Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk

Part 18

Chapter 183,922 wordsPublic domain

Er kwam beweging in den menschenhoop in de pendopo; de priesters schuifelden op hunne knieën achteruit. Het huwelijk was voltrokken.

De regenten stonden op; twee van hen hieven den bruidegom op, en nu werd de tocht over het bloementapijt aanvaard, gevolgd door de overige regenten. Achter in de "kwade"-zaal hieven de zusters de bruid op, en ook zij aanvaardden de wandeling over den bloemenweg, gevolgd door Mama en al de vrouwelijke gasten. Als de bruid en de bruidegom elkaar op eenige passen na genaderd waren, lieten hunne geleiders hen los, en het bruidspaar wierp elkaar een opgerold sirihblad gevuld met bloemen toe. Nog een paar passen traden zij elkaar tegemoet, en beiden knielden neer, en met hen het geheele gezelschap.

De bruidegom zat; op hare knieën schoof de bruid zich naar hem toe, zat en maakte een sembah--de beide handen tegen elkaar geslagen en even onder den neus gebracht--(dat is onze eerbiedsbetuiging) en kuste hem de rechterknie. Weer maakte de bruid een sembah. Zelf opstaande, hief de bruidegom zijne vrouw op, en hand aan hand wandelde het jonge paar over den bloemenweg naar de "kwade", gevolgd door het geheele gezelschap; de regenten keerden echter naar de pendopo terug.

Bruid en bruidegom namen voor de "kwade" plaats als twee Boeddhabeelden; aan weerszijden schaarden zich de familie en de damesgasten. Achter het bruidspaar zaten twee kleine meisjes, die met waaiers hun koelte toewuifden.

In de meeste gevallen is 't bij die ontmoeting de eerste keer, dat man en vrouw elkaar zien.

Omstreeks halfzeven kwamen de regenten binnen, en vormden op den grond gezeten een halven kring om het bruidspaar; de andere helft werd gevormd door de vrouwelijke familieleden.

Het bruidspaar bracht aan oudere familieleden den voetkus.

De bruid eerst richtte zich op, en schoof op hare knieën naar Mama toe, maakte een sembah en kuste Mama de knie; zóó ontving zij den moederlijken zegen voor haar huwelijk. Van Mama ging zusje naar de tantes, zusters en nichtjes, allen ouder dan zij, om dezelfde ceremonie te herhalen. En daarop ging zij naar Vader, om hem de knie kussend, zijnen zegen te ontvangen; vandaar naar haren schoonvader, daarna naar ooms en neven. Als zij, na allen den voetkus gebracht te hebben, weder op hare plaats was teruggekeerd, begon de bruidegom den voetkustocht; hij volgde 't spoor zijner vrouw. Als ook hij de ceremonie volbracht had, verwijderden zich de regenten en er werd thee en gebak gepresenteerd, als den vorigen avond. Om halfacht werd 't het bruidspaar vergund, zich te verwijderen.

Hand aan hand verlieten zij de zaal. Eigenlijk moesten zij dit op hunne knieën doen, maar aangezien beiden pas van eene ongesteldheid waren hersteld, mochten zij de zaal uitwandelen.

Bij andere families moeten de bruidegoms bij aankomst in 't huis hunner schoonouders, vóór de ontmoeting met hunne vrouwen, de trappen opkruipen, in plaats van oploopen. Dat zijn dan hofmanieren. De bruidegom begaf zich naar de bruidskamer en zusje naar onze kamer, waar wij haar voor de receptie voor Europeanen kleedden.

Het werk van één dag, dat was 't bruidstoilet van zusje, werd in 5 minuutjes te niet gedaan. Alleen 't kapsel en de versieringen op 't voorhoofd lieten we onaangeroerd. Wij, jonge meisjes, mochten haar eigenlijk niet aankleeden, maar wij deden 't toch maar. Wij vonden 't al te zot, dat wij zusje niet in haar bruidstoilet zouden mogen steken. Zusje kreeg een zijden met goud doorweven kain aan en een kabaja van ivoorkleurig satijn met zilverborduursel. Ze kreeg een andere juweelen collier om. De juweelen bloemen in 't haar, evenals het diadeem, werden haar afgenomen; zij kreeg er voor in de plaats een gouden kroon op, waaraan een sluier hing. Op haar hoofd werden nu andere juweelen bloemen op spiralen stelen bevestigd. Zoo gesluierd en gekroond, was het of de bruid van een plaatje uit duizend en een nacht was gestapt. Zusje had dan ook het kostuum aan van een sprookjes-prinses, uit een der verhalen van 1001 nacht.

Het stond haar zoo goed; trouwens het wajangkostuum ook. Jammer, dat wij haar niet zoo konden laten photografeeren.

De bruidegom verscheen in zijn ambtskostuum. Nog eens zat 't bruidspaar voor de "kwade"; even vóór achten gingen zij gearmd naar de voorgalerij, waar voor een achtergrond van palmen, twee vergulde zetels voor hen klaarstonden.

Staande ontvingen zij de gelukwenschen der Europeesche dames en heeren.

't Heette dan wel een receptie, maar de dansgrage voetjes zweefden toch maar op de tonen der muziek door de ruime pendopo; ook het bruidspaar wandelde gearmd een paar keer de pendopo rond.

Usance is 't niet, dat jonge meisjes op een bruiloftsfeest verschijnen, maar 't zou al te gek zijn, als wij op zusje's feest wegbleven.

Even vóór twaalven toastte de Resident, die ook over was gekomen, op het jonge paar, welke toespraak door Vader werd beantwoord. Na afloop hiervan namen de Europeesche gasten afscheid, maar de Resident en een paar anderen, waaronder ook eene dame, ons vriendinnetje, bleven nog, om 't Inlandsch gedeelte van het feest bij te wonen.

Na het vertrek der Europeesche gasten kwamen de Inlandsche hoofden, die zich gedurende de receptie, op zij van de pendopo opgehouden hadden, te voorschijn en vormden in 't midden der pendopo een halven kring, waarin de bruidegom eene proeve van zijn danskunst zou afleggen.

De regenten, evenals alle andere Inlandsche hoofden, hadden zich intusschen in klein tenue gestoken.

Daar speelde de gamelan, en een dansmeisje trad op en danste in den carré.

De Patih van Japara bracht geknield den bruidegom een zilveren blad, waarop een zijden doek lag. Als de bruidegom den doek in ontvangst had genomen, verwijderde zich de brenger. Zachte gamelantonen weerklonken; 't was een prelude, een uitnoodiging aan den held van 't feest, om 't feest te openen. De bruidegom stond op, en ging in 't midden van de pendopo staan; hij bevestigde de zijden doek, waarmede hij dansen zou, aan zijn kris en gaf den gamelanspelers zijn lijflied op, dat onmiddellijk werd ingeluid en gespeeld.

Ik zal er mij maar niet aan wagen, den dans te beschrijven; daartoe is mijn pen veel te onbekwaam. Ik zeg alleen maar, dat 't een lust was voor de oogen om den lenigen danser en zijne sierlijke dansbewegingen op de tonen van mooie gamelanmuziek te volgen. Achter hem aan danste het dansmeisje, dat er ook bij zong. De hen omringende Inlandsche hoofden accompagneerden de muziek, door een zang met handgeklap.

Tegen 't einde van den dans, kwam de Resident met twee glazen champagne naar den danser toe. Juist als de gong inviel, waarmede 't einde van een zang wordt aangeduid, zegen danser en danseres op hunne knieën neer. Met een sembah ontving de danser een glas van den Resident en onder hoerah-geroep en jubelende gamelantonen ledigden de brenger en ontvanger hunne glazen. Een bediende nam de ledige glazen in ontvangst, waarop de Resident zich verwijderde. De bruidegom stond weder op en begon opnieuw te dansen. Nu bracht Schoonpapa hem een heildronk; dansend gingen ze elkaar tegemoet, en bij 't vallen van den gong knielde de jongere neer om den heildronk van den oudere in ontvangst te nemen.

Eerst als alle aanwezige regenten hem den heildronk gebracht hadden, mocht hij den carré verlaten, en weer naast zijne vrouw zitten. Kort daarop verwijderde het bruidspaar zich; de Europeesche gasten gingen naar huis, en het feest werd door de hoofden tot vroeg in den morgen voortgezet. De heeren hadden ook nog meegetandakt, vooral onze assistent-resident deed 't keurig.

Ma, ons vriendinnetje, zus Roekmini en ik woonden 't feest bij, tot onze laatste Europeesche gast was opgestapt.

Den volgenden dag bracht 't bruidspaar stilletjes thuis door. In den vooravond van dien dag zou de laatste ceremonie, die 't bruidspaar hier te verrichten had, plaats hebben. Het is, het eerste bezoek brengen van 't bruidspaar aan de ouders van den bruidegom. Het heet in 't Javaansch "ngoendoh mantoe", welks letterlijke vertaling luidt: schoondochter plukken. De schoondochter wordt met een bloem vergeleken, die de schoonouders voor hun zoon plukken.

Eigenlijk moest het bruidspaar zich voor deze gelegenheid weer in 't bruidskostuum steken, maar 't was veel te vermoeiend, waarom het dan ook maar nagelaten werd. De bruidegom was gewoon gekleed; zusje had weer een met goud doorweven kain aan en een zijden kabaja; het haar was kapelvormig gekapt; de met een kruis gemerkte vakjes met bloemen gevuld, en over het geheel werd een netwerk van melaties bevestigd, en wiebelden weder de juweelen bloemen op het kapsel.

In optocht reed het bruidspaar, voorafgegaan en gevolgd door Inlandsche hoofden te voet, naar 't huis, waar de vader van den bruidegom logeerde.

Dagen, weken na de bruiloft, heeten de jonggetrouwden nog bruid en bruidegom; en de bruid doorgaans zoolang tot zij mama is geworden. Er zijn vrouwen, moeders, die levenslang "nganten", verkorting van "pengantèn" (bruid, ook bruidegom) heeten.

De dagen na de bruiloft werden besteed met visites maken, bij Europeanen en Inlanders.

Vijf dagen na de huwelijksvoltrekking was er weer een feest in de Kaboepaten; de eerste wederkeer van den passerdag, waarop 't huwelijk gesloten wordt, werd gevierd.

Een week na de bruiloft vertrokken de jonggehuwden; overal gefêteerd door familieleden, bij wie zij op hunne doorreis naar hunne woning ophielden.

Op Tegal werd 't huwelijk weer gevierd; daar bleven ze nog een week, voordat ze eindelijk naar hunne eigen woning in Pemalang trokken.

Ziezoo, daar hebt ge eene beschrijving van een Javaansch huwelijk in hooge kringen. Zusje's bruiloft heette een stille bruiloft en zij bracht al zoo'n gedoe mee; hoe dan een bruiloft, die feestelijk wordt gevierd?

We waren doodop na de bruiloft.

Cadeaux, die Inlanders elkaar bij bruiloften geven, bestaan uit kleedingstukken, als kains, borstlappen, hoofddoeken, zijdjes voor kabaja's, of laken voor een jas, en ook wel eetwaren, als rijst, eieren, kippen, karbouwen; deze zijn dan meer bestemd voor de te geven slamatans ter gelegenheid van de bruiloft.

Zoo kreeg Kardinah o.a. ook een prachtigen stier van een oom. Dit had eigenlijk ook bij de andere cadeaux moeten mee tentoongesteld worden!!!

O ja, nog iets; als men bij gelegenheid van een bruiloft een karbouw slacht--er worden doorgaans meer dan een voor de feestmaaltijden geslacht--dan zet men op alle mogelijke hoeken en gaten een gevlochten bamboezen bakje, gevuld met sirih, koekjes, pinangnoot, een stukje vleesch, wat geronnen bloed van den geslachten karbouw, en bloemen neer, op kruiswegen, bruggen en de putten op 't erf; het is een offer aan de geesten, die daar wonen. Worden deze brug-, weg- en putgeesten niet herdacht, dan nemen zij het den feestvierenden kwalijk, en zal er een ongeluk gebeuren. Alzoo luidt 't volksgeloof! Waar dit zijn oorsprong heeft, weet ik niet precies.

Hoe vindt ge dit alles, Hilda?

Een vriend van ons zegt terecht, het Javaansche volk is een volk van sprookjes en herinneringen.

Wie zal eens dat volk uit 't rijk van sagen en legenden naar 't leven van daadwerkelijkheid voeren?

Daar moet 't toch naar toe. En door 't bijgeloof van zich af te schudden, hoeven zij daarom de poëzie niet met de voeten te treden.

Doch wat praat ik toch, laat ik u liever vragen, of gij tevreden zijt met dit epistel, en of gij mij nu dat lange wachten vergeven wilt. Er is zooveel liefs in mijn volk, zooveel poëzie in zijn bekoorlijk naïef geloof. 't Moge dan vreemd klinken, maar 't is niettemin een feit; gij, Europeanen, hebt mij geleerd, mijn eigen land en volk lief te hebben. De Europeesche opvoeding heeft ons instede van ons van onze natie te vervreemden, ons nader er toe gebracht; zij heeft ons de oogen en 't hart geopend voor de schoonheden van ons land en volk, en ook ... voor hunne nooden ... hunne wondeplekken. Wij hebben ons land en volk zoo lief! O! konden wij eens iets doen, dat tot hun geluk bijdraagt; wat zullen wij dan gelukkig zijn!

Doch laat ik je nu niet langer vervelen, met het gekrabbel van een "dwaas" Javaansch jongmeisje, ik heb 't nu reeds genoeg gedaan.

Als naschrift:

Op sommige plaatsen is 't gebruik, dat bij de ontmoeting van een bruidspaar, de bruid, als teeken van onderdanigheid, den bruidegom de voeten afwascht, alvorens zij hem den kniekus geeft.

Wanneer een weduwnaar met een jongmeisje trouwt of eene weduwe met een jongmensen, dan houdt bij de ontmoeting, als het sirihwerpen is afgeloopen, degene die al eens getrouwd is geweest, de andere een brandend stuk hout voor; deze krijgt een waterkan in de hand, en giet haar inhoud uit op 't vuur, dat natuurlijk uitdooft, waarna het uitgebluschte brandhout wordt weggeworpen en de waterkan kapot gegooid.

De bedoeling of beteekenis van deze symboliek hoef ik u wel niet uit te leggen; zij is duidelijk genoeg.

Gij hadt Zusje moeten zien, toen zij daar als Boeddhabeeld poseerde voor de "kwade"; zóó had ze gephotografeerd moeten worden, of neen, geschilderd liever, want dan kon men de kleuren zien.

Hoe rustig en kalm schreed ze daar over het bloementapijt, overal bloemen en wierookgeur verspreidend; ja waarlijk zij had veel van een Bodhisatwa![3]

Ik kan geen gamelan hooren, bloemengeur vermengd met wierook inademen, of zij voeren mij naar 't verleden terug.

De menschen raapten de bloemen, waarop zusje had geloopen, op, om ze te bewaren; zij brengen geluk aan, zegt men, en aan jongedochters een man!!!

Ik heb hier een heel mooi boek van 't Boeddhisme. 't Heet "De ziel van een volk"; heerlijk mooi!

[1] Pendopo = groote open voorhal.

[2] Paséban = een op zich zelf staand gebouwtje aan alle zijden open met een dak steunend op pilaren.

[3] Bodhisatwa, komt van bodhi = erkennen en satwa = eigenschap. Men duidt in het Boeddhisme met dit woord aan: hen die In eene latere wedergeboorte Boeddha zullen worden.

27 Maart 1902. (VIII.)

De minachting, miskenning der groote menigte, van 't _gros_ kan ons zoo veel niet schelen, maar de sympathie van degenen, die tot de "bovenste tienduizend" behooren, is ons heel veel waard; 't is ons eene voldoening, een kracht, een steun, een opwekking, een troost.

"Hoe 't ook loopt, wees nooit moede, om te volharden in al 't goede", las ik daar net, en wij meenen eerlijk, dat hetgeen wij nastreven goed is.

Iedereen weet, dat over het algemeen het Javaansche meisje _niet gekend_ wordt in de trouwplannen, die haar beschermers met haar voor hebben. In de Soendalanden mag 't waar zijn, dat de verloofden elkaar _kennen, zien_ en _ontmoeten_, maar vraag eens op welke andere plaatsen van Java, dat wel gebeurt.

Och, kom toch eens even een kijkje nemen in de woningen, waar ze 't zoo "goed hebben"; allereerst in de kaboepatens.

Ik vraag niet, hoe de vrouwen er over denken, wat zij gevoelen, maar hoe de dochters, die Europeesch zijn opgevoed, er zich onder hebben gehouden.

En al kunnen zij niet denken, _voelen_ kunnen ze in ieder geval.

"Zij hebben 't heel goed!"

Goed, negeer 't leed, de gevoelens der vrouwen; zij hebben 't recht van klagen niet, zij doen 't immers met eigen vrijen wil! maar de kinderen dan? wat is droeviger dan een treurig kinderleven, dan kinderen, die zoo vroeg reeds de schaduwzijde van 't leven leeren kennen?

En de meisjes vooral hebben 't moeielijk, omdat zij steeds dáár zijn, waar dag aan dag aan de natuur geweld wordt gepleegd. Is dat geen natuurverkrachting, waar vrouwen van denzelfden man elkaar moeten verdragen?

Waarlijk een kind van het eigen volk, eene vrouw moet hare stem doen hooren!

Zal men 't nog met koelen bloede zeggen "ze hebben 't heel goed", wanneer men dat alles zag, wat wij hebben gezien, wist wat wij weten?

Ik heb eens iets overgeschreven uit een redevoering van Professor Max Müller, den grooten Duitschen geleerde in Oostersche talen, geschiedenis, enz. 't Luidt ongeveer als volgt: "De polygamie, zooals zij bij de Oostersche volken in gebruik is, is een _weldaad_ voor vrouwen en meisjes, die in haar land niet kunnen leven zonder een man toe te behooren, een beschermer te hebben."

Max Müller is dood, wij kunnen hem niet hier roepen, om hem die _weldaden_ van dat gebruik te laten zien.

Men heeft ons willen wijsmaken, dat niet trouwen, niet alleen een schande, maar ook een groote zonde is. Men heeft 't ons meermalen gezegd.

O! er wordt met zoo'n minachting gesproken van de ongetrouwd gebleven vrouw!

We verlangen zoo naar Holland, omdat Holland ons _vrij_ maken zal; Europa zal ons ompantseren, onkwestbaar maken voor de kleinzielige aanvallen van 't gros, voor zijn spot!

Om vrij te worden, eerst trouwen en dan scheiden! Maar dit laatste kan ook zeer bemoeielijkt worden. Als de man niet wil, dan mag de vrouw naar de maan fluiten om hare vrijheid, terwijl als hij 't wil, er nièt naar hare opinie gevraagd wordt, en hij haar op elk uur van den dag verstooten kan.

Maar de vrouw kan zich loskoopen; zij moet dan zooveel en zooveel betalen. Een ellendige geschiedenis is 't voorzeker!

Doch hoe willen wij rechtvaardige wetten voor ons verlangen, als in 't verlichte, beschaafde Westen men de vrouw gelijkstelt met kinderen en idioten?

Laat ik er niet meer over spreken, later kom ik er nog eens op terug.

8 April 1902. (VIII.)

De Vaderlandsche geschiedenis, waartegen ik een beetje opzag, vanwege de saaie herinnering, die ik er van had, van school, valt me èrg mee. Nu vinden wij haar prettig, en vooral zeer interessant, maar 't is ook heel anders geschreven, dan in dat boekje, dat we op school hadden.

Dat late leeren heeft toch ook wel zijn voordeel: wij begrijpen en verstaan nu zooveel beter; en veel, dat vroeger _dood_ was voor ons, krijgt nu leven; wij interesseeren ons voor zooveel dingen, die ons vroeger koud lieten, om de eenvoudige reden: wij _begrepen ze niet_. Wat zalig zou 't zijn om nu iemand te hebben, die ons de dingen, waarin wij zoo levendig belangstellen, kon uitleggen! Die zwijgende leermeesters moeten nu antwoord geven op al onze vragen. Vandaag hebben wij "taal". De kleintjes keken met verbazing naar ons doen, zij konden maar niet begrijpen, wat wij toch uitvoerden. O! wanneer zal dat heerlijk oogenblik toch eindelijk dáár zijn, waarop wij voor de wereld de studie als onze bruid mogen omhelzen!

* * * * *

Wij moeten alle lichtzijden opzoeken; als er geen is, dan de donkere wat oppoetsen, dat is de kunst om blijmoedig te leven, is 't niet?

Ik heb veel nagedacht over hetgeen men "'t heel goed hebben" noemde. Bij veel, wat ik in de laatste dagen _zag_, dacht ik onwillekeurig aan dat gezegde en dan glimlachte ik ironisch. O! lieve Mevrouw, 't is en 't zal de eerste keer niet zijn, dat er iets verzwegen wordt, ontkend! De wereld is nog steeds hoogst zedelijk, zij wil de _naakte_ waarheid niet zien, en wendt vol afschuw zich van haar, de naakte juffer af.

* * * * *

Van middag werden wij toch zoo getroffen door een staaltje van 's levens ellende. Een kind van 6 jaar verkocht gras. 't Jongetje was niet grooter dan ons neefje; van hem zag je niets; 't scheen of er twee schoven gras over den weg liepen. Vader liet hem komen, en daar hoorden wij eene geschiedenis, zooals er honderden, zoo niet duizenden zijn. 't Kind heeft geen vader; de moeder is uit werken; 't heeft thuis nog twee broertjes. Hij is de oudste. Wij vroegen hem of hij al gegeten had. "Neen", ze aten alleen maar _ééns_ per dag rijst, 's avonds als de moeder thuis kwam; 's middags aten ze voor 1/2 cent arèn-meelkoek.

Ik keek van 't stumpertje naar mijn neefje, even groot als hij, ik dacht aan onze maaltijden, driemaal per dag, en 't was me zoo vreemd, zoo raar te moede!

Wij gaven hem eten, maar dat at hij niet; hij bracht het naar huis.

Ik heb 't wurmpje, gewapend met een draagstok en een grasmes, nageoogd, tot ik hem niet meer zag. Wat ging er al niet om in mijn hoofd en in mijn hart.

Ik schaam mij diep over mijne zelfzucht. Ik ging over mijn eigen toestand _denken_ en peinzen, en daar buiten om mij zijn er zoovelen, die lijden en diep beklagenswaardig zijn! 't Was of ineens de lucht trilde van smartkreten, gekerm en gesteun der lijdende menschheid om me heen. En luider nog dan dat kermen en steunen klonk, suisde en ruischte in mijn oor: Werk! werk! werk! kamp je vrij! eerst dan als gij door werken u zelf vrij hebt gekampt, zult gij anderen kunnen helpen! Werk! Ik hoorde dat zóó duidelijk, ik zag 't voor mijne oogen geschreven, dat ik 't op moest schrijven, en wel voor u, omdat u zoo innig meegevoelt en meeleeft met ons.

U beiden ligt mij zoo na aan 't hart; eigen familie kan mij niet dierbaarder zijn. Ik leef zoo geheel met u mee, met mijn hart en mijn ziel, waarvan u een stuk is geworden, feitelijk van den dag af onzer kennismaking! Wat zijn 's levens wegen toch dikwijls vreemd, wonderbaar; zoo heel lang is't nog niet geleden, dat wij niets wisten van elkaars bestaan, en nu is u onafscheidelijk van het mijne!

27 April 1902. (VII.)

Van kind af aan heb ik veel van leeren gehouden en is 't altijd mijn grootste en liefste illusie geweest om zooveel te weten en te kennen, dat ik mij nuttig kon maken voor anderen. Hoe gaarne had ik niet met onze jongens meê naar de H.B.S. gewild, maar 't werd mij niet toegestaan helaas! 't Was al heel mooi, dat wij meisjes de lagere Europeesche school mochten bezoeken; 't was geen adat, dat meisjes ook school gingen. Wij zijn onze ouders o zoo dankbaar, dat zij met die adat gebroken hebben, en ons naar school hebben gezonden. De kennis der Nederlandsche taal is voor ons een onuitputtelijke bron van genot; zij ontsloot voor ons zooveel schoons, van welks bestaan wij te voren geen flauw vermoeden hadden.

En dat mooie van andere volken nu, zouden wij o zoo zielsgraag geven aan ons eigen volk, niet om zijn eigen mooi te verdringen, te vervangen door vreemde, maar om het te _veredelen_!

Ons volk mede te kunnen helpen opheffen, opvoeren tot hooger zedelijk standpunt en zoo te komen tot betere, gelukkiger maatschappelijke toestanden is voor ons een ideaal, allen levensstrijd waard! Hoe daartoe te komen? waarmede te beginnen? Er moet begonnen worden met 't begin, en d.i. de _opvoeding_!

O! zoo dikwijls rijst uit 't diepst van ons wezen, telkenmale als droeve dingen zich aan ons oog vertoonen, smartkreten van lichamelijke en moreele ellende ons oor bereiken, als een wanhoopskreet de bede op: "Geef den Javaan opvoeding!" Een heel volk ineens op te voeden is natuurlijk niet te doen, maar wat wèl kan, is de bovenste lagen er van zóó op te voeden, dat ze de onderstaanden tot zegen worden!

17 Mei 1902. (I.)

Ik kan je niet zeggen hoe _heerlijk_ ik 't vond eindelijk eens met mijne studie te kunnen beginnen. Het is nu nog maar een ophalen van hetgeen ik eens heb gekend en geweten; ik ben er eventjes meer dan _10_ volle jaren uitgeweest. Ik was verbaasd, dat ik niet _alles_ was vergeten. Een voordeel heb ik toch van dit laat studeeren; ik ben nu bevattelijker; begrijp vlugger en beter dan ik het op vroegeren leeftijd zou kunnen. Innig jammer blijf ik het vinden, dat ik nu niet, in stede van 23, 13 jaar oud ben; ik zou mijne studie kunnen uitbreiden, en nu ben ik door mijn leeftijd gebonden. Eerst de twee Hollandsche acten halen en dan later een of twee Inlandsche talen.

Daar net heb ik werkstaking moeten houden; verbeeld je mijn penhouder is midden door gebroken, dat is mij nooit nog overkomen! Arme pen! ik heb mij zeer aan haar gehecht, wij hebben zoolang heerlijk samengewerkt!

Raar mensch, wie gaat nu treuren om een gebroken penhouder!