Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk

Part 19

Chapter 194,098 wordsPublic domain

In April zijn wij op reis geweest; wij hebben zusje eens opgezocht. Wij vertrokken van huis niet met het minste idéé haar weer te zien, we moesten naar eene zuster, die ziek lag (onze oudste). Daar kregen wij van zusje een brief met eene roerende bede om toch door te gaan naar Pemalang. Den volgenden morgen dadelijk spoorden wij naar haar toe. Hoe je dat weerzien te beschrijven? Het was eenvoudig _zalig_! We deden in de eerste oogenblikken niets anders dan elkaar aanzien, toelachen en vasthouden. En wat stemde mij dat dankbaar, haar zoo gezond te zien. Zoo frisch en bloeiend zag zij er nooit te voren uit! Zij had _rozen_ op de wangen. Vooral stemde mij tot dankbaarheid te zien, hoe haar man _haar eert_ en _waardeert_.

Ik heb met _groot_ genoegen nader met mijnen nieuwen broer kennis gemaakt. Het is een goedhartige en hartelijke man, met veel goede eigenschappen. Hij is zeer oprecht, rechtvaardig, trouw, en heeft een medelijdend hart. Zij is zijn kameraad, zijn raadgeefster, zijn vriendin en de _moeder_ zijner drie kinderen die aan haar gehecht zijn als aan een eigen moeder.

De kinderen volgen haar overal op den voet, als kleine trouwe hondjes. Het oudste kind, een jongen van 7, is bij de grootouders in huis; zus had hem dolgraag bij zich genomen, en het kind, dat met haar dweept, wil niets liever, maar de grootouders staan haar hem niet af. De twee anderen zijn meisjes van 6 en 4; die gaat zij nu thuis les geven, mijn a.s. _leerlingetjes_, Stella! Hij laat de opvoeding zijner kinderen geheel aan haar over, en natuurlijk dat zusje haar dochtertjes in _onzen geest_ zal opvoeden. Zus heeft haar meisjesdroom niet kunnen verwezenlijken, zooals zij zich dien gedroomd had, maar is de taak, die zij op zich genomen heeft daarom minder schoon? nog kan zij een rijken zegen om zich heen verspreiden.

Onze wegen loopen uiteen, maar beiden beoogen wij hetzelfde Ideaal! wat komt het er op aan, nietwaar, welken weg je gaat, als hij maar goed is en naar 't hooge doel leidt?

* * * * *

Ik verlang met hart en ziel naar Holland om zoovele redenen; ten eerste, omdat ik mij daar beter zou kunnen voorbereiden voor de taak, die ik zoo graag op mij wil nemen; ten tweede, ik wil Europeesche lucht inademen om de restantjes vooroordeel, die mij nog aankleven, geheel er uit te krijgen; veel is 't niet, maar het werkt toch _remmend_. Holland moet en zal van mij in waarheid maken eene _vrije_ vrouw. Jullie lucht, jullie kou, moet alle vooroordeelen die mij nog aankleven van mij losmaken; eerst dan zal ik in waarheid _vrij_ zijn!

Om maar een voorbeeld te noemen, ik, die 't niets zou vinden om mij te bewegen in eene zaal enkel met heeren (Europeanen) gevuld, zou geen raad weten, indien ik ook maar één vreemden Javaan, standgenoot en ongetrouwd, moest ontvangen. Vind 't belachelijk, bespottelijk, idioot, maar waar is 't; ik durf gewoon niet vreemde mannen, zonder geleide, voorbij loopen; en al had ik gezelschap, dàn nòg zou ik 't vervelend vinden, en niet op mijn gemak zijn!

Zoo zie je, ondanks mijn sterken vrijheidszin heb ik niet kunnen ontkomen aan _dien_ invloed mijner Inlandsche opvoeding, die meisjes streng van vreemde mannen afgezonderd houdt. Als je steeds voorgehouden wordt, dat 't niet welvoegelijk is om als jong meisje je aan vreemde mannenoogen te vertoonen, en je mannen steeds uit den weg moet blijven, dan moet je 't op 't laatst wel benauwend vinden om die wezens te ontmoeten. Dit mag zoo niet blijven; dat vooroordeel _moet_ verdwijnen. Hoe zouden wij anders met de mannen kunnen samenwerken? Dit is een groote illusie van ons.

En alleen de Europeesche lucht zal mij geheel kunnen zuiveren van die invloeden mijner Inlandsche opvoeding; jouw land, Stella, zal mij die vooroordeelen doen afwerpen, die nu zoo remmend werken.

Lach mij gerust uit om die dwaasheid. Maar jouw land, zal mij vrij, _inderdaad vrij_ maken!

19 April kwamen wij van ons reisje terug. Vader reisde ons eenige stations tegemoet en verwelkomde ons met een lang diensttelegram van den Resident, het heugelijk nieuws meldende, dat de heer Van Kol den volgenden dag op Japara komen zou. Dat was een verrukkelijke welkomstgroet en nog meer vond ik thuis, n.l. je brief. Al de bestuursambtenaren langs de geheele lijn kregen van den Resident order om den reiziger op te wachten. De reis van Semarang naar Japara werd aldoor aan studie gewijd. Wat een zeldzaam werkzame en krachtige geest! Niets ontsnapt zijn aandacht. Zien, hooren, opnemen en verwerken is één bij hem. Zondagmiddag omstreeks 3 uur kwamen de reizigers aan: Van Kol, een journalist, die hem tot tolk en gids diende, en Vader, die hem op de grens opwachtte. Ze hadden onderweg een ongeluk gehad; 't rijtuig brak zijn vooras en de reis werd in hotsende karretjes voortgezet. Benijdenswaardige man! Hij kan overal rust vinden, als hij die noodig heeft; in een hotsend karretje slaapt hij even heerlijk als op 't zachtste veerenbed.

Van Kol had zich vast voorgenomen om nergens anders dan in hotels te logeeren; overal wees hij de hem aangeboden gastvrijheid van de hand. Ook hier kwam hij aan met het voornemen in 't hotel af te stappen, maar na de kennismaking nam hij wèl het hem door ons aangeboden logies aan. Later hoorden wij, dat wij 't waren, die hem ontrouw hadden gemaakt aan zijn beginsel. Hij vond hier zooveel stof tot leering en onderzoek; hij kon nagaan, welken invloed eene Europeesche opvoeding op meisjes der aristocratie heeft en die gelegenheid wilde hij niet ongebruikt laten voorbijgaan. Gelukkig, dat wij dit eerst later te hooren kregen; de weet, dat wij de voorwerpen zijner studiën waren, zou ons beklemmen en misschien verhinderen natuurlijk te zijn.

Aan tafel dien middag spraken we bijna aldoor over zijne vrouw en kinderen. 't Was heerlijk om te hooren, hoe die man zijne vrouw eert. Hij is ook door correspondentie aan haar gekomen, een aanrakingspunt meer, Stella. Hij correspondeerde met haar naar aanleiding van haar letterkundigen arbeid. Door een toeval is zij tot de ontdekking gekomen van hare heerlijke Godsgave, haar prachtig schrijfsterstalent! Zij was destijds gouvernante, en maakte met vrienden een uitstapje naar een villa tegen de helling van den Pinanggoengan (naar die villa heet hun villa in Prinsenhage "Lali djiwa", zielerust); een van hen moest eene beschrijving van die reis maken en 't lot zou den schrijver(ster) aanwijzen. En 't viel op haar. Zij zond die beschrijving op, en de redacteur vroeg naar meer pennevruchten.

Van Kol is op alle plaatsen geweest, waar hij vroeger gewerkt en gewoond had; en de kinderen, die vroeger met zijn dochtertje speelden, vond hij als moeder terug; hij kende ze alle nog bij hare namen.

Vier dagen had hij voor midden-Java, en van die vier gaf hij ons één. Stella, zóó gelukkig, als dien dag en dien avond met den heer Van Kol, hebben wij ons in lang niet gevoeld. Oh! was kleintje er maar bij geweest, wat zou dat kleine ding er van genoten hebben! En jij, Stella, wat zou jij er van "smullen", maar jij was _er bij_, jou had ik aldoor in de gedachten, toen ik daar naast Van Kol zat, stond. Stella, Stella, Stella, tikte aldoor mijn hart. Dat alles was _jouw_ werk, lieveling, dat Van Kol daar in ons midden zat, we met elkaar uitwisseling en wrijving van gedachten hielden en, 't heerlijkst van al, hij den weg voor ons effenen zal! Hoe dank ik je, Stella. Daar zaten we dan op 't voorste gedeelte der pendopo, onze gasten, onze ouders, Annie Glaser, Roekmini en ik. Tevoren lieten wij hem voortbrengselen zien van den artistieken arbeid van ons volk, die zeer zijne bewondering gaande maakten en waarover hij aanteekeningen maakte. Eenigen van 't gezelschap verwijderden zich, de stoel naast Van Kol kwam open, en daar nestelde ik mij in.

Daar begon hij: U heeft plannen om naar Holland te gaan? Melchers vertelde het mij.

Op mijn toestemmend antwoord ging hij voort: "Maar 't is voor u later zoo moeilijk om terug te keeren. In dien terugkeer zit de grootste moeilijkheid.

"Hoe bedoelt u dat?"

Hij vroeg openhartig te mogen zijn en vrijuit zijne gedachten uit te spreken. Toen ik zei, dat ik niets anders van hem verwachtte, sprak hij: "'t Is voor u zoo moeilijk, als u later trouwt. Als u in Holland is geweest, zal u niet meer gelukkig kunnen zijn, als u de vrouw wordt van een Inlandsch hoofd."

Hij haalde voorbeelden aan van zeer ontwikkelde Indische meisjes, hun vriendinnen, die met Hollanders zijn getrouwd. Zij houden hartelijk veel van elkaar, maar de Indische kan niet aarden in 't Hollandsche, en de Hollander kan zich niet voegen naar 't Indische leven; zoo is er eene voortdurende spanning tusschen de echtgenooten.

Hoe vindt je 't, dat ik kalm hem eerst zijn idee geheel ontvouwen liet, voor ik met 't mijne voor den dag kwam. "Mijnheer Van Kol, mijne bedoeling van dat naar Holland gaan, is om er te studeeren, voor een vak opgeleid te worden, en wel speciaal voor 't onderwijs, om wanneer ik weer in Indië terug ben, een internaat te openen voor dochters van Inlandsche hoofden, aan wier opvoeding ik mij wensch te wijden."

Verrast keek hij me aan; er lichtte een blijde glans in de blauwe oogen, die op me gericht waren, en als tot zichzelf sprak hij: "Dat is heel mooi, dat is een mooi idee, een edel doel!" en dan tot mij: "Vindt u 't niet heerlijk om een doel te hebben, een _levensdoel_? Er klonk zoo'n geestdrift in zijn stem, 't blonk in zijne schitterende oogen! En ik voelde mijn hart zoo warm worden, onbewust prevelden mijne lippen een woord, een naam: "Stella".

Stella, kon ik je toen naast me tooveren, even, even maar, de aarde zou te klein zijn geweest voor mijn geluk. Dàt was geluk, dat oogenblik, waarop ik mij zóó _goed begrepen_ zag in mijne bedoelingen; mijne ideeën waardeering vonden bij een superieur man als Van Kol. Dat gevoel moeten de moeders zeker ook hebben, als zij hare kinderen begrepen en gewaardeerd zien. Hij maakte 't mij zoo gemakkelijk; ik hoefde niet veel te zeggen; hij begreep mij dadelijk en zoo _goed_.

Hij vroeg mij, of ik daarover ook met Mevrouw Rooseboom gesproken had. Neen, ik was er niet toe in de gelegenheid geweest; beide keeren, dat wij haar ontmoetten, was 't in een groot gezelschap, op een bal en op een diner. Zij schenen op 't Paleis over ons gesproken te hebben, althans de heer Van Kol vertelde mij dadelijk bij zijne komst, dat de Gouverneur-Generaal hem medegedeeld had, dat Z.Exc. ons drieën kende.

't Is zoo innig jammer dat ik niet naar Buitenzorg kon gaan, om Mevrouw Rooseboom te spreken. In een gesprek kan je zooveel beter uitdrukken, wat je denkt en wil. Daar net kreeg ik eene uitnoodiging van eene dame, om bij haar op Buitenzorg te komen logeeren; zij komt veel bij Mevrouw Rooseboom.

Annie Glaser gaat in de vacantie, d.i. de volgende maand, naar Batavia en Buitenzorg; zij zal voor ons gaan naar de familie A. om haar alles te vertellen, wat wij op 't hart hebben, ook naar die familie in Buitenzorg. Kon ik maar met haar mee.

Wat wij te doen hebben, een rekest indienen of iets dergelijks, zal de Heer Van Kol ons schrijven van uit Batavia, waar hij een brief van ons vinden zal, als hij er over een maand weer is, hem onze namen en leeftijd meldend, en in 't kort nog eens, wat wij willen.

En opdat in Holland hij dadelijk aan ons herinnerd zal worden, heb ik op zijn herhaald verzoek zijne vrouw geschreven, wat ik dolgraag deed!

Ook R.'s plan om naar de academie te gaan, juichte hij toe; en ook, dat zij naar de huishoudschool wil over gaan, indien 't blijkt, dat zij niet genoeg talent bezit om 't ooit ver in de kunst te kunnen brengen. Hij deelde onze meening, dat zij daarmee ons volk ook van groot nut zal kunnen zijn. Hij zou 't echter aardig voor haar vinden, als zij eerst een paar maanden naar de academie ging voor zij er toe overging de cursussen in huishoudkunde te volgen. Hij vond 't zoo aardig, dat wij tweeën samen zullen werken en elkander aanvullen. "Ik vind 't zoo mooi van u beiden", betuigde hij telkens, "dat u zoo iets wil en gaat ondernemen".

Ook over 't idee om op alle scholen gezondheidsleer en aanverwante vakken te onderwijzen, heb ik gesproken, en ik deelde hem mede, dat ik gaarne een cursus in die vakken, als gezondheidsleer, verbandleer, ziekenverpleging wilde volgen, om die kennis later in onze school te onderwijzen. Hij vond dat heel mooi. "In Indië kunt u dat niet, of dan heel, heel moeilijk; in Europa is 't heel gemakkelijk; u heeft alles bij de hand, en u zal in een paar jaar tijds klaar komen. U spreekt, schrijft en leest toch gemakkelijk Hollandsch". Slotsom is: "Wij moeten naar Holland gaan"."Met die plannen moèt u wel naar Europa gaan, hier kunt u ze niet in verwezenlijking brengen. Ik zou 't vreeselijk jammer vinden, als u uwe ideeën niet kon verwezenlijken". Ik vertelde hem ook waaròm nog meer wij een tijdelijk verblijf in Europa voor ons wenschen. Hij deelde onze gevoelens daarover. Ook was hij 't eens met ons, dat ons voorbeeld meer tot navolgen zal dwingen en onze ideeën meer verbreid zullen worden, als wij onder bescherming der Regeering staan, werken. Het Javaansche volk, dat te vergelijken is met een groot kind, houdt van glans en schittering. Waar de machtige Regeering zich mee bemoeit, daar heeft het respect voor.

Toen ik den Heer Van Kol onze ideeën ontvouwde, vroeg hij me hoe ik daarop was gekomen. Hoe belangstellend volgde hij alles, wat ik voordroeg. "Schrijft u mijne vrouw?" vroeg hij er telkens door.

Wij spraken over de opvoeding (als je dat tenminste zoo noemen mag) voor dochters van den adel. Van Kol kende regentsvrouwen en wist van haar eentonig leven.

't Werd tijd dat er aan de opvoeding der Javaansche meisjes wat gedaan werd. Hij is de laatste man, tegen wien ik een betoog moet houden over de beteekenis der vrouw in de maatschappij. Hoe vol liefde, eerbied, vereering en waardeering sprak hij van zijne hoog en rijkbegaafde vrouw, zijne leidster en raadgeefster!

Die _groote_ man, zich zoo klein makend voor zijne _vrouw_, klein van gestalte, maar o zoo groot van hart en geest; 't ontroerde mij!

Ik was zoo zacht gestemd in zijn gezelschap. Wat zal 't mij oneindig goed doen, als Fortuna mij later in "Lali Djiwa" voert en ik weken lang het gezelschap dier superieure zielen en geesten geniet! zal 't gebeuren, Stella, zal het? Ik ben zóó bang, 't is zóó mooi, te schoon, om waar te zijn. Hoevele keeren, vooral in den laatsten tijd, heb ik gemeend de verwezenlijking mijner hartewenschen nabij te zijn, en 't bleek telkens een droom te zijn geweest! Alleen als er iets droefs gebeurde was 't _werkelijkheid_.

Zóóveel hebben wij reeds voor onze zaak geleden, Stella; wij weten 't, nog veel, veel meer zullen wij er voor moeten lijden. God geve, dat al dat lijden en strijden niet vruchteloos, nutteloos moge zijn, dat daaruit bloemen mogen opbloeien voor onze medemenschen! Wij zullen al zóó dankbaar zijn, als met al dien strijd, smart en tranen, wij ook maar één enkele bloem mogen plukken voor onze medemenschen! Als wij niet naar Holland kunnen gaan, Stella, sta ons dan af aan Modjowarno. Véél mooie illusies zullen daardoor vermoord worden, maar wees met ons dankbaar, dat wij ons _karakter hoog_ hebben kunnen houden. Naar Modjowarno gaan, beteekent voor ons, dood zijn voor de wereld, waarin wij tot dusver geleefd hebben, maar voor de enkelen, wier onverdeelde sympathie wij bezitten en wier meening voor ons van de hoogste waarde is, blijven wij leven. Wij zullen niets meer kunnen doen voor de vrouwen der aristocratie, wier lot juist zoo hard is (van zeer velen althans) en ons met innig medelijden vervult, tenzij met de pen. En toch, beter nog dan 1000 bezielende woorden, is een enkel _sprekend voorbeeld_! Het zal kracht bijzetten aan 't _woord_. Voor ons is Modjowarno gemakkelijker; wij zullen daar geen tegenstand hebben te overwinnen noch vooroordeel!

Het volk zal gaarne ons in zijn midden opnemen. De strijd, dien we daar te voeren zullen hebben, is tegen ons zelve, tegen eigenaardigheden in onze opvoeding.

Men heeft mij aangeraden om _alles_ wat ik denk en gevoel over 't zwaar onrecht in onze vrouwenwereld, waaraan _verscheidene_ vrouwen haar ellendig bestaan danken, op schrift te brengen, hetzij in een brochure, hetzij in een brief aan de Koningin. Het zal aan onze zaak heel veel goed doen, als eene _vrouw_ zelf, op dat onrecht wijst. Maar ik moet wèl weten wat ik doe. Met mijn stem luide daartegen te verheffen, haal ik mij den toorn en haat van heel de Javaansche mannenwereld op den hals. Ik weet het, voor mij persoonlijk vrees ik noch dien haat noch dien toorn; maar als ik onderwijzeres werd, zou 't kunnen gebeuren, dat ik daardoor voor een klasse zonder leerlingen stond. Aan zoo iemand zal men zijn kinderen niet ter opvoeding toevertrouwen. Ik zou met dàt te doen de mannen tasten in hun egoïsme. Wee over hen, die in toestanden grijpen, die 't grenzeloos egoïsme van mannen wettigen, rechtvaardigen!

Het antwoord op mijn vraag, wanneer een Mohammedaansch meisje meerderjarig is, heb ik gekregen. Het luidt: "Een Mohammedaansch meisje is _nooit_ mondig; wil zij vrij worden, dan moet zij eerst trouwen, daarna kan zij weer scheiden".

Wij moeten ons zelf _mondig_ verklaren en de wereld _dwingen_ onze mondigheid te _erkennen_; wij _zullen_ het!

Je weet, dat Van Kol hier met een journalist kwam; deze gaf eene heele beschrijving van de reis, die hij met den heer Van Kol meemaakte. Ook 't bezoek aan de kaboepaten te Japara stond er in vermeld; en verbeeld je, ook 't een en ander over ons onderhoud met den heer Van Kol. Nu, men weet dus, van welke richting we zijn. Ik hoop nu maar, dat die publicatie van onze ideeën, instede van afbreuk te doen aan onze zaak, haar ten goede zal komen. Voor 't eerst dan werd mijn naam in 't openbaar samengenoemd met _mijn volk_; dáár hoort hij voortaan bij! Ik ben er trotsch op, Stella, in één adem genoemd te worden met mijn volk!

* * * * *

Bewaar jij dat portret als een aandenken aan den driebond. Arm klaverblaadje, 't was te mooi geweest, daarom moest het gescheiden worden. 't Is het beste portret, dat er van ons bestaat, daar lijken wij allen goed op. 't Was in de kerstdagen gemaakt, 't laatste portret, waarop wij drieën als jonge meisjes staan. Dat groepje dunkt mij zoo weemoedig. 't Was zoo mooi geweest, drie harten tezamen gepast aan één steel, en nu is er één van afgescheurd. Of de wonden ooit genezen zullen? Ik weet het niet, ze bloeden nog bij de minste aanraking.

O, Stella, je weet niet, hoe we haar missen. Alles herinnert ons aan haar, spreekt van onze lieveling. Wij voelen ons nu zoo _oud_ al; het verleden lijkt ons al eeuwen achter ons te liggen. En toch, 't is nog niet eens een half jaar geleden, dat zij ons verliet!

26 Mei 1902. (V.)

Uw laatsten brief, waarin ge zoo sympathiek over 't Javaansche volk schreeft, heb ik vele malen herlezen. Ik vind 't gewoon zalig, dat gij zoo vriendelijk over 't bruine ras, mijn volk, denkt. O, kon ik u allen toch maar hier bij ons hebben; ik zou u zoo graag veel van mijn volk laten zien. Waar zou men een volk beter kunnen leeren kennen en begrijpen dan in den schoot van dat volk zelf, en dat is hier eene echt Javaansche omgeving. Gij weet, dat gij allen ons ten allen tijde welkom zijt.

Ik vind het innig lief van u, om mij bij u te willen hebben; doch helaas! voorloopig mag ik alleen maar uw goeden wil apprecieeren. Alleen naar Buitenzorg reizen behoort op het oogenblik nog tot de verboden vruchten. Maar wie weet of niet reeds gauw daarin eene verandering zal komen! Zooveel, wat ons vandaag nog absoluut onmogelijk toeschijnt, blijkt morgen een voldongen feit te zijn. 't Javaansche volk is een volk van herinnering en sprookjes; in droomen en sprookjes gebeuren de wonderlijkste dingen, en mijn door en door Javaansch hart houdt zich aan de illusie vast, dat evenals in 't ver, ver verleden, ook in 't heden wonderen kunnen gebeuren!

O! als ge eens wist wàt de droomen zijn der Javaansche meisjes uwer kennis! Mogelijk dat gij er u over verbazen zult, ze vreemd vinden, als ik ze u vertel; maar, naar ik hoop, niet medelijdend de schouders er voor zult ophalen. Gij weet, dat we dol, dol graag naar uw land zouden willen gaan, nietwaar? maar niet waarom en waarvoor. Het meest voor de hand liggende is, om vreemde landen en toestanden te zien en om er te genieten en pret te maken. Wij voelen zóó veel voor ons volk, zijn lief en leed gaan ons zoozeer ter harte; is 't wonder, dat er in ons een groot verlangen is, om wàt te kunnen doen, dat ons volk tot heil en zegen strekt?

Wat dat nu te maken heeft met ons verlangen naar uw land? Wij zouden zoo innig graag daar kennis willen vergaderen voor ons volk. Het mooie van andere volkeren, van uw volk in de eerste plaats, te kunnen geven aan ons volk, niet om zijn eigen karakter te verdringen, te vervangen, maar om de goede eigenschappen, die het reeds heeft, te _veredelen_; dat staat ons voor oogen!

O! mede te kunnen arbeiden aan 't heerlijke, grootsche werk, de beschaving, veredeling van een volk, is ons een ideaal allen levensstrijd waard.

't Is zoo jammer, dat wij zoo ver van elkander afwonen, wat zou ik 't heerlijk vinden om veel met u gedachtenwisseling en wrijving te houden. In een gesprek kan men zooveel beter uitdrukken wat men denkt en wil.

Onze correspondentie is mij hoe langer hoe aangenamer, wij ontmoeten elkaar op zoo menig punt.

Wat zou ik u graag mijn volk willen leeren kennen en begrijpen, zooals ik het ken en begrijp. Daar is zooveel liefs en poëtisch bij. Er moest op Java een wonderartiest opstaan, die in mooie taal zijne landgenooten van 't volk, in welks midden hij woont, vertelt evenals Fielding het gedaan heeft van het Burmaansche volk.

In plaats daarvan, dat beruchte boek van Veth, dat zooveel pennen in beweging heeft gebracht en een storm van verontwaardiging heeft doen opgaan!

Welk land heeft zijne gebreken niet? Indië evengoed als elk ander land op den aardbol. Arm Indië, in 't buitenland weet men al zoo bitter weinig van u, en boeken als dat van Veth, zullen zeker niet de belangstelling in u doen toenemen, wel u doen afstooten!

Augusta de Wit daarentegen schrijft zoo innig sympathiek en in welke schoone taal over Indië! Wij lezen haar stukjes in de Gids met zoo'n genot.

En wat de natuur en kunst betreft, daarover "droomt" (zijn lievelingsuitdrukking) Borel zoo heerlijk mooi; over andere onderwerpen is Borel minder goed te spreken, daarover gaat hij hand aan hand met zijn vriend Veth mee. Kent gij Borel's stukje over de gamelan? Wij vinden 't een juweeltje! Hebt gij dat mooie artikel van Martine Tonnet over de Wajang Orang aan 't Djokjasche hof, in de Gids, gelezen? Ook dat is een juweeltje. Borel moest ook eens zoo'n srimpie dans bijwonen; wat zal hij dan verrukkelijk aan 't dichten gaan! Die dans der Solosche en Djokjasche prinsessen moet goddelijk mooi zijn! 't is de dans der dansen, zegt men. 't Is jammer, dat wij er niet naar toe kunnen gaan. Men heeft ons er dikwijls genoeg voor gevraagd, maar wij vinden 't zoo eng om in hofkostuum gekleed te gaan. Aan 't hof moèt iedereen zoo gekleed gaan (als eene bruid).

Doch nu dwaal ik geheel van mijn onderwerp af. Wij houden dol veel van lezen, en 't spijt ons zoo innig, innig, dat wij geen talen kennen. Er is hier geen gelegenheid om die te leeren; 't is al heel mooi, dat wij ons in uw taal kunnen verstaanbaar maken. Hè, en wij zouden zoo zielsgraag die talen willen leeren. O! we verlangen er zóó naar, al die mooie werken in 't oorspronkelijk te kunnen genieten! Hoe mooi eene vertaling ook is, 't oorspronkelijke is steeds mooier. Kent gij dat beelderige sprokenboek van Marie Marx-Koning? Wij vinden 't zoo mooi. 't Komt mij voor, dat zij eene vurige bewonderaarster is van Van Eeden. De grondgedachte van "'t Viooltje, dat weten wilde", vind ik in "De Kleine Johannes" terug. Vindt ge ze ook niet innig fijn, en o zoo mooi en waar gedacht en zoo prachtig weergegeven?