Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk

Part 15

Chapter 153,878 wordsPublic domain

Wij ook weten, evenals Barthold Meryan, wat ons _wacht_, als wij blijven neerknielen voor het altaar onzer innigste zielsbehoeften, een altaar dat slechts _verrijzen kan_ op de _puinhoopen_ van _alles_, wat ons tot dusverre het _heiligste_ en _dierbaarste_ is geweest.

Daar was een vrouw uit 't volk n°. 2 geworden van een Inlandsch ambtenaar. De eerste vrouw, die niet wel bij 't hoofd was, ging na een poos van hem af, hem een troep kinderen nalatende. N°. 2 werd officieele vrouw, en was eene zorgzame, liefhebbende moeder voor hare stiefkinderen. Zij was zeer ijverig, werkte hard om de inkomsten van haar man te vermeerderen, ten einde zijne kinderen een goede opvoeding te kunnen geven. En dat de zoons allen terecht kwamen, was grootendeels aan haar te danken. En nu komt de _dank_. Op een keer, dat hij naar de stad was gegaan en laat in den avond thuis kwam, riep hij zijne vrouw om buiten te komen. Er was een gast meegekomen, waar zij voor zorgen moest, een kamer klaar maken enz. Zij kwam buiten; de gast was eene jonge vrouw. En toen ... en toen vertelde haar man haar, dat die gast was zijne vrouw ... en zij, zijne oude, moest voortaan alles met haar deelen.

Ontzet, verstomd stond zij hem aan te kijken, zij begreep hem niet; maar toen de vreeselijke waarheid tot haar doordrong, zakte ze zonder eenig geluid in elkaar. Toen zij weder bijkwam, vroeg ze op staanden voet echtscheiding aan. Eerst wilde hij er niets van weten, maar zij drong en dwong, tot hij ten laatste zwichtte en haar het gevraagde briefje gaf. Nog dien nacht ging ze 't huis uit, te voet door woud en bosch naar hare oudes in de stad. Hoe ze er kwam, wist ze niet; toen zij weer denken kon, was ze bij hare familie, die haar vertelde, dat zij langen tijd ziek gelegen had.

Later, toen ze weer bijkwam, keek ze den brief eens in, dien ze haar man in dien vreeselijken nacht had afgetroggeld; en 't bleek, dat ze nog niet van hem was gescheiden, dat 't briefje bevatte haar signalement, en de mededeeling, dat zij van hem weggeloopen was.

Hij had heel geen plan om haar heur vrijheid terug te geven. Later verzoende zij zich met hem. De andere ging het huis uit, en in een ander wonen, en zij behield haar oud rijk. In dien vreeselijken nacht zwoer zij een duren eed, ze slikte zand in, _nooit, nooit_ zou zij de hand leenen om 't recht van een ander te verkrachten. Zij had 't gedaan als kind; hare ouders hadden haar op 14-jarigen leeftijd aan den man uitgehuwelijkt. Ze wist niet, wat ze deed, ze gehoorzaamde slechts haren ouders, en--zij was er gestraft voor geworden. Zij wist nu wat een hellepijn het is, als men door eene andere verdrongen wordt van de zijde van een echtgenoot. Zij is haar eed trouw gebleven. Niet lang geleden huwde haar man een nichtje uit aan iemand, die reeds eene vrouw had. Zij weigerde pertinent eene hand uit te steken om wat voor de bruiloft te doen en trotseerde den toorn van haar man. In haar huis is de bruiloft _niet_ gehouden geweest.

Wij kennen haar heel goed, en hebben veel achting voor haar. Wat ze is, dankt ze zichzelve; zij heeft zichzelve opgewerkt. Niets had ze van huis uit geleerd; ze heeft lezen geleerd en verscheidene boeken heeft ze met _vrucht_ doorgewerkt. Wij stonden dikwijls verstomd over hare gezegden, die getuigden van veel en diep nadenken en gezond verstand. Zij is waarlijk eene bijzondere vrouw (er zullen er _meer_ zijn), die niets heeft geleerd en gezien, maar denkt en voelt als wij, maar zij heeft ontzettend geleden. Haar lijdensgeschiedenis is niet eenig; zooals zij hebben velen vóór haar geleden. Maar waar zou ik eindigen, als ik u van Inlandsch vrouwenleed verhaalde? Wie niet ziende blind en hoorende doof is, weet hoè er geleden wordt in onze wereld. Ruk ons 't hart uit 't lijf en de hersens uit 't hoofd, als men ons veranderen wil.

Lang voor u mij die woorden van Zangwill uit "Droomen van het Ghetto" zond, sprak Kleintje ongeveer dezelfde gedachte uit, ofschoon in andere bewoordingen natuurlijk. Wij aten taart of zoo iets, klein zusje kwam aanloopen en wilde er ook van hebben, er was geen schoon bord bij de hand en zusje Kartinah zeide: "Eet maar van 't bord van Joe-Joe, dan wordt je ook knap als zij", waarop Kleintje heftig uitviel: "Neen, niet doen, blijf maar dom. Knap zijn is niet voor iedereen een geluk. Ongelukkig is 't om te kunnen denken en niet te mogen; om te kunnen voelen, te kunnen, te willen, en 't niet te mogen. Blijf maar dom". Er lag een wanhoopskreet in die woorden.

* * * * *

Op een keer dat ik overweldigd van moreele pijn roerloos tegen den muur leunde, met wijdopen oogen, die niets zagen, starende in de lucht, trof een smartkreet mijn oor, die mij tot de werkelijkheid terugbracht. Over mij boog Vader zich, zijne armen hielden me omvat, en beurden me op, zijn gelaat was van mij afgewend. Dat was de smartkreet eener gewonde ziel, die trilde in den uitroep: "ach neen, zoo niet, zoo niet! Ni! Vader zal er met anderen over spreken, heb geduld!"

"Monster, spook, gilde het daarbinnen, dat je hem zoo lijden laat, wreedaard!"

Met zijn arm om me heen geslagen, bracht Vader me naar de achtergalerij bij de anderen.

Welk eene gewaarwording voer me weer door de ziel.

O! Vader, waarom de stem van 't eigen hart niet gehoord, gevolgd? waarom geluisterd naar de stemmen van buiten? Waarom anderen, die _niets_ voor ons _gevoelen_ en ons onverschillig zijn, in die zaak gehaald, waarin _uw eigen geweten_ beslissen moest, en belanghebbenden _alleen uw stem_ vroegen, behoefden?

O! een daad maar, één daad van moed, en de gapende afgrond, die ons dreigt te verslinden, zoude gedempt zijn!

Vader _vindt_ onze _ideeën mooi, erkent_ ons _verlangen_ naar _kennis_ en _rechtvaardigheid_. Dat was geen _scherts_, toen Vader ons verleden jaar toestond om een zelfstandig bestaan te veroveren.

't Brengt ons zóó in opstand te bedenken, waarom wij onderdrukt worden. Waarom moeten wij terug? waarom moeten wij geknot, gekortwiekt worden? Om _kleingeestige, kleinzielige menschenpraatjes_.

Wij moeten dáárom afstand doen van onze idealen, om een kleinzielige, kleingeestige menigte tevreden te stellen.

Als 't _noodzakelijk_ was, _onvermijdelijk noodzakelijk_, dat we afstand deden van onze illusies, ja, dan moest het; maar zóó is 't niet, alles draait om het spil; _publieke opinie_! Alles wordt bedorven daarom! Alles wordt daaraan opgeofferd.

De menschen zullen dit, zullen dat zeggen, als wij gingen doen, wat wij zoo zielsgraag willen. En _wie_ zijn dan _die menschen_? Bah! En om die menschen moeten onze neigingen onderdrukt, verstikt worden, en wij naar 't donker terug?

Dit te bedenken maakt ons _helsch_.

De sympathie der denkende wereld is veel, ja zeker. Of wij niet weten hoe zij genieten als beschaafden en ontwikkelden ons aanhalen; maar 't domme lachen der niet begrijpende menigte is _meer_, is _meer_ zelfs dan de stem van 't geweten. Kunnen wij er in berusten?

Er is zooveel gesproken, geschreven over de vooruitstrevendheid van ons huis, over 't vooruitstrevende geslacht der Tjondronegoro's. Lang reeds is Grootvader gestorven, maar zijn naam leeft voort, wordt met eerbied en sympathie genoemd door wie van hem weet of hoort. Grootvader was de eerste, die zijn zoons, ook zijn dochters, eene Europeesche opvoeding gaf. Grootvader was baanbreker, was waarlijk een hoogstaande man.

Wij hebben het _recht niet om dom_ te zijn.

Vader heeft veel sympathie in de Europeesche zoowel als in onze eigen wereld, en waarom?

Vader heeft geen enkel regent tot schoonzoon, maar Vader heeft zijn kinderen, zoons en dochters, tot _denkende wezens_ gevormd. Dat is een _verdienste_, dè verdienste, die Vader _veler achting_ en _sympathie_ heeft doen verwerven. En de achting en sympathie der _weldenkenden_ zullen niet _verminderen_, maar zullen _toenemen_, als Vader _zijn werk_ kroonde met ons toe te staan onze innigste zielsbehoeften, die Vader zelf opriep, te bevredigen. Maar de spotlach der niet begrijpende menigte is meer--o!

Onze opvoeding was komedie--_schitteren_ was het _doel_. Wij moesten en zouden schitteren, met echte of valsche steenen, om 't even. En wij mogen het niet kwalijk nemen; ook in de maatschappij, door wier licht wij onze zielen kennen, staat de _schijn_ in hoog aanzien. Arme dwazen, die Waarheid liefhebben boven den almachtigen koning _Schijn_. Ook wij zullen komedie spelen, dat verplicht ons onze trots, die niet gedoogt, dat de wereld onze zielewonden ziet.

[1] Panghoeloe = bedienaar van den godsdienst.

[2] Tinka's = kuren.

[3] Aloen-aloen is een uitgestrekt grasveld met enkele groote boomen vóór de woning van regenten.

[4] In een lateren brief van 21 Maart 1902 vindt men eene meer uitvoerige beschrijving.

31 December 1901. (VIII).

Wij willen niet langer op een wrak schip varen. Er moet iets gedaan worden aan die diep treurige zaak. Wij zullen al heel, heel gelukkig zijn, als maar de aandacht der weldenkenden daarop gevestigd is. Ik heb meer dan eens met vrouwen van Inlandsche hoofden en vrouwen uit de volksklasse over het idee van het onafhankelijke, zelfstandige, geldverdienende meisje gesproken, en 't kwam telkens hierop neer: "Er moet één zijn, die voorbeeld geeft." Wij zijn overtuigd, dat, als een den moed heeft om te beginnen, velen zullen volgen. Werkelijk het zal géén onbegonnen werk zijn. De quaestie is maar: één moet voorgaan, en het voorbeeld moet _goed, degelijk_ zijn. De een wacht op de ander; niemand durft de eerste te zijn; de ouders wachten op elkaar: wie zal den zedelijken moed hebben, om zijne dochter zelfstandig, onafhankelijk te laten worden, op zichzelf te doen staan? Wij kennen een regentsdochter, van onzen leeftijd, die ook een en al geestdrift is voor het vrijheidsidee. Zij zou dolgraag verder willen leeren. Zij spreekt keurig Hollandsch en heeft veel gelezen. 't Is de dochter van den Regent van Koetoardjo[1]; er zijn twee groote meisjes, allerliefste kinderen, wij mogen ze dolgraag. Ik weet van eene onderwijzeres, eene kennis van ons, dat 't oudste meisje dolgraag studeeren wil.[2] Van haar zelf wist ik, dat ze o zoo graag Europa zou willen zien. Het tweede meisje is ook een lief, aardig kind. Een paar jaar geleden zijn ze hier bij ons geweest; toen ze thuis kwamen, hebben ze direct schilderen geleerd, en nu schildert de jongste keurig. De vader zegt, dat 't zoo'n groote steun is voor den man, wanneer de vrouw wat geleerd heeft. Hij waardeert zeer de beschaafde, ontwikkelde vrouw. Wij hebben eene andere, getrouwde dochter van hem gesproken, die wel geen Hollandsch spreekt, maar toch op de hoogte van alles is, en zeer veel voelt voor de vrije, onafhankelijke Europeesche vrouw. Zij zou 't idealig vinden, als 't ook zoo in de Inlandsche wereld was.

Er is eene andere regentsdochter hier geweest, een Soendaneesch meisje, dat geen woord Javaansch spreekt, en met ons in 't Hollandsch converseerde.

De eerste vraag, die ze mij deed was: "Hoeveel moeders hebt u?" Ik keek haar met pijnlijke verbazing aan. (Zij was in huis bij Europeanen opgevoed). En dan ging ze door (schrik niet): "Ik heb 53 moeders, weet u, en ben met ons 83 (zegge drie en tachtigen). Ik ken de meeste mijner broers en zusters niet; ik ben de jongste, en heb mijn vader nooit gekend; die was gestorven vóór mijn geboorte". Is 't niet diep, diep treurig?

In vele streken van de Preanger hebben de adellijke meisjes vrije keuze, velen kennen haren aanstaanden echtgenoot. De jongelieden kennen elkaar en verloven zich op Europeesche wijze. Gezegend land! en toch--en toch! Daar is een meisje, eenig kleinkind van een regent, (de ouders zijn dood), heeft eene _prachtige opvoeding_ genoten. Naar hetgeen haar onderwezen werd te oordeelen, moet ze een wonder van geleerdheid zijn; zij speelt keurig piano, enz. enz. Zij is verloofd op Europeesche wijze en getrouwd--met iemand--die _vrouwen_ en een troep kinderen, waaronder volwassenen zijn, heeft. Ik heb met eene schoondochter van haar kennis gemaakt, een lief Hollandsch sprekend vrouwtje, moeder van een tweejarig kind; zij was 17 jaar oud--een jaar of twee jonger dan hare schoonmama. Zij heeft haar man zelf gekozen, vertelde ze mij, en is heel gelukkig.

* * * * *

Het idee om _alles_ wat ik _denk_ en _voel_ over dieptreurige dingen in onze Mohammedaansche vrouwenwereld te publiceeren, bestond bij me reeds lang. Ik dacht er over het in boekvorm op te stellen: eene briefwisseling tusschen twee regentsdochters, eene Soendaneesche en eene Javaansche. Reeds heb ik een paar brieven geschreven ter inleiding en aanteekeningen gemaakt. Het idee zal ik _niet_ laten varen, al zal 't misschien nog eenige jaren duren, voor ik het uitvoeren kan. Vooral zal ik 't niet opgeven, nu ik weet, dat dat ook het idee is van Mijnheer. De groote moeielijkheid is, dat Vader mij niet toestaat zulk een geschrift te publiceeren. "Dat ik de Hollandsche taal machtig ben, is heel mooi, zegt Vader, maar ik mag daarvan niet gebruik maken om mijne meening te zeggen".

Wij meisjes mogen geen meening hebben, wij hebben alles maar goed te vinden, en ja en amen te zeggen, op wat anderen goed dunkt.

Reeds een paar jaar geleden vroeg eene Hollandsche schrijfster van naam, redactrice van een damesblad, waarmee ik correspondeer, en voor wie ik heel veel sympathie gevoel, een brief van mij te mogen publiceeren, waarin ik even die quaestie heb aangeroerd. Mogelijk kon publicatie gedachtenwrijving uitlokken, en dit zou goed aan de zaak doen. Zij zou mij onherkenbaar maken; naam, woonplaats, alles verzwijgen; alle particuliere dingen er uit laten, en alleen die gedeelten plaatsen, waarin ik 't over zekere zeden en gewoonten van mijn land heb. De brief is naar Java teruggezonden, om aan Vader voorgelegd te worden. En 't _mocht niet_--later ... Ik wist wat dit later beteekende, als ik onschadelijk zal zijn, 't Raden Adjeng in Raden Ajoe veranderd is. De dame kwam nog eenige keeren daarop terug, maar 't bleef bij een _neen_.

Onlangs had zij het weer er over. Mevrouw Ter Horst, redactrice en oprichteres van 't Indische damesblad "de Echo", die persoonlijk veel van het Inlandsche vrouwenleven kent en in medelijden heeft met de adellijke meisjes in de Vorstenlanden, die als 't ware zoo maar worden _uitgegeven, cadeau gedaan_ aan wie haar hebben willen, stelde me haar blad ter beschikking. Ze stelde me voor, om daarin een causerie van twee regentsdochters te openen. Geheimhouding voor zoover het noodig is, is absoluut zeker. Ook schetsjes uit onze wereld zullen goed aan de zaak kunnen doen. Ik gaf Vader den brief te lezen, verkreeg toestemming; maar vóór ik iets heb kunnen doen, werd zij weer ingetrokken. Ik mocht voorloopig mijne meening niet zeggen ... alweer was het: later....

De heer Boes van Probolinggo schreef Vader en vroeg mijne medewerking voor zijn blad: "De Nederlandsche Taal", tijdschrift voor Inlanders.

Ik mocht, schreef den Heer Boes, kreeg een brief terug, er werden mij eenige onderwerpen ter behandeling gegeven: "Inlandsch onderwijs voor meisjes", "iets over Inlandsche kunst" en "een nuttige Inlandsche instelling".

Toen zijn we naar Batavia gegaan. Er kwam zooveel tusschenbeide nog, ik kon niet aan de pennerij doen, en daarna werd ik toch zoo wanhopig om het wel mogen vandaag, en morgen weer niet, dat ik mijne paperassen verscheurde. Echt dom van me.

Ik kan bij wijlen en tijden zoo'n driftkop zijn. Ik was wanhopig; ik mocht alleen onzin schrijven; ernstige dingen mocht ik niet aanroeren.

Toen ben ik gaan denken, als ik over die dingen schreef, zou ik stellig heel de Inlandsche wereld tegen mij hebben, en als ik dan onderwijzeres werd, _wie zou mij_ zijne kinderen willen toevertrouwen? Ik zou gewoon krankzinnig verklaard worden. En toch, dat denkbeeld is mij zoo lief, om door middel van de pers onze zaak te dienen. Stel u voor een school zonder kinderen, eene onderwijzeres zonder leerlingen!--maar zoo ver zijn we nog niet. Wij moeten eerst zien, hoe wij zouden kunnen studeeren. Wij zullen eerst trachten Vader over te halen ons verzoek aan den Gouverneur-Generaal te steunen.

Wij zullen er maar niet al te zeer op vlassen, dat ons verzoek zal worden toegestaan. En o God, als 't niet wordt toegestaan, wàt dan? Dan rest ons nog maar één weg: accoucheuse worden. Wij zouden dan onze ideeën van voorgaan en voorlichten moeten opgeven; alleen ons nuttig maken voor eene beperkte menigte zouden we nog kunnen, maar dit vinden we zooveel, veel beter; verkiezen we, boven een baantje als boekhoudster, of apothekersbediende b.v. Ons leven zou in deze betrekkingen zoo leeg, zoo dor zijn; wij zouden voor _ons_ alleen leven, en wij willen leven voor de Gemeenschap, ons geheel daaraan geven.

Ik heb volledige inlichtingen over de Rijkskweekschool voor verloskundigen te Amsterdam, waar men geheel kosteloos voor dat vak wordt opgeleid. _Moeten_ wij dien weg opgaan, dan zullen wij de hulp inroepen van Prof. Hector Treub. Het maakt wel degelijk verschil in de oogen onzer landgenooten, als wij accoucheuse werden, waar wij onze opleiding genoten hebben. Zij zullen het zoo min niet vinden, als wij in Europa opgeleid worden.

De cursus duurt twee jaar. Hoe wij in dat geval naar Europa zouden kunnen komen? Wij weten 't niet, maar er moet iets op gevonden worden.

Maar wij zullen hiertoe niet overgaan, voor we _alles_ beproefd hebben, om tot dat andere te kunnen geraken.

* * * * *

Och, konden wij maar contact hebben met onze beschaafde, vooruitstrevende jonge mannen, zooals Abdoel Rivai e.a.; hun sympathie voor onze zaak winnen, wat zou dat veel goed doen! O! wanneer zal toch de tijd aanbreken, waarop jongens en meisjes, mannen en vrouwen elkaar als gelijke wezens zullen beschouwen, als kameraden? Zooals 't nu is in onze Inlandsche maatschappij--bah! wat worden wij vrouwen toch _vernederd_, telkens en telkens weer!

[1] Destijds Raden Adipati, thans Pangeran Poerbo Atmodjo.

[2] Dit was o.a. ook het geval met de dochters van den Regent van Karanganjar, Raden Toemenggoeng Tirto Koesoemo, die enkele jaren geleden eene Inlandsche meisjesschool hebben opgericht, welke subsidie van de Regeering verwierf, en thans eene Gouvermentsschool is, tot heden _de eenige_.

3 Januari 1902. (VIII.)

Maar de Resident zal ons wel zien en spreken; ZEd. was 't, die ons 6 jaar geleden te voorschijn haalde; op zijn verzoek kwamen wij naar buiten; vóór dien tijd kwamen wij nooit in gezelschappen, betraden wij zelfs de pendopo niet, en moesten allen, die ons zien en spreken wilden, bij ons in de binnenkamer of achtergalerij komen. 't Is wel aardig om die periode te volgen, hoe wij stap voor stap den weg der Vrijheid opgingen. De Heer Sijthoff[1] was 't, die ons den eersten stap hielp doen. Nu staan wij op 't punt om een nieuw tijdperk in te gaan. De zes jaren, die achter ons liggen, zijn onze gelukkigste jaren--veel geweend, maar ook veel gejubeld!

* * * * *

Toen wij op Semarang kwamen, kwam mijn oudste zus over; zij woont in 't Kendalsche. Zij had rust noch duur voor zij ons drieën gezien had. "Zus, zus", was alles wat ze zei, toen ze mij zag. De armen, die om mij heen werden geslagen, trilden, en hare oogen waren omfloersd door tranen. Oog in oog, hart aan hart, stonden wij daar zwijgend met ons beidjes--wij begrepen elkaar. Eindelijk hebben wij elkaar gevonden![2]

Wij hebben innig, innig medelijden met zus; men kan zóó zien, dat zij zoo graag met ons mee wil en zich van hare onmacht is bewust. Eindelijk dan _na jaren_ vinden wij bij haar sympathie en waardeering. 't Geeft ons moreele satisfactie en weer meer _moed_. Zij was eerst beslist tegen al dat nieuwe, was beslist conservatief en nu...?

Aardig om hare bewondering voor de jongere zusjes te zien. Verwonder u er dus maar niet over dat wij ijdel en pedant zijn! Dat zij nu door hare bewondering erkent, dat wij niet kwaad zijn, wat wij doen niet slecht, doet ons goed, maar pijn doet 't ons aan den anderen kant toch ook.

Zij heeft een besten man. Ik heb hem kort geleden pas _leeren kennen_, wij drieën zagen hem slechts enkele keeren, wisselden een paar woorden met elkaar, en daarmee was alles gezegd.

Den laatsten keer, dat wij hem zagen, hebben wij lang met elkaar gesproken--en ik vind, dat zus een prijs heeft getrokken uit de huwelijks loterij. Hij heeft ook de Hoogere Burgerschool bezocht en een paar klassen afgeloopen en is toen bij 't Binnenlandsch Bestuur gegaan. Mijn schoonbroer heeft nu geen vader meer. Al zijne broers en zusjes hebben de Europeesche school bezocht. Een broer van hem zit nog op de H.B.S.; hij zit in de 4^{de} en moet dit jaar naar de 5^{de} klasse overgaan. 't Is een vlugge jongen. Een neef van hem, regent, ried mijn schoonbroer aan, den jongen van school af te nemen; hij zou dan wel zorgen, dat hij terecht kwam. Telkens kwam die neef erop terug, maar zwager wilde daar niets van weten. "Wat, hem van de studie weghalen? Zeker, en dan hem schrijver van een assistent-wedono op _f_ 15 of _f_ 20 tractement laten worden? Geen quaestie van; hij moet de H.B.S. afloopen, en dan bij den handel gaan of bij het spoor".

Flink zoo zwager, hij aanbidt dus niet de goudgestreepte pajong en W. knoopen! Mooi van zijne moeder, vindt u niet, om dien jongen toch door te laten leeren, terwijl zij thuis nog vier kinderen heeft?

Wat is het toch heerlijk om veel geld te hebben; men kan er anderen zoo gelukkig mee maken. Ik wilde wel, dat ik over tonnen te beschikken had, dan stuurde ik dien jongen naar Europa, om verder te studeeren.

Ik ken ook een meisje, die de kloosterschool op Semarang bezocht, en nu wegteert. Arm, arm meisje! zij was aan een heel ander leven gewoon; nu als wedono's dochter, ziet en spreekt ze niemand, en kwijnt weg. Als zij iets had geleerd, waarmee zij geld verdienen kon, zou 't dan zoo zijn met haar? Voor zulken moet 't voorbeeld gegeven worden, dat _arbeid adelt_, dat een Inlandsch meisje niet van familie hoeft afhankelijk te zijn, als ze dat zelf niet wil.

Is er grooter vernedering dan afhankelijk te zijn? Als zij een vak had geleerd, dan was ze nu vrij en zelfstandig! En wat lot wacht haar, als zij leven blijft?--Natuurlijk moet zij trouwen.

Niet lang geleden kwam hier een wajang orang[3] troep, en een van de dansvrouwen was ... een regentskleindochter! Wat is oorzaak van die degradatie?

Vroeger was 't geen gewoonte om de kinderen te laten leeren; nu is 't iets alledaagsch. Maar als men een stuk of 25 kinderen heeft, kan men hun toch niet allen een goede opvoeding geven?

Er is gevraagd naar de oorzaak der vermindering van het prestige van den Inlandschen adel. Werd die quaestie toen aangeroerd, dat men _'t recht niet heeft levens te verwekken_, als men _niet laten leven kan_? Och wat ben ik toch onnoozel!

Aan alles, alles doordenkende, stijgt uit mijn hart een kreet, een bede op: "Geef den Javaan opvoeding!" En bij die opvoeding moet niet alleen op het verstand gewerkt worden, maar ook op 't gemoed.

En telkens als ik dingen zie of hoor, die mij doen rillen van afschuw, of mijn hart bloeden doen, stijgt als een kreet de bede in mij op: "Geef den Javaan opvoeding!"

Eene groote illusie is het van mij, om ons eens in verbinding te stellen met alle ontwikkelde, vooruitstrevende mannen van Indië. Als één mensch alleen ben ik machteloos, maar als de jonge garde zich vereenigde, zouden wij met vereende krachten iets goeds tot stand kunnen brengen. Wij gloeien van geestdrift, wanneer wij knap geschreven artikelen van onze landgenooten lezen. Hoe zullen wij ons toch met hen in verbinding kunnen stellen? Nu is 't bijna een volstrekte onmogelijkheid. Men zou ons dadelijk _verdacht_ maken. Vriendschap tusschen man en vrouw, tusschen jonge menschen van beiderlei kunne, acht men onbestaanbaar. Als onze broer terug is, zouden wij 't pas kunnen doen.

* * * * *