mij mijn brief weer deed uitstellen. Ik wachtte op een mooie gelegenheid ... nu zie ik, dat die gelegenheden nooit komen, men moet ze _maken_.
Brieven aan ons onverschillige menschen worden makkelijker geschreven, of beter gezegd, men komt er gemakkelijker toe ze te schrijven, dan epistels aan personen, waarvoor men sympathie gevoelt.
Aan de eersten heeft men niets te vertellen, kan men afkomen met een paar woordjes; maar onzen vrienden willen wij uitvoerige brieven schrijven.
't Vorige jaar was er aldoor verdriet in de kaboepaten van Japara. De een na den ander werd op 't ziekbed geworpen en wel steeds in zóó hevige mate, dat wij voortdurend in angst verkeerden, een dierbaar leven te moeten afstaan. Goddank! alles is ten goede gekeerd. Het nieuwe jaar begon vroolijk en verdrietig tezamen. Den 24^{sten} Januari vierden wij hier bruiloft. Zusje Kardinah, de jongste van het klaverblad, trouwde; dit was een blijde gebeurtenis. Aan die vreugde was leed verbonden. Wij, die steeds zoo innig met elkaar samen waren geweest, moesten afstand van elkaar doen. Na haar vertrek was hier zoo'n groote pijnlijke leegte. Er is met haar zooveel liefs uit huis gegaan.
Wij zijn al eens bij haar geweest, in April; toen zag ze er uitstekend uit; was dik, wat ze thuis nooit was, en had rozen op de wangen. Ma heeft haar in Augustus weergezien. Ma ging er met angst in 't harte heen, want een ernstige ongesteldheid riep haar bij zusje. De rozen op de wangen waren weg, doch wij waren dankbaar, dat Ma zusje nog vond. Het was heel erg met haar geweest, een zware attaque van malaria. Nu is zusje weer beter en zit in het gebergte, om in een koel klimaat de verloren krachten te herwinnen.
Met groote belangstelling lazen wij het belangwekkend in-rijke stuk van u "Een talenbond met Nederland". Wij danken u nog eens zeer hartelijk voor uwe vriendelijke attentie ons dat geschrift te zenden; wij stellen uwe vriendelijkheid op hoogen prijs. Wij lazen verscheidene artikelen, geschreven naar aanleiding van het uwe.
Uit het artikel van Mr. P. Brooshooft, hoofd-redacteur van de Locomotief, zagen we, dat de vertaling van het veelbesproken stuk van Professor Anton van de hand zijner lieve, begaafde vrouw is.
Heerlijk voor den man, die in zijne vrouw niet alleen een huishoudster, een moeder zijner kinderen, maar ook een _vriendin_ heeft, die belang stelt in zijn werk, met hem meeleeft daarin. Dit is voor den man ongetwijfeld van onschatbare waarde, ten minste als hij niet bekrompen en pedant is. Genoeg zijn dezulken zeker, die in de belangstelling hunner vrouwen voor hun werk, nieuwsgierigheid en bemoeizucht zien. Zoo zoetjes aan betreed ik 't gebied der vrouwen-emancipatie, waarvan u in Europa meer dan genoeg zal gehoord hebben. Heeft de vrouwenquaestie reeds uwe aandacht getrokken, in de komende jaren zal u daaraan meer aandacht geven, omdat u nu zelf ook een dochtertje heeft op te voeden.
Als wij hier onderwijs en opvoeding voor de meisjes vragen, ja bidden, smeeken, dan is het niet omdat wij van de meisjes concurrenten van den man willen maken in 's levens strijd, maar omdat wij, overtuigd als wij zijn van den grooten invloed, die van de vrouw kan ten leven uitgaan, de vrouwen beter geschikt willen maken tot de groote taak, die moeder Natuur zelf haar in handen legt: _moeder--eerste opvoedster_ zijn van het menschdom!
Niet waar, van de vrouw ontvangt de mensch zijn allervroegste opvoeding, die in de meeste gevallen niet zonder beteekenis is voor het geheele leven.
't Is de vrouw, de moeder, die in 's menschen hart de allereerste kiemen van deugden en ondeugden legt, welke den mensch meestal het geheele leven door bijblijven.
Niet zonder grond zegt men: "hij of zij heeft het met de moedermelk ingezogen".
Lang geleden dachten we, dat wie intellectueel goed ontwikkeld was, ook zedelijk hoog stond. Helaas! al gauw werden we uit dien droom opgeschrikt--leerden we inzien, dat hooge intellectueele ontwikkeling nog volstrekt geen brevet is voor zedelijke superioriteit.
Diep ontroerd en pijnlijk getroffen stonden wij voor deze ontdekking. Toen wij van deze groote emotie bekomen waren, drongen wij diep in de quaestie door, en speurden de oorzaken na. En daar stonden wij weer voor een tweede waarheid: "Niet de school alleen ontwikkele den geest van het kind, vooral ook het _huisgezin_ moèt opvoeden! De school ontwikkelt het verstand, het gezin vorme het karakter!"
Aan de moeder, het middelpunt van het gezin, is eene groote taak in de opvoeding harer kinderen opgedragen: het zedelijk deel hunner vorming. Men geve den meisjes eene deugdelijke opvoeding, bereide haar degelijk voor tot hare groote taak.
O, dat de moeders weten, wat zij in handen krijgen, als haar het grootste vrouwengeluk geschonken wordt: moederweelde! Met het kind aanvaarden zij de toekomst. O, dat 't haar klaar en duidelijk voor oogen sta de verplichting, die het moederschap haar oplegt. Niet voor _haar zelven_ hebben zij het kind gekregen; zij moeten het opvoeden voor dat groote gezin, waarvan het eens deel zal uitmaken, het reuzengezin, dat Maatschappij heet!
Hiervoor vragen wij opvoeding en onderwijs voor meisjes.
Wij zijn innig overtuigd, dat de beschaving van 't Javaansche volk niet krachtig zal kunnen voortschrijden, zoolang de vrouwen daarvan uitgesloten blijven.
Den vrouwen moet het beschavingswerk in de hand gegeven worden--en de beschaving zal zich krachtig verbreiden onder het Javaansche volk. Vorm flinke, verstandige moeders, en Java zal flinke arbeidsters aan zijn vooruitgang hebben gekregen. Zij zullen haar beschaving en ontwikkeling op haar kinderen overplanten; haar dochters, die weer moeders zullen zijn, haar zoons, die eenmaal geroepen zullen zijn te waken over de belangen van het volk.
O, waar zal de tijd zijn, dat mijne landgenooten deze denkbeelden zullen onderschrijven? Ik vrees, die tijd is nog heel, heel ver! Maar als er niet eindelijk eens een begin aan wordt gemaakt, dan zal hij nog verder zijn, nog langer wegblijven.
Alle begin is _moeilijk_ en voor menigen baanbreker is 't leven _vol bitterheid_. En 't is heel begrijpelijk, dat ouders hun kinderen liever een lot zien kiezen, dat hun meer waarborgen geeft voor een gelukkig leven, dan een, waarvan men vooruit met zekerheid kan zeggen, dat het vol bitterheid zal zijn.
Als men in het hart een groot ideaal draagt, en dat ideaal beoogt nu eens niet eigen geluk, maar anderer heil, is 't dan zonde, om te trachten 't ideaal te bereiken, ook als men daardoor een paar liefhebbende harten breekt? Of is 't dure plicht om terwille dier harten het ideaal uit eigen boezem te rukken?
Hoe zal men zich het nuttigst maken voor de menschheid, door _zelfverzaking_, of door _zelfverwezenlijking_? Zelfverzaking ter wille van een paar dierbaren, of zelfverwezenlijking ten dienste van het groote huisgezin Maatschappij?
O! wat is 't schoon om te willen, te kúnnen en te mògen! Deze gelukkige combinatie is helaas! slechts voor heel weinigen weggelegd.
* * * * *
Met groot, groot genot maakten wij kennis met Frits Reuter. Hè, dat is nu eens een lectuur, waaraan men zijn hart ophaalt. Het is zoo _gezond_ en frischt zoo op. Groot, groot genoegen, heeft u ons met dat heerlijke cadeau gedaan! Ook anderen hier hebben van dat heerlijk werk genoten. Het ging hun als ons; toen zij er eenmaal aan begonnen waren, konden zij er niet van scheiden. Wat zegt u wel, van 7 uur in den vooravond tot 3 uur in den nacht aan één stuk doorlezen? Verstandig is het niet, maar wel begrijpelijk als men in zulk een _uitstekend gezelschap_ is. Als 't uwe bedoeling was, dat wij uwen grooten volksdichter zouden liefkrijgen, dan heeft u wel voldoening van uw werk. Frits Reuter heeft een vast plaatsje veroverd in onze liefde en vereering!
Van Couperus' prachtig werk hebben wij zeer genoten. Wij lezen hem anders alleen graag om zijn heerlijk mooie taal; de personen in zijn werken vinden wij doorgaans ziekelijk. Maar nu hebben taal en inhoud beide tot ons gesproken. Verrukkelijke sprake! Wel mag Nederland trotsch zijn op zulk een kunstenaar!
Ook de lectuur van Vosmaer's voortreffelijk boek heeft ons groot genot verschaft. Met ontroering lazen wij zijn mooie "Inwijding". Het is de eerste maal, dat wij met dezen Nederlandschen schrijver kennis maakten, en wij danken u wel hartelijk voor deze kennismaking, die tot een der aangenaamsten van dien aard behoort. Na de lezing van "Inwijding" kregen wij een boek over de Grieksche Mythologie, met afbeeldingen van de Goden en Godinnen uit de Grieksche Godenleer. Heerlijk om die platen te zien en de beschrijvingen daarvan te lezen: na de lectuur van "Inwijding"! O! al dat moois met eigen oogen te aanschouwen, de zielsverrukking te ondergaan, die Sietske en Frank doortrilde bij het gezicht van al dat Grootsche en Schoone! Neen, neen, zooveel niet verlangen!--laten wij al dankbaar zijn, dat er iemand is, begaafd met de macht over 't woord, die dat Schoone zoo levendig heeft uitgebeeld, en wij zijn schoone taal _verstaan_!
Sedert een paar maanden is een van Nederland's groote kunstenaars op Java, mijn mooi vaderland. De tooneelspeler en declamator Willem Royaards maakt een ware zegetocht door ons Zonneland, oogst het grootste succes in, overal waar hij het publiek genieten laat van zijne machtige kunst.
Hoe gaarne zouden wij hem willen hooren. De vorige maand stonden wij op 't punt om van zijne kunst te genieten, toen de voordracht, die hij zou geven, afsprong. Wij hebben den grooten kunstenaar niet op 't tooneel mogen hooren, ons is eene andere vreugde ten deel gevallen. Wij hebben hem persoonlijk gesproken. Wij hadden hier heelemaal niet op gerekend; geheel onverwacht ontmoetten wij hem; 't was eene heerlijke verrassing:--een pleister op de wonde, die ons dat zelfde uur in het harte geslagen werd.
Een droef gebeuren was de aanleiding tot die onverhoopte kennismaking. Wij brachten onze vrienden, de familie Ovink weg, en aan boord van 't stoombootje, dat ons naar de groote boot bracht, die onze vrienden van ons wegvoeren zou naar hun eigen land, ontmoetten wij den heer Royaards, die ook de familie Ovink uitgeleide deed.
Het was voor ons een hard oogenblik, toen wij onze vriendin moesten afstaan--en God weet, misschien voor _goed_, want zij komen _niet_ meer naar Indië terug. Er is geen kans op weerzien, tenzij het "gelukkigste aller gelukkigste gesternten" ons naar haar land voert!
Zou daar hoop op zijn?--de tijd, die antwoord geeft op alle levensvragen, zal ook deze vraag eens beantwoorden!
Ze zijn ons zoo lief! Wij hadden een gevoel of een stuk van ons eigen werd losgescheurd, toen de beide booten van elkaar afvaarden! Zij zijn als een stuk geworden van onze eigen ziel! "Er kan geen duurzame vriendschap, geen volkomen sympathie bestaan tusschen kinderen van een verschillend ras, geboren onder een verschillende hemelstreek", beweert men zoo dikwijls. Hoe wordt die bewering hier gelogenstraft! Inniger, trouwer vriendschap kunnen kinderen van eenzelfde ras en land niet met elkaar sluiten, dan de vriendschap hier tusschen de blanke kinderen van het Westen en de bruine kinderen van het Oosten! De ziel, het onzienlijke, het wezenlijke in ons, dat eeuwig is, spot met alle uiterlijkheid; waar de ziel een zusterziel ontmoet, bestaat er voor haar geen scheidsmuur van ras en van geloof; en zal zij met groote vreugde de ziel, wonend in een lichaam van andere huidskleur, dan die van 't hare, begroeten en zich met haar vereenigen,--omdat zij zich met haar verwant voelt. Zieleverwantschap is dieper band dan bloedverwantschap.
Gezegende menschen, die in dit leven zijn geplaatst niet alleen als _bloed_verwanten, maar ook als _ziel_sverwanten, de zusters en broeders naar den geest en naar de ziel!
De controleur, dien u hier bij ons ontmoet heeft, en die ook een _vriend_ is van ons, is den heer Ovink als assistent-resident gevolgd op Djombang: een speling van het toeval!
Het gaat dikwijls heel vreemd toe in het leven! Het geluk kiest soms de onmogelijkste wegen, om ons te naderen, en wij kortzichtige menschen, met ons eindige verstand, zijn gauw geneigd om te morren, als wij iets niet verklaren kunnen van het Oneindige! En toch, alles is zoo eenvoudig als wij maar _begrijpen willen. Geen licht_, waar niet _duisternis_ vooraf ging: dat leert dag aan dag, avond aan avond, de dag en de nacht!
Wat zouden wij 't aardig vinden, als u in den Haag eens onze vrienden, de familie Ovink, ontmoette! 't Spijt mij nog altijd, dat u indertijd niet naar Djombang had kunnen gaan. U had dan het Zendingsstation Modjowarno kunnen zien, en dat was wel de moeite waard. Wij zelf zouden er graag naar toe willen, helaas! tot nu toe hebben we geen uitvoering aan dat voornemen kunnen geven. Wij zouden er zelfs een tijdje willen blijven. Het zal ons stellig goed doen om een poos te ademen in die heilige, zichzelf verzakende liefdesatmosfeer. Die reine lucht werkt _zuiverend_ en _versterkend_!
Geen mensch zoo verdorven, of hij ondergaat den invloed van zulk eene hooge, heilige liefde!
11 October 1902. (I.)
O! je weet niet, hoe zoet 't me streelt, dat men nu de kunstvoortbrengselen van ons land kent en waardeert. Ik maak mij er wel eens bezorgd over, wie zal ons werk in die richting voortzetten, als wij hier niet meer zijn? Onze zusjes kunnen wij het niet opdragen; ze zijn nog zoo jong, en er is eene geldelijke verantwoordelijkheid aan verbonden. Komt er een Europeaan hier, die zich met dien arbeid belast, dan zal 't natuurlijk zijn, dat onze artisten geëxploiteerd zullen worden ten bate van zijn eigen zak. Voor zijn pleizier, of ter wille van die lieden, Javanen, zal hij de tusschenpersoon en correspondent der Japarasche kunstenaars en de markt, niet zijn. Er moet èn liefde voor de kunst, èn liefde voor den Javaan in 't hart wonen om dien arbeid belangeloos en met toewijding te vervullen.
Gelukkig, dat Oost en West zich nu over onze beschermelingen ontfermd heeft, doch ook die Vereeniging moet hier iemand hebben, want zich direct in verbinding stellen met die lieden kan zij niet, aangezien deze alleen hun eigen taal spreken en lezen.
* * * * *