Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk
Part 20
Met belangstelling las ik hetgeen ge mij van uw protegeetje schreeft en van de armen in 't algemeen in Holland. Ja, van die bittere ellende der armen, als 't winter is, hoor ik veel. Arme, arme stumperds! Ik correspondeer met een Friezinnetje; zij vertelde mij veel van de toestanden in Holland, vooral van de armen in Friesland. Zij heeft veel in den winter op den kouden grond gezeten bij arme menschen, die in krotjes op de hei wonen. Barre winter, geen werk, geen eten, geen vuur, geen kleeren, geen warm dek--en schreiende kinderen. Bitter hard is 't.
Zulke ellende kennen we hier niet, doch wacht, laat ik niet te hard spreken. In onze buurt wordt zoo bitter ellende geleden. Geen kou, ja, maar steenen en zand zijn tot dusver oneetbaar. Men ziet en hoort zooveel ellendigs.
Waar moet 't heen? Ge hebt zeker ook gehoord van de 500 weezen, die hunne ouders aan de cholera verloren hebben. Arme stumperds; zoo jong en reeds ouderloos; doch ze hebben of zullen het nu beter hebben, dan ze het bij hunne eigen ouders ooit hadden en zouden kunnen hebben. Voor hen wordt nu _gezorgd_, terwijl bij hun eigen ouders weinig of niets om hen bekommerd werd.
10 Juni 1902. (VIII.)
Nederlandsch is steeds mijn lievelingsvak geweest, en velen beweren, dat ik er goed thuis in ben; maar, ach, hemeltje! taalgevoel is nog lang geen taalkennis! Gelukkig, dat ik zoo innig, innig veel van de Nederlandsche taal houd. Ik kan dus begrijpen wat een straf 't is voor menschen, die geen gevoel voor die taal hebben en Nederlandsch moeten leeren.
Na taal vind ik aardrijkskunde verrukkelijk; ook mag ik graag rekenen; maar met geschiedenis sta ik nog steeds op gespannen voet. Niet dat ik niet van geschiedenis houd, ik vind haar juist hoogst interessant en zeer leerrijk; maar de vorm, waarin zij ons in de leerboeken voorgezet wordt, heeft weinig bekoring voor mij. In dat vak moet ik een leermeester hebben, die 't meest droge interessant voor mij weet te maken. Wat ik van geschiedenis verrukkelijk vind, is de oude geschiedenis; jammer, dat er maar zoo'n klein stukje in voorkomt. Dat zou ik dolgraag kennen, de geschiedenis der Egyptenaren, de oude Grieken en Romeinen.
Met innige belangstelling volgen wij alles, wat de couranten aangaande de tentoonstelling[1] vertellen. Hoe klopt ons 't harte en tintelen onze oogen, daar wij niets dan veel moois ervan lezen! U allen heeft wel wil van uw nobel werk, en wenschen wij u allen en vooral ons volk, te wiens bate dat werk is ondernomen, hartelijk geluk met het schitterend succes der tentoonstelling. Verrukkelijk vind ik 't, dat 't Japarasche houtsnijwerk zoo de aandacht trok.
He, wat zouden wij graag dat prachtige koperwerk willen zien, wij zagen zoo weinig nog maar, en dan nog wel niets bijzonders, op dat gebied.
Wat deed ons 't enthousiasme van 't Europeesch publiek voor den arbeid en de kunst van ons volk innig, innig goed! Wij zijn zoo gaarne trotsch op ons volk, zoo weinig gekend, en zooveel miskend!
* * * * *
Wij waren zoo kalm en gerust toen wij den heer Van Kol spraken; 't was of wij een ouden vertrouwden vriend voor ons hadden en vergaten geheel, dat hij was een wildvreemde. Hij was ook zoo eenvoudig, zoo vriendelijk, zoo vaderlijk voor ons; dàt was het, dat onze harten met vol vertrouwen voor hem deed ontsluiten. Hij maakte 't ons zoo gemakkelijk, en kwam ons zoo hartelijk tegemoet. Wij hoefden niet veel te zeggen; hij begreep ons dadelijk en zoo goed!
Voor 't eerst weer, na langen, langen tijd verstomd te zijn geweest, zong 't vogeltje in onze borst jubelend liederen.
Dat waren weelde-uren, die wij met hem samen doorbrachten.
Hoe u die zielsverrukking te beschrijven, wanneer wij in een ander volle sympathie vinden voor hetgeen in ons oog mooi is, vooral wanneer dat mooi een kind is van ons eigen diep denken en voelen!
Ik dacht weer aan zekere dagen in 't najaar van 1900. Hoe had mijn vogeltje toen ook gejubeld heerlijke, schoone liederen, van weelde, geluk en dankbaarheid! Er kunnen toch ontzaglijk mooie oogenblikken in 't leven zijn! En de herinnering aan zulk een oogenblik is een schat voor 't leven; zij is een licht in donkere dagen, is een lafenis voor de ziel, wanneer zij door melancholie bevangen wordt.
't Was toch zoo innig aardig van den heer Van Kol om hier te komen, die vermoeiende reis naar ons uithoekje te maken, ter wille van hem geheel vreemde menschen. Hij vaarde niet dadelijk met ons in hetzelfde schuitje, o neen![2]
* * * * *
We willen van onze leerlingen volstrekt geen halve Europeanen maken, of Europeesche Javanen. Met de vrije opvoeding beoogen wij, vóór alles om van de Javanen, èchte Javanen te maken, Javanen, _bezield_ met _liefde_ en _geestdrift_ voor hun land en volk, met een _open oog_ en _hart_ voor hunne schoonheden en--nooden! Wij willen ze geven 't mooie der Europeesche beschaving, niet om hun eigen mooi te verdringen of te vervangen, maar om 't te _veredelen_.
Door kruising van planten en dieren van verschillende soorten verkrijgt men veredelde plant- en diersoorten. Zal 't niet even zoo gaan met de zeden der volkeren? Wanneer het goede van het eene gemengd werd met dat van een ander, zou daaruit niet veredelde zede voortspruiten?
Nu 't antwoord, "waarom 't absoluut Holland moet zijn", eene vraag verleden door u gedaan.
R. omdat voor een van beide gekozen vakken zij slechts in Holland kan worden opgeleid.
En ik, wat heb ik aan te voeren? ik kan hier even goed klaar komen als in Holland. Zeer zeker, maar wanneer ik in Holland mijne opleiding ontving, zou ik niet beter berekend kunnen zijn voor mijne taak als onderwijzeres en opvoedster? Mijn gezichtskring zou verruimd worden, mijn geest verrijkt, en dit alles zou ongetwijfeld ten goede komen aan de vervulling van mijn taak.
Europa zal mij zooveel leeren en geven, dat mijn eigen land mij niet geven en leeren kan.
Behalve de gewone vakken van 't lager onderwijs en handwerken, zou ik o zoo graag op onze school (!!!) nog één vak onderwezen zien: de kennis van ons lichaam, zijn in- en uitwendigen bouw plus den dienst, die elk onderdeel van 't menschelijk organisme te verrichten heeft voor de instandhouding van 't leven en de gezondheid. Vele ongelukken waren niet gebeurd of dan tot een minimum teruggebracht, indien die nuttige kennis 't eigendom van velen ware! Om maar iets te noemen, onlangs werd een meisje door den tram overreden. Zij werd naar de kotta getransporteerd om onder geneeskundige behandeling te worden gesteld; zij kwam er aan als lijk; 't arme kind was gewoon doodgebloed, omdat noch de politie, noch 't trampersoneel, eenig verstand had van 't samenstel der aderen, evenmin van verbinden. Die kennis van gezondheidsleer, ziekenleer en verbandleer moeten tot onze opvoeding behooren, vind ik. Eens in zijn leven moèt de mensch, inzonderheid de vrouw, voor een ziekbed staan, van dierbaren, of van vreemden; ellendig is 't dan met onze handen verkeerd te staan, wat onvermijdelijk is, als men niets geen kennis bezit op dat gebied. Die ellende heb ik diep gevoeld, toen ik een mijner dierbaren doodziek zag liggen.
Die kennis wil ik mij verwerven en ze op onze school onderwijzen; dat kan ik in Holland gemakkelijk, waar alles bij de hand is.
En waarom, nog meer, wij een tijdelijk verblijf in Europa wenschelijk voor ons achten, 't is om er ons te zuiveren van hinderlijke invloeden onzer Inlandsche opvoeding, waaraan wij niet ontsnapt zijn, helaas!
Wildvreemde Europeanen, al was 't een bataljon, beweert zus R., te ontmoeten, vinden wij niets; voor één vreemden Javaan kruipen we schuw in onze schulp.
Zoo is 't met meer dingen.
Wij willen ons geheel losmaken van de knellende banden onzer ingewortelde gebruiken, aan welker invloed wij niet hebben kunnen ontkomen; alle vooroordeel, dat ons nog aankleeft en remmend werkt, van ons afwerpen, opdat onze geest frisch en vrij, des te breeder zijn vleugels zou kunnen uitslaan, dat ten goede moet en zal komen van 't werk, dat wij willen ondernemen.
Daarvoor moeten wij in een geheel andere omgeving komen, in een ander land, met heel andere zeden, gebruiken, gewoonten en toestanden. Wij verwachten van Europa, dat het ons beter zal voorbereiden, toerusten voor 't werk, dat wij willen verrichten; dat 't ons stalen, ompantseren zal, voor menige giftige pijl, die zeker vele landgenooten op ons zullen afschieten, omdat wij anders durven zijn dan zij.
Europa zal ons leeren inderdaad _vrij zijn_!
Heb ik 't "waarom" goed uitgelegd? Ik hoop, dat u mij begrepen heeft.
En--kunt u met me medegaan?
Er is nog meer, waarom wij een tijdelijk verblijf in Europa voor ons wenschen, doch bovenstaande is u, hoop ik, genoeg.
[1] Deze tentoonstelling werd te Batavia gehouden om de aandacht te vestigen op de Inlandsche kunstnijverheid en kunst, welker bestaan door de meesten ontkend werd.
[2] Het hier volgend overzicht van het gesprek is reeds opgenomen op blz. 193 e.v.
17 Juni 1902. (V.)
'k Las zoo pas in de krant, dat eenige Chineesche meisjes het verzoek gedaan hadden, mede aan 't onderwijzeresexamen te mogen deelnemen! Hoera!, voor den vooruitgang! Ik was er toch zoo in mijn hum over! De Chineezen zijn heel streng, wat betreft de handhaving der oude tradities; nu zien wij maar, dat de strengste en oudste traditie toch verbreekbaar is! Dat geeft mij moed en hoop!
Wat verlang ik die dappere Chineezinnetjes te kennen! Ik zou zoo gaarne hare gedachten, ideeën, en gevoelens willen kennen, haar "ziel"!
Ik heb steeds verlangd naar een Chineesch vriendinnetje! Ik zou zoo graag het zieleleven van zoo'n Chineezinnetje willen kennen! Veel poëzie zal er zeker in zijn! Hebt ge wel eens een Chineesche bruiloft bijgewoond?
Ik eens, en zal dat zeker nooit vergeten! Ook de Chineezen gedenken in vreugde en droefheid hunne afgestorvenen.
Op Semarang heeft een Chineesche millionnair een prachtigen Chineeschen tuin aangelegd. Hij ligt op een heuvel, en is o, zoo mooi! Kunstmatige rotsen, grotten, heuveltjes, begroeid met varens, bloemen en miniatuur-vruchtboompjes worden afgewisseld door parkjes en slingerpaadjes.
Er staat een mooie koepel te midden van een veelhoekigen vijver, waarin goerami's en goudvisschen rondzwemmen; er naast staat een heuvel, waarin een grot is, met een badkamertje; door een wenteltrap, die door die grot loopt, komt men boven op 't heuveltje, waarop twee miniatuur-tempeltjes staan, vruchtboompjes en allerhande bloemen groeien en bloeien. 't Is een werkelijkheid geworden sprookje; alleen de kaboutermannetjes en zilverschitterende elfjes moeten nog uit de rotsspleten en holen te voorschijn komen om de sproke te volmaken.
De gedachte is één _poëzie_ en de uitvoering _kunst_! Maar wáár is de _kunst_ zonder _poëzie_? Al wat goed, wat hoog, wat heilig is, in één woord al wat _schoon_ is in 't leven, is poëzie!
Wij hebben den Chinees gezien, die dat moois schiep. Een doodgewone, sjofele baba! Beelden van pleisterwerk, menschen-draken, tijgers, staan op 't gras verspreid, die ook waren de scheppingen van dien Chinees.
't Is jammer, dat men op de poort, die toegang verleent tot dien sprookjestuin, twee beelden van Europeesche afkomst heeft geplaatst; dat verstoort de harmonie.
Zijt ge ook op Batavia geweest, om de Tentoonstelling te zien? Ja, zeker! En wat zegt gij nu wel van 't bruine ras? Wat zegt ge van zijne kunstuiting?
O! ik ben zoo gaarne trotsch op mijn volk. Het kan toch wèl wat! Maar gij, Hollanders moet hen leiden! En dat wilt gij, niet waar?
Wij zijn met kinderen te vergelijken, en gij zijt onze beschermers. Aan u om ons te leiden, te vormen tot mannen en vrouwen!
Ik geloof, dat gij géén ondankbare pupillen en leerlingen zult hebben!
21 Juni 1902. (VI.)[1]
Raden Adjeng Kartini, dochter van Raden Mas Adipati Ario Sosroningrat, Regent van Japara, 23 jaar oud, geboren op Majong, Afdeeling Japara, op 21 April 1879, zou gaarne voor het _onderwijs_ (_hulp_-en _hoofdacte_) willen opgeleid worden, en die opleiding in _Nederland_ ontvangen. Dit laatste, eerstens om den blik te verruimen, den geesteshorizont te verwijden, vooroordeelen, die haar nog aankleven en belemmerend werken, af te werpen, verschillende inrichtingen van onderwijs en opvoeding aldaar te bezoeken om zich op de hoogte te stellen van de wijze van opvoeding en onderwijs in Nederland; dit alles ten einde des te beter de taak te kunnen vervullen, die zij zoo gaarne op zich wilde nemen.
Tweedens, om er cursussen in gezondheidsleer, zieken- en verbandleer, zoomede eerste hulp bij ongelukken, te volgen, ten einde deze hoogst nuttige en noodige kennis aan de Javaansche vrouwen te kunnen leeren.
Het hoofddoel is: het mooie der Nederlandsche beschaving te geven aan ons volk, ten einde zijne zeden te veredelen; dàt volk te brengen tot hooger zedelijk standpunt, als middel om tot betere, gelukkiger maatschappelijke toestanden te komen. Het middel, dat wij daartoe wenschten aan te wenden is: oprichting van scholen voor Javaansche meisjes. Voorloopig als proef en voorbeeld, een school, _internaat_, voor dochters van Inlandsche hoofden; het doel hiermee beoogd is: Java beschaafde, ontwikkelde moeders te geven, die hare beschaving en ontwikkeling op hare kinderen zullen voortplanten; hare dochters, die weder moeders zullen zijn; haar zoons, die eenmaal geroepen zullen zijn, mede te waken over het wel en wee van 't volk!
Zoo zullen dan de moeders een groote factor zijn tot het krachtig verbreiden der Nederlandsche beschaving onder het Javaansche volk.
Mijn verzoek is, of de Regeering genegen is, mij haar steun te verleenen om bovenstaande ideeën tot werkelijkheid te brengen; nu, om de kosten der geheele opleiding (overtocht heen en terug, studie, verblijf, etc.) op zich te nemen; en later bij de beëindiging mijner studiën, mij in staat te stellen een internaat te openen voor dochters van Inlandsche hoofden.
Gaarne zouden wij willen vernemen, wat wij in deze te doen hebben. Moet er een verzoekschrift worden ingediend? Heerlijk zou 't zijn, als dat niet hoefde; maar zoo 't moet, wie moet 't doen. Vader of wij? En aan wie? den Gouverneur-Generaal of de Tweede Kamer? U dragen wij met vol vertrouwen onze belangen op. Wij weten, wij _voelen_ het, dat onze zaak in u een grooten steun en warmen verdediger heeft gevonden; dat u er alles voor zal doen, wat u kan, om haar tot een goed einde te brengen; en dat zoo u ons een weg aanwijst, die de beste zal zijn, welken wij te volgen hebben, omdat het ook _uw doel, uw illusie_ is: het volk van Java gelukkig te maken!
Van _onze ouders_ hebben wij de _toestemming_ gekregen om ons leven te wijden aan de verwezenlijking onzer ideeën voor ons volk. Gemakkelijk was 't hun niet afgegaan ons die te geven; 't viel hun hard en zwaar ons, hun kinderen, 't dierbaarste wat hun op aarde is, af te staan aan een leven, dat wèl aan 't Schoone is gewijd, maar dat vòl moeiten zal zijn, omdat dàt nu eenmaal het lot is aller baanbrekers, op welk gebied en ten welken tijde ook.
Maar toen zij zagen, hoe ernstig en oprecht ons willen is, hoe _ons geluk_ samengeweven is met _ons ideaal_, toen weigerden zij niet langer, en spraken dat woord uit, dat aan ons leven en streven hoogere beteekenis gaf.
Door _onze beminde Ouders_ zijn we gewijd aan het heil van ons volk!--_hun zegen_ rust op ons streven!
't Zou ontzettend hard voor ons zijn, ons leven breken, indien wij zònder dàt moesten doen; wij hebben onze Ouders zoo zielslief! Maar wij zouden nooit vrede met ons zelf hebben kunnen vinden, indien wij, toegevende aan onze kinderliefde, die krachtige roepstem in ons binnenste smoorden, die ons oproept tot arbeid en strijd, tot werken voor de Gemeenschap, voor het eeuwige doel van het Leven, dat Volmaking heet!
Daarom zijn we onze Ouders zoo innig dankbaar, dat zij ons hunne toestemming gaven.
[1] Deze brief aan den Heer Van Kol houdt in de formuleering van hetgeen de schrijfster zich voor oogen stelde.
12 Juli 1902. (II.)
Vader en Moeder hebben _beiden hunne volle toestemming_ gegeven.
Wij hadden stormen verwacht, bliksemschichten en donderslagen. O! ik kan er mij nog niet goed indenken! Dat Vader zou toestaan, dàt konden wij verwachten; maar dat Mama er zich bij neerleggen zou, dat hadden wij nièt durven droomen! Wij zijn _niet_ van elkaar vervreemd, nu het tot een verklaring is gekomen tusschen Mama en ons; o God, wie had 't gedroomd, dat wij elkaar juist er door nader zouden komen!
Eindelijk kwam 't tot eene verklaring. Waar ik die kalmte van daan haalde, toen Mama met ons sprak, vanwaar dat kalme, bedaarde betoog, ik weet het niet. Ik had niet eerst overdacht wàt ik zeggen zou; ik kòn niet denken, ik had te veel aan 't hoofd. Maar toen 't op spreken aankwam, kwamen de juiste woorden me als van zelf over de lippen. Wie had het gedaan, mij die woorden in den mond gelegd? wie? wie?
Er is een Macht, hooger, grooter, dan al de aardsche tezamen. Goede geesten hadden ons stellig omzweefd en ons die woorden in den mond gelegd, toen wij daar opkwamen voor ons geweten, onze ideeën, ons ideaal! Nog hoor ik Mama diepbedroefd zeggen: O, kind, waarom heb je mij niet vertrouwd? Wij hebben _schuld beleden_ en _alles_ Mama verteld. Arme, lieve Moeder! wij zijn niet waard, om die lieve, trouwe ziel de voeten te kussen.
Kon ik u maar zeggen, wat Mama voor ons is geweest al die lange jaren; wat zij nu nòg is voor ons. Nu eerst beseffen wij ten volle, wat een schuld wij aan haar hebben, eene wereld vol liefde en dankbaarheid! 't Stemt ons zóó dankbaar, dat wij in vrede van Mama zullen gaan, in den dienst van 't Goede, dat Mama nu _kent_ en _erkent_. Wij zijn thans niet meer uitgelaten in onze vreugde, als vroeger, ja, als kort geleden nog; wij zijn nu stil, innig dankbaar!
En nu Vader; ik had mij op 't ergste voorbereid, toen ik naar hem ging, om zijne toestemming te vragen. O! waar ik die kalmte, die bedaardheid vandaan had, toen ik sprak, ik weet het niet! Mijzelf klonk mijne kalme, bedaarde stem vreemd in de ooren; ik, buskruit, nu zóó kalm en bedaard! Ik was onbewogen, maar toen dàt woord was uitgesproken, waarom ik kwam, en ik zag hoèveel dàt mijn lieven Vader kostte, smolt weg de ijskorst van mijn hart. O! zoo graag had ik mijn armen om hem heen geslagen, hem woorden van troost gezegd, maar mijne spieren en mijne stem weigerden nog hun dienst. Ik zat voor hem op den grond en keek hem aan, aldoor, aldoor, met een nevel voor mijne oogen! Diep voelde ik zijn smart, ik leed met hem. O! ik zou hem wel alles weer willen teruggeven!
In mijn hart rees de bede op: "Vader, vergeef me! O! mijn Vader, vergeef uw kind, zij kòn niet anders!"
't Was den _21sten Juni_; ik koos juist _dien_ dag, _uw_ geboortedag, voor dien zwaren gang naar Vader, omdat ik U, mijn Moedertje, bij me wilde hebben in deze moeilijke oogenblikken. Goede geesten omzweefden me; mijn Hemelsche Vader stond mij bij in mijn strijd tegen mijn aardschen. Toen ik weer alleen was na dien, en had wat ik wenschte, was er géén jubel in mijn hart. 't was vol van medelijden, meevoelen met het leed van mijn dierbaren beminde. Hèm waren mijne tranen gewijd, niet der vreugde of den dank. Uit 't diepst mijner ziel steeg de bede op: "O! mogen uit 't groote offer mijner Ouders bloemen bloeien en vruchten groeien voor ons land en volk!"
Nog dienzelfden dag, _21 Juni_, schreven wij den heer Van Kol naar Batavia, op zijn verzoek. Die brieven bevatten eene opgave onzer namen, leeftijd, ideeën en verlangen.
Wat wij behoefden was slechts de _vaderlijke toestemming_, zonder deze konden zij niets voor ons doen.
Nu is dit beletsel weggevallen; de rotsblok, die onzen weg versperde is weggekanteld. Nu staan we voor een tweede, d.i. 't financieele. Onze Ouders kunnen onmogelijk onze opleiding bekostigen en dat willen wij ook volstrekt niet van hen vergen.
Eergisteren kreeg ik een langen en zeer ernstigen brief van mevrouw Van Kol. Als ik hem niet nog noodig had, of het niet te veel gevergd zou zijn van mijn abnormale vingers, hem over te schrijven, dan had ik hem o zoo naar u gestuurd om hem met u te bespreken. Nu zal ik me maar bepalen tot het aanvoeren van enkele punten daarin: de globale indruk, dien we ervan kregen, is, dat wij er zoo dankbaar voor zijn! Zij heeft ons meer gegeven dan zedelijken steun; zij heeft ons iets van haar zelf gegeven, iets heel innigs, dat leeft in haar hart en hare ziel!
Er is een Licht tot ons doorgedrongen, een hoog, heilig Licht. 't Is of wij eene wijding hebben ontvangen! Wij hebben géén angst, géén vrees meer; wij zijn _gerust_, wij _vertrouwen_, wij _geloven_! O! wat zijn we nog laag, o zoo laag bij den grond! O! dat wij 't eens zoover brengen mogen, dat _wij niet meer onszelven leven, maar den geest in ons_. Geen jubelend, opbruisend geluk vervult ons, maar stille, dankbare vreugde! O! God, wij zijn zoo dankbaar, zoo dankbaar, dat wij _gevonden_ hebben; door véél twijfel, ongeloof en materie zijn wij er gekomen. Ik kan u ons beider zieletoestand niet beschrijven, die laat zich niet beschrijven; dien moet men _voelen_.
Wat ik u wel kan zeggen is, dat wij er zoo dankbaar gelukkig meê zijn, dat ons leven er mooier door is geworden, en ons streven een hoogere betekenis heeft gekregen.
Wij hebben zooveel, zooveel nagedacht in den laatsten tijd. Wij zochten zoo ver, zoo ver het Licht, en 't was zóó nabij, steeds bij ons, _het is in ons_!
Wij voelen ons nu zooveel sterker, en zien de dingen onder een heel ander licht. 't Was al lang aan 't werken en groeien in onze ziel, wij wisten 't niet; en Mevrouw Van Kol heeft 't gordijn voor onze oogen weggeschoven. O! daar zijn we haar zoo innig dankbaar voor, dankbaarder nog dan voor al 't andere, dat zij voor ons deed en doen zal.
Vóór ik haar brief ontving, vroeg Ma me: "Wie heeft jou op die ideeën gebracht?" en toen reeds antwoordde ik: "God heeft ze ons ingegeven".
Natuurlijk dat Ma gepoogd had ons terug te houden van ons voornemen, maar toen zij zag, dat wij ons niet lieten weerhouden, zeide zij met berusting: "Welnu kinderen, ik zal denken en gelooven, dat dàt jullie _bestemming_ is; dat _God_ jullie tot dat leven heeft _bestemd_."
Mevrouw Van Kol schreef ons: "Er zijn dingen, waarvoor we de menschen en hun steun noodig hebben, maar er zijn nog veel meer dingen, waarin wij God alléén kunnen gebruiken. Hij is 't, die, iemand tot een taak geroepen hebbend, hem daartoe de _innerlijke_ kracht en volharding geeft. Geloof mij, 't is de taal der innerlijke ervaring. U staat nog vóór 't leven en vóór uwe taak. Als u er eenmaal midden in zijt, zult u ervaren: "dan pas zijn wij vrij en sterk en de rechte menschenvrienden en helpers, als wij onzen steun niet uitsluitend of in de eerste plaats zoeken bij de menschen, maar bij _ons zelf_ en bij _Vader--God_. Het stoffelijke moet er óók zijn, u _moet_ geholpen worden, hoe dan ook. Niet iederen dag bieden zich op de groote levensmarkt zulke frissche en reine krachten aan voor zulk goed werk. Die moeten aangenomen, en in goeden zin geexploiteerd worden. Als de Regeering niet helpt, dan moet de Vereeniging "Oost en West" het doen".
_Ongevraagd_ zeide "Oost en West" ons hare hulp en medewerking toe. Mevrouw Van Kol zond ons de krant, waarin dit stond. De reisbeschrijving van den heer Stoll was er in opgenomen, en aan 't slot, waarin de schrijver 't over ons had, schreef "Oost en West": "Wij vertrouwen, dat de heer Van Kol, die van de oprichting af, lid is van "Oost en West", niet vergeten zal hebben haar te zeggen, dat zij bij haar edel streven ook ten volle rekenen kan op de hulp en steun onzer vereeniging."
Mevrouw Van Kol heeft naar aanleiding van het stukje, een paar woordjes ingezonden, waarin zij vertelde, hoe zij over ons dacht, naar aanleiding van onzen brief, zóó voor ons den weg banend tot 't hart van 't Javanenlievend publiek dat "Oost en West" leest.
Zij vroeg me de toestemming mijn brief in zijn geheel te mogen publiceeren in dat blad.