Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk
Part 21
Ik vind 't erg naar, maar 't is in _ons belang_. "Uit niets" schreef ze verder, "kan dat vriendenpubliek uw hart zóó goed leeren kennen en uw streven zóó waardeeren, als uit dien eenvoudigen brief, waarin de jeugdige Javaansche haar gemoed zonder voorbehoud uitstort voor eene oudere vrouw, van wie zij steun en sympathie verwacht. Er is niet één woord in dien brief, dat 't publiek niet zou mogen lezen; en werkelijk, ik weet geen beter middel om u in te leiden bij dezen kring, die 't wel meent met Java en den Javaan. Overwin uw schroom, dien ik wel begrijp en zeg, ja!"
Ik heb hieromtrent nog geen besluit genomen; ik zou eerst Vaders toestemming daartoe moeten hebben. Vader heeft juist gevraagd om de zaak zooveel mogelijk geheim te houden; als de Regeering "ja" zegt, dan mag de wereld er van hooren. Zeer waar is 't, dat wij zeer voorzichtig onzen weg moeten kiezen, maar de ondervinding van den laatsten tijd heeft ons geleerd, dat met publiciteit wij meer winnen dan met geheimzinnigheid. Als 't publiek was, wat nu 't geval is, en de Regeering weigerde, dan nog zouden wij er niets mee verliezen. Hoevele verzoeken zijn niet geketst geworden?
Dat is 't niet, waarvoor ik aarzel ja te zeggen; ook niet, omdat ik 't vreeselijk naar zou vinden, om mijn innigste gedachten voor de wereld bloot te leggen. Mijn eigen gevoelens cijfer ik geheel weg; ik houd 't oog uitsluitend gericht op onze _zaak_! Ik roerde in mijn schrijven een punt aan, dat onze landslieden zeker _niet_ aangenaam zal zijn: n.l. de huwelijkskwestie. Men zal er mij om verguizen misschien; mij persoonlijk zal 't niets deren, maar wel de zaak. Zal men mij later, als ik onderwijzeres zal zijn geworden, zijne kinderen ter opvoeding willen toevertrouwen, als men weet, waartegen wij ten strijde trekken? Of is 't beter om met open vizier te strijden--wij willen de Waarheid dienen--en nú reeds kleur bekennen? 't Is altijd mijn idee geweest om over dat onderwerp te schrijven, maar daarmee wilde ik wachten, tot ik mijne zelfstandigheid bevochten heb.
Onze ideeën zullen wellicht met sympathie begroet worden in Europeesche kringen; en enkele daarvan, waar wij 't over opvoeding en onderwijs hebben, misschien ook in de Javaansche wereld; maar hoe de ideeën, die op bijgaande zijdjes staan geschreven, ontvangen zullen worden, door 't publiek, voor 't welk wij bereid zijn zooveel ten offer te brengen?--ik weet 't niet!
Wat dunkt u? Geef u mij hieromtrent raad? Met Mama zal ik er ook over spreken.
15 Juli 1902. (VIII.)
Zusje R. heeft u reeds de blijde tijding gemeld, nietwaar, dat onze Ouders ons _hunne volle toestemming_ gaven?
't Ongelooflijkste, 't nooit verwachte is dan gebeurd: Mama heeft niet alleen _vrede_ met onze plannen en ideeën, maar droomt nu zelfs met ons mee!
De verklaring heeft geen scheuring gebracht tusschen Mama en ons. Integendeel, wij voelen ons nauwer met elkaar verbonden, nu 't tot klaarheid is gekomen, tusschen die lieve, beste Moeder en ons. Wij zijn niet waard, om die lieve, trouwe ziel de voetzolen te kussen. Kon ik u maar zeggen, hoe en wàt zij is voor ons, al die lange jaren, en wat ze nu nog voor ons is.[1]
* * * * *
Neen, wij maken ons volstrekt _géén illusies_, maar één illusie houden wij; en laat 't ons behouden, liefste; die éénige is, dat door veel, veel leed en smart, wij iets mogen tot stand brengen, al was 't ook nog zoo gering, dat ons volk, en vooral de vrouwen daarvan, ten goede komt. En mocht dit ons niet gegeven zijn, mogen dan ons lijden en strijden slechts dit uitwerken: de _aandacht_ der menigte te vestigen op toestanden, die zoo _noodig_ verbetering behoeven.
En mocht óók dit ons niet gegeven zijn, welnu, wij hebben naar 't goede _gestreefd_, en wij zijn vast en heilig overtuigd, dat al onze tranen, nu schijnbaar nutteloos gestort, mede het _zaad_ zullen vormen, waaruit eenmaal genezende bloemen zullen opbloeien voor het nageslacht.
Uw beider boodschap, die Annie ons overbracht, heeft ons opnieuw in tweestrijd gebracht. Zeer, zeer waar is 't wat u beiden zegt--en wij danken er u zeer hartelijk voor--dat al mocht 't _nu_ alles goed gaan als we naar Holland gingen, wij ons moeten bedenken, hoe onze terugkeer zou zijn. Wie zullen wij op Batavia vinden? Zeker, zeer zeker, geen één meer van hen, die nu voor ons streven zijn. Alles zal er veranderd zijn. En wat dan?
Wij zouden ongetwijfeld zonder aarzelen Batavia kiezen, al was 't maar alleen om zóó dicht bij u te zijn--wat wij heerlijk zouden vinden--ware 't niet dat mijn zusje dan _alles_ zou _moeten opgeven_, wat zij zoo innig gaarne wilde. Bleven wij hier, zij zou voor 't onderwijs moeten studeeren, en daar ziet zij tegen op. En hoe treurig is 't om een taak, als die van onderwijzeres zijn, te moeten vervullen zonder liefde voor 't vak, hebben wij gezien. R. zelf zegt evenwel, "waar jij bent, daar wil ik zijn, en als ik niets anders dan onderwijzeres worden kan, welaan, ik zal trachten naar mijn beste weten, mijn taak goed te vervullen". Maar ik zou 't vreeselijk voor haar vinden, jammer èn voor haarzelf èn voor de _zaak_, als zij hare plannen moest opgeven. Voor de zaak zou 't een _verlies_ zijn; een cursus in huishoudkunde en handwerken zal ongetwijfeld een groote attractie zijn voor de Javaansche vrouwen. Van bijna _alle_ Javaansche moeders toch, is 't een ideaal, dat hare dochters eenmaal uitstekend zullen kunnen koken en handwerken. Hoe _weinigen_ zullen er zijn, die inzicht zouden hebben van de taak, die ik zoo graag op mij nemen wilde, die wàt zullen kunnen gevoelen voor een geestelijke en zedelijke opvoeding.
Er moet iets _aanschouwelijks_ zijn, iets dat men _zien, betasten_ en _mooi vinden_ kan met 't bloote oog, om onze onderneming _sympathiek, begeerenswaardig_ te maken voor onze landslieden. Wij dienen wel degelijk rekening te houden met de wenschen en inzichten onzer landgenooten, voor wie we dit alles willen doen. De taak van aanschouwelijke kennis te onderwijzen zou zusje op zich kunnen nemen, en dat wil ze zóó graag.
Ook zouden wij gráág de huishoudkunde hier onderwezen zien, omdat daar vakken in zijn, die wij van groot nut voor onze Javaansche maatschappij achten, als b.v. _administratie, gezondheidsleer, verbandleer_, e.a. 't Is zoo eeuwig jammer, dat wij niet mondeling dit alles met u kunnen bespreken. Veel moet er zeker van de lijst geschrapt worden, dat is zeker, en kan 't ook niet anders zijn. Wij zijn volstrekt niet zoo verwaand om te denken, dat onze denkbeelden de beste zijn. Dolgraag zouden wij daarom de inzichten van oudere, ervaring- en ondervindingrijke personen willen vernemen, om dan aan hun hand aan 't zoeken en schiften te gaan, om 't beste er uit te pikken. O! dat wij bij u konden zijn, nu wij van onze Ouders de volle toestemming hebben om ons leven te wijden aan 't werk, waartoe wij ons geroepen voelen. Met die toestemming is een groot rotsblok van onzen weg afgewenteld; nu staan wij voor ons tweede: 't financieele en de rest!!
Doch laat ik u nu vertellen, wat ons zóó dankbaar stemt, buiten het reeds gemelde. Dezer dagen kreeg ik van Mevrouw Van Kol een langen, zeer ernstigen en o, zoo innig sympathieken brief, waarin zij ons hare ingenomenheid betuigde met ons streven en daarnaast wees op den _ernst_ daarvan. Neen, zij spiegelt ons geen heerlijkheden voor, zoowel van den weg, dien wij kozen, als van een verblijf in Holland. "Toch zullen de moeielijkheden en de scherpe dorens u niet gespaard blijven", zegt zij, "maar geen kind van God komt er zonder smart en pijn. Die nebben wij noodig om sterk te worden, om uitsluitend te leeren vertrouwen op Hèm en op onszelf."
Mevrouw Van Kol heeft ons méér gegeven dan zedelijken steun; zij heeft ons iets van haar zelf gegeven, iets heel innigs, dat leeft in haar hart en ziel.[2]
* * * * *
Zeker moeten wij zeer voorzichtig zijn, maar de ondervinding der laatste tijden heeft ons geleerd, dat geheimzinnigheid tot niets leidt; wel ons van den wal in de sloot brengt, zou ik zeggen; en dat publicatie ons veel verder brengt. Ik kan mij ook begrijpen, waarom Vader voorloopig geheimhouding wenscht, omdat 't voor hem zoo naar zal zijn, als de Regeering weigert, en 't publiek zich vroolijk om ons zal maken. Daarom heb ik namens hem Mijnheer beleefd een verzoek te doen, of ZEd. niet bewerken wil, dat als Vader vandaag of morgen een request indient, dit niet ruchtbaar wordt en in de krant komt te staan. Als dit bezwaar, 't financieele, uit den weg is geruimd, dan mag de heele wereld weten, wat wij willen en van plan zijn.
Wij streven er zóó naar, om ons boven kleinzielig- en kleingeestigheid te verheffen. Het eerste stormpje van verontwaardiging en spot is al over ons heen gevaren.
[1] Het hierna volgend gesprek van de schrijfster met hare ouders is reeds meegedeeld.
[2] gewaarwordingen naar aanleiding van den brief van mevrouw Van Kol worden hier weggelaten, omdat zij voorkomen in het aan deze dame gericht schrijven van 21 Juli 1902.
18 Juli 1902. (II.)
Moeder! wij kunnen geen woorden vinden om onze gevoelens goed te schetsen. Alles lijkt onduidelijk, kindergestamel, het hart voelt zoo rijk, zoo machtig!
O God, ik dank U, zegt aldaar mijn hart, mijn mond, mijn pen, tot ik mij waan werkelijk in de blauwe hemelen te zijn, waar Hij woont aan wien mijn dank is gewijd!
Heb ons lief, steeds heel, heel lief, dat hebben wij zoo noodig--onze weg is zóó moeielijk!
21 Juli 1902. (VII.)
Er kunnen wondermooie oogenblikken in 't leven zijn, die waarin wij ons als 't ware los van de aarde voelen, slechts leven het leven onzer ziel, opgaan in haar jubel, extase,--vooral wanneer zij gevonden heeft, wat zij behoeft, waarnaar zij hongert: het Hoogere! Zulk een oogenblik was het voor ons, toen wij in diepe ontroering uw brief lazen, waaruit zoo'n verfrisschende, versterkende en bovenal zuiverende adem van hoog ziele- en geestesschoon ons tegenwaaide!
Hoe zal ik u die gevoelens beschrijven, die onze zielen beroerden, bij 't lezen uwer gouden woorden, eene hemelsche genade, zooals wij ze noemen!
Meer, véél meer dan zedelijken steun gaf u ons, u heeft ons iets van u zelf gegeven, iets heel moois, heel innigs, dat leeft in uw hart en uwe ziel.
Zoover en zoolang zochten wij, en wij wisten het niet, 't was zóó nabij, steeds bij ons: Het is in ons!
Allah of God, het is voor ons nu geen hollen aanroep meer. Dat woord,--ach, zooveel gedachteloos gebruikt!--heeft thans voor ons een heiligen, gewijden klank. Dank, innig dank, dat u 't gordijn voor onze oogen heeft weggeschoven, ons deed vinden het làng, làng gezochte!
Kon ik maar zeggen, hoe rustig, hoe vredig het thans in ons is; hoe stil, innig gelukkig we zijn; géén angst, géén vrees meer; wij voelen ons zoo veilig, zoo gerust! Er is _Iemand_, die over ons waakt; er is _Iemand_ steeds bij ons, en die _Iemand_ zal onze troost, onze steun, onze veilige toevlucht zijn in ons verder leven; dat _voelen_ we.
Ja, waarlijk, God woog niemands taak te zwaar. Hij geeft ieder de kracht voor het werk, waartoe Hij hem roept.
Dat wij u beiden gevonden hebben, is een Godsgeschenk, is eene beschikking des Hemels. De Almachtige zond u beiden, beproefde, ervaren strijders voor Zijn heiligen wil, Zijn hoog gebod, dat Liefde heet, tot ons, om ons, jonge, onervaren strijdsters bij te staan, te steunen, onze wankelende schreden te leiden op onzen moeilijken weg.
Dank, o Goestikoe,[1] voor deze genade! Dáárom hebben de Genestet's schoone woorden in "Terugblik" zoo'n wondere bekoring voor ons! Onze zielen hongerden, zochten ... wij wisten niet wàt!...
't Is of wij eene wijding hebben ontvangen, het leven lijkt ons mooier, ons streven heerlijker, en wij zelf voelen ons beter, sterker....
Wij hebben u niet meer kunnen vergeten, sinds wij uwe stem tot ons hoorden spreken. Nog steeds ruischt mij na, als een requiem uw woord: "_die niet meer zichzelven leven, maar den geest in hen_".
Dat ik de macht van 't woord bezat, voor één enkele minuut maar, om voor u mijne gevoelens, zuiver, getrouw te kunnen afbeelden!
Helaas! die macht heb ik niet, ik zal er over zwijgen.
Aan dàt woord dachten wij, toen wij uw verzoek, omtrent 't publiceeren van mijn brief herlezende, onszelf afvroegen: "Hoe zal 't zijn voor de zaak?" De vriendschappelijke uiting van "Oost en West" doet ons eene welwillende ontvangst van het Europeesche vriendenpubliek verwachten,--maar hoè zal mijn brief ontvangen worden in onze eigen wereld? Mogelijk, dat de voorstellen van onderwijs en opvoeding met sympathie zullen begroet worden door onze landslieden, maar die sympathie zal te niet gedaan worden door de verontwaardiging, die mijne uitlatingen over de huwelijksquaestie stellig zullen verwekken, en wel in de eerste plaats bij de mannen.
Ik neem er geen woord van terug; integendeel, ik heb daarover nog heel veel te zeggen, en 't is steeds mijn stellig voornemen geweest, om daarover eens luide mijne stem te verheffen, omdat alléén _publicatie_ zou kunnen leiden tot de gewenschte verbetering in toestanden, die verbetering zóó noodig behoeven; maar ik dacht daarmee te wachten tot ik vasten voet zou hebben verkregen op den gekozen weg, ik mijne vrijheid en zelfstandigheid zou hebben bevochten.
Doch 't is beter zoo, dadelijk met open vizier te strijden, bij 't begin af aan der Inlandsche maatschappij te zeggen geheel en al, van welken geest wij zijn.
Maar wie kaatst, moet den bal terug verwachten, nietwaar? En daarom is 't, dat ik u eenig uitstel vraag met het publiceeren van mijn brief. Niet, dat ik één woord wil terugnemen van hetgeen ik gezegd heb over het wreede mannenrecht, dat vrouwen en óók kinderen zoo lijden doet, maar ik wil mij op andere punten wapenen, waarop men mij mogelijk aanvallen zal, en dat de zaak zou kunnen schaden.
In dien brief zeide ik, dat nu hoe langer hoe meer Inlandsche ouders voor hunne dochters eene vrije opvoeding wenschen, en beriep mij op de Gouvernements- en particuliere scholen, die daarvan zouden kunnen getuigen. Dat bovenstaande een feit is, weten we, èn zelf èn door kennissen en anderen; maar wij hebben geen vaste gegevens: cijfers, en die willen we ons verschaffen.
Dan maakte ik melding van een Europeesche school voor dochters van den adel in de Preanger (Manondjaja). Dit heugelijk bericht las ik in "de Echo", maar ik kan dat nummer niet weer vinden, wel een ander waarin staat, dat die Europeesche school voor _kinderen_ van den Inlandschen adel door de Regeering gesubsidieerd wordt. Daarnaar wil ik informeeren.
Vindt u 't ook niet beter zoo? De gevraagde toestemming om den brief te publiceeren, heeft u, doch wil u met de uitvoering daarvan nog wat wachten, tot ik nader bericht zal hebben gezonden?
Dat men mij persoonlijk hard vallen zal om hetgeen ik zeg van die instelling, zóó gemakkelijk voor den man, maar, o zoo wreed en hard voor de vrouw, is _niets_; daar ben ik wel op voorbereid, ik verwacht _niets_ anders. Wij houden slechts op _de zaak_, uitsluitend daarop, het oog gericht, en wat haar zou kunnen schaden, _moeten_ wij voorkomen, niet waar?
Intusschen het eerste buitje van verontwaardiging en spot, _spot_ vooral, is reeds over ons heengevaren, naar aanleiding van 't artikel van den heer Stoll in "de Locomotief". Maar 't liet ons koud: Wij doen zóó ons best om ons te verheffen boven alles wat klein is, kleinzieligheid, kleingeestigheid e.a.
De spot der menschen deert ons niet, werkelijk!--maar wat ons wèl verdriet deed en _heel erg_ ook, was, dat wij onze lieve Ouders zooveel leed moesten doen met ons trouw blijven aan ons ideaal! Maar wij konden en kunnen niet anders.
't Is wel te begrijpen, dat 't hun hard en zwaar valt, ons, hun kinderen, het dierbaarste wat hun op aarde is, af te staan aan een leven, dat wel aan een mooi doel is gewijd, maar dat _vol moeiten_ zal zijn, omdat dit nu eenmaal het lot aller baanbrekers is, op welk gebied en ten welken tijde ook. Goddank! Goddank! dat zij nu eindelijk in vrede ons hunne toestemming hebben gegeven, om ons leven te wijden aan de bereiking van ons ideaal.
Hoe dankbaar wij hiervoor zijn, kan ik u niet zeggen! Die toestemming heeft hun en ons zoo ontzettend veel strijd gekost; een heele geschiedenis van worstelen, hopen en wanhopen, strijd, moeite, lijden en smart ligt achter ons! Wij zijn o zoo dankbaar, dat wij in vrede van onze dierbaren zullen gaan; dat _hun zegen_ op ons streven rust en ons overal heen vergezellen zal, waar wij gaan in den dienst van het _Goede_. 't Zou ontzettend _hard_ zijn voor ons, om zonder dien onzen weg te gaan; 't zou voor immer eene schaduw op ons leven werpen; wij hebben onze ouders zoo zielslief, en wij _moeten_ dien weg gaan; wij zouden _nooit_ vrede met ons zelf hebben kunnen vinden, indien wij, toegevende aan onze kinderliefde, de krachtige roepstem in ons binnenste smoorden, die ons oproept tot arbeid en strijd, tot werken voor de Eeuwigheid!
Ik hoor Moeder nog zeggen: "Welnu kinderen, ik zal gelooven, dat dàt jullie _bestemming_ is, dat _God_ 't is, die jullie tot dat leven heeft _bestemd_". Er klonk zoo'n berusting en weemoed ook in haar stem; dat woord zal ons steeds bijblijven, ten steun en troost op ons pad. En Vader!
_Diep_ voelde ik zijn smart, en leed met hem.
O! Vader, mijn Vader, kreet mijne ziel, vergeef mij, vergeef uw kind ... zij kon niet anders.
Die strijd, voor ons het zwaarste, is achter ons. Hoe dankbaar wij zijn, kunt u zich voorstellen, vooral nu hun toestemming geen scheuring heeft gebracht tusschen onze lieven en ons, maar de band tusschen ons juist hechter maakt en nauwer toehaalt.
Dit is een genade Gods!
Wij staan nog voor het leven, maar ons is 't, of wij al een heel leven achter ons hebben, een leven vol innerlijken strijd en lijden. 't Zal boekdeelen vullen, u dat alles te vertellen, maar eens zal u het hooren, hetzij schriftelijk dan wel mondeling.
Als vriendin, _onze vriendin_, in den volsten zin, de mooiste beteekenis van 't woord, heeft u recht ons geheele leven te kennen, en dat zal u.
Nu ik terugblik op 't verleden, zie ik daar vooral Gods hand, en met groote dankbaarheid erken en gedenk ik, dat in de moeilijkste oogenblikken onze Vader ons niet heeft verlaten.
Wie zond ons te rechtertijd vrienden, toen wij, geheel alleen kampend en worstelend, dreigden onder te gaan in wanhoop? Wie voerde geheel vreemde menschen van hun verre woon hierheen, naar dat vergeten uithoekje, om moed en hoop weder te wekken in wanhopige harten?
Toeval!--néén, géén toeval, 't was een beschikking van God. 't Was God, onze Vader, die hen hier zond, om de jonge, worstelende zielen frissche kracht en moed te geven. Die ontmoeting was een keerpunt in ons leven. Tevoren weifelden wij nog, maar daarna waren we _vast_ besloten ons ideaal te bereiken, wat 't ons ook kosten moge.
't Leek vroeger zoo mysterieus; thans is 't klaar, helder,
God alleen kent 't wereldraadsel; Zijne hand bestuurt het Al; Hij is het, die wegen ver uiteen, bijeenvoegt ter vorming van nieuwe wegen.
Zoo voerde Hij den weg dier vrienden naar den onze, opdat wij gesterkt door eene ontmoeting, vereeniging met groote, sterke zielen, een nieuwen weg konden banen voor hen, die achter ons staan. Wij kenden elkaar heelemaal niet, en wij wisten niets van hen af. Daar ineens stonden wij voor elkander, en de zielen tot dusver elkaar vreemd, straalden dadelijk groote sympathie voor elkander uit. Enkele uren slechts bleven wij in elkaars gezelschap; toen wij scheidden, wisten wij, dat wij vrienden voor 't leven zouden zijn.
Het wonder was begonnen, en het zette zich voort! Eene maand na die ontmoeting gebeurde iets, dat wij nooit dachten, nooit droomden dat gebeuren zou. U weet, nietwaar, dat uitgaan voor Javaansche jonge meisjes géén _adat_ is, dat zij eigenlijk aldoor achter de muren of bamboezen wanden behooren te zitten, zoolang tot een onbekende "door God voor haar bestemden echtgenoot" haar komt opeischen en meevoeren naar zijne woning.
Zoo kort nog maar kennen wij de wereld of vrijheid, hoe u 't noemen wil, van met den stroom meê te vliegen over ijzeren banen.
Het nooit verwachte gebeurde: wij kwamen op Batavia bij onze nieuwe vrienden.
"'t Is of ik heel Java doorkruisen moet alléén om jullie te vinden, jullie zocht ik, jullie mòest ik vinden. En toen ik jullie gevonden had, was ik zóó voldaan".
Wij waren bestemd om elkaar te ontmoeten, zij, om grooten invloed te oefenen op ons leven.
Vóór hun komst zweefden wij reeds, doch 't was nog zoo duister om ons heen. Onbewust, zonder het te willen, hebben zij eene vaste richting gegeven aan ons nog onbestemd zweven. Daar moesten wij heen, dien weg op naar het Ideaal!
* * * * *
Over godsdienst hoop ik u een volgenden brief uitvoerig te schrijven. Heerlijk, dat u daarover met ons praten wil en wij met u vrijelijk er over mogen spreken. Laat ik u nu slechts dit zeggen ter geruststelling: U kan er zeker van zijn, dat wij steeds zullen blijven wat wij zijn. Vurig hopen we met u, dat 't ons gegeven moge zijn eens onzen godsdienstvorm beminnelijk te maken in de oogen van andersdenkenden.
Steeds hebben wij verstaan en begrepen, dat de _kern_ van alle godsdiensten is het _Goede_, dat alle godsdiensten goed en mooi zijn. Maar o! menschen, wat hebt gij daarvan gemaakt!
Godsdienst is bedoeld als zegen, om een band te vormen tusschen alle schepselen Gods, blank of bruin, van welken stand, sexe, geloof, allen zijn wij kinderen van één Vader, van één God!
Er is geen God dan God! zeggen wij Mohammedanen, en met ons alle geloovigen, monotheïsten; God is de Heer, de Schepper van het Al.
Kinderen van één Vader, broeders en zusters dus, moeten elkander liefhebben, d.i. helpen, steunen. Elkander helpen en steunen, liefhebben, dàt is de grondtoon van alle godsdiensten.
Och, werd 't maar verstaan en nageleefd, de godsdienst zou voor de menschheid zijn, wat zijne oorspronkelijke, goddelijke bedoeling is: een zegen!
Dàt had ons zoo in 't harnas gejaagd tegen den godsdienst, dat de belijders van de eene leer, die eener andere minachten, haten, ja vervolgen zelfs soms. Doch nu genoeg hierover.
Neen, helaas!--Hollandsch is de eenige Europeesche taal, die wij lezen, wat een _groot verdriet_ is voor ons. Dolgaarne willen wij de moderne talen leeren; 't is eene groote illusie van ons, om mooie werken van buitenlandsche schrijvers eens te kunnen genieten in 't oorspronkelijke. Er is hier geen gelegenheid geweest om talen te leeren. Nu zouden wij gaarne met het Fransch beginnen, waarin een vriendinnetje van ons, eene onderwijzeres, die uw echtgenoot hier ook ontmoette, ons gaarne helpen wil.
Zijn er geen Hollandsche vertalingen van Lessing's werk, 't welk u bedoelde, en van de levensbeschrijving van Pundita Ramabai? Van deze moedige Indische hebben wij meer gehoord. Ik ging naar school, toen ik voor 't eerst van die dappere hoorde. O! ik weet het nog zoo goed; ik was nog heel jong, een kind van 10 of 11 jaar, toen ik gloeiend van geestdrift in de krant van haar las. Ik beefde van opgewondenheid: dus niet alleen voor de blanke vrouw is 't mogelijk zich een zelfstandig bestaan te veroveren!--óók de bruine Indische vrouw kan zich vrij, onafhankelijk maken.
Dagen lang dacht ik aan haar, en nooit heb ik haar kunnen vergeten. Wat een _goed, moedig voorbeeld_ toch kan, vermag!--zóó ver gaat en werkt zijn invloed.
En nu uw zeer vereerend verzoek om onze medewerking voor uw Volks-kinderbibliotheek. Van ganscher harte ja: zusje en ik vinden 't heerlijk, een voorrecht, om met u te mogen meewerken, ergo u een genoegen te kunnen doen; wij hopen maar ten zeerste, dat wij het zullen kunnen. Wij zullen er ons best op doen, en als er niets tusschenbeide komt, hopen wij vóór het einde van dit jaar u onze kleine bijdrage voor uw mooi werk te kunnen aanbieden.[2]