Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk

Part 17

Chapter 173,950 wordsPublic domain

Wat haar man is, weet je reeds uit de huwelijksannonce, die wij je zonden, Patih; dat is op een na de hoogste rang in de Inlandsche ambtenaarswereld; onze zwager is bovendien troonopvolger. Als zijn vader eerlang aftreedt, zal hij hem opvolgen.[1] Als regentsvrouw zal zusje veel kunnen doen voor de beschaving der Inlandsche vrouw, meer nog dan wij 't ooit kunnen. En wij hebben goede hoop, dat haar man haar daarin zal bijstaan; tenminste hij was zeer voor de plannen van den heer Abendanon.

Hij is erg aardig voor zijn vrouwtje, vroolijk en opgewekt, en heeft een medelijdend hart. Hij onderhoudt een schep arme familieleden. Aardig toch, vindt je niet?

Maar dat doen meer Inlanders, en die het goed hebben gedenken hun arme nabestaanden.

Daar is bijna geen enkel Inlandsch hoofd, dat niet een stuk of wat arme familieleden in huis heeft en hen onderhoudt. Niet voor niets dus staat Indië bekend om zijne hartelijkheid.

Over zusje ben je nu dus ook gerust, vrouwtje?

Zij is alleen maar wanhopig, dat men zooveel van haar verwacht, evenals haar oudste zus, die nooit zoo goed haar kleinheid voelt, dan wanneer zeker iemand in Holland (Amsterdam) haar zoo in het zonnetje zet.

Waarlijk, Stella, dat moet je niet doen; ik zal je zoo bitter tegenvallen, als het gelukkigste aller gelukkigste gesternten mij eens in je armen voert. Je hebt een veel te mooien dunk van mij, mijn karakter en mijn intellect. Die zijn, om je de waarheid te zeggen, geen dubbeltje waard, en ik _meen het_. Maar wat je _niet_ zal teleurstellen, vrouwtje, dat is mijne liefde voor jou!

Laatst kreeg ik een brief van een ouden heer, die het over mijn "zacht gemoed" en "lieven aard" en "bedrevenheid in de Hollandsche taal" had. Ik glimlachte weemoedig, toen ik dat las en dacht bij mijzelf: "Wist gij het maar!" Hij is op 't laatst van 't vorige jaar uitgekomen en zou ons verleden maand opzoeken, maar 't lot heeft anders gewild; door ziekte moest hij hals over kop naar Europa terug, ook zijne vrouw, met wie hij uitgekomen was, om afscheid van 't Zonneland te nemen.

't Spijt ons innig; wij hadden hem zoo graag ontmoet en over onze zaak gesproken. Toen voor korten tijd geleden sprake was van eene mogelijkheid dat wij naar Holland konden komen studeeren, hadden wij gedacht, gehoopt, in dezen zomer samen met die familie naar Europa te kunnen vertrekken. Helaas! die hoop is vervlogen! Gisteren kregen we brieven uit Holland en ik zei tegen mezelve: "ouwe jongen, 't hoofd op, het zal heusch de eenige teleurstelling niet zijn, die het leven je brengt; geloof maar vast, dat de toekomst nog een heele hoop voor je in haar schoot verborgen houdt!" En ik ben er overheen gestapt. 't Leven leert je vanzelf koelbloedigheid.

En nu over het voorstel van Mejuffrouw Van der Meij. Allereerst dank ik je hartelijk, mijn trouwe kameraad, voor hetgeen je voor mij hebt gedaan; dan dank ik je ook voor de toezending van "Belang en Recht". Ik ben met je briefje, waarin je mij dat voorstel deedt, naar Vader gestapt, dien ik 't liet lezen.

Vader wil eerst de komst van Van Kol afwachten, alvorens in die zaak te beslissen. Ik heb goede hoop op zijne toestemming. Hoef ik je nog te zeggen, dat "ik wil"? Je weet, dat 't pennen mij steeds heeft aangetrokken, en ik zal maar gelooven, dat ik daartoe aanleg heb, zooals jij het mij zoo dikwijls verzekerd hebt. Ja, Stella, ik wil, maar niet onder mijn eigen naam, ik wil onbekend blijven, vertel dat aan Mejuffrouw Van der Meij. Maar dat zal ook veel helpen!!! als men hier in Indië hoort van artikelen eener Javaansche vrouw, dan weet men dadelijk de schuldige aan te wijzen. 't Is vervelend; ik word niet graag aangesproken over mijne pennevruchten (misbaksels) en vooral niet, als ik niets dan lof hoor, bah! Men vindt eene Hollandsch schrijvende Javaansche vrouw _interessant_, ziedaar het geheim van het goedkoope succes. Pleizierig voor mij I

Maar laat ik nu de voordeden aan dat interessant-zijn verbonden, niet over het hoofd zien.

Het heeft wèl degelijk zijne voordeden. Ja, Stella, ik en anderen gelooven, met jou, dat het veel goed kan doen, wanneer een kind van het eigen volk zijn stem verheft, eene Javaansche vrouw zelf wijst op 't lief en o zooveel leed in hare wereld.

Daar wordt zooveel en zoo bitter geleden in onze arme vrouwenwereld. Maar eer ik mijn stem tegen al die onrechtvaardigheden in onze wereld verhef, moet ik mij _goed, goed_ bedenken; moet ik _weten_, wat ik _doe_; ik zal mij met mijne stemverheffing den _haat_ op den hals halen van _allen_, die voordeel genieten van de onrechtvaardigheden, waartegen ik ten strijde trek.

Mij persoonlijk kan die vijandschap niets schelen, maar 't kan onze zaak schaden. Als ik onderwijzeres zal zijn, zou dat misschien vele ouders weerhouden hunne kinderen aan mij toe te vertrouwen, daar ik ingrijp in overoude instellingen. Tot zulk geschrijf zal Vader mij geen toestemming geven, althans voorloopig niet. De gelegenheid daartoe is mij reeds meermalen aangeboden geworden, en ik mocht niet.

Maar wat Mejuffrouw Van der Meij voorstelde, is iets anders; ik heb hoop, dat ik het zal mogen. Maar zooals ik je reeds zei, geheimhouding is de conditie.

In dien geest voor 't publiek te schrijven, is de weg, dien een vriend van ons mij ook aanwees op te gaan. Ik moest stukken schrijven, die _besproken_ worden, en zelfs in de Tweede Kamer komen, zóó dat er een enquête wordt ingesteld op last van genoemd regeeringslichaam.

't Heeft altijd in mijne bedoeling gelegen om zulk een werk uit te geven, maar ik _voel_ zelf, dat 't nu de tijd nog niet is, om uitvoering aan mijn voornemen te geven; ik voel mij daartoe nog niet sterk genoeg; mij ontbreken nog vele gegevens. Ik moet nog _veel zien, veel hooren_, en dat alles goed verwerken, diep, diep mijne gedachten erover laten gaan.

De vrucht is nog niet rijp, Stella; wanneer zij 't is, zal ik niet langer aarzelen haar aan de openbaarheid te bieden.

Als wij ons tot de Koningin wenden, dan is 't niet om de hulp van 't Koningschap in te roepen, om door Koninklijke tusschenkomst de hulp van den Staat te verkrijgen, maar wij vragen der Vorstin Haar _persoonlijke_ of particuliere hulp. Als je weet, hoe trotsch wij zijn, dan begrijp je, wat een strijd 't ons kost, voor we er toe besluiten kunnen hulp te _vragen_.

Maar zooals je zegt, waar groote belangen zijn, moeten kleine zwijgen.

En wij zien onzen trots voorbij voor het belang van het algemeen.

Steeds hebben wij _vragen_ afschuwelijk gevonden, ook al weten we, dat wij geen weigering zullen krijgen. In dit geval is vragen de eenige kans tot slagen.

Iemand, die bij de Koninginnen is geweest, verzekerde mij, dat ook de Koningin-Moeder warm belang stelt in Indië en dat H.M. verwonderlijk goed op de hoogte is van heel veel hier in Indië.

En wij willen het graag gelooven. Toen wij ter gelegenheid der Vrouwententoonstelling de Koningin een paar werkjes aanboden, was het de Koningin-Moeder, die haar particulieren secretaris naar de presidente van Insulinde zond, om naar ons cadeau te informeeren. H.M. was het, die op de Tentoonstelling de presidente, die haar rondleidde, verzocht, een paar zinnen uit onzen brief voor te lezen. Of de Regeering, òf de Koningin, een van beiden zal en moet 't zijn. En als 't bij allebei op een nul uitloopt, dan maar naar Modjowarno, al is dat nu ook juist niet mijn hartewensch. Weet je waar ik soms naar verlang in moedelooze buien? naar de Buitenbezittingen, naar onzen vriend,[2] die diep, diep in 't hartje van de binnenlanden zit, tusschen koppensnellers leeft en deze wilden weldoet op allerlei manier, vooral door geneeskundige hulp.

Als een vogel met lamgeslagen vleugels zou ik bij hem komen, en hij zou mijn moede kopje streelen, zoolang, tot mijn hijgen en steunen bedaart, en uit zijn hand wat van de vrede, die over heel zijn wezen is verspreid, in mij is gevloeid! Toch is hij ook mensch, heeft hij zijn neerslachtige buien, zijn strijd.

Stella, Stella, dat ik even mijn armen om je heen kon slaan, mijn hoofd aan je hart kon laten rusten.

Misschien ga ik toch naar Celebes, naar onzen vriend en de koppensnellers. 't Komt er niet op aan, op welk eene wijze je 't Goede dient, als het maar _goed_ is. Och neen, neen, schrik er niet van, denk er niet aan, Stella, lieveling, 't zal misschien niet noodig zijn, en 't moeilijke raadsel zal nog op eene bevredigende wijze kunnen worden opgelost. Er zit nog wil, nog energie in me, Goddank!

Hoop 't beste, denk 't beste en heb mij steeds lief, lieveling.

[1] Dit is sedert het geval geweest. De echtgenoot van Raden Adjeng Kardinah is nu Regent van Tegal.

[2] Bedoeld wordt Dr. N. Adriani, aan het meer van Poso, zooals ook blijkt uit de tot hem gerichte brieven.

21 Maart 1902. (V.)

Ge hebt gelijk. Zusje's vertrek is voor ons een groot gemis, wij waren zóó lang en zóó innig samen. Niet ten onrechte zegt men, dat wij drieën één geworden waren, één in denken, één in voelen. Dat Zusje ons voorgoed verlaten heeft, wil nog niet bij ons in; 't idee, dat ze van ons is weggegaan en niet weerom komen zal, is ons onverdragelijk. Wij denken nog maar steeds, dat ze voor een poos gaat uit logeeren en op een dag weerom komen zal.

We missen ons Kleintje zoo erg. Doch 't beste is maar om er niet lang bij stil te staan, want dat zal wel niet het eenige harde afscheid zijn; nog vele wachten ons stellig in de toekomst. 't Is onvermijdelijk in ieder leven, scheiden is 't wachtwoord, 't heele leven door!

"'t Is verstandig van tijd tot tijd, Een teed'ren, sterken band, Die 't arme harte bindt en vleit, Te schudden van de hand."

zegt de Genestet, maar 't is gemakkelijker gezegd dan gedaan, vindt ge niet?

We kregen steeds opgewekte brieven van zusje; zij maakt 't goed en heeft 't goed. En dat stemt ons zoo dankbaar! Haar geluk is ons geluk. En nu zal ik aan uw verzoek voldoen, en het een en ander vertellen van zusje's huwelijk.

Een Inlandsche bruiloft brengt een vreeselijke drukte mee. Reeds dagen, weken van tevoren werden de toebereidselen voor de plechtigheid gemaakt. Wij hadden zusje's huwelijk vrij stilletjes gevierd, vanwege een sterfgeval in de familie. Een nichtje van ons en zuster van den bruidegom stierf kort vóór de bruiloft. Arm mensch, 't was nog zoo'n jong ding, en zij liet kindertjes na. Gij moet weten, dat zusje met een eigen neef is getrouwd; zijne moeder is eene zuster van Vader. Vóór dien tijd was hij al eens hier bij ons geweest, maar toen was zij nog een schoolgaand kind, en dacht niemand aan eene verbintenis. 't Gebeurt anders meer, dat kinderen verloofd en getrouwd worden, om later, wanneer beiden groot of volwassen zijn, te trouwen of over te trouwen.

De kennismaking van zusje en haar man is hernieuwd geworden, toen de Gouverneur-Generaal op Semarang was. Usance is, dat jonge meisjes nooit 't huis uit mogen, tenzij om een haar wildvreemden echtgenoot te volgen. Maar, zooals ik u reeds zei, wij hebben reeds met menige traditie gebroken, wat niet anders kan met onze vrije opvoeding. En wij zijn nog steeds doende met nog meer te breken! Kort vóór haar trouwen mag een Javaansch meisje in 't geheel niet 't huis uitkomen, zij moet binnenshuis of als zij een eigen kamer heeft, dan in hare kamer blijven.

En in December waren we met zusje op Semarang, en liepen er de winkels plat, om zelf 't een en ander te koopen.

Gefeliciteerd wordt 't Javaansche meisje niet met haar engagement, en men spreekt er haar ook niet over; nog minder doet zij 't zelve. Zij doet juist, of zij er niets van weet.

Ik zou wel in de harten mijner landgenooten hebben willen lezen, toen zij zusje doodgewoon over haar huwelijk hoorden spreken.

Wij zijn dan ook "vreeselijke" wezens. Och, maar is 't bij de beschaafden niet evenzoo? Daar is men ook spoedig geneigd te _veroordeelen_ wat men niet _begrijpt_.

Wij mogen 't onzen armen onwetenden niet kwalijk nemen, en wij doen 't ook niet.

Een dag of twee vóór de huwelijksvoltrekking worden onze afgestorvenen herdacht. Daar is poëzie in die gedachte. In vreugde herdenken wij steeds onze dooden. Er wordt een offermaaltijd gegeven, waarbij in een gebed door priesters de zegen der afgestorvenen voor het voorgenomen huwelijk van den nazaat wordt afgesmeekt.

Dit gebeurt bij de bruidsfamilie. Mijn zwager kwam met zijne familie op den dag vóór de huwelijksvoltrekking. De eerste gang van een Europeeschen bruidegom bij aankomst op de woonplaats zijner bruid zou zijn naar zijne aanstaande, doch bij ons geen quaestie er van. De bruidegom mag zijne bruid heelemaal niet zien, vóór de band is gesloten; zelfs zijne familie mag haar nog niet zien.

Den dag vóór de huwelijksvoltrekking wordt de bruid in een bloemenbad gebaad, en daarna wordt ze onder handen genomen door de toekang paès (bruids(egoms) aankleedster(er), eene vrouw, die tegen belooning zich speciaal belast met het aankleeden van bruiden).

De bruid neemt plaats op een speciaal voor die gelegenheid vervaardigd kleedje, bestaande uit een matje, waarop katoentjes en zijdjes, genoeg voor een kabaja, op elkaar zijn genaaid; dit wordt 't eigendom der toekang paès. Om haar heen staan allerlei gebakjes, benevens sirih, pinangnoten, pisang, een gendie water, rauwe rijst, een geroosterde kip, en ... een levende kip, en een brandend nachtpitje.

Er wordt wierook gebrand en de toekang paès scheert de bruid de fijne haartjes op 't gezicht en in den nek af; de haartjes op 't voorhoofd worden gelijk geknipt, evenals het haar om de ooren; ook de wenkbrauwen worden met een scheermes gefatsoeneerd. Aan de geknipte voorhoofd-haartjes en 't haar voor de ooren en de geschoren wenkbrauwen herkent men jonggetrouwde Javaansche vrouwtjes.

Tegen een uur of vier 's middags begint men aan 't toilet der bruid. Het voorhoofd wordt met zwarte zalf beschilderd, tot even over de ooren, op deze wijze, en het gezicht geblanket, terwijl het haar kapelvormig wordt gekapt en gevuld met bloemen.

Op het kapsel worden zeven juweelen op spiralen stelen bevestigd, die aldoor op en neer wiebelen.

Een met goud bewerkte kain, een kabaja van zilver gaze de lis en de noodige juweelen sieraden, als broches, halsketting, armbanden, oorknoppen en mouwknoopen voltooien het toilet.

Javaansche jonge meisjes mogen nooit bloemen in 't haar dragen; alleen getrouwde vrouwen mogen dat. Bejaarde vrouwen ziet men dikwijls met bloemen in 't haar loopen.

De avond vóór de huwelijksvoltrekking heet "widodarenni"; "widodari" beteekent engel, hemelsch wezen. Op haar laatsten meisjesavond vergelijkt men 't in het huwelijk tredend meisje met zulk een hemelsch wezen, en wordt die avond gevierd.

Ge hebt wellicht bij Mevrouw Rooseboom de foto's van 't Japansch houtsnijwerk gezien, en ge herinnert u zeker nog de afbeelding van een meubel, dat drie poorten voorstelt. Welnu dat voorwerp heet "kwade" (uitspraak kwadee) en is een meubel, dat bij bruiloften dienst doet.

Het fraaie houtsnijwerk, geheel verguld op een purperen fond, was in een groote zaal in het achtergedeelte van de Kaboepaten opgezet. Alle tafels, stoelen, banken waren uit dat vertrek verwijderd, en de vloer was gedekt door één groot alcatief.

Aan weerszijden van de met gordijnen en bloemen versierde "kwade" stonden twee groote koperen vazen, gevuld met jong klappergroen en bloemen. Deze vazen heeten "kembang majang" en mogen op geen bruiloft ontbreken. Zoowat tegen half acht in den vooravond, toen onze vrouwelijke gasten zich in de "kwade"-zaal vereenigd hadden, waar ze in twee rijen aan weerszijden van de "kwade" op den grond zaten, kwam zusje, aan de hand geleid door onze getrouwde zuster en schoonzuster buiten, gevolgd door een vrouw, die haar sirihdoos en kwispeldoor droeg. Zusje nam voor de middelste poort plaats, tusschen hare familie en de voornaamste gasten in. De sirihdoos en kwispeldoor worden naast zusje neergezet, voor den vorm slechts, want Kleintje eet geen sirih; achter haar wuifde een klein meisje haar koelte toe.

Onbewegelijk als een Boeddhabeeld zat zusje daar op haar gekruiste beenen voor de goudglanzende "kwade", te midden van stemmig gekleede en stemmig kijkende vrouwen der Inlandsche hoofden, die daar naar den rang van haar echtgenooten gezeten waren, aan weerszijden van de bruid. Er werd thee en gebak gepresenteerd; ieder kreeg een kopje thee, en een paar schaaltjes gebak voor zich, en de bruid en de voornaamste gasten kregen ieder een apart theeservies en een blaadje vol schaaltjes gebak. Er was als 't ware een tapijt van gebakjes gespreid voor de gasten, hier en daar onderbroken door gouden, schildpadden, zilveren en houten sirihdoozen en kwispeldoors. Het gezelschap bestond uitsluitend uit getrouwde vrouwen; wij ongetrouwden hoorden er niet bij.

Gij hebt waarschijnlijk wel gehoord, dat er voor den Javaan geen grooter levensmislukking bestaat dan eene ongetrouwd gebleven vrouw, wat meteen eene schande is. Zoo lang is 't ook nog niet geleden, dat men in 't verlichte Europa er zoo over dacht, nietwaar? Wij mogen 't dus van het dommelende, onverlichte Indië niet kwalijk nemen.

Als de bruidegom een moeder heeft, dan zit deze op dien feestavond ook mee aan 't feest van hare a.s. schoondochter.

Onze mannelijke gasten vertoefden met vader in de pendopo[1], terwijl de bruidegom stil thuis bleef, waar hij logeerde. Of zusje blij was, toen tegen half tien de zitting was opgeheven, voor haar alleen. Heel deftig en bedaard schreed ze door de rijen zittende vrouwen de zaal uit, maar nauwelijks was ze uit 't gezicht, of ze _holde_ naar onze kamer toe, om zich van al dat gedoe te ontdoen. Nu was ze weer zusje, ons lief, vroolijk Kleintje, en geen Boeddhabeeldje.

Dien avond werd de Profeet herdacht. Op onze kosten werd in de moskee een groote slametan (offermaaltijd) aangericht en er werd gebeden, den zegen des hemels voor het voorgenomen huwelijk afgesmeekt.

Aan dat maal zitten uitsluitend mannen. Onze vrouwelijke gasten aten bij ons thuis; evenzoo de regenten, die over waren gekomen voor zusje's bruiloft.

24 Januari, reeds vroeg in den morgen, was 't een drukte van belang in de kaboepaten, die er vroolijk uitzag met zijn groen- en vlaggentooi; ook op straat was 't druk en levendig. Vroolijk wapperde daar de driekleur uit het ritselend jong klappergroen, waarmee de weg, die naar 't huis van den bruidegom leidt, was afgezet. In de groengemaakte pasébans[2]--twee huisjes op de aloen-aloen voor de kaboepaten--speelde lustig de gamelan.

Bij ons in de achtergalerij stonden manden kanangas, tjempakas en melaties; vrouwenhandjes regen de bloemen aan slingers, of ontbladerden ze, om er den weg mee te bestrooien, waarover het bruidspaar zou loopen.

Gamelan, bloemengeur, wierook, bedrijvige menschjes, vulden de kaboepaten, en in onze kamer werd aan 't toilet der bruid begonnen. Wederom werd 't voorhoofd zwart beschilderd, maar nu werden de teekeningen versierd met gouden figuurtjes.

Zus lag er bij gedurende de operatie. Achter de zwarte figuren werden zusje twee stukken kantwerk van zwarte was en verguld geplakt als deze teekening. In de gaatjes worden juweelen knoopjes gestoken. Bij andere bruiden wordt dat kantwerk van haar eigen haar met behulp van zwarte was gemaakt. Wij hebben zusje maar valsche stukken opgezet, omdat 't eene pijnlijke bewerking is, en dat arme kind pas van knokkelkoorts was hersteld.

Achter het kantwerk kwam een gouden diadeem. Het haar werd op 't achterhoofd halvemaanvormig gekapt en gevuld met bloemen; daaromheen een sluier van melati met een franje van bloemen, die tot even aan den schouder reikte. Op 't kapsel werden weder de zeven wiebelende juweelen bloemen gestoken; aan weerszijden daarvan een juweelen bloem, waaraan zes bloemenslingers afhingen, achter de ooren om, over de borst tot even over het middel. Deze slingers van één vinger dikte bestonden uit witte bloemen om en om met gouden rolletjes geregen, eindigend in een gele kananga, met melaties volgestoken.

Het wajangcostuum schrijft een décolletée voor, dat hals, schouders en armen geheel onbedekt laat. Al wat zichtbaar was aan zusje, behalve het gezicht, dat geblanket was, was met een geurig zalfje geel geverfd. Zusje droeg een met goud bewerkte kain, waarover eene draperie van met goud bewerkte zijde kwam, terwijl het geheel opgehouden werd door een geel zijden ceintuur met lange afhangende einden, van roode zijde, waarop puntfiguren van goud waren aangebracht.

Een lange donkergroene lap, waarop heerlijk de gouden teekeningen uitkwamen, met een lichtgroen middenstuk, werd haar om het bovenlijf gebonden, armen en schouders geheel vrij latende. Door de gele ceintuur, die "mendologiri" heet, kreeg zusje een gouden, met juweelen versierden drie vingers breeden band om; daaraan werd een bloemenslinger met afhangende einden bevestigd, loopend van de eene heup achterom naar de andere.

Ze droeg om haar hals een collier in dezen trant, dat tot bijna aan haar middel reikte. Om de polsen droeg zij armbanden en om de bovenarmen slangen-armbanden met opgeheven staart en kop, waaraan gouden kwartjes bengelden.

't Was intusschen ver over vijven 's middags geworden. In de "kwade"-zaal vereenigden zich de vrouwen der Inlandsche hoofden in gala. Van de "kwade" af tot de pendopo liep een bloementapijt, daarover zou het bruidspaar gaan.

Zusje werd door de zusters naar buiten geleid en nam voor de "kwade" plaats.

De lichten waren alle reeds aangestoken. In de pendopo stonden de regenten in ambtscostuum; een paar Europeesche kennissen waren er ook, die zusje graag nog voor 't laatst als jong meisje wilden zien.

Op de aloen-aloen, op 't erf van de kaboepaten was 't zwart van menschen; alleen de weg, die met groen en vlaggen was afgezet bleef vrij.

Daar zag men in de verte een gele streep; zij naderde, en men ontwaarde een zwerm opgestoken goudgestreepte zonneschermen, waaronder hunne eigenaren, de Inlandsche ambtenaren in groot tenue liepen.

't Was de stoet, die den bruidegom voorafging; deze reed met de regenten in een open wagen gedekt door een goudglanzend zonnescherm. Van de pasébans en de Kaboepaten klonk gamelanmuziek den naderenden stoet tegemoet.

De stoet bereikte de Kaboepaten, hield voor de pendopo stil; al de Inlandsche hoofden hurkten neer; de bruidegom steeg uit het rijtuig, en ging, geleid door de hem vergezellende regenten de trappen op naar het midden van de pendopo, waar zij alle drie op een groot tapijt neerknielden, zaten en hun eerbied aan Vader en de andere regenten betuigden. De twee regenten traden knielend achteruit en even bleef de bruidegom in wajangcostuum alleen, midden in de pendopo, maar dra vormden de Inlandsche hoofden een carré om hem heen, waarin weder een kleiner carré werd gevormd door priesters. Aan het hoofdeinde zaten de regenten, mede op den grond, en Vader het dichtst bij den bruidegom en den hoofdpriester, die 't huwelijk voltrekken zou. Vader deelde den aanwezigen het doel der bijeenkomst mee, waarna hij den Panghoeloe (hoofdpriester) verzocht zijne dochter in den echt te willen verbinden met den bruidegom. Uit den menschenhoop midden in de pendopo steeg een mystiek gebrom op.

Er werd gebeden.

't Speet mij zoo erg, dat wij er niet dicht bij konden kijken. Een onderwijzeresje, eene vriendin van ons, zusje Roekmini en ik waren de eenige vrouwen in de pendopo, die gevuld was met mannen.

't Was al heel mooi, dat men ons daar toeliet, waar we stonden; wij hadden maar zelf ons die vrijheid gegeven. Maar om heelemaal bij de mannen te zij om de huwelijksvoltrekking van nabij bij te wonen, ging niet; jammer, wij hadden zoo graag de trouwformulieren gehoord en hoe alles in zijn werk toeging. Wij weten alleen maar dat onder het uitspreken van de trouwformulieren de Priester de hand van den bruidegom vasthoudt en deze hem moet nazeggen.

De plechtigheid duurde op zijn hoogst een kwartier, maar ons leken de minuten uren. 't Was zoo plechtig stil in de pendopo; slechts het mystiek gezang der priesters werd gehoord.