Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk
Part 24
Wij konden niet weten, begrijpen, dat het _menschen_ zijn, die leelijke dingen doen, Gods naam ijdelijk gebruiken tot dekking van kwade practijken. Wij konden niet weten, dat oorspronkelijk _alles mooi_ was, maar dat de menschen het mooie leelijk maakten.
Wij vroegen en vragen nog steeds, niet wàt is uw geloof? maar, hoè is uw levenswandel?
Het Goede, dat was onze God, dien wij steeds getracht hadden te dienen; nu wèten we: het Goede en God zijn Eén!
* * * * *
Nu zijn we bezig een mooi gedicht te lezen, wijze lessen in bloementaal: Het woord gedicht is er in onze taal niet, wij zeggen bloementaal, en is 't niet juist?
Herinnert u zich de koele, heldere, tropische avonden, als alles in rust is, en stilte door niets verbroken dan door wind-geruisch in de klapperkronen, de frissche avondwind op zijn adem u toevoert zachte, zoete geuren van kemoening, tjempaka en melati? Was niet wel eens een droomerige zang tot u doorgedrongen? De zang van een Javaan, die zijn gezin en buren voorzingt van liefde, heldenfeiten, schitterende pracht, mooie, wijze, alvermogende mannen en vrouwen, prinsen en prinsessen uit het làng, làng verleden?
Al onze boeken zijn in dichtmaat geschreven en worden gelezen op zang.
't Is het liefelijkste uur, als de Javaan, moe van de volbrachte dagtaak, verpoozing zoekt in zang, alle zorgen van zich wegdroomend, geheel opgaande in het schitterend vèr verleden, waarvan hij zingt en waar zijn zang zijn ziele henen voert. "Het Javaansche volk is een volk van herinnering", zegt terecht een jonge vriend van ons. "Het is schoon in den ziele-droom van zijn eeuwenslaap".
Zeer juist, maar wij lèven en moèten lèven, dat is ons steeds bewegen en in vooruitgaande richting!
Dat zegt onze vriend ook: "tot een werkzaam, krachtig naar buiten zich uitend geheel moeten wij je volk doen ontwaken!"
Menig liefs zal daardoor zeker op den achtergrond geraken, maar mogen wij daarom ons laten weerhouden te ontwaken?
Droomen _is_ heerlijk, droomen _zijn_ mooi, maar wat heeft men er aan, als zij _droom_ blijven? men moet ze nog schooner, heerlijker maken, door te trachten ze tot werkelijkheid te brengen.
Er is zooveel moois in 't Javaansche volk! Door u hoorden wij in de laatste dagen veel moois uit den volksmond. Het verzamelen van sprookjes brengt ons in aanraking met velerlei menschen, en 't is voor ons zoo'n groot genot om hunne gedachten te hooren.
In eenvoudige, maar o zoo gracieuse taal worden de mooiste gedachten gezegd, die ontroeren door de treffende waarheid en wijsheid er in.
Wat zou ik u graag eenige mooie gedachten in die gracieuse en melodieuse taal willen zenden; vertaald zijn ze niet meer, wat ze zijn.
Wij mogen u veel van ons volk vertellen, niet waar? Wat een vraag toch, het spreekt immers vanzelf, dat u er gaarne over hoort spreken, u beiden, die ons volk zoo hartelijk liefheeft. En aan die liefde, danken wij dit mooie in ons leven.
Wij gelooven met u: het _wezenlijke_ is in den _geest_, en niet in de _wereld_.
Wij zijn zoo rijk en zoo gelukkig met de geestesvrienden, die wij hebben. Is 't zelfzuchtig, dat wij van iedereen willen leeren?--en bij voorkeur met menschen correspondeeren, die onzen geest voeden en verruimen?
O! wij vinden 't zoo afschuwelijk om nietszeggende brieven te ontvangen en ze te moeten beantwoorden; epistels, die ons doen vragen "waarom wòrden ze geschreven?"
Wij zijn waarlijk bevoorrechte menschen, om voeling te hebben met eenige superieure geesten.
Diep in het hartje van Celebes hebben wij een vriend zitten, een _edel man_ naar hart en geest. O! wij bewonderen hem zoo innig, om zijn edel werk. 't Is voor ons een feest, als wij brieven krijgen van Dr. Adriani, die even interessant als leerrijk zijn. 't Was zoo'n groote vreugde voor ons, toen wij hem bij de familie Abendanon ontmoetten. Mevrouw had ons bijelkaar gebracht, wetende hoeveel we aan die kennismaking zouden hebben. De gedachte aan hem en zijn werk is ons een troost, als wij hier zooveel liefdeloosheid en egoïsme zien, of er van hooren. 't Meeste pijn doet ons de zelfzucht der menschen, die dikwijls grenzeloos is.
O! hoe zoet streelt 't ons, om te midden van koude, lauwe, onverschillige menschen, vélen zonder hart en hoofd, nu en dan eens een wezen te ontmoeten, één liefde en geestdrift en heldengeest!
God lof, dat wij zulke menschen kennen van verre en van nabij.
* * * * *
Wat spijt 't ons, dat u ons niet kende in den bloei van ons verbond. U zou er zeker schik in gehad hebben.
Drie samengestemde zielen in 't leven naast elkaar geplaatst als zusters?
Stormen zijn er over die jonge hoofden gegaan, stormen hebben in die jonge harten gewoed.
Ik denk aan u, "_om zijn ideaal te bereiken, moet men menige illusie afleggen_".
Uit den dood van jonge lentebloesems rijpte echter menige vrucht; zoo ook in 't menschenleven, nietwaar?--uit den dood van jonge illusies kunnen somtijds andere, rijpere, verrijzen, die tot vrucht kunnen rijpen....
Een gróóte illusie hebben wij afgelegd. In het bittere, ellendige uur, toen wij met hartebloed haar begroeven, voelden wij op eenmaal als een stroom door ons gaan, en in ons verrijzen, nieuw, frisch, krachtig leven!
Wij weten en voelen het: nog véél, véél tranen en hartebloed moeten en zullen er vloeien om de jonge vrucht te laven en haar tot vollen wasdom te brengen.
_Véél, véél geduld_! Wij beginnen nu te begrijpen, wat Mr. Abendanon bedoelde, toen hij ons dat door zijn vrouw liet zeggen. Veel, wat vroeger klànk voor ons was, krijgt nu _beteekenis_. Ja, wij kunnen en moeten slechts zeer langzaam gaan; de reis is zoo ver en zoo lang, en de weg zoo steil en moeilijk! Zelf lijden is zoo erg niet, maar de zaak belemmeren in haar gang, zullen wij _verschrikkelijk_ vinden.
Ik denk aan een zekeren avond in 't jong verleden. Een kennis nam ons beiden mee naar een concert in den schouwburg op Semarang. 't Was voor 't eerst in ons heele leven, dat wij beiden, zonder zusje, zonder Vader, zonder Moeder ons bevonden in een groote menschenzee. Wij beiden heel, heel alleen tusschen al die vreemde gezichten. En opeens dachten wij: Zoo zal ons leven in de toekomst zijn! Wij beiden alleen op de groote levenszee! Doch wij zijn _gerust_! er is een God, die over ons waakt!
Den 20^{en} dezer waren we in onze gedachten op Tandjong Priok; wij zagen de Willem II van Java's kust wegstoomen, met zich voerend een kostbaren last: Java's grooten vriend en warmen verdediger, naar 't verre Nederland, waar in 's Lands vergaderzaal hij nu, door zijn nobele daad van liefde, met des te meer gezag en kracht zal opkomen voor de belangen van millioenen kinderen van deze landen.
Breng hem veilig over, Willem II, voor deze landen en voor zijn lief gezin!
Er was dankbaarheid, er was weemoed, er was hoop in 't hart, maar boven alles een gevoel van groote verteedering. Menschenmin, liefde voor 't recht ... het zijn _geen_ groote, ijdele woorden, geen bleeke hersenschim....
Wij _gelooven_ in de _Liefde_!
En nu lieve, trouwe en reine raadgeefster, onze hooggeachte en hartelijk geliefde vriendin, danken wij u met een warmen handdruk voor uwen brief, die ons zoo in alle opzichten goed deed. Hij stemde ons tot ernstig nadenken, sterkte ons en opende ons weer nieuwe gezichtspunten.
[1] Bendoro = heer (ook tegenover hoog geplaatste vrouwen gebezigd).
2 September 1902. (VIII).
Eigenwijs van ons, om "moeder" te spelen en dikwijls over "kinderen", die ouder zijn dan wij. Maar wat doet leeftijd er toe? ieder mensch heeft liefde noodig, de grijsaard zoowel als het kind.
Zou de vrouw werkelijk alleen en uitsluitend in het huwelijk tot haar recht, tot de volle ontwikkeling harer gemoedsgaven kunnen komen?--omdat der vrouw hoogste en schoonste glorie is het moederschap? Maar moet een vrouw dan absoluut een _eigen kind_ hebben om "moeder" te zijn, zooals dat woord behoort te beteekenen: een wezen, één liefde en toewijding? Als dat waar was, hoe bedroevend laag is het standpunt der wereld dan, dat men _alleen een stuk van zichzelf_ kàn liefhebben, met algeheele overgave van het eigen ik! Hoeveel moeders zijn er niet, die alleen "moeder" heeten, omdat zij kinderen ter wereld hebben gebracht, maar die verder den moedernaam niet waard zijn te dragen. Een vrouw, die zich aan anderen geeft, met àl de liefde, die er in haar hart is, met alle toewijding, waartoe zij is in staat, is in geestelijken zin "moeder".
Wij stellen de geestelijke moeder hooger dan de lichamelijke.
Wij hopen en bidden vurig, dat later als 't ons gegeven is ons ideaal verwezenlijkt te zien, in een school te staan, onze kinderen ons niet alleen voor den vorm "moeder" zullen noemen; maar omdat zij in ons "moeders" zien en voelen.
* * * * *
Wij hopen innig, dat Anneke op Buitenzorg lieve, hartelijke menschen zal vinden, die het arme, alleenstaande kind het gemis van een moeder en een eigen thuis eenigszins zullen vergoeden.
Anneke heeft hier het Javaansche leven meê geleefd. Kon u maar eens om het hoekje van de deur zien, als Anneke met ons zoo zusterlijk op den grond zit. Op een avond zat zij bij ons in de kamer, aan het laag tafeltje, waaraan ik nu zit; zij naaide en wij schreven; er was nog een vierde in 't vertrek, een vriendin van ons; zij las ons vóór op zang.
U weet waarschijnlijk wel, dat al onze boeken in dichtmaat, bloementaal--zooals wij zeggen--geschreven zijn, en zij gelezen worden op zang.
Deuren en vensters stonden open; vóór de kamer bloeide een tjempakaboom, die met een windezucht ons zijn zachten, zoeten geur zond. Liefelijk klonk de zachte, weeke stem; zoet streelde het graag-luisterend oor haar zang, die onze zielen meevoerde naar 't ver verleden, naar de oertijden vol schittering en pracht, en wijze, schoone, àlvermogende menschen....
Het was heerlijk, die zielendroom....
Wij beten, al droomend, meer op onze penhouder, dan dat wij ze over 't papier lieten vliegen. En in die echt Javaansche omgeving, zat tusschen bruine kinderen van 't zonneland, een blank dochtertje van het Westen. O! zoo gaarne zouden wij u zóó in ons midden willen hebben.
Wij leeren die zangen ook, en als wij niet al te verlegen zijn, zullen wij voor u droomen op zang.
Gisteren heeft Annie met ons iets typisch Javaansch uitgehaald. Zij wilde zoo graag van Japara weg; toen zeiden wij haar: "Vraag hulp van den Soenan van Mantingan; beloof hem een bloemoffer als je wensch uitkomt".
Zij heeft het gedaan. Eergisteravond dacht zij er aan, en den volgenden morgen ging zij met ons offeren. Met een troep priesters zijn we gisteren naar het heilige graf getogen; wij brachten bloemen en wierook mee.
Anneke ging met ons in het gebouw der heilige graven, en zat met ons op den grond aan het voeteinde van het graf. Er werd wierook gebrand, en een mystiek gebrom, eerst zachtkens, maar allengs luider, steeg op als priesterkoor. Het was plechtig en indrukwekkend. Wij zaten allen met gebogen hoofden, waarover het mystiek gebed der priesters ruischte en de blauwe wierookwolken gingen. Een der priesters bracht, over den grond vooruitschuifelende, Annie's bloemen aan, en legde die eerbiedig op het graf van den Soenan en daarna op de andere graven. Naast me hoorde ik snikken. 't was Anneke! Blootsvoets, ten teeken van eerbiediging, kwam zij het gebouw binnen, en wij brachten de dooden op onze wijze groet en hulde.
Vandaar gingen we naar de kalie, die achter het kerkhof stroomt, om er onze voeten te wasschen.
Wij vroegen den priesters om voor Anneke 's Hemels zegen af te smeeken.
Liefste, wij zouden zielsgraag met ü dit alles willen doen en doorleven.
Er is zooveel in 't Javaansche leven, dat verteedert, bijv. de roerende eerbied, dien we voor onze dooden hebben, voor onze ouderen. Er gebeurt niets in ons leven van eenig belang, zonder dat wij onze dooden gedenken, vreugde of rouw.
Anneke zal nog wel eens aan Japara denken, als ze al hoog en droog op Buitenzorg zit, al mocht ze 't daar ook duizendmaal beter hebben dan hier op Japara. Wie Japara en zijne _ziel_ eens heeft gekend, zal het nooit meer kunnen vergeten. Men mòet er aan terug denken, hetzij met _liefde_, hetzij met _haat_.
Gistermiddag zijn wij naar de houtsnijwerkerij geweest; 't was hoogst interessant, er waren 15 menschen, mannen en knapen, aan 't werk. 't Was hoogst eenvoudig, doch hoe effectvol, wat er van daan komt!
Zusje R. moest natuurlijk dadelijk meewerken, en zat al spoedig met de houtsnijwerkers aan een bank, heel genoegelijk of ze daar altijd aan gezeten heeft.
15 September 1902 (VIII).
Hoe zal ik u zeggen, met welke gevoelens bezield, wij de Charlotte van de Willem II zagen afvaren! Wij zagen hen aan met een lach om de lippen, maar tranen in het hart. Daar gaan ze, een stuk van ons hart, een stuk van onze ziel. Moedertje is weg, onze vriend is weg; wij hebben hier nu niemand meer als u. Wil u nu ons Moedertje zijn, ons nog meer liefhebben? Liefste, liefste, ik wilde, dat ik in uwe armen kon vliegen, mij nestelen aan uw hart, om te hooren hoe warm dat voor ons slaat! Blijf ons altijd _liefhebben_ en _vertrouwen_! Liefste, liefste, is er dan heelemaal geen kans, dat wij elkaar terugzien in dit leven? Wij kunnen en willen het niet gelooven.
De heer Royaards, die bij den Resident logeerde, bracht onze vrienden weg; wij herkenden hem dadelijk van de portretten, die wij van hem zagen. Hij maakte een allerprettigst en indruk, en was zeer vriendelijk voor ons. Hij kon niet naar Japara komen, zei hij uit zichzelf; zou 't aardig vinden, als wij hem konden hooren, en inviteerde ons hem a.s. Zaterdagavond te komen hooren in Julius Cesar, dat zeker tot ons spreken zal. Hij zou die uitnoodiging aan onzen broer zenden; konden wij daarvan geen gebruik maken, dan zou 't niets zijn. Aardig toch, vindt u niet? Hij hoopt ons in Holland te ontmoeten; wij óók. Wij zijn heel dankbaar hem ontmoet te hebben, al zullen wij het voorrecht niet mogen hebben hem te hooren; wij zijn al gelukkig hem persoonlijk te hebben mogen spreken. Wij hadden dat heelemaal niet gedacht.
Zelden was voor ons eene week zoo rijk aan emoties, en van zoo velerlei en uiteenloopenden aard, als deze afgeloopene. Zij begon met eene gebeurtenis, in 't leven van vrienden, die grooten invloed op hun verdere toekomst kan oefenen. Wij waren er in gewijd. Daarop deden wij iets, een vriendendienst, waardoor wij ons Vaders ongenade op den hals haalden. Ik zie mij nog zitten voor Vader, hem vrij in de oogen ziende; ik was mij van geen slechte daad bewust. Vader heel somber, en bedroefd klonk zijn stem: "Ni, heb ik dat aan jou verdiend? ik heb jou vertrouwd. Je hebt mij nooit wezenlijk pijn gedaan, nu doe je het. Ik ben nooit ernstig boos op je geweest, maar nu heb ik werkelijk sakit ati.[1] Wat je ook gedaan mag hebben, ik ben nooit boos op je, maar dit doet mij wezenlijk pijn." Ik zei niets, geen woord, en ik sloeg mijne oogen niet neer, overtuigd, als ik was, geen slechte daad begaan te nebben. Bedroefd was ik, dat Vader zich de zaak zoo aantrok, maar hemelsch gelukkig daarnaast met zijne verzekering, dat ik hem _nooit wezenlijk pijn_ had gedaan, en hij nooit wezenlijk boos op mij was geweest. Ik had de overtuiging, dat de tijd Vader anders zou doen denken over die slechtheid van me. Wij hadden niets gedaan, dat wij niet zouden durven vertellen; wij hadden tegen onze ouders gezwegen, omdat het was een geheim van anderen, en niet omdat wij het niet durfden. Wij kúnnen niet bij alles 't allereerst aan ons zelf denken, en dat willen zij. Wij mogen anderen wèl helpen, als wij zelf er hoegenaamd niets geen gevaar bij loopen. Dit is misschien zeer verstandig, maar dat strookt heelemaal niet met ons idee, die den dood zweert aan alle egoïsme. En het is een groot verdriet voor ons, dat wij onze omgeving dit hoog beginsel niet duidelijk kunnen maken. Het woord zelfzucht zoeken wij nog steeds in onze taal--heerlijke taal, waar dat woord niet in voorkomt. Was het in 't leven ook maar zoo! Helaas! Alles draait om het spilletje "ik". Weldoen als je zelf genoeg hebt, helpen als je zelf er geen onaangenaamheden door op den hals haalt. Wij kúnnen niet in dat schuitje meevaren. Wij kunnen het niet met 't woord bepleiten; wij moeten prediken met de daad, het voorbeeld!
Eerder dan wij verwacht hadden, kwam Vader tot een ander inzicht. Den avond van den zoo treurig begonnen dag kreeg ik eene ingeving; ik dacht er niet aan, dat het voor mij ook nut kon hebben, toen men mij raad vragend, ik raad gaf. Ik dacht alleen aan de belangen van mijn raadgeefster, en zie de gegeven raad kwam ook mijzelve ten goede. Vader liefkoosde me weer, en sprak met me of er niets was gebeurd. Wat zou ik me vroeger, vóór ik Nellie kende, doodongelukkig gevoeld hebben onder Vaders toorn en ongenade, maar nu hebben wij God om op te steunen en te vertrouwen, en wij waren kalm onder dat ongeval.
Hierna namen wij afscheid van Annie. 't Was ellendig, maar uiterlijk kon men aan ons niets zien. Misschien vond Annie ons wel koel, maar wij weten 't nu: stilte is de tolk van diep voelen. Na het afscheid van Annie--u raad nooit, wat ons toen overkomen is; wij werden biechtmoeders van iemand die bijna twee maal zoo oud is als wij. Dit vreemde geval deed ons zonderling aan. Wonderlijke dingen zijn ons overkomen, maar dit geval was zeker wel het allervreemdste. Wij hoorden de biecht aan met ouderlijke toestemming. Bij die gelegenheid wonnen wij een vriend voor den Javaan en een vriend voor ons streven. "Jullie zijn echte duvels, om een ouwen man de les te lezen". Dat klonk zóó van harte, dat wij in een lach schoten.
Grappig, dat wij bij onze pogingen om anderen te helpen den weg tot het goede, het waar geluk, zielevrede te vinden, menschen _ouder_ dan wij zelf ontmoeten, die onze hand vatten.
Het geeft zoo'n heerlijk zoet gevoel, het bewustzijn anderen te kunnen helpen. Wij verbeelden ons _volstrekt niet_, dat wij "lichten" zijn, en daarom menig treurend hart tot ons komt om steun en troost, maar wij denken, dat men instinctmatig voelt liefde bij ons te vinden. Wij vinden het heerlijk, dat wij kunnen liefhebben, ons aan anderen kunnen geven. Arme harten, die _niet_ kunnen liefhebben!
Wij deden heel gekke vragen, maar wij mochten alles, werd ons vooruit verzekerd.
Wij vroegen o.a.: "Wanneer een man eene vrouw liefheeft, waar denkt hij dan het allereerst aan: zal ik haar gelukkig kunnen maken? of zal ik door haar gelukkig kunnen worden?" De arme geplaagde krabde zich achter 't oor: "dat is een drommels lastige vraag, maar ik heb beloofd je oprecht op alles te antwoorden. Ik denk het laatste het eerst, en ik geloof, dat alle mannen, op enkele uitzonderingen na, er zóó over denken, want het gros der mannen is egoïstisch; jullie vrouwen staan zedelijk veel hooger dan wij". Wij wisten, dat 't was oprecht gemeend. Veel hebben wij van dien man geleerd, dat zeiden wij hem ronduit. Hij heeft ons geduld en zelfbeheersching geleerd; die stelde hij bij ons dikwijls zwaar op de proef. Materialistisch als hij is, kon hij vreeselijk tekeer gaan tegen hetgeen ons lief en dierbaar is. Als hij zoo tergend spotte en afbrak, dan kostte het ons dikwijls moeite om ons kalm te houden. En nu bekende hij, dat hij spotte, omdat hij voor zich zelven niet weten wilde, dat hetgeen wij zeiden hem trof; hij lag er dikwijls halve nachten over te pikeren.[2] Hij had over die dingen nooit nagedacht en zich het leven maar laten aanwaaien. Nu voelt hij hoe leeg het is. We zeiden hem, dat het gemakkelijk is om het leven van de oppervlakte te leven, maar dat de ziel zich niet verdrukken laat, en vroeg of laat boven op komt. Onvoldaanheid, leegheid, is haar uiting, haar kreet om voedsel!
"'t Is waar, mijn leven is zóó leeg; maar waarom heeft mijne ziel niet eerder gepiept!"
"U heeft haar niet willen hooren."
Hij was verbaasd, hoe wij sommige dingen zeiden, precies zooals hij dacht. "Dan moet er toch wat aan zijn van zielen, zielenverwantschap, enz.; ik word er nog huiverig van", zei hij met eene opglinstering van zijn ouden spot. Nu konden wij zijn spot beter verdragen, nu wij weten, dat het veelal slechts tot dekmantel diende van zijn warm gevoelen.
[1] Sakit ati beteekent letterlijk: ziek van harte, maar wordt gebezigd voor verdriet hebben en boos zijn.
[2] Pikeren van pikir = nadenken.
22 September 1902. (VIII.)
Innig dank voor uwe deelneming in ons leed over het vertrek onzer beste vrienden. Wij hadden zóó gehoopt, dat u hen nog zou kunnen zien. Uit uw briefje zien we, dat zij niet naar u hadden kunnen komen. U was in die dagen, dat zij er waren, juist op Buitenzorg. Wat is u aan 't pretmaken geweest! Mijn lief, best "Oudje" heerlijk! weer eens jong en vroolijk geweest! Ik las in de courant, dat het concert der Italianen ter gelegenheid der races bijzonder mooi moet zijn geweest, en dat Z.Exc. en hare gasten meermalen blijken van ingenomenheid gaven, ik wist toen niet, dat onder die gasten liefste was!
't Ligt misschien aan onzen gebrekkigen smaak, maar wij kunnen maar geen vermaak scheppen in de wedrennen zelf, hoewel wij dol veel van mooie paarden houden en ze te zien ons een lust is! Doch hen zoo te zien afjakkeren, wij moeten het nog leeren daarvoor enthousiast te worden; voor ons hopen wij, dat wij het nooit zullen leeren. Het aardigste nummer van races vinden wij wel de dames-bendie-race. Dat is een lust om te zien, jonge meisjes, jong en frisch als de morgenstond, in lichte toiletjes en bloemen het carré rondrijdend in lichte karretjes met vurige paardjes.
U moet weten, wij hadden ook eens de weelde gekend, van een race-club te bezitten. Een paar jaar geleden hebben wij de Japarasche Race-club met muziek, bloemen en champagne begraven op de toenmalige residentie-hoofdplaats Pati.
Hoef ik u nog te zeggen, hoe ik _geniet_ van uwe verrukking over het schermpje! Heerlijk, dat het zóó in uw beider smaak viel! Het is een heel mooi idee, dat u mij daar aan de hand deed. Zeg u aan Mijnheer, wil u, dat ik ZEd. bedank voor zijn vertrouwen in mij; ik zal mijn best doen het niet te beschamen, d.i. uw meiske zal hare krachten eens gaan beproeven aan dat verlangd artikeltje[1] en zien wat zij daarvan zal terechtbrengen. Doch een verzoek: Stel u er niet te veel van voor en heb een beetje geduld! De vorige week heb ik net iemand bedankt, die me voorstelde het Japarasche houtsnijwerk in de Echo te gaan bespreken. Het lachte mij wel toe, maar ik heb nog zooveel schrijfwerk, en ik schreef toen maar terug, dat ik het niet aandurfde, wat nu niet geheel een verzinseltje is. Die dame zal er over gaan schrijven in de Bataviasche en Soerabajasche bladen.
[1] Over de houtsnijkunst in Japara. Het stukje werd met photo's van voortbrengselen dier kunst opgenomen in Eigen Haard van 3 Januari 1903 bl. 11. Het daarbij zonder toestemming afgedrukt portret der drie zusters kreeg de redactie van eene in Nederland gevestigde vriendin. De schrijfster legt daarvan in een brief van 7 Juni 1903: "Ik was kregelig geworden over 't afdrukken onzer portretten, zonder ons er eerst in gekend te hebben.... Nu ben ik er over heen. Als de taak of mijne landgenooten er maar door gebaat worden, wat beteekenen dan persoonlijke onaangenaamheden. _Alles_ voor ons _Volk_!
24 September 1902. (IV.)
Hoe zal ik u onze blijdschap beschrijven, toen wij uwe vriendelijke kaart en boekske ontvingen. Wij zijn u o, zoo dankbaar, dat u ons geschreven heeft; nu durven wij u weer te schrijven.
Schandelijk hebben wij u veronachtzaamd; wij schamen er ons diep over! Er is geen verontschuldiging voor te vinden, en die zoeken wij ook niet en willen wij u niet aanbieden, doch eerlijk en oprecht willen wij schuld belijden.
't Was _zwakheid_ van ons, die ons zoolang tegen u zwijgen deed. Bedroevende bekentenis van menschen die eene taak zoo groot op zich willen nemen als wij. U, die één liefde is, zal ons zacht oordeelen, onze jeugd, onze onervarendheid in aanmerking nemen.