Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk

Part 22

Chapter 223,835 wordsPublic domain

't Is toch zoo aardig; 't was of we al een voorgevoel hadden, dat u ons dàt vragen zou. Een week of wat vóór de ontvangst van uw brief zaten we op een avond buiten in den tuin, 't was heldere maneschijn. U weet wel, niet waar, dat Javaansche kinderen, bij voorkeur de vollemaan-avonden kiezen, om buiten op 't erf hun spelletje te spelen en liedjes te zingen. Vóór ons speelde een troepje van dat kleine grut. Onze eigen kinderjaren leefden weer voor ons op. Daar kreeg ik op eens eene ingeving, om dien gelukkigen tijd altoos levendig in onze herinnering te bewaren. Ik haalde papier en potlood, en schreef in 't heldere maanlicht de spelletjes en zangen zóó uit den mond der kinderen op. Aardig toch, vindt u niet, en kort daarop kreeg ik uw schrijven met dàt verzoek.

En nu dank ik u hartelijk, ook namens zusje, voor de werkjes, die u ons zond. Weet u, wat wij elkaar zeiden, na de lezing daarvan? "Die werkjes zijn voor kinderen bestemd, maar ouders mogen ze wèl lezen, ze moèten het, ze zullen er zooveel uit leeren".

't Zou mij te ver voeren om u over elk werkje afzonderlijk onze gedachten te zeggen, doch geloof ons, zèlden lazen wij met zoo'n innig genot eenig werk. Het is niet iets om door te vliegen, even te genieten en dan weer te vergeten, maar iets, dat men in zijn ziel prent en niet weer vergeet.

Verrukkelijk, dat u ons eene verzameling van uwe gedachten wil zenden; wij danken u daar innig hartelijk voor! Wij zullen er zeker veel, veel uit leeren. "Een ernstig woord over ernstige dingen" beschouwen we als een vervolg op eenige punten in uw brief. Beide zijn ze voor ons eene openbaring!

O! wij danken u zoo innig, innig voor al de schatten en parelen, die u ons gaf. Kon u mij maar zien, terwijl ik dit schrijf! mijne oogen zouden u veel, veel meer zeggen, dan mijne pen of mijn mond 't ooit zou kunnen, van hetgeen ik zoo diep in mijn hart voel voor u.

Iets bijzonder liefelijks, en waarmee u onze Javaansche harten voorgoed aan het uwe heeft vastgesmeed is uw "Van de reis mee thuisgebracht". Wij vinden dat een juweeltje; ik zou u niet kunnen zeggen, hoeveel keeren ik dat stukje wel "opgepeuzeld" heb en telkens met nieuw genot. Ik kan mij zoo geheel in de gevoelens van dien bruinen vader verplaatsen, wiens hart u stal door uwe hartelijkheid voor zijn schat. Ik zie hem voor mij met zijn mooi kindje op den arm; ik zie de blanke vrouw, die't niet beneden zich achtte, een Javaansch volkskind op hare knie te nemen, te liefkoozen, zoenen; een eenvoudigen dessaman de hand drukken, zijn dronk van gastvrijheid uit zulk een simpele drinkschaal drinken!

Wat zal dàt zijn hart zoet gestreeld, verrukt hebben! Een Javaan is zoo gevoelig voor vriendelijkheid, vooral wanneer zij komt van 't blanke ras, waartegen hij zoo hoog opziet!

Ach! wisten de blanken maar, hoe weinig ze te doen hebben om het hart van den bruinen broeder te winnen. Geef liefde en gij zult liefde terug ontvangen. Een vriendelijk woord kost niets, en kan toch zooveel uitwerken.

Uw "Wat zullen de kinderen lezen?" las ik al eens in de "Gids" nu twee jaar geleden. Toen reeds interesseerde ik mij er voor. Op dat gebied ligt in onze Inlandsche maatschappij het geheele veld nog braak; daar is nog _niets_, totaal _niets_ aan gedaan.

O! wat zijn we toch bevoorrecht, om juist in dezen tijd te leven; overal, overal is er zooveel te doen! wij hoeven slechts de hand uit te strekken, om _goed, heerlijk werk_ te vinden! Heerlijk! verrukkelijk! Waar zal de tijd zijn, dat onze landslieden zullen ontwaken uit hun sluimer, zich zullen werpen op de hoopen, bergen werk, die op rappe handen wachten, overal, overal! Zullen wij dien tijd nog beleven?

Neen, zóóveel nièt verlangen; laten wij al innig dankbaar zijn, als wij het onze kunnen bijdragen tot het banen van den weg daarheen.

En waar zal de tijd zijn, dat wij in werkelijkheid, oog in oog, hand in hand, u kunnen bedanken voor al 't moois dat u ons gaf en nog zooveel meer. Geduld!... wij zijn vol hoop en moed. Wij zijn o zoo dankbaar, dat wij u gevonden hebben, wij laten u nooit meer los, _nooit_! U wil onze vriendin, onze raadsvrouw en gidse zijn en blijven, nietwaar, altoos?

Zeg ja, het is niet voor één, niet voor twéé menschen, maar voor heel een volk, vooral voor de Javaansche vrouw!

Natuurlijk zullen wij doodbedroefd zijn, als die tijd dáár is, en wij afscheid moeten nemen, van allen en alles, die zóó lang een groot deel van ons geluk uitmaakten; maar wij zullen gaan met den zegen onzer dierbaren; die zal den donkersten nacht licht voor ons maken, den warmsten dag koel, en den storm tot zachte bries! Het ongelooflijkste, het nooit-gedachte, het nooit-gedroomde is geschied; onze Moeder, die in geheel andere begrippen, meest contra de onze, is opgevoed, gaat en voelt thans met ons mee, ja, droomt zelfs mee met ons. Dat is een genade uit den Hooge van onzen almachtigen en algoeden Vader!

Wèl moesten wij eerst over een langen weg van dorens gaan, voor wij tot de poort kwamen, die onze ideeën toegang tot haar hart verleenden, maar eenmaal er voor ontsloten, blijft het er voor openstaan. Véél heeft onze lieve goede Moeder en hebben wij geleden, vóór wij elkaar op die punten ontmoetten.

[1] Goestikoe = mijn Goesti. Met Goesti wordt hier het Opperwezen aangeduid.

[2] Van de inzending is helaas niets gekomen, gelijk mevrouw Van Kol berichtte.

28 Juli 1902. (VIII.)

Maar geen wolk is eeuwigdurend, evenmin als er een eeuwige zonneschijn is. Uit den donkersten nacht wordt dikwijls de schoonste morgen geboren. En hier troost ik me mee. Het menschelijk leven is eene getrouwe weerspiegeling van 't leven der natuur.

Waar wij God dag aan dag om moeten bidden is: kracht!

De regen, die de eene plant in blad en knop doet schieten, werpt eene andere ter aarde en doet haar verrotten.

8 Augustus 1902. (X.)

Brieven spelen een groote rol in ons leven, bijna alles hebben wij daaraan te danken; zonder onze correspondentie zouden wij nooit zoo ver gekomen zijn, dat wij breken durven met oeroude tradities en gewoonten. Je weet niet, of eigenlijk je weet wel wat de brieven onzer vrienden, superieuren naar den geest en naar de ziel, voor ons zijn. Er gaat een louterende, verheffende invloed daarvan uit; zij ontwikkelen ons naar den geest en het gemoed. Daar is zooveel moois, liefs en kostbaars door de post tot ons gekomen, paarlen, edelgesteenten voor hoofd en hart.

Mondelinge gesprekken kunnen in onze ziel gegrifd zijn, maar je zult wel toestemmen, dat de tijd menig woordje verbleken doet, al blijft de hoofdzin onaangetast; brieven nu herhalen ieder woord getrouw ten allen tijde, zoo vaak je wilt.

10 Augustus 1902. (VI.)

Wat u ons daar zegt, heeft Moeder ons zoo dikwijls gezegd: "àlle gaven zijn slechts een geschenk van Goesti Allah". "Verbeeld je nooit, wanneer je iets goeds hebt verricht, dat dat je eigen, geheel je eigen werk is; wij zijn slechts werktuigen, uitvoerders van Zijn wil. Gaven, talenten zijn ons toevertrouwd; onze plicht is daar goed voor te zorgen".

En die overtuiging is het, die Moeder, in een geheel anderen geest opgevoed dan wij, wèl na veel strijd, ons hare toestemming deed geven; wij hebben haar die _niet_ afgedwongen. Nu berust zij er in, droomt zelfs met ons meel

Wanneer men haar over ons aanvallen zal, is haar antwoord eenvoudig: Zij zijn onze kinderen, maar niet ons eigendom. Dat zijn ze van Hem, die haar schiep; en haar Bezitter is 't, die haar leven en lot bestuurt. Er zijn vele wegen, bekende en onbekende, die naar 't Goede leiden; vreemd, onbekend, is de weg, waarover Hij onze kinderen laat gaan; wij ouders hopen en vertrouwen, dat Hij haar tot 't Goede zal leiden".

Wat zal Moeder blij zijn, als wij haar vertellen, wat u ons heeft gezegd.

Nu is Moeder niet thuis; zit bij een ziek zusje van ons. Moeder is onze Vriendin o zoo dankbaar voor hetgeen HEd. ons deed vinden. "Ik verlang zoo Mevrouw Van Kol te ontmoeten om haar te bedanken, dat zij jullie harten heeft geopend. Zij is niet van ons geloof, maar wat doet het er toe, haar God is onze God, ons aller God".

Wèl heeft u gedaan met ons te waarschuwen voor ijdelheïd; wij danken er u zeer hartelijk voor.

Doch stel u gerust. Wij, kinderen van een Vader, aan wien macht en aanzien is toebedeeld--u, die onze maatschappij kent, weet wat dat in onze Inlandsche wereld beteekent; waar macht en aanzien alles is, glans en glorie als 't toppunt van geluk worden beschouwd--wij hebben van af onze prilste jeugd aanraking met vleierij, wij hebben van ze leeren walgen. 't Doet ons o zoo'n pijn ouden van dagen, grijsaards voor _kinderen_ te zien kruipen. Het is adat! Kunnen wij niet alles afweren, wij hebben _nooit_ gewild, dat men ons den voet kuste.

Véél heeft ons tot mijmeren en peinzen gebracht, en het wordt al klaarder en klaarder in ons: 't is plicht, dure plicht, om met alle kracht te trachten ons die volksvergoding eenigszins waard te maken.

De leus van den Inlandschen adel moet zijn: "De adel zij de volksvereering waard!"

Slechts van weinige menschen hooren wij _graag_ wat liefs; die, welke wij boven alle vleitaal verheven weten. Hun woorden van waardeering hebben een bezielende, voortstuwende kracht voor ons, sterkt, moedigt ons aan tot het volharden in het goede.

15 Augustus 1902. (I.)

Nellie's[1] geestdriftige woorden in Oost en West zijn hier door verschillende bladen opgenomen, en schrijft o.a. "de Echo" er een warm woord onder, voor ons de sympathie en medewerking vragend, van alle vrouwen in Indië. Het doet goed. De "Echo" plaatste evenals Nellie een woordje uit mijn brief in haar artikel en verzocht dien in zijn geheel of gedeeltelijk te mogen publiceeren. Ik vind beter van niet, één brief gepubliceerd is genoeg, en die van Nellie geeft volle licht op de zaak. Weer iemand anders vroeg mijne toestemming tot het plaatsen van een brief van me over eene Javaansche bruiloft. Hilda de Booy is het--dochter van den heer Charles Boissevain, directeur van het Algemeen Handelsblad. Zij zond de copie van dien brief naar huis, en nu schrijft haar broer, die secretaris is der directie, dat ik met het plaatsen van dien brief mijn volk goed zou doen. Beter dan uit wat ook, zullen de Nederlanders uit zulke brieven begrijpen, dat het Javaansche volk in sommige opzichten hun meerdere is, in vele opzichten hun gelijke, en slechts _misschien_ in meer hun mindere is. Aldus de heer Boissevain.

Wat denk je er van, Stella?

Ik ben bezig aan een artikel voor Belang en Recht; ik hoop, dat het geplaatst zal worden! ik werk er met pleizier aan. Wordt het niet aangenomen, dan werk ik het om voor een ander blad of tijdschrift.

Voor Nellie zijn we bezig Javaansche sprookjes te verzamelen, en zusje R. is bezig met teekenen daarvoor.

O, Stella, wat een schat van moois hoorden wij uit den volksmond; wijsheden, waarheden, zoo klaar, in eenvoudige en toch o, zoo melodieuse woorden! Jou taal goed, goed onder de knie hebben, en dan die mooie, gewijde muziek verstaanbaar voor ulieden maken! Als jullie eens de ziel van ons volk kennen, hoe zal jullie je dan tot ons aangetrokken gevoelen. Wij zijn zoo dicht nog bij de natuur, den oorsprong; onze wijsheid kost geen hoofdbreken om ze te verstaan. In simpele woorden, maar o, hoe schoon van klank en rythmus.

Kon ik je maar mijn taal leeren, dat je van ons moois genieten kon in zijn oorspronkelijken staat. Hoe meer ik doordring tot de diepste diepten van de ziel van ons volk, hoe meer superieur ik ze vind. Bij jullie worden wijzen en dichters aangetroffen, meestal in zekere standen, en wordt beschaving gevonden bij zekere klassen; de groote meerderheid, dat is het volk, is, mag ik zeggen?--ruw. Er zijn superieuren bij die volksklasse, maar het gros, Stella? gij weet 't beter dan ik.

Maar ga jij eens met me ronddwalen in kampong en dessa, laten wij de schamele hutten der armen binnengaan, hoor hun spreken, hunne gedachten.... 't Zijn ongeschoolde menschen, allemaal, maar wat woordmuziek kan er uit vele monden ruischen, wat een zielemooi ligt daarin uitgedrukt. Zacht, bescheiden van aard, eenvoudig en nederig! Als ik bij je ben eenmaal, zal ik je zooveel, zooveel van ons zacht volk vertellen, van zijn denk- en zienswijze. Je moet ze kennen en liefhebben als wij.

Dichters en artisten vindt je er zooveel onder hen, en waar een volk gevoel heeft voor poëzie, het schoonst en lieflijkst in 't leven, kan het _niet_ laag staan in innerlijke beschaving.

Al wat hoog en mooi is in 't leven is _poëzie_. Liefde, toewijding, trouw, geloof, kunst, _alles_ wat _verheft, veredelt_ en _vermooit_, is _poëzie_. En 't Javaansche volk en poëzie zijn zoo innig samengeweven. De minste, allerminste Javaan is poëtisch. Wat denk je van den roerenden eerbied, die jongeren, ouderen bewijzen? Wat denk je van de roerende piëteit van levenden voor afgestorvenen?

Geen blij gebeuren, waarbij niet onze afgestorvenen worden herdacht, hun zegen en die des hemels worden afgesmeekt. In vreugde en leed steeds gedenken wij onze dooden.

En de moedernaam, wat is hij heilig! In uren van vertwijfeling, van pijn, prevelen de bleeke lippen steeds dien naam. 't Is Moeder, en weer Moeder, die aangeroepen wordt, hebben wij hulp, hebben wij steun noodig!

In het aanroepen van haar naam in ernstige, smartelijke oogenblikken ligt de vereering van het moeder zijn. Waarom roepen wij niet onzen vader aan, waarom juist onze moeder? omdat de mensch van jongs af aan instinctmatig voelt, dat moeder beteekent een wereld van liefde en toewijding!

Elk voorwerp dat je hand ontvalt oprapen onder den uitroep: "O, Allah, mijn kind!" Wat of dat te beteekenen heeft, waar het van getuigt, hoef ik het je nog nader te verklaren?

Stella, ik leg mij ernstig toe op jou taal, dat ik haar eenmaal zoo machtig ben, dat ik al het moois van ons kan verstaanbaar maken voor ulieden. Ik leg mij ook ernstig toe op mijn eigen taal, ik wil ons volk het blanke ras leeren kennen, zooals ik het ken in zijn mooi- en edelheid. Zij moeten jullie edelen en grooten kennen, eeren en liefhebben, dat zullen zij.

Ik zou soms nog een dubbel stel handen willen hebben, om alles te kunnen doen, wat ik wil. De wil is groot, maar de kracht is klein. Ik mag er mijne gezondheid niet aan wagen, dat is het domste wat ik doen kan. En toch ben ik zoo dikwijls dom; vaak tot laat in den nacht zit ik te werken, en dat is niet goed voor me. Zoo zal ik mijn doel voorbijstreven; ik wil veel werken, en 't eind van 't lied zou kunnen zijn, dat ik niet kan werken wegens lichaamszwakte. Dat zou vreeselijk zijn. Daarom doe ik nu mijn best om me te matigen en verstandig te leven.

[1] Mevrouw N. van Kol.

15 Augustus 1902. (X.)

Hoera! voor de Inlandsche kunst en nijverheid; ze gaan beslist een schoone toekomst tegemoet!

Ik kan je niet zeggen hoe blij, dankbaar en gelukkig ik hierover ben. Wij bewonderen zoo graag ons volk, wij zijn er zoo gaarne trotsch op! Ons volk zoo weinig gekend en ... zooveel miskend!...

De toekomst onzer Japarasche artisten is verzekerd.

De Heer Zimmermann[1] was in extase over hetgeen hij hier zag van den artistieken arbeid van het zooveel gering geschatte bruine ras. Houtsnij-, goudsmeed- en textiele kunst staan hier op eene beduidende hoogte. Onze artisten hebben hier een groote bestelling gekregen van Oost en West voor St. Nicolaas. Wij _genieten_; nu kunnen de knappe artisten mooie idee's ten uitvoer brengen, poëtische gedachten in schoone vormen belichamen, sierlijke lijnen, golvingen en wendingen, schitterende, gloeiende kleurschakeeringen.

O, 't is lust, 't is heerlijkheid om voor en in alles het mooie, het goede te zoeken. Die Godsvonk is er in ieder en alles, zelfs in wat oogenschijnlijk allerslechtst is. Deze waarheid moet tot velen, velen doordringen, en die velen moeten het opvatten als plicht, eene, die het leven mooi maakt èn voor anderen èn voor zichzelf.

Daar is een kind gekomen bij eene bejaarde vrouw, dat op haar vraag, wat ze hebben wilde, daar zij niets bezat, geen lekkers, geen sieraden, geen kleeren, antwoordde: "Ik verlang lekkers noch sieraden, noch kleeren. O Moeder, geef mij een bloem, die open gaat in het hart."

Hoe vindt je het?--o--en je moest het eens hooren in het oorspronkelijke, het verzoek van dat kind klinkt zoo zoet, diepe zin in bloementaal: "Njoewoen sekar melati, hingkang mekar hing poendjering ati."

En zoo iets hoor je slag op slag. Wij zijn nu bezig, alles op te schrijven, wat wij hooren, moois uit den volksmond. Het woord "gedicht" bestaat in onze taal niet, wij zeggen "bloementaal", en is het niet juist gezegd?

Wij zijn nu ook bezig zangen te leeren, geen jubelzangen; heb je die wel ooit gehoord van ons volk? De gamelan jubelt nooit; zelfs bij de dolste feesten, klinkt er weemoed in zijn zang, misschien wel dáárom. Weemoed is het leven, géén jubelzang!

De vorige bladzijden heb ik geschreven onder zoet streelend weemoedig gezang. 't Was avond; vensters en deuren stonden open; de bloeiende tjempaka voor onze kamer zond met 't zachte koeltje, dat ruischte in haar groen, ons haren geurigen adem ten groet--ik zat op den grond, zooals nu, aan een laag tafeltje, links van mij zusje Roekmini, eveneens schrijvend, rechts van mij Annie Glaser, ook op den grond, te naaien, en vóór me een vrouw, die ons voorlas uit een boek op zang. Het was _heerlijk_! Een droom van mooi, belichaamd in reine, serene, sonore klanken, die onze trillende zielen mee omhoog voerden in het rijk der gelukzaligen.

Hoe wenschte ik toen dat jij mede in ons kringetje aanzat, je zoudt met ons meevoelen, meegenieten, en meedroomen. Droomen! Het leven is geen droom, maar koude, nuchtere werkelijkheid, maar de werkelijkheid hoeft niet leelijk te zijn als men dat niet wil; zij is het niet, zij is mooi, altijd waar wij het mooie _in ons_ hebben.

O, daarom zou ik wenschen, dat bij de opvoeding wel degelijk werd gelet op karaktervorming, en wel in de eerste plaats op de ontwikkeling van de wilskracht. Deze moet de opvoeding in het kind ontwikkelen, aldoor, aldoor....

Doch ik ben hier op een ander terrein gekomen. Ik wilde met je spreken over ons volk, en niet over de opvoeding; daarover later, niet waar?

Er is hier een oudje aan wie ik bloemen bedelde, die geuren in het hart. Veel gaf zij mij reeds en zij heeft nog meer, veel meer, en ik wil meer, immer meer. Zij zal mij dan meer willen geven, maar ik moet het verdienen, haar bloemen moet ik koopen.... Waarmee?... Waarmee moet ik betalen?....

En hoog ernstig klonk het uit haar mond: "Vast één dag en één nacht en breng dien tijd wakend en in eenzaamheid door."

"Door nacht tot licht, Door storm tot rust, Door strijd tot eer. Door leed tot lust",

ruischte als een requiem mij in het oor.

Dat is de zin, de gedachte in de woorden dier oude vrouw. Dat vasten en waken is het symboliek van: "door ontberen, lijden, nadenken tot het licht!" Geen licht, waar niet duisternis vooraf ging; mooi vindt je niet? Onthouding is overwinning van den geest over de stof; eenzaamheid is de school van het nadenken.

Als kind deed ik al die dingen werktuigelijk, zonder vragen, omdat anderen vóór mij en met mij hetzelfde hebben gedaan. Toen kwam er een tijd, waarin mijn geest begon te vragen: "Waarom doe ik dit, waarom is dit en dat zoo?" Waarom--waarom --tot in het oneindige!

En ik verkoos toen niet meer, dingen te doen waarvan ik tekst noch uitleg kende. Ik wilde niets meer werktuigelijk doen zonder te weten waarom, waarvoor, waartoe. Ik wilde geen Koran meer leeren lezen, spreuken in een vreemde taal leeren opzeggen, waarvan ik de beteekenis niet begreep, en waarschijnlijk mijne leermeesters en leermeesteres ook niet. "Zeg mij de beteekenis en ik zal alles willen leeren." Ik had gezondigd; het boek der boeken is te heilig om verstaanbaar voor ons gemaakt te worden.

Wij verkozen niet meer te vasten en andere dingen te doen die wij eens gedachtenloos deden en die wij nu dènkend niet meer konden doen. Men was wanhopig--wij waren wanhopig--niemand wilde ons verklaren wat ons onbegrijpelijk was.

Onze God was ons geweten, onze hel en hemel waren ons geweten. Deden we kwaad, ons geweten strafte ons; deden we goed, ons geweten beloonde ons.

De jaren kwamen en zij gingen.... Wij heetten Mohammedanen, omdat wij afstammelingen daarvan zijn, en wij waren Mohammedanen in naam, meer niet. God, Allah waren voor ons een aanroep, een woord, een klank zonder zin.... Zoo leefden wij voort--totdat de dag aanbrak, die een ommekeer bracht in ons zieleleven.

Wij hebben Hem gevonden, waar onze zielen onbewust, lange, lange jaren naar smachtten.

Zóólang en zóóver hebben wij gezocht; wij wisten niet; het was zóó nabij, steeds om en bij ons. _Het is in ons_.

Wie ons Hem heeft doen vinden? Wel was het reeds lang aan het gisten in ons--maar die ons heeft doen vinden het zoo lang gezochte, is: Nellie van Kol. En wie ons nu leidt en den weg wijst tot Hem, het is Mama.

Wat zijn wij toch stom, toch dom, om een heel leven lang een berg schatten naast ons te hebben en het niet te zien, niet te weten.

Domme, dwaze eigenwijze, pedante personen, die we zijn. O, je weet niet hoe gelukkig Mama en met haar àl de oudjes hier zijn om dezen ommekeer in ons gemoedsleven. Geen woord van verwijt uit hun mond, en waar wij onszelf de hevigste verwijten doen over onze inbeelding, pedanterie en eigenwijsheid, zeggen zij zacht, troostend, verzoenend: "Het heeft God nú eerst behaagd jullie harten te openen, weest daar dankbaar voor!"

O, kon ik je maar ten volle zeggen hoe rustig en vredig het thans in ons is, hoe dankbaar en gelukkig, hoe veilig en gerust wij ons voelen, nu wij Hèm gevonden hebben; nu wij weten--voelen, dat er steeds Iemand bij ons is en over ons waakt. Die Iemand zal onze steun, onze troost, onze veilige toevlucht zijn in ons verder leven; dàt voelen wij.

[1] De heer V. Zimmermann te Batavia is een der eersten die zich krachtig en met volle toewijding lieten gelegen liggen aan de Inlandsche kunst en kunstnijverheid.

17 Augustus 1902. (X.)

Goeden morgen; hier is zus weer om wat met je praten. 't Is een heerlijke frissche ochtend; ik zit hier in een gezellig hoekje bij 't venster, waar ik 't gezicht heb op den tuin. Een volgenden keer zal ik je toch eens onze omgeving beschrijven, ons huis, onze doenia[1] en ... ons klooster! Nu ga ik mijn praatje van gisteren vervolgen. O! aandoenlijk is de blijdschap der oudjes over den terugkeer der verdoolde schaapjes op het rechte pad.