Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk
Part 23
Een oudje hier bood ons uit pure vreugde daarover, hare collectie boeken aan, oude Javaansche handschriften, vele met Arabische karakters geschreven. Dit gaan we nu weer leeren lezen en schrijven. Je weet misschien dat Javaansche boeken zeer moeilijk zijn te krijgen, doordat zij met de hand geschreven zijn; slechts enkelen zijn gedrukt. Wij zijn nu bezig een mooi gedicht te lezen, wijze lessen in bloementaal. Wat wenschte ik dat je onze taal kende; o, zoo innig graag zou ik je van al dat moois laten genieten in het oorspronkelijke; vertaald is het niet meer wat het was. Voel je iets voor 't leeren van de Javaansche taal? Moeilijk is zij zeer zeker, maar o, zoo mooi! Het is een gevoelstaal vol poëzie en ... snedigheid. Verbaasd staan wij, eigen kinderen van het land, dikwijls over de snedigheid onzer landslieden. Je kunt je niets bedenken, of zij kunnen daarvan wat maken. Noem maar iets op, in den blinde, wijs een voorwerp aan, en een geestige Javaan, die je vooral veel vindt onder het eigenlijke volk, weet daarop onmiddellijk een rijm te maken, dat verbaast door snedigheid en geestigheid. Het is aan Oostersche volken eigen denk ik. Jammer maar dat toen die kostelijke gave hier werd uitgedeeld, je zusjes heel achteraan stonden. Volstrekt geen visschen naar een complimentje hoor; wij meenen het oprecht. Om dat te bewijzen dit: Waar de feeën ons stiefmoederlijk bedeelden met geestigheid, maakte een andere zuster fee het euvel weer goed, door ons rijkelijk te schenken hare gave: gevoel. Ik denk zelfs, dat zij wel wat al te mild was. Wij moeten steeds goed toekijken en oppassen, dat die deugd niet ontaardt in ondeugd. Gevoelig is goed, maar overgevoelig is weer niet goed. Je zal vroeg of laat, nú misschien reeds, ervaren dat het je zusjes dikwijls moeilijk is den gulden middenweg te bewaren. Voor iemand van uitersten is dat zeer, zeer moeilijk. Het je oprecht bekennen mijner fouten, sluit een bede in; heb je ze verstaan? Zij luidt: help mij mijne fouten verbeteren, overwinnen. Wil je dat?... wil je?--je zusjes wijzen op dingen, die niet goed zijn? Wil je? zal je zooals wij dat wel verwachten van een oprechten broer en vriend?
Weet je nog wel dien brief van je in Januari, waarin je sprak van toon en woordmuziek, van kunstenaar en gevoelsmenschen? Daarin heeft onze vriend, de denker en dichter, eene les zoo fijn geweven. Dat wij die ter harte nemen, zou je kunnen weten, als je dagelijks met ons omging. Je zou dan weten dat het verdriet _ons_ nu _dient_, en niet wij het. Wroeten in eigen zielewonden beteekent: het leed koesteren aan je hart. En onze plicht is het, om met alle kracht te trachten de meerdere te worden van het verdriet, dat ons moét dienen, opbouwen!...
Na dagen regen gehad te hebben, gingen wij eens naar onze bloemenkinderen, die zeer geleden hadden onder het overvloedige regenwater, kijken. Wij zagen onze gehavende rozenstruiken vol groene knopjes. De dagen kwamen en de dagen gingen ... onze rozen stonden volop in blad en heerlijke bloemen.... Regen, regen, hebben ze zoo noodig gehad om tot dien heerlijken bloei te komen.
Regen, regen, heeft de ziel noodig om te groeien en te bloeien.
Nu weten we het. Onze tranen van heden dienen slechts om het zaad te doen ontkiemen waaruit nieuwe, hoogere levenslust opbloeit in de toekomst.
Spartel niet tegen; klaag en verwensch niet het verdriet als het tot u komt; want het verdriet heeft recht van bestaan, heeft zijne roeping. Laat gewillig u door het verdriet opbouwen; dàt doet het, indien het hart goed is. Zoo waar is het: "hetzelfde vuur dat het goud zuivert, verteert het hout tot asch".
Nu dien ik je toch te vertellen, hoe wij aan Nellie van Kol zijn gekomen. Misschien heb je in de krant reeds het een en ander hierover gelezen. Het volgende dient je in dat geval dan tot toelichting: In de tweede helft van April kregen wij hier voor één avond den heer Van Kol over. Eene Hollandsche dame, die zeer met het streven van je zusjes sympathiseert, zond hem in dat belang hierheen. Het was een van de prettigste kennismakingen die wij ooit hadden.
Had hij reeds lang onze harten gewonnen door hetgeen hij is voor Java en den Javaan, die persoonlijke kennismaking verzekert hem voor goed eene plaats in onze liefde en hoogachting. Het is heerlijk om superieure menschen te ontmoeten. O! het doet zoo goed, zoo goed. Dat was zoo'n groote gebeurtenis in ons leven, toen wij je lieve ouders ontmoetten--weet je dat dàt was een keerpunt in ons leven? Diè ontmoeting was een ontwaken tot werkelijk leven; voorheen hadden wij slechts geleefd in naam, inderdaad hadden wij geslapen, aldoor geslapen en gedroomd. Nú léven wij, strijden en worstelen, hopen en wanhopen, lijden en jubelen, weenen en juichen, dàt is leven! Wij zijn gestegen tot zonnehoogten van genieten, wij zijn gedaald in diepten van ellende. Je weet het alles van je Moeder, en ik ben gelukkig dat ik lééf.
Van je Moeder weet ik, dat je sympathiseert met ons streven, onze ideeën en jijzelf vertelde 't ons. 't Zal je dan zeker genoegen doen, te vernemen, dat anderen, en niet de eersten de besten, maar superieure menschen sympathiseeren met onze zaak. Die andere zijn: de heer Van Kol en zijne vrouw.
Den heer Van Kol vertelden wij alles, droegen hem onze belangen op, daarvoor was hij hier gekomen, en hij beloofde ons met alle kracht ons streven te zullen steunen, even als ook je Vader het zal doen.
Ben je niet blij, dat de zaak van je zusjes een warmen verdediger heeft gevonden in Holland, in 's lands vergaderzaal? Alles wat hij doen kan, zal hij doen om je zusjes te helpen haar ideeën tot werkelijkheid te brengen. Toen wij met hem spraken over onze harte-ideeën, vroeg hij ons telkens weer of ik zijne vrouw schrijven wilde; zij zou voor ons eene trouwe en reine raadgeefster kunnen zijn; het ontroerde me zoo. Hoe vol liefde, eerbied en vereering sprak hij van zijne vrouw, zijne leidster en raadgeefster! Dat is een man--en welk een!--die zóó sprak van eene vrouw. Voor ons waren dat oogenblikken van hoog genieten. O! en zulke mannen zijn er meer, mannen, die in de vrouw het hooge zien, haar eerbiedigen dáárom.
Ik liet er geen gras over groeien, dadelijk na 't vertrek van den heer Van Kol, schreef ik zijne vrouw. Was 't instinct, of was 't iets anders, ik weet 't niet; wat ik wèl weet, is, dat ik heelemaal geen gevoel had van mij tegenover een wildvreemde--wat 't feitelijk was--te bevinden, toen ik met haar sprak; zoo ook hier met haar man. 't Was of zij een moeder voor mij was; zonder voorbehoud stortte ik voor haar mijn gemoed uit. Tegenover haar man, kon ik onbeschroomd vertrouwelijk zijn, me wel verklaren. Hij was zoo eenvoudig, zoo vriendelijk; kwam ons zoo hartelijk tegemoet, was vaderlijk voor ons. Ik ben blij, dat ik de stem van mijn hart gevolgd had en Mevrouw Van Kol dadelijk had geschreven. We kregen een brief van haar terug, dadelijk--en o welk een! Wij voelen ons zoo rijk met de sympathie die van haar uitstroomt naar ons. God heeft ons weer een warm vriendenhart geschonken en door dat vriendenhart deed hij ons Hèm zelf vinden. Kon ik je maar zeggen, hoe gelukkig wij zijn! Wij zijn niet jubelend gelukkig om den goeden keer, dien de zaken genomen hebben, maar wij zijn stil, innig gelukkig, dankbaar, en vredig gestemd om hetgeen wij gevonden hebben. Dezer dagen kregen wij weer een brief van Nellie, een, vol mooie, heerlijke, edele gedachten. Er gaat zoo'n stroom van reinheid van haar uit. Het is een Goddelijke genade, dat wij deze reine, superieure vrouw mochten ontmoeten. "Dan zijn wij de rechte menschenvrienden en helpen", zegt ze, "als wij onzen steun niet in de eerste plaats bij de menschen zoeken, maar uitsluitend in ons zelf en bij Vader-God". Daar zijn we Nellie innig, innig, dankbaar voor, meer dankbaar dan voor al het andere, dat zij voor ons deed en doen zal. Dàt wat zij ons gaf van haarzelf, was liefde in haar hart, haar ziel. Nu weer zegt ze: "De liefste en beste menschen zijn maar zwakke, feilbare wezens. Nestel u aan het Vader-hart. Hij zal uwe wonden helen, uwe tranen drogen."
In de dagen, dat ik aan dezen brief bezig was, is ons iets zeer onaangenaams overkomen, dat ons vóór onze kennismaking met Nellie, wanhopig zou gemaakt hebben. Maar nu--wij zochten niet bij de menschen troost--wij klemden ons vast aan Zijn hand. En daar werd de duisternis licht, en de stormwind zachte bries.
Wij zijn niet bang, heusch niet bang; waar wij ook zijn, daar is een Vader, die over ons waakt, die ons gadeslaat, die over ons oordeelt met liefde.
Wat malen wij om de menschen, terwijl wij ons Godes weten!
't Is Zijn werk, dat wij doen; Hij zal ons de kracht er toe geven.
Wij zijn bereid, bereid tot alles, bereid tot geven: onszelf--tot ontvangen: hartewonden. Tranen, bloed zullen er vloeien; veel, veel, maar het is niets; dat alles zal leiden tot zegepraal. Géén licht, waar niet duisternis vooraf ging. De dageraad wordt uit den nacht geboren.
Nu wij Hem gevonden hebben, is 't ons of ons leven mooier is geworden; onze roeping schooner, heerlijker, hooger. De Geest geeft eene hooge wijding aan alles!
Hoe denk jij over dat alles, Edie?
Ik weet één ding vast en zeker: dat is, dat je _blij_ bent voor je zusjes om alles en alles.
Nu ga ik nog wat met je praten, en dan moet de brief weg; anders wordt hij zoo oud, en hij is al zoo lang. Misschien verveel ik je er wel geducht mee. Eerlijk zeggen, hoor! Oprechtheid moet de basis zijn onzer vriendschap. Schroom nooit mij iets te zeggen, al zal 't mij pijn doen, waar je dat heilzaam voor me weet. Zal je dat, broer? Ik zal 't juist des te meer apprecieeren.
Van jou hebben en kunnen wij niets anders verwachten, dan dat je niet kan en nooit zal kunnen toestaan, dat de arbeiders onder je bevelen geslagen worden. Wij deelen in dezen volkomen je gevoelens en opvattingen. Ik voor mij kan niet zien slaan. 't Doet zoo'n pijn, zoo'n pijn, om het _dier_ in den mensch te zien, ongeketend, ongetemd, om den mensch tot _dier_ verlaagd te zien worden.
Wij kunnen 't ons heelemaal niet begrijpen, hoe er menschen, ja zelfs _vrouwen_, naar eene strafoefening kunnen gaan kijken. Wij vinden 't min, harteloos. Je weet wel, dat gedroste ketting-gangers met rottanslagen worden gestraft. Hartelooze menschen, die zich tot 't uitvoeren van zulk een straf willen leenen. Min vind ik dit van den Javaan, nog minder van den Europeaan, die zich daartoe _vernedert_. Ik heb gezien, hoe een volstrekt niet domme, integendeel zeer ontwikkelde Europeaan, bij een volksfeest, eerst een _kind_ en daarna een _vrouw_ en _jong meisje_, op eene vreeselijke manier met zijn stok deed kennis maken, omdat de stumpers niet tijdig genoeg voor dien grooten heer op zij gingen. Ik klemde mijne tanden vast op elkaar, om geen geluid te geven; iedere slag striemde mij door de ziel. O, 't deed zoo'n pijn!
't Is niet 't idee van griezeligheid, dat mij doet gruwen van lichamelijke kastijding, maar wel het diep vernederende, dat er in ligt èn voor den bestrafte, èn voor den bestraffer. Zulk soort straf _verbittert_, maar _verbetert niet_; dit is onze overtuiging.
Als kinderen van ambtenaren in eene maatschappij, waarin het idee is vastgeroest, dat een Raden Mas of Raden Adjeng enz. absoluut een wezen is van hoogere orde, dat aanspraak, _recht_, heeft op goddelijke vereering, van het volk, hebben wij meer dan ons lief was scènes bijgewoond, die ons deden rillen van verontwaardiging. Bij zulke gelegenheden zijn we doodstil; kunnen praten noch lachen; verontwaardiging en meelij snoeren ons den mond. Een kennis van ons snapte dit eens, en zei: "Wij moeten het wel doen; hoe zouden wij met ons tientallen anders de orde en rust kunnen handhaven over duizenden en duizenden? Ze zouden ons reeds lang het land hebben uitgejaagd, de zee ingeworpen, zoo zij die _vrees_ voor ons niet hadden."
Gehoorzaam uit _vrees_! Waar zal de tijd zijn, dat 't Goddelijk gebod, dat Liefde heet, zal doordringen tot millioenen en millioenen harten? Duizend negen honderd en twee jaren is de schoone liefdeleer gepredikt, nog hoeveel honderdduizenden jaren moeten er komen, vóór Liefde het eigendom wordt, niet van bijzondere harten alleen, maar van de groote menigte?
Je moeder kent ons heele leven; heeft zij je wel eens wat verteld van onze kinderjaren, toen wij leden onder een despotische regeering van oudere broers en zusters?
Bij ons geldt het als _wet_; jongeren moeten ouderen gehoorzamen in alles. Dat was heelemaal niets voor zusje Kartini, bij wie al heel vroeg de vrijheidsdrang is ontwaakt. Het gevolg daarvan was, dat ik steeds overhoop lag met mijne oudere broers en zuster, omdat ik niet verkoos te gehoorzamen, wat hun goed dunkte, dan alleen wanneer ik de billijkheid er van inzag. Zoo stond ik daar, een kind van even 12 jaar, alleen tegenover eene vijandelijke macht. Ook toen had God mij niet verlaten. Hij hielp mij dien moeilijken tijd doorkomen. Bittere, bittere tranen werden door ons kinderen geschreid. Weet je wie altijd een vriend van ons is geweest? onze hulp en bijstand? Kartono, maar hij was meestentijds niet thuis, zat op Semarang. Onze vriendschap is dus al heel oud, zij dateert uit onze vroegste jeugd. Mijn oudste zus trouwde, mijn oudste broer ging hier vandaan, en van dien stond af begonnen wij hier een nieuw leven. De leus was: "vrijheid, gelijkheid en _zusterschap_! Wij willen geliefd zijn, bemind en nièt _gevreesd_.
't Is niet om er op te bluffen, maar alles wijst er op, dat onze kleintjes liever met en bij ons zijn, dan met en bij de anderen. Orde is er, harmonie, en géén _vrees_. Liefde is de band, die het geheel bijeenhoudt. Wat een liefs hebben wij van onze kleintjes ondervonden! Zij hebben ons veel geleerd. Ook zij, die ons kinderleven jaren verbitterden, waren onze leermeesters. Zij hebben ons geleerd, hoe wij doen moesten, d.i. niet als zij. Weer een bewijs, dat leed recht heeft van bestaan.
Zij, die ons vroeger heftig bestreden, komen nu tot ons met liefde en vriendschap. Zij zeggen het niet in woorden, maar daden getuigen daarvan. In iederen brief vraagt onze schoonzus ons over te komen; ons zijn bij hen doet goed aan haar en haar huis, zegt ze telkens.
God is groot, God is machtig!
Zou dat stukje leven, onze geschiedenis, niet de levensgeschiedenis kunnen worden van twee volken, het Hollandsche en het Javaansche volk?
Zou 't mogelijk zijn dat eens wederzijdsche achting en liefde Java en Nederland verbinden?
Hoe wij 't hebben aangelegd om tot dat heerlijks te komen, weten wij heusch niet. Meermalen werd ons de vraag gedaan. Wij weten alleen maar, dat wij _lief_ hebben, heel lief nebben. En dit is het geheele geheim, geloof ik.
Nu, beste broer, ik hoop hartelijk, dat deze lange praat je niet zal afschrikken van eene verdere correspondentie met je zusjes, maar dat hij je een bewijs en eene bevestiging zal zijn van ons oprecht meenen, waar wij je zeggen, dat wij je geheel als broer en vriend beschouwen. Hartelijk hopen wij, dat meer brieven van Sawah Loento de bestemming Japara zullen hebben te volgen. Spreek met ons over alles, vertel ons van alles, van je werk, het leven, je omgeving.
't Is jammer, dat fotografeeren zoo'n dure liefhebberij is; wij zouden er anders dolgraag aan doen, om typische, echt Javaansche kiekjes te maken. Wij, als landskinderen, hebben overal toegang tot ons volk; waar gij lieden niet kunt komen, daar kunnen wij wel komen.
[1] Doenia = gewoonlijk aarde in tegenstelling van het hiernamaals; hier is blijkbaar bedoeld onze "wereld".
20 Augustus 1902. (VII.)
Wij kregen menschen van Batavia over, die met hart en ziel de kunst van ons volk minnen en er veel voor willen en kunnen doen. 't Waren leden van 't hoofdbestuur van Oost en West in Indië, die tegen Sinterklaas gaarne een etalage van voorwerpen van Inlandsche kunst en nijverheid had, en gaarne zou willen dat daarbij de volkskunst in Japara goed vertegenwoordigd was.
De voorbereiding van dat werkje, dat wij zoo gaarne op ons namen, was oorzaak, dat ik niet reeds veel eerder weer praatte met onze vriendin te Princenhage. Uw man zal u later wel vertellen op welk eene beduidende hoogte hier houtsnij- en textiele kunst staan. Het is voor ons zoo'n genot om mede te mogen werken aan de bekendmaking van onze volkskunst.
Wij achten 't een groot voorrecht de tusschenpersonen te mogen zijn, door wier handen sommige zieleuitingen van ons volk hun weg vinden in een nieuwe wereld; kunstvoorwerpen, die bewondering en eerbied afdwingen voor het kunnen van hun simpelen vervaardiger, den zooveel gering geschatten Javaan.
Als men die prachtige voorwerpen beschouwt, en daarnaast hun uiterst eenvoudigen maker ziet, en de uiterst primitieve werktuigen, waarmee hij arbeidt, dan krijgt men haast een gevoel van diepen eerbied en bewondering voor zijn kunst, de innige overtuiging, dat men hier te doen heeft met een _waren_ kunstenaar. Eens, dat we in extase waren over zijn kunst, vroegen we hem: "Hè man, waar haal je al dat moois toch vandaan?" Even werden de naar beneden kijkende oogen tot ons opgeslagen, een beschroomd lachje speelde hem om den mond en eenvoudig antwoordde hij: "Uit mijn hart, bendoro!"[1]
We waren _verrukt_, en daarnaast hadden we zóó 't land aan ons zelven, dat wij daar op den stoep zaten en hij voor ons op den grond in eene deemoedige houding, zich klein makend voor ons, aan wie hij honderdvoud superieur is.
Waarom? Waarom? omdat wij nu toevallig kinderen zijn van een vader, aan wien macht en aanzien is toebedeeld. O! hoe prullerig!
* * * * *
Heerlijk! dat door uw en enkele anderer onvermoeid streven en werken de oogen van Groot-Nederland zich beginnen te openen voor dit belangrijke punt in de kinderopvoeding: de kinderliteratuur.
Gelukkig mag Nederland zich achten, dat het zulke voortreffelijke krachten bezit, die zich met hart en ziel gelegen laten liggen aan de vorming naar hart en geest der Nederlandsche jeugd. En bevoorrecht is in dat opzicht het Hollandsche kind boven het Javaansche, dat geen enkel boek bezit, dan de leerboeken der schoolgaande kinderen. Een man, die veel wil en kan doen voor de opvoeding der Inlandsche jeugd, heeft daarover eens zijne gedachten laten gaan. Het is al jaren geleden, en wij hooren er niets meer van.
Wij waren nog kinderen, toen een inspecteur van het Inlandsch onderwijs ons verzocht, kleine verhaaltjes uit 't Inlandsche kinderleven voor Inlandsche kinderen te schrijven, die geïllustreerd bij wijze van prentenboekjes zouden verschijnen. Niet 't minste vermoeden hadden wij, toen wij die lesjes schreven, dat eens de pionierster dier edele beweging in Nederland: der jeugd opvoedende lectuur te geven, ons zou vragen, een steentje bij te dragen voor den bouw van den hoogen, slanken toren, hoog oprijzend in reine lucht; een toren met veel vensters, uitkijkende naar alle hemelstreken,--vensters van klaar en onbedriegelijk glas ... dien zij optrok voor hare lievelingen: de jeugd, den mensch van de toekomst! Wij bidden God, dat wij het gevraagde steentje zullen kunnen bijdragen.
Wij zijn nog steeds bezig sprookjes, sagen, spelletjes en liedjes te verzamelen voor dat doel. Het zal echter niet gemakkelijk gaan, denk ik, om de wijsjes der spelletjes en sprookjes op notenschrift te brengen. Eerstens, doen wij, hoewel groote muziekliefhebsters, tot onzen grooten spijt, zelf niet aan muziek, daar wij nooit in de gelegenheid zijn geweest daarin onderwijs te krijgen. Maar dit is zoo erg niet, het kan wel verholpen worden; de grootste moeilijkheid ligt hierin, dat wij een geheel anderen toonladder hebben dan u, en daarin tonen voorkomen, die wij vergeefs zoeken in Europeesche muziek.
Verleden week nog spraken wij een Europeaan, die reeds 20 jaar lang kunstuitingen van 't Inlandsche volk, in alle denkbare vormen verzamelt, o.a. ook pantoens; en nu wilde hij graag eenige Javaansche liederen, gamelanmuziek, bij zijne collectie hebben, en tot dusver is 't hem nog niet gelukt, er een op notenschrift te zetten, vanwege genoemde moeilijkheid.
Maar nu is gamelanmuziek dan ook ontegenzeggelijk moeilijk, en daartegenover de kinderzangen bij spelen en sprookjes zeer eenvoudig.
Een paar probeerden wij op de piano en het ging vrijwel; alle kruisen en mollen.
't Schijnt, dat er onzichtbare telefoondraden van Lalie Djawa naar hier loopen en daarvan druk gebruik gemaakt wordt door ons onzienlijk ik. Wij begrijpen anders niet, hoe menig punt in uw brief, ongeveer op denzelfden tijd, dat u hem schreef, door ons werd gedacht en besproken en zelf geschreven. In mijn brief, die den uwen heeft gekruist, zal u menig punt hierin, beantwoord vinden. Zelfs dat idee om de wijsjes, de spelletjes en sprookjes er bij te geven, bespraken wij reeds vóór de ontvangst van uw schrijven. Wij zouden het zoo jammer vinden als 't niet kon, want juist de zangen geven bekoring aan de spelletjes en sprookjes. Als kinderen vonden wij 't niet aardig, als onze sprookjesvertelster onder 't verhalen niet zong, waar dat te pas kwam.
Dezer dagen hebben wij een warmen woordenstrijd gevoerd over den invloed van boeken. Onze tegenpartij vond alles onzin; idealen, poëzie waren idiotisme; het boek nul, van niet de minste waarde.
Hoe ontroerd waren wij, toen wij den volgenden morgen het Amsterdammer (blad) openslaande, uw mooi artikel over den invloed van boeken vonden.
Wij zijn leeken, prullen, ons oordeel is nul; maar nu is een autoriteit aan het woord.
Het is een zeer eigenaardig mensch, daarom voor ons interessant hem gade te slaan en er onze gevolgtrekkingen uit te maken. Een mensch met _vele goede_ eigenschappen, maar o zóó _zwak_.
Door hem zien wij nog duidelijker, wat er in 't kind vooral moet ontwikkeld worden: _wilskracht_. Zonder deze, zijn alle andere goede eigenschappen van weinig of geen waarde.
O! ik kan u niet zeggen, hoe dankbaar wij u zijn, dat u ons den weg heeft gewezen tot _waar geluk_, tot _ware vrijheid_, tot _God_.
Wie God _waarlijk_ dient, is _vrij_; hij is aan geen mensch gevangen.
_Steunen_ op _menschen_ is zich _gevangen_ geven aan _menschen_.
Het is zoo iets heerlijks, zoo iets grootsch, waarop u ons gewezen heeft.
Het _waar geluk_, waar is het?
Het is niet ver, maar o zoo moeilijk te bereiken; men kan er niet komen per tram, per spoor of per boot, en geen goud brengt er ons heen. Het reisgeld is _bitter duur_; het zijn tranen, hartebloed en nadenken. Waar of het is? _In ons zèlf_. Men kan in de wereld véél vinden, dat ons verrukt, in vervoering brengt, dat men denkt dàt is het, het langgezochte, het geluk! Even dikwijls als men dàt vindt, zal men ervaren, vaak met bitterheid, dat hetgeen men voor geluk heeft gehouden, maar ijdel schijn is.
Het waar geluk, dat blijvende is en in ons woont, heet _zielevrede_. Ik heb het reeds làng _gevoeld_; u heeft 't mij leeren _zeggen_.
God is naijverig, zegt men; Hij duldt niet, dat men andere goden aanbidt dan Hem en straft daarom den mensch met bittere ontgoocheling, die zich goden schept en hen aanbidt met goddelijke vereering.
Maar wij vinden: "Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben" een gebod zóó liefdevol. Ligt daarin niet eene even ernstige als humane waarschuwing: de mensch is _mensch_--een feilbaar wezen....
Ach, werd 't maar beter verstaan; zooveel bitter leed zou de menschheid zijn bespaard gebleven!
Het moge dan waar zijn, dat wij door velerlei omstandigheden er op voorbereid zijn geworden, het neemt niet weg, dat _u het is_, die in deze licht heeft ontstoken voor onze zielen.
Moeder is zoo blij en dankbaar voor dezen ommekeer in ons gemoedsleven.
Zij zou dolgraag u willen ontmoeten, om u persoonlijk te bedanken voor het wonder, dat u aan hare kinderen heeft verricht: ons het hart geopend voor den Vader van Liefde!
Wat ons tot ongeloovigen maakte? 't Was véél, wat we zagen onder den dekmantel Godsdienst.
O! en dan die onverdraagzaamheid van zoo menig streng geloovige!...
Wij waren kinderen, hoever reiken de gedachten van een kind?