Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk
Part 16
Ik dacht bij mezelve, als ik iets vreeselijks deed, dat werkelijk ieders verachting verdiende, en iedereen zich van mij afkeerde, mij smadelijk verstiet, zouden Vader, Moeder 't ook doen? Neen--dat zullen ze niet; ik blijf _hun_ kind, een plaats in hun hart behouden, al had ik 't vreeselijkste gedaan. En er kwam eene groote verteedering over mij. Terwijl wij hier in onze kamer zitten te pieken aan Kleintje's kleeren, (ze wil niet hebben, dat een vreemde er aan komt; wij moeten alles zelf doen), gaat de deur telkens open en komt Vader binnen ... om dit weerspannige hoofd te streelen, waarin zoovele oproerige gedachten woelen.
Over vier weken zal zus niet meer in ons midden zijn. ?Jullie zullen mij erg missen, dat weet ik", zei zij. Eens _alles_ drie geweest, altijd drie bijeen, en dra?...
Wij zullen _nooit_ kunnen vergeten.
[1] De heer Sijthoff was eerst resident van het gewest Japara, en later van het gewest Semarang waartoe Japara ging behooren.
[2] Bij het lezen hiervan zal men wel willen billijken, dat ik de passage op blz. 52 behield.
[3] Wajang orang is eene vertooning door menschen van tafereelen uit de Javaansche oudheid.
15 Februari 1902. (I.)
Als mij iets onaangenaams van de menschen overkomt, dan brengt dat mijn bloed aan 't koken, ben ik verontwaardigd, maar daarna komt er zoo iets als vreugde over me: ik ben blij dat zij 't zijn, die mij het aandeden en _niet_ ik hun, want dan zou ik _laag_ zijn, en als ik dan bedroefd ben, is 't omdat zij met die laagheid mij schandelijk onrechtvaardig bejegenden.
Vergeef me, dat ik nu eerst je schrijf; zoo dadelijk na 't vertrek van onze lieveling, ons harte- en zielezusje, kon ik aan geen schrijven denken, schoon jij me niet uit de gedachten was aldoor. Zus is den 31^{en} Januari van hier naar hare nieuwe woning vertrokken. God geve, dat ons kindje zoo gelukkig mag worden, als een jong, rein, onschuldig menschenkind dat maar bij mogelijkheid worden kan. Je weet hoezeer wij drieën aan elkander zijn gehecht, en dat zij ons beider troetelkindje is geweest, omdat zij niet sterk is en zooveel onze hulp en steun behoefde steeds. Zooveel hebben wij vóór haar trouwen reeds om de a.s. scheiding geleden, dat toen de groote slag viel, wij ongevoelig waren. Wij waren zoo akelig kalm, wij dachten niets, wij voelden niets. Zij ging, en wij zagen haar gaan met droge oogen. We werden bang van ons zelf, wij waren zoo koud, zoo heelemaal zonder gevoel; niets raakte, roerde ons aan. Dat was onnatuurlijk; koud zijn, dat is tegen onze natuur in; we waren bang, dat er iets broeide, iets in aantocht was; dat die ongevoeligheid de voorbode was van iets naars: ongesteldheid of zoo iets. Wij voelden ons zoo leeg in 't hoofd en van binnen. Annie Glaser, ons makkertje, zocht ons veel op, op verzoek van zusje. Op een avond dat zij er weer was, speelde ze zusje's en onze lievelingsstukken op de piano. En daar langzaam ontdooide de ijskorst om onze harten onder de tonen van haar muziek. En met de warmte keerden de pijnen weer terug in onze harten. Goddank, dat wij ons gevoel weer terug hebben! Goddank; zeggen wij, niettegenstaande de pijnen, want wie ongevoelig is voor pijn, is ook niet vatbaar voor de vreugde. Wie niet heeft geleden, kan ook niet hoog genieten.
Zij is weg, ver weg van ons, en wij kunnen 't ons nog maar niet voorstellen, dat zij hier niet meer is, ons kleintje, ons eigen kindje. Wij zien haar overal, ze is om en bij ons als altijd, alleen maar dat wij niet luid met elkaar praten als altijd, maar dit nu slechts in gedachten doen. 't Is ons nog zoo vreemd, dat we naar papier en pen moeten grijpen om haar 't een en ander te zeggen!
Kleintje, ons kleintje, zijt gij dan werkelijk van ons heen? Ah! Dierbaar zusje, wees gelukkig in uw nieuwe leven en verspreid geluk om u heen, zooals gij het hier deed, en waarmee ge harten aan het uwe hebt vastgeschakeld.
Stella, heb veel geduld met me, ik zou je zoo graag gelukkig willen maken met een jubelenden brief, maar dat zal ik nog in lang niet kunnen doen, vrees ik. Maar wees jij niet ontmoedigd, mijn beste, wij denken er in de verste verte niet aan om onze plannen op te geven; wij zijn juist steeds doende om onze positie sterk te maken; heerlijk, dat wij steeds meer sympathie winnen.
Daar is een jongmensch, een erg knappe bol, en zedelijk hoogstaand, die ons niet persoonlijk kent, maar toch zooveel sympathie voor ons streven gevoelt en daarin zoo levendig belang stelt, als was hij een eigen broer van ons. Wij correspondeeren met hem en later zal hij hier komen om persoonlijk met zijne zusjes kennis te maken. Hoe anders is hij dan al de andere jongelui, die wij kennen. Het heiligst goed op aarde, las ik eens, is een _edel mannenhart_. Wij onderschrijven die woorden, waarlijk, een edel mannenhart is 't kostbaarste goed op aarde; het is _zoo zeldzaam_. Gelukkig zij, die in hun leven zulk een parel ontmoeten. En gelukkig zijn wij, wij kennen _eenige_ van dat kostbare en zeldzame exemplaar. Zie, al dat goede steunt ons, geeft ons telkens nieuwen, frisschen moed en kracht tot arbeid en tot strijd.
* * * * *
Zus Roekmini houdt zooveel van je en stelt je zoo hoog. 't Is zoo'n best kind, zij is zoo goed, zoo trouw. Je zoudt zeker goed met haar kunnen opschieten, als je haar kende. Maar je kent haar reeds door mij, niet waar?
Toen ik zoo ziek was, verzocht ik haar je te schrijven, maar dat wilde ze niet, omdat 't je zou verontrusten.
Ik hoop vurig, vurig voor haar, dat zij hare grootsche illusies zal kunnen verwezenlijken.
Weet je wat mij tot nadenken stemde en ook eenigszins ontmoedigde?
Toen zij en naderhand ik zoo zwaar ziek waren, dacht ik bij mezelve: "Ziehier iemand, die gloeit van geestdrift voor eene edele zaak, die oprecht en vurig wil, het Goede dienen, zooals haar dit het beste lijkt; zij waant zich sterk om bergen te verzetten, en zie, daar ligt zij weerloos, machteloos!
Als iemand haar opnam, en in de put gooide, zij zou 't stil laten begaan, geheel weerloos, machteloos, als zij was.
Nu eerst begrijpen we zoo goed, wat de Genestet in zijn "Terugblik" zei:
"Wat wij wenschen, willen, streven, Hooger geest gebiedt. Vrije mensch, uw weg, uw leven, Maakt g' u zelven niet. 's Adelaars vlucht heeft vaste perken, Waar hij henen schiet. De Almacht neigt den wil der sterken, Als de wind het riet. Leg den grond voor--luchtpaleizen, Op der plannen kaart, Merk den weg, dien gij zult reizen Wijd en schoon is de aard! Kies uw lot en zoek uw wegen Bij uw eigen licht!... _Maar verwacht een God van zegen_, Die uw gangen richt!"
En diezelfde dichter heeft ons zooveel troost geschonken in zware, moeilijke dagen.
18 Februari 1902. (VIII.)
Wij kunnen ook wel zoo echt dol en dartel, zoo ècht _jong_ zijn--o! konden wij u hier tooveren. Wij waren den Zondag na ontvangst van uwen lieven brief, en dezen Zondag weer met Anneke aan 't strand. Wij dachten aan u en spraken van u. Ah, kon u maar bij ons zijn, om naar 't woeste golvenspel te kijken, naar 't ongemeen mooie kleurenspel, dat de scheidende zonne tooverde aan het uitspansel. Er woei zoo'n harde wind, in minder dan geen tijd waren onze pruiken gehavend, en hadden wij moeite om onze kleeren bijeen te houden. Er was leven in de boomen, leven in 't onafzienbare watervlak, en leven ook in de vijf personen, die de golven naderden en zich door de golven na lieten loopen. Wat hadden we een pret! Door 't geraas der golven heen, hoorde men onze stemmen, onzen lach. Dat waren de "onderwijzeres" en de deftige "prinsessen", die daar renden en draafden met verwaaide haren en verwaaide kleeren. 't Was zoo verrukkelijk, zoo ècht jong en dartel! Onze koetsier en enkele voorbijgangers bleven staan om ons met open mond aan te gapen.
Den volgenden morgen gingen we weer naar 't strand; de zee was uitgeraasd, kalm; rustig lag daar 't onmetelijke watervlak vóór ons; slechts kleine rimpels, waarop 't zonnelicht als briljanten danste, vertoonden zich op den waterspiegel, die 't prachtige blauw van den hemel weerkaatste. We gingen de zee in; de bodem was effen; geen steentje, geen zeewier, geen modder; we gingen een heel eind ver, tot 't water aan onze kin reikte. De baboe aan 't strand werd angstig; we konden elkaar niet meer verstaan. Zij liep als een gek met hare armen te zwaaien, ons terugroepend. En wij lachten om haar angst. Van uit de verte zag ze de vijf hoofden rond drijven: wij dansten en over het water klonken onze stemmen, die een frisch liedje aanhieven.
Als verjongd kwamen we uit de zee, brachten thuis een geweldigen honger mede. Als we flink ontbeten hadden, zette Annie zich aan de piano. Uit de volheid van haar hart speelde ze een "danklied" en wij zongen mee. 't Was intusschen halfelf geworden. Nu fluks aan den arbeid; in de achtergalerij stond onze schilderdoos klaar! Met ons vijven zaten we om een tafel, en waren dra druk aan den gang; niet alleen de vingers repten zich, maar ook de mondjes zaten niet stil; er werd aldoor gepraat, gelachen en gezongen. In een oogwenk was de tijd om, en moesten we weer aan tafel. 's Middags een toertje maken, en dan aan 't strand wandelen!
Van de wandeling, ten minste, als 't niet al te donker is, in den tuin thee drinken, te midden van groen en bloemen, en boven ons een prachtig blauwe hemel, met enkele sterren en de bleekgouden maan. En daarna samen lezen of musiceeren. Als Annie piano speelt, zitten wij er gewoonlijk bij te handwerken of te schrijven, zoo onder muziek te werken is heerlijk. 't Werk vlot zoo goed. Koken staat ook op 't program. Dat doen wij na de rijsttafel.
Komt u beiden maar zelf over, om u hier te verpoozen van dat drukke Batavia. Toe, doet u 't eens? Wij zullen u opwekken. Wij zullen u laten genieten van een echt dessaleven, zoo rustig, zoo stil, kalm en vredig; voor leven zullen wij zorgen; daarin zullen ons bijstaan de boomen, de wind, de zee, de vogels, die 's ochtends ons steeds met een concert begroeten.
Komt over, lieve Vrienden, komt in ons eenvoudig en stil plaatske nieuwe, frissche kracht halen!
* * * * *
Van de bruiloft hier zal ik maar vertellen, dat Zusje was een lieve bruid.
Zij trouwde in wajang-kostuum en zag er keurig uit. 's Avonds op de receptie verscheen ze als een sprookjesprinses uit duizend en een nacht. Zij had een gouden kroon op en was gesluierd, 't Was als een sprookje! Iets nieuws, het zal stellig navolging vinden.[1]
Resident Sijthoff, die Zus graag nog voor 't laatst als jong meisje zag, woonde de geheele geschiedenis bij. Graag hadden ze haar nog voor 't laatst als jong meisje de hand gedrukt, maar dat was niet mogelijk. Ze konden haar maar met de oogen groeten. Als uit steen gehouwen zat ze daar voor den goud-glanzenden troonhemel; kaarsrecht, het hoofd fier opgericht, de oogen recht vooruit, starend naar de toekomst, die dra ontsluierd zou worden. De gebruikelijke traantjes werden er gestort; zelfs vreemden waren ontroerd; doch èn zij, èn wij tweeën, waren en bleven _kalm, koud_ en _onbewogen_. Gamelan, noch muziek; wierook noch bloemengeur, vermocht de minste ontroering bij ons teweeg te brengen.
Wij waren _koud_. Men had zich het afscheid _vreeselijk_ voorgesteld, en men was _verbaasd_.
Wij hadden veel bekijks en hebben nog steeds veel bekijks. Men is benieuwd, hoe wij ons er onder houden.
Wij hebben den Resident nog over onze plannen gesproken, dien avond nog. Stel u voor, temidden van feestgewoel spraken we over eene zaak zóó ernstig en zóó teer. Maar 't was de eenige gelegenheid om hem alleen te spreken, en wij moesten voortmaken. Alleen! en om ons heen waren menschen en nog eens menschen. Te midden van groen en bloemen, zijdegeglans, goud- en juweelengeschitter, stemmengegons, in een zee van licht zaten wij daar met een champagneglas in de hand, 't was middernacht, over ernstige onderwerpen te spreken. Van tevoren wisten we, dat hij ons zou uitlachen en minstens ons "mal" vinden. Wij lieten er ons niet door afschrikken. Hij sprak mij eerst, daarna Roekmini, om te zien zeker, of wij elkaar al dan niet nabrauwden. Dikwijls verliet hij ons in eene niet zeer vriendelijke stemming, maar kwam toch telkens weer terug, om 't gesprek opnieuw weer aan te knoopen.
Als wij naar Holland _konden gaan_ om te studeeren, _wat zou u_ beiden _beter_ voor ons vinden, dat wij _gingen_ of dat wij _hier bleven_? Wil u ons _hierop antwoord geven_? omdat u mijn gezicht niet kunt zien, terwijl ik dit schrijf, meld ik 't u, dat ik 't u heel lief vraag en daarbij u heel lief aankijk!
Nog een groot verzoek heb ik u te doen. Zou u zoo zeer vriendelijk willen zijn als u uw vriend Dr. Snouck Hurgronje ontmoet, ZEd. te vragen of er bij de Mohammedanen ook wetten van meerderjarigheid bestaan als bij u?
Of zou ik 't wagen, mijzelf tot ZEd. te wenden om inlichtingen? Ik zou zoo graag het een en ander willen weten over de rechten en plichten, of beter nog over de wetten der Mohammedaansche vrouw en dochter. Een mooie geschiedenis, ik moet er mij voor schamen, dat wij dat zelf niet weten. Wij weten zoo bitter weinig!
't Spijt me ook zoo innig, dat de Meisjes H.B.S. wordt opgedoekt. Vreeselijk is 't.
[1] In den brief van 21 Maart 1902 volgt eene uitvoerige beschrijving van de huwelijks-gebruiken na de eigenlijke huwelijksvoltrekking, welke laatste niet door de bruid wordt bijgewoond.
28 Februari 1902. (VIII.)
't Bloed verloochent zich niet; ik hecht waarde, gewicht aan de afkomst van al wat me omringt; ik heb idee, dat voorwerpen afkomstig van personen, die ik onverdeeld eer, liefheb en hoogacht, mij zegen aanbrengen! Uit uwe boeken zal ik zeker met meer lust en ijver, en ik hoop ook met meer gemak, leeren! Vindt u mij nu niet erg dwaas? Ik ben ook niet meer dan een groot kind dat verlangt véél lief te hebben, zoo gaarne _weten_ wil om te kunnen _begrijpen_. Dàt willen wij zoo graag!
Begrijpen is een heel moeilijke kunst, nietwaar, liefste--heel moeilijk om aan te leeren, wien het niet als eene gave aangeboren is.
Begrijpen, doet zacht oordeelen, doet vergeven, en maakt ons _goed_. Innig dank, mijn liefste, dat u beiden ons leeren wilt te leeren begrijpen!
't Is Vrijdagavond, gamelan-avond, onze lievelingsstukken worden daar gespeeld! De ijskorst om onze harten is gesmolten; 't zonnetje heeft de koude harten warm gekust! Nu zijn ze weer vatbaar voor aandoeningen! Op de zoete, serene tonen, die deze zachte avondwind van de pendopo komt aandragen, zweven weer onze zielen òp naar de blauwe hemelen onzer verbeelding!
Droom voort, droom voort, droom zóólang ge droomen kunt! Als er géén droomen waren, wat zou 't leven dan zijn? de werkelijkheid is meestal zoo hard.
Men heeft misschien gelijk, wij moesten eigenlijk alleen op een onbewoond eiland wonen!
Maar dat zou puur egoïsme zijn nietwaar? wij moeten, geloof ik, _met_ en _voor_ de menschen leven. Dàt is de bestemming van 't leven--om het Leven mooi te maken!
Leed loutert, tenminste als de mensch van goed maaksel is; in 't tegenovergestelde geval verlaagt het. Ook wij zijn veranderd --hoe, dat zal de toekomst leeren; wij weten alleen maar, dat we de dartele kinderen niet meer zijn.
Wij hebben al de prulletjes van onze kamer weggedaan, en er de kinderen mee blij gemaakt. De vroolijke meisjeskamer is er niet meer, waar zooveel werd gedroomd, gedweept, gedacht, gevoeld, gejubeld, gestreden en geleden! Alteen onze boekenkast is er onveranderd gebleven, en lachen onze oude vrienden nog steeds ons vriendelijk en vertrouwelijk en bemoedigend toe!
Een onzer beste vrienden, een oudje, waar niet veel meer naar omgekeken wordt, omdat 't ouderwetsch is, ziet men dadelijk, wanneer men hun woning ontsluit. Ons lief, trouw oudje, menigeen haalt er den neus voor op, maar wij hebben hem lief, onzen ouden vriend, die ons nooit heeft verlaten, in vreugdedagen met ons meejubelt, en in smart en donkere dagen ons troost en opbeurt. Het is ... de Genestet.
Het heeft ons in de laatste tijden zooveel troost geschonken!
5 Maart 1902. (VIII.)
Weet u wie de wajangs steeds voor ons teekent? U raadt 't nooit. Een gamelan-bespeler van ons. Verwonderlijk, hoe die man dat kan, en zoo keurig. Maar 't schijnt dat teekenkunst inheemsch is in Japara; kleine katjoengs, karbouwenjongetjes, teekenen keurig wajangs, in 't zand, op den muur, op bruggen, brugleuningen.
De muur achter ons huis zit steeds volgekrast met wajangfiguren. Als de brugleuningen vandaag gewit worden, zitten zij morgen al weer vol wajangfiguren, geteekend met houtskool of een stukje roode baksteen, door naakte, bemodderde aapjes.
't Is wel makkelijk voor ons, om een teekenaar in onze omgeving te hebben; willen wij 't een en ander hebben, dan hoeven wij 't maar te zeggen en uit te leggen.
Nu is de houtsnijder bezig aan iets moois, n.l. een boekenkast van djatihout, met sonohouten randjes. De deur, die uit één glazen ruit bestaat, wordt gevat in een dubbele lijst, twee smalle uitgesneden repen sonohout op kleine afstanden samengevoegd door wajangs en djatihout; aan den benedenkant worden de lijsten vereenigd door slangen, die op elkaar losstormen; het bovenstuk wordt met wajangs besneden; en er komt dan nog lofwerk op. Het bovenstuk rust bij de deur op twee stijltjes, uitgesneden en ingelegd met snijwerk van sonohout. Wij zagen iets dergelijks op Mantingan, het graf van den Sultan van Mantingan ('t ligt een half uur rijdens of iets meer van hier); geen houtsnijwerk, maar pleisterwerk en in de muren gemetseld. 't Zijn oudheden van China afkomstig, waar de Sultan geweest was.
Daar is een heel verhaal aan verbonden. Het is een heilig graf; wij gaan er nog al eens naar toe. Een Chinees was den Sultan uit China hierheen gevolgd; hij ligt daar ook begraven. Naast zijn graf groeit een patjéboom. Aan dien boom is een wonderkracht toegeschreven. Kinderlooze vrouwen, die gaarne een kind zouden krijgen, gaan er naar toe, brengen den Sultan bloemen en wierookoffers. Als er een patjévrucht op 't graf van den Chinees valt, moeten de vrouwen ze oprapen, daarvan roedjah maken en eten. Haar wensch zal dan vervuld worden. Men heeft ons namen genoemd van personen, die daar baat bij vonden.
Edie heeft gelijk, 't Javaansche volk is een volk van sagen en sprookjes!
Men zegt, dat kinderen, waarmee de Sultan van Mantingan de kinderloozen zegent, allen meisjes zijn! Arme kinderloozen! Wij zullen naar een heilig graf zoeken, dat de wereld met jongens zegent; er zijn al veel te veel vrouwen op de wereld!
Hemeltje, wat ben ik aan 't dwalen geweest. Ik schreef over die kast en vergat ze geheel. Dat mooie meubel is bestemd voor zusje Kardinah, een cadeau van de familie Ovink. Zuske boft er bij!
Verleden maand zijn twee vuurschermen klaargekomen, voor een controleur, die naar Holland gaat. Prachtige dingen--ook met wajangfiguren--het eene, uit drie blaadjes bestaande, is geheel van djattihout gemaakt; en het andere uit één blad djatti hout, gevat in donker sonohouten omlijsting. Prachtig, gewoon!
Heerlijk, dat zooveel vraag is naar ons Japarasch houtsnijwerk. Verbeeld u wat wij op ons dak kregen: er is bederf getreden in de Japarasche houtsnijwerkindustrie, doordat dochters van een hooggeplaatsten Inlandschen ambtenaar aldaar steeds voortgaan de houtsnijders naar Europeesche modellen en motieven te laten werken. Het heeft in een der bladen gestaan. We stonden er verstomd van te kijken, toen wij dat hoorden, daar wij altijd gedacht hadden, dat wajang specifiek Indisch was, en nu blijkt 't, dat wij ons vergist hadden, dat 't iets Europeesch is, want dat waren de modellen en motieven van de kaboepaten afkomstig. Maar vergissen is menschelijk, niet waar? en wij zijn maar menschen, Javanen nog wel. 't Was een heele toer geweest om onze artisten over te halen wajangpoppen te snijden. Ze waren doodsbenauwd dat de wajanggeesten op hen vertoornd zouden worden. Eerst toen Vader hun verzekerde, dat Vader alle verantwoordelijkheid op zich nam, en de toorn en de wraak der geesten hèm alleen zullen treffen, hem, den lastgever, en niet hen, die slechts uitvoerders waren van zijn wil, wilden zij. Vermakelijk was het! zoo is het met meer dingen.
't Was ook heel moeielijk geweest om eenige foto's in de kampong te maken. Het bijgeloof zegt, dat men zijn eigen leven kort, als men een portret van zich maken laat, en een photograaf is een groot zondaar; al de portretten, die hij maakt, zullen in het hiernamaalsche hem om levens vragen.
Toen wij met een photograaf in een kampong kwamen, begonnen eenige vrouwen te huilen, maar toen er eindelijk één moedige was, die _durfde_, droogden zij hare tranen, en toen wij weer eens terugkwamen, boden zij zich aan, om gefotografeerd te worden.
Zoo is 't met alles, hè liefste; één moet _durven_, voorbeeld geven!
Zusje R. is bezig een portret van zusje K. als bruid te maken. Zij teekende 't uit 't hoofd. De bovenlip en neus willen nog niet goed lijken; het overige kan er mee door, vooral de bruidstooi heeft zusje aardig gedaan. Zij wil probeeren het op een bord na te boetseeren, op de wijze zooals u 't ons beschreef. Van zusje Kartinah heeft ze in haar schetsboek een aardig portretje gemaakt. Aardig toch, dat ze al die dingen doet, zonder 't ooit geleerd te hebben, maar zij is ook een kind van Japara, waar zelfs karbouwenjongens teekenen kunnen. Bevoorrecht land toch dat Japara! U weet niet hoe trotsch wij op ons lieve woon zijn! En velen, die hier moeten zijn, verwenschen het noodlot, dat hun naar dit onmogelijke oord voerde. Verschil van smaak!
Nu even een "ijdelheidskwestie". Onlangs vroeg ik eene Hollandsche schrijfster haar oordeel over ... mijn Hollandsch. Verleden week kreeg ik een briefje van haar en daarin gesloten een schrijven aan eene andere Hollandsche dame, aan wie ze juist haar oordeel zeide over mijn Hollandsch, toen zij mijn brief ontving. Hoe toevallig toch en aardig! Ik was blij natuurlijk! Een week tevoren kreeg ik door tusschenkomst van eene vriendin, van eene andere Hollandsche dame, redactrice van een vooruitstrevend vrouwenorgaan, eene aanbieding, om medewerkster aan haar blad te worden, om de 14 dagen een brief er voor te schrijven. Mijne vriendin had die dame over ons gesproken, en zij voelde veel voor ons streven, en wilde gaarne door middel van haar blad wat voor de Javaansche vrouwen doen. Ook zij was van oordeel dat een kind van het Javaansche volk zelf haar stem moest laten hooren, om de Hollanders een beteren kijk op het Javaansche volk te doen krijgen, en hun sympathie te doen opvatten voor dat volk. Ik wil dolgraag, maar moet natuurlijk eerst toestemming van Vader hebben, en ik heb er goede hoop op, die te krijgen.
14 Maart 1902. (I.)
Er spreekt zoo'n groote bezorgdheid uit je brief.
Wees nu gerust, lieveling, er heeft niemand mij kwaad gedaan. Ik zelf, domme, onverstandige ik, was 't, die mijzelf kwaad deed. Ik vond er genoegen in om in eigen zielewonden te wroeten, vindt je dat nu niet in-dom? Ah, de practijk van de theorie "door lijden tot heerlijkheid" is zoo hard!
Over mijn zusje schreef ik je reeds in een vorigen brief, 't Is zoo'n groot gemis; wij missen ons harte- en zielezusje bij alles. Wij kregen gelukkig steeds opgewekte brieven van haar. O! 't Is zoo'n lief en edel kind! zij is _meer_ dan wij beiden tezamen. Zij heeft 't heel goed in haar nieuwe woon en ondervond veel hartelijkheid van 't publiek. Haar nieuwe familie draagt haar op de handen, en waar zij kwam, daar ondervond zij veel hartelijkheid en sympathie van Inlandsche zoowel als van Europeesche zijde.
De Europeanen verwachten van haar, dat zij de vrouwen van de Inlandsche ambtenaren zal ontwikkelen. Zusje kan _veel_ doen voor onze zaak.