Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk
Part 14
Een jaar of 15 geleden zond de Nederlandsch-Indische Regeering op hare kosten vier Inlandsche jongelieden naar Holland, om daar onder leiding van een bekwaam hoofdonderwijzer opgeleid te worden tot onderwijzer. De wil om naar Holland te gaan om daar zich te bekwamen tot onderwijzer om later, met meer vrucht dan wanneer ze in Indië hunne opleiding genoten hadden, te werken aan de beschaving hunner landgenooten, was niet uit hen zelf, maar was uitgegaan van iemand wien de ontwikkeling van Indië zeer ter harte gaat.
Anders is 't met ons gesteld. Hier is de drang, 't verlangen naar _Licht_ uit eigen diepgewortelde overtuiging geboren, verkregen door eigen leed, in medelijden en medevoelen van anderer leed, en nadenken.
* * * * *
Met de uitvoering van onze plannen wachten we slechts op Vader's toestemming. Vergeeft 't een Vader, Stella, dat hij aarzelt zijne kinderen aan eene onzekere toekomst prijs te geven. Als de eerste baanbreeksters hebben wij _allen tegenstand_ en _vooroordeel_ te bestrijden en te overwinnen, en dat dit niet zonder veel teleurstellingen en verdriet zal gaan, is zeker.
En welke ouders zullen hunne kinderen niet zielsgraag voor leed bewaren willen? welke ouders zullen niet met een bezwaard en beklemd hart hun kinderen aan een moeilijk leven vol strijd en teleurstellingen, dat 't lot is aller baanbrekers, wijden?
Ik weet niet, of ik wel naar Holland zal gaan om te studeeren, als mij die gelegenheid geboden werd. 't Is altijd eene groote illusie van mij geweest, en is 't nu nog, om in Holland te gaan studeeren. Verleden jaar, toen 't denkbeeld geopperd werd, dat ik thuis zou gaan studeeren, heb ik er mij met hand en tand tegen verzet. Als ik studeer, wil ik goed studeeren, en dat kan ik alleen òf in Holland òf op Batavia. Holland is onbereikbaar voor me, als ik er met eigen middelen komen moet, dus op Batavia had ik mijn hoofd gezet.
Thuis zou ik niet goed kunnen studeeren, d.i. ik zou mij _niet geheel_ aan de studie kunnen wijden, wat met 't oog op mijn leeftijd wel noodig, zelfs dringend vereischt is. Huiselijke en conventieplichten zouden me te veel van mijn werk afhouden. Mij er aan te onttrekken als ik thuis bleef, is _onmogelijk_. Ik stak dus mijn hoofd op daartegen; dat was verleden jaar, toen was mijn best Vadertje _gezond_ en _sterk_; nu is vader het niet meer, helaas!
Vergeef 't eene dochter, Stella, als zij eens, wanneer haar de gelegenheid mocht geboden worden, haren hartewensch te vervullen, waaraan in de toekomst veel heil voor anderen kon verbonden zijn, daarvan afziet, omdat haar hart zich niet losmaken kan van een vader, die geheel haar leven lang voor haar één liefde en toewijding is; wien zij alles, wat zij is, dankt; en die, met eene zwakke gezondheid sukkelend meer dan ooit hare _toewijding_ en _liefde behoeft_. Stella, ik ben _kind_, ik ben _dochter_, niet de _vrouw_ alleen, die met hart en ziel verlangt zich geheel te geven, te wijden aan een schoon, grootsch werk dat tot nut en zegen zal strekken voor velen; ik ben ook kind met de innigste banden der teederste liefde en warmste dankbaarheid gehecht aan een ouden, grijzen vader, _oud_ en _grijs_ geworden in de zorgen voor zijn kinderen, waarvan ik hem misschien 't liefst ben, omdat onze karakters zooveel punten van aanraking hebben, wij zoo één zijn in denken en voelen. Stella, gij die mijne groote liefde voor hem kent, en daarnaast mijne liefde voor hetgeen ik als onze _roeping_ beschouw, en van mijne innige gehechtheid aan mijne dierbare zusjes weet, zult kunnen begrijpen. wat een zwaren tweestrijd 't mij zal geven, als ik eens voor de twee keuzen zal staan: mijn vader, afscheiding van de zusjes, voor 't grootste gedeelte afstand doende van mijne roeping, òf afscheiding van mijn vader, vereeniging met de zusjes, mij geheel gevende aan onze roeping!
Vader is _zwak_ nu, heeft _dikwijls oppassing_ en _steeds toewijding_ noodig, mijn _eerste_ plicht is mij aan _hem_ te _wijden_.
Noem 't een klein belang, maar o, Stella, ik zou nooit een oogenblik rust kunnen hebben, als ik mijne roeping volgend, ver van Vader zijnde, hem _lijdend_ en _hulpbehoevend_ wist!
Schoon, edel is 't werk, waartoe wij ons geroepen voelen, ons te wijden aan _groote_ belangen, te werken aan de opheffing van de verdrukte Inlandsche vrouw, van het Inlandsche volk, kortom iets te beteekenen voor de Gemeenschap, te werken aan de eeuwigheid; maar ik zou 't nooit voor mijn geweten kunnen verantwoorden, wanneer ik mij aan anderen gevend en wijdend, mijn armen ouden Vader, die toch de eerste rechten heeft op mij, alleen liet lijden en sukkelen, terwijl hij mij _noodig_ heeft.
Een der ideeën, die ik verbreiden wil is: heb _eerbied_ voor al wat _leeft_, voor zijne _rechten_, zijne _gevoelens_; zonder noodzaak en met noodzaak toch te schromen anderen zelfs 't geringste leed te doen; het gansche idee is, onze medeschepselen zooveel wij 't vermogen voor _leed_ te bewaren, en alzoo hunne levens helpen te vermooien; en dan daar is een hooge, heilige plicht, die heet _dankbaarheid_.
Zou ik deze ideeën ingang bij mijn volk kunnen doen vinden, indien ik, die ze verkondigde, ze in de praktijk _negeerde_?
Mijn kinderplicht mag ik niet verzaken, maar ook niet de plichten, die ik tegenover mezelve heb te vervullen, vooral niet als mijn zelfverwezenlijking niet alleen eigen geluk insluit, maar ook nut zal hebben voor _anderen_. De quaestie is nu de twee _groote plichten_, die ik te vervullen heb, en die _lijnrecht_ tegenover elkaar staan, zooveel mogelijk met elkaar te doen harmonieeren. De oplossing van dit vraagstuk is voorloopig, dat ik mij aan mijn vader wijd, en toch de studie niet verzaak. Ik ga hier thuis dan zelf studeeren voor 't onderwijs, zoover als men 't door zelfstudeeren, gerugsteund door krachtig willen en volharding, brengen kan. Om de hoofdacte te behalen, moet men eerst in 't bezit zijn van de hulpacte en een bewijs van twee jaar voor de klasse te hebben gestaan. Zelf heb ik reeds lang over dit plan nagedacht, maar Mevrouw Abendanon heeft 't den doorslag gegeven, toen ze eenigen tijd geleden ook met dat idee aankwam. Al wachtende op verdere beslissingen van 't grillige Lot, gaan wij drieën zelf studeeren; welk vak 't Lot de zusjes ook aanwijzen zal, het geleerde zal haar steeds te pas komen.
Wij hebben sedert twee maanden een onderwijzeres op de plaats, in wie wij eene lieve, hartelijke vriendin gevonden hebben. Zij is nog heel jong, een flink en degelijk meisje, dat familie en vaderland verlaten heeft om hier haar brood te verdienen. Zij komt veel bij ons. Toen ik haar van ons plan vertelde, was zij dadelijk bereid ons in en met alles te helpen, zooveel ze 't zelf kan. Ze heeft behalve de hulpacte nog acte Fransch. Dadelijk is ze gaan informeeren, welke leerboeken er op de normaalscholen op Soerabaja en Batavia gebruikt worden voor de studie van hulpacte. Over al wat ze aan leerboeken bij zich heeft mogen we beschikken, en wat ze niet heeft, zullen wij van de familie A krijgen.
Later wil ik ook examen doen in de Inlandsche talen, Javaansch en Maleisch.
Jammer maar, dat die ellendige ziekengeschiedenis er tusschenbeide is gekomen, anders waren we nu al flink aan den gang; natuurlijk dat ik al dien tijd niet in een boek heb kunnen kijken. Annie Glaser, dat is de onderwijzeres, gaat eerdaags van 't hotel verhuizen naar eene familie hier; zoodra zij hare zaken geordend heeft, zal ze ons of mij alleen aan 't werk zetten. Mijne arme zusjes mogen nog niets in handen en vooral niets aan haar hoofd hebben. Zij voelen zich erg ellendig onder dat nietsdoen, maar handen en hoofd zijn nog zoo moe.
Hoe denk je wel over al deze hoogvliegende plannen?
Als je maar niet zegt: "Mensch, mensch, je zweeft in te hooge sferen", dan ben ik al tevreden.
Weet ge wat ik gemerkt heb van velen onzer vrienden? dat zij een te hoog denkbeeld hebben van ons. Zij schrijven ons kundigheden en gaven toe, die wij _niet_ bezitten. Wij moesten soms wel eens lachen om hun enthousiasme. 't Spreekwoord "liefde is blind of verblind" is hier van toepassing. Je moet eens hooren waartoe ze ons al niet in staat achten. Wij voeten diep onze eigen kleinheid, wanneer onze vrienden ons zoo in de zon zetten; klein en toch o, zoo dankbaar voor de liefde, die daaruit spreekt. Een vriend van ons zou gaarne zien, dat ik door mijne pen werkte aan de opheffing van ons volk. Ik moest een tijdschrift of zoo iets oprichten, gewijd aan de belangen van 't volk, en daarover de redactie voeren; of ik moest medewerkster worden aan de voornaamste dagbladen en tijdschriften in Indië en daarin stukken op pooten schrijven, die zelfs de vast slapenden moeten wakker schrikken!!! Had ik geen gelijk met mijne bewering, dat hier 't gezegde "liefde verblindt" van pas is?
Als ik de hulpacte heb, zal ik wel 't huis uit moeten èn om voor de hoofdacte te studeeren èn om voor de klasse te staan. Daartoe bieden de kloosterscholen op Batavia gelegenheid. Je geeft er les in de vakken van lager onderwijs, en krijgt daarvoor in de plaats eene vrije opleiding voor de hoofdacte benevens vrije inwoning, kost, bewassching en geneeskundige behandeling. Maar dit heeft nog tijd; eerst de hulpacte halen en dan--komt tijd, komt raad!
Een naar idee om van de zusjes te scheiden; zij vinden 't verschrikkelijk, maar ik niet minder; vooral om te bedenken, dat wanneer haar toegestaan wordt, wat zij vragen, zij zoo ver van ons en in een geheel vreemd land zullen zijn. Gelukkig, dat zij daar een broer zullen hebben, die evenals ik zielsveel van onze zusjes houdt. Die broer is een en al geestdrift en sympathie voor onze ideeën, waarin hij zijne eigen denkbeelden terug vindt. Met hem hebben we een verbond gesloten en wanneer hij zijne studiën zal hebben voltooid, zal hij zich bij ons komen voegen om samen te arbeiden aan de verwezenlijking van ons gemeenschappelijk ideaal!
Verrukkelijk is 't, zooals hij opgaat in de ideeën zijner zusters en daarmee sympathiseert. Zoo iets geeft bezieling, tilt je omhoog en stuwt je voorwaarts, evenals die heerlijke groote sympathie en innige belangstelling van je 't ons doen. Er is ook nog een ander jongmensch, Europeaan, die ons alleen maar door zijne moeder, onze vriendin, kent, die ook groote sympathie heeft voor onze zaak en daarin levendig belang stelt. Die groote sympathie en warme belangstelling van vrienden, bekend en onbekend, zijn ons zoo'n _grooten steun_. Deze zedelijke steun hebben wij zoo noodig! Geef jij mij dien altijd, hé, Stella?
[1] Mejuffrouw E. van Loon.
[2] Destijds Dr. H. Bervoets.
18 October 1901. (VIII.)
't Kan in 't leven soms toegaan of alles er op is toegelegd onze levenskracht te breken. Alles komt te zamen, onweer en stormen breken met donderend geweld over ons los, 't woeden der orkanen schijnt te zeggen: "neêr, gij nietig mensch neêr in 't stof!" Alleen sterken van hart en geest vermogen zich staande te houden in zulk een storm, weerstand te bieden aan de wreedheid en hardheid van wereldmachten.
't Komt mij voor dat juist zij, wier hart en geest sterk zijn, 't meest bezocht worden door datgene, dat men Noodlot heet! Foei wat ben ik somber, dat komt zeker doordat ik in den laatsten tijd zooveel ellendigs heb gezien en doorleefd. O! nietig wurmpje, dat ik ben, dat al siddert en beeft, als 't de roe nauwelijks op zich voelt neerkomen; hoe wil ik toch troosten en opbeuren?
U mag mijn land _niet_ verlaten vóór we u nog eens hebben weergezien, en vóór ... vóór u uw drietal _gelukkig_ weet.... wij werkelijk een overwinning hebben behaald over datgene, dat ons _laag_ bij den grond wil houden, en van ons stomme, ziellooze voorwerpen wil maken. Maar dat zullen ze _niet_ kunnen. Zij kunnen uwe meisjes _breken_, maar buigen _niet_. Met uw beider steun zullen, _moeten_ wij er komen!
Daar zijn drie jonge harten, die u warm tegenkloppen, harten die u aan het uwe heeft gehecht, die harten vertrouwen zich aan u toe! U zult ze nooit verlaten, nooit nietwaar? al wordt de afstand, die ons inderdaad van elkaar scheidt ook nog zoo groot, dat de snelste stoomer nog weken er voor noodig heeft om hem te overbruggen. Aan dien tijd, die eenmaal komen zal, denken wij 't liefst niet. Wij kunnen dat idee niet uitstaan, dat u ook eens onbereikbaar ver van ons zal zijn. Roekmini en Kleintje hebben besloten om géén nieuwe banden meer aan te knoopen; na u willen zij niemand meer liefhebben. Mijn dwaze meiskens, wat weet men toch vooruit te zeggen, over onze harten te beschikken? Liefde en sympathie komen ongeroepen, leggen 't arme harte vast, zonder te vragen of 't gewenscht is of niet.
20 November 1901. (VIII.)
Men moest eigenlijk maar nooit iets beloven, tenzij aan zichzelf, omdat men niet vooruit weten kan, wat er gebeuren zal. Zoo zal men anderen menige teleurstelling besparen. Hoe oprecht de belofte ook gemeend is, en de wil om haar na te komen ernstig, er kunnen onvoorziene omstandigheden als ziekte b.v. komen, die ons 't naleven van onze belofte onmogelijk maken. Er is bij ons Javanen een geloof, dat wie zijne belofte niet nakomt, bezocht zal worden door een oeler weling (vergiftige slang). Deze slang doet den belover herinneren aan zijne belofte; komt hij deze niet spoedig na, dan zal hij weder slangenbezoek krijgen, nu van een oeler welang, wiens beet doodelijk is. Als dit gebeurt, dan is 't niet geraden, langer te talmen met 't nakomen der belofte, en zal met den belover een ongeluk gebeuren. Dit slaat alleen op beloften aan heilige geesten gedaan. B.v. als men aan de geesten van heilige afgestorvenen bloemen, wierook, een slametan enz. belooft. De slangen zijn door hen afgezonden om den mensch zijne beloften te herinneren. Maar wat doe ik toch met u dit Javanengeloof te vertellen? Vergeef me, 't viel me zoo in onder 't schrijven.
Ik heb wel degelijk een flink standje verdiend voor mijn lang wegblijven, want dat was grootendeels uit indolentie. Ik ben niets tevreden over mijzelf! Hoe kwam ik toch zoo intens lui te zijn en energieloos; ik begrijp het zelf niet. Ik weet alleen maar dat ik mij aldoor niet heel wel gevoelde. Bepaald ziek ben ik niet; maar recht gezond toch ook niet; loom, lusteloos, mat en moe; onzin!--hypochondrie--daar! Ik moet me maar flink aanpakken en veel, veel werken. Daar zit 't hem juist; _werk_ is 't, dat ik noodig heb; werk, dat ik liefheb. En nu komt mijn stommiteit: omdat ik niet hebben mag, wat ik hebben wil, keer ik mij van alle anderen af en zit er over te tobben. Dat is zwakheid, groote zwakheid. O! die dagelijks terugkeerende _lamme_ strijd mat zoo af. Ik kan beter de roe verdragen dan die aanhoudende speldeprikken. En dan heb ik zóóveel akeligs bijgewoond en doorgemaakt in den laatsten tijd. Mijn zenuwen zijn wat van streek, de dokter zegt ook: _werk_. Mijn vurig temperament speelt me parten, ik kan niets uit mijn hoofd zetten, wat ik er eenmaal in heb, en moet er voortdurend aan denken.
29 November 1901. (VIII.)
Wij wisten dat 't u beiden innig leed zou doen, hetgeen mijn brief u berichtte. Het zal u zeker genoegen doen te vernemen, dat, ofschoon de stand der zaak nog dezelfde is, we nu _kalm_ zijn. 't Is nu niet meer nacht in ons gemoed, een groote rust en kalmte is daarin gedaald. Door duisternis en nevelen heen zien wij de heerlijke lichtende gedaante, die ons wenkt met vriendelijke hand: ons Ideaal!
Neen, wij _weten_ 't nu, wij kunnen er niet meer afstand van doen, 't is één geworden met ons bestaan. Een afscheiding daarvan zal onze ondergang zijn. 't Is niet vandaag, niet gisteren, dat wij _gedacht, gevoeld, geleden, geleefd_ hebben voor onze zaak! Men moet ons een nieuw hart, nieuwe hersenen en nieuw bloed in de aderen geven, om ons _anders_ te doen denken en voelen. Wie eenmaal zijn _ziel_, 't goddelijke in den mensch, heeft _gekend_, haar kreet om _Licht_ heeft vernomen en _verstaan_, zal haar nooit weer kunnen vergeten.
Wat u mij schrijft, heb ik alles _gedacht, gevoeld, doorleefd_. Lang, lang geleden, heel in den beginne van ons toetreden tot elkaar reeds, heb ik den zusjes meermalen gezegd, gesmeekt, gebeden, zich van mij los te maken, zich niets, niets aan mij gelegen te laten.
Wat ben ik, wie ben ik, hoogmoedige dwaas, dat ik kalm aanzie, rustig toelaat, dat de zusjes met mij medegaan? Ik ging vreemde, onbekende wegen op, die leiden moesten naar den hemel, maar me brengen in de hel. En deze laatste nog eerder dan de eerste; de hel is vlak bij en licht te bereiken, en de hemel zoo ver en moeielijk te naderen.
?Ja, zeiden de zusjes, noch jij noch iemand anders kan ons denkbeelden ingeven, met vrucht in ons hoofd en hart zaaien, zoo niet wijzelf daartoe reeds aanleg hadden. Wij gaan samen den hemel in of de hel".
Mijn mooie trouwe zieltjes, _niet_ zij hebben van mij geleerd, maar ik was en ben nog steeds _hare leerling_. O! zooveel hebben ze mij geleerd!
Hoe kon 't anders, dan dat wij één in denken en gevoelen zijn geworden? Alles, innerlijk en uiterlijk heeft meêgewerkt, dat wij _één_ werden. Heel ons leven lang zijn we samen geweest. Cijfer daarvan het grootste gedeelte weg, de jaren dat wij alleen voor 't _uiterlijke_ naast elkaar leefden, en houd er slechts de _zes_ laatste jaren van over, en ga die na. Zielen, die één oogenblik maar in groote sympathie samen zijn geweest, kunnen elkaar nooit weer vergeten; hoe dan de onze, die _zes_ jaar in volkomen harmonie naast en met elkaar hebben geleefd. Die jaren tellen tienvoudig.
Wij zien hetzelfde, hooren hetzelfde dag aan dag en bespreken alles met elkaar. In alles vinden wij elkaar; neigingen en smaak stemmen overeen. Wij lezen dezelfde bladen, tijdschriften, boeken, houden met elkaar over het gelezene uitwisseling en wrijving van gedachten. De oudjes zien onze _eensgezindheid_ gaarne, en moedigen die _zeer_ aan, minder door woorden dan wel door daden. En hunne ingenomenheid met de drie-eenheid ging zóó ver, dat zij zelfs soms onbillijk waren tegen degenen, die er buiten stonden, 't driebond bevoorrechten boven de anderen.
* * * * *
't Is juist 't ongelukkige, dat bij ons het trouwen _geheel buiten_ 't meisje om kan geschieden. Om een huwelijk aan te gaan, heeft men slechts de toestemming van den vader, oom of broeder van de vrouw noodig. Bij de huwelijkssluiting is de tegenwoordigheid van het meisje in 't geheel niet noodig. Alleen als zij vader, oom, noch broeder heeft, is hare tegenwoordigheid bij de huwelijkssluiting vereischt. Onze beschermers kunnen ons uithuwelijken aan wien zij willen. Alleen in één geval mogen onze ouders ons niet dwingen te trouwen, n.l. wanneer de huwelijkscandidaat van een minderen stand is dan wij. Ouders mogen hunne dochters niet dwingen met iemand beneden haar stand te trouwen. Dat is ons eenige wapen tegen den willekeur onzer beschermers.
Om te trouwen heeft de man slechts met den vader, oom of broeder van 't meisje naar den panghoeloe[1] of iemand anders te gaan, en het huwelijk wordt gesloten, ook al wil het meisje daar niets van weten. Getrouwd wordt ze, als hare ouders het willen.
Mama kende eene vrouw, die weigerde te trouwen. Ze stierf liever dan met den persoon te huwen, dien hare ouders voor haar bestemden. De hemel was genadig, drie maanden vóór haar huwelijk nam de cholera haar weg; was ze in leven gebleven, men zou zich niet aan hare weigering gestoord hebben en haar hebben uitgehuwelijkt ondanks haar protest.
Er is niets nieuws onder de zon; ook vroeger waren er weerspannige dochters. Men heeft ons steeds voorgepredikt, dat wij _blindelings_ onze ouders moeten _gehoorzamen_. En datzelfde zei men van eene jonge vrouw, die zich onderwierp aan dat gebod, den man volgde aan wien ze was uitgetrouwd en zich ongelukkig voelde met hem: "Onzin (tinka's[2]), waarom _wilde_ ze dan trouwen? Als je getrouwd bent, dan heb je 't ook _gewild_. Als je een man volgt, dan heb je 't ook gewild; en als je gewild hebt, mag je niet klagen".
Toen ik den brief en de twee artikels van Mijnheer ontving, stonden we op 't punt om naar een bruiloft te gaan. Usance is 't niet, dat jonge meisjes naar een bruiloft gaan en mede in een bruiloftsgezelschap aanzitten, maar Mama gaf er royaal hare toestemming toe. Als de bruidsmoeder, eene oude kennis van ons, er niet zoo op aangedrongen had, dat wij 't groote feest der bruid met onze tegenwoordigheid zouden "vereeren", dan waren wij o, zoo graag weggebleven. Voor wij vertrokken, zagen wij van ons huis uit de stoet van den bruidegom moskeewaarts gaan. 't Regende, dat het goot; 't rijtuig, waarin de bruidegom zat, was gesloten, eveneens de andere rijtuigen, die het volgden. Goudgestreepte pajoengs staken de aloen-aloen[3] over.
't Was een sombere stoet; wij werden er door ontroerd, 't Deed ons denken aan een begrafenisstoet. Ten huize der bruid gekomen, vonden wij haar kant en klaar voor de "kwade" (troonhemel) gezeten, wachtende op den bruidegom, die nog in de moskee was. Vader kwam ook mee en zag er zeer bleek uit! Arme, arme Vader!
Wij zaten op den grond dichtbij de deur, 't oudje tusschen beide zusjes in. Wierook en bloemengeur vulden 't vertrek, waar de bruid en wij zaten. Gamelantonen en een zacht gegons van stemmen drongen van buiten tot ons door. Van de bruid gingen mijne oogen naar mijn buurmeisje, en van haar naar Vader, die buiten zat. De gamelan sloeg een welkomstlied aan; de bruidegom was aangekomen.
Twee vrouwen vatten de bruid bij den arm, hieven haar op, en leidden haar den man tegemoet, die ook aan de hand geleid door twee personen haar naderde. Op eenige passen afstands van elkaar gekomen, wierpen bruid en bruidegom elkaar een opgerold sirihblad toe; nog eenige passen elkaar tegemoet getreden, en beiden zonken neer, zaten tegenover elkaar op den grond. Op hare knieën schoof de bruid zich naar hem toe en beleed voor de menigte hare onderdanigheid aan den man. Vlak vóór hem gekomen maakte zij eene eerbiedige sembah, en kuste daarop ootmoedig hem den voet. Weder een deemoedige sembah, en beiden rezen op om hand aan hand naar te kwade te gaan en er voor plaats te nemen.[4]
"Joe, Joe, fluisterde Kleintje vroolijk me toe, met stralende oogen en een guitigen trek om den frisschen mond: "hè, wat zou ik dol, dolgraag een bruidspaar willen zien, dat lachend elkaar tegemoet komt en met tintelende oogen elkaar sirih toewerpt. Dat moet natuurlijk één zijn van de jonge generatie, een bruidspaar, dat elkaar _kent_. Wat zou dat leuk zijn, hè Joe? Zal 't gebeuren eens? ik zou 't zoo gaarne, dol, dolgaarne willen zien."
"De tijd zal komen," zeide ik werktuigelijk en glimlachte, maar o, hierbinnen, 't was of mijn hart met dolksteken werd doorpriemd.
En aan mijne andere zijde zat met stralend gelaat en tintelende oogen ons zusje!
Van de tengere, broze figuur aan mijn zijde, dwaalde mijn blik naar buiten en vestigde zich op de groote, forsche figuur, die omringd zat van Inlandsche Hoofden. Juist keek hij, voor wie de menigte in deemoedige houding was gezeten, onzen kant uit, en ik zag een gelaat zoo bleek en bedrukt. Weer een vlijmende pijn hierbinnen. O! waarom? waarom? kreet in wilde vertwijfeling het wanhopige hart.
Den volgenden dag greep ik zonder te zien een boek, ik wilde lezen om mijn geest te verstrooien. Ik sloeg het open en wat las ik? "Gebed van den onwetende" van Multatuli. Een dag of wat geleden stak ik weer op goed geluk af de hand uit naar een boek. Weer was 't Multatuli, dat ik opensloeg, en 't eerst wat ik las, was "Thugater". Nog steeds blijven mij de woorden in de ooren hangen: "Vader, zeg haar: dat _weten, begrijpen_ en _begeeren zondig_ is voor een _meisje_".
Weinig had zeker de groote, geniale schrijver vermoed, toen hij die woorden neerschreef, dat ze eens _diep, diep_ gevoeld zouden worden door de dochters van het volk, dat hij zoo lief had en voor wiens belangen hij zooveel, ja àlles ten offer had gebracht.