Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk

Part 12

Chapter 123,882 wordsPublic domain

Dit is ook zoo'n ongelukkig land, waar onze oom regent over is; de bevolking ziet ieder jaar met angst en beven den westmoesson tegemoet, die altoos 't land _verdrinkt_. Ik weet niet, hoeveel tonnen gouds de Regeering reeds voor de waterwerken aldaar uitgegeven heeft, maar er is daar elken westmoesson nog steeds watersnood. Maar, hoe ellendig 't hier ook kan zijn, men is toch altijd nog gelukkiger dan onze minbedeelde broeders en zusters in 't verre Europa, die naast honger nog koü te lijden hebben in den winter.

Ik heb hier een werk van Fielding pas uit Holland gekregen; 't handelt over 't Boeddhisme en moet volgens de recensies, die ik ervan gelezen heb, heel, heel, mooi zijn. 't Is uit het Engelsch vertaald door Felix van Ort, redacteur van "Waarheid en Vrede". U zult hem zeker wel kennen van naam. Dat is de idealist, die propaganda maakt voor zijn heel-mooie overtuiging: "het kwaad overwinnen door liefde". Heel mooi in theorie, maar o zoo moeilijk in practijk. Wij voelen er heel veel voor, lazen ook zijn mooi boek: "Naar 't groote Licht", dat alle brandende vraagstukken van den dag behandelt.

't Zal al zoo gauw een jaar zijn geleden, dat wij u zagen op Depok. Toen hadden wij er nog niets geen idee van, hoe allerprettigst die kennismaking zou worden. Ik zie u nog aan den trein staan en vragen of "de Regent van Japara ook meegekomen is". Ik kan 't niet begrijpen, dat 't al gauw een groot jaar geleden is; mij is 't, of 't gisteren pas is gebeurd. Wat vliegt de tijd toch!

Van Mevrouw A. kreeg ik daarnet een brief, zij beiden maken 't niet zoo goed ....

Dat waren weeldedagen voor ons, die dagen bij die lieve, lieve hartelijke vrienden op Batavia doorgebracht! Van vriendschap, liefde, sympathie kunnen die inhalige schepsels, die Javaansche vriendinnetjes van u, nooit, nooit genoeg hebben. En die vonden wij daar zooveel!

't Is eergisteren een jaar geleden, dat 't "gelukkigste aller gelukkige gesternten" hen tot ons voerde, die sedert onafscheidelijk zijn aan ons bestaan. Dien middag van de verjaring onzer kennismaking brachten wij op Klein-Scheveningen, ons verrukkelijk mooi strand door, ons nu zooveel te dierbaarder, omdat dáár wij haar hebben gevonden, die zóóveel moois in ons leven bracht.

De zee was goddelijk mooi, zoo effen, en welk een kleurenspel tooverde daarop de ondergaande zon! 't Was of men één reusachtige parelmoerschelp zag. In 't Westen de hemel in gloeiende zonnebrand; in 't Zuiden, waar hemel en zee elkaar ontmoeten, was 't teer violet. Hoe weldadig deed dat prachtig, diep blauw, boven onze hoofden, onze oogen aan, na al dat schitterende, dat verblindde! En daar te midden van al dat mooi, gezeten op 't reinwitte strand, met onze voeten in 't water, leefden wij weer eens dien droom van geluk door!

Wat een dwaze, dweepzieke wezens, zult u zeker denken! Och, jeugd en dwaasheid, jong en dwepen, dat hoort nu eenmaal zoo bij elkaar! Wij hopen innig, dat wij altijd zoo dwaas mogen blijven, nooit verstandig worden, verstandig zijn, dat zoo koud, zoo koel maakt! En wij huiveren voor alles wat koud en koel is, en toch liever ijskoud dan lauw!

Wij hebben helaas tot nog toe onze vrienden, de familie Ovink, op Djombang nog niet kunnen bezoeken tot ons groot verdriet. Wij verlangen heel erg naar elkaar, maar telkens als wij wilden gaan, kwam er verhindering. Als wij daar komen, zullen wij stellig naar Modjowarno gaan, waar wij zooveel van gehoord hebben. Mevrouw Ovink vertelde ons zooveel goeds van de familie Bervoets, die zij hoog waardeert. Mijn oom van Demak en zijne familie zijn ook op Modjowarno geweest, en riepen daarover ook zoo.

Als u mij eens met een brief mocht verblijden, zou u dat genot dan nog grooter voor mij willen maken, door heel, heel veel van u zelf, uw werk en de menschen, waaronder u beiden leeft, te vertellen? Wat duurt 't lang, voor een brief van Gorontalo uit gepost, Java bereikt! men kon haast even goed naar Holland schrijven, 't duurt bijna even lang de overtocht!

In Juni hebben wij de geheele familie over gehad, kinderen, behuwdkinderen en kleinkinderen, allen bij elkaar, neen, toch niet allen, één plaats bleef ledig, die van onzen besten broer in Holland. 't Was zoo gezellig, al die lieve gezichten weder bij elkaar te zien, en met weemoed gedachten we onzen lieven afwezige. Dat is zoo'n lieve, hartelijke jongen, waar wij allen innig veel van houden. Weemoedige gedachte voor ouders, dat de kleine wezentjes, voor wie ze alles zijn, die héél van hen zijn, eens hun niet meer zullen toebehooren, verlaten om ieder zijn eigen weg te gaan.

19 Augustus 1901. (V.)

Wat zult gij dat erg onaardig van mij gevonden hebben, dat ik zoo lang zweeg, op uw lieven brief, uwe allerliefste uitnoodiging en die vriendelijke toezending van dat lieve kiekje, waar ik zoo blij mee ben. Dat zwijgen was geenszins aan onhartelijkheid te wijten, maar de door en door gezonde Kartini vond 't nu eens aardig voor de variatie zieke zus te spelen. 't Was wel zoo leuk om eens erg vertroeteld te worden, en vond ik 't zoo erg niet om eene kleine ongesteldheid een beetje te overdrijven. Als geen van de oogenparen, die mij zoo bezorgd hebben aangezien, nu maar over mijne schouders heenkijkt en dit leest. Jongen, jongen, wat zal ik er dan van langs krijgen! Die zusjes van me kunnen iemand de ooren wasschen hoor, dat verzeker ik u. Maar wat doe ik nu, kwaad vertellen van mijn beste zusjes, 't is wat moois!

* * * * *

Niets is onmogelijk in deze wereld! en wat wij vandaag voor eene groote onmogelijkheid uitkrijten, is morgen een voldongen feit!

Er is eene gisting in de Inlandsche maatschappij, de geest om "vooruit" te komen is tot haar doorgedrongen en houdt de gemoederen in beweging. Hij stuit echter op de ingekankerde liefde der Javanen voor die overoude "adat". Er zal nog heel veel zelfstrijd en andere strijd gestreden moeten worden, voor eenige dier verouderde denkbeelden en beginselen, die niet aanpassen bij den vooruitgang, diep in den grond begraven worden, om nooit weder op te staan.

Augustus 1901. (VII.)

Waar ik zoo innig overtuigd ben, dat er van de _vrouw_ een groote invloed kan ten leven uitgaan in de maatschappij, wensch ik niets liever, niets vuriger, dan opgeleid te worden voor het onderwijs, ten einde mij later te kunnen wijden aan de opvoeding van dochters van Inlandsche hoofden. O! zoo innig, innig graag zou ik er toe in staat willen zijn, kinderhartjes te leiden, karaktertjes te vormen, jonge hersens te ontwikkelen, vrouwen voor de toekomst te vormen, die het goed zouden kunnen voortplanten en verbreiden.

Het zou zoo'n groote zegen zijn voor de Inlandsche maatschappij, indien de vrouwen goed werden opgevoed.

En voor de _vrouw_ zelf wenschen wij vurig, vurig onderwijs en opvoeding, het zal haar zoo'n groote zegen zijn.

Daar is zooveel droefs in onze Javaansche vrouwenwereld, daar wordt zooveel en zoo bitter geleden.

De eenige weg, die er voor 't Javaansche meisje, en inzonderheid de adellijke, openstaat, is 't huwelijk.

Wat heeft de sleur van deze instelling, die oorspronkelijk van Gode en der vrouwen hoogste bestemming is, gemaakt? Het huwelijk, dat _roeping_ moet zijn, is geworden: een _beroep_! En o! onder welke onteerende en vernederende voorwaarden en omstandigheden nog hebben vele, vele Javaansche vrouwen dat beroep te vervullen. Op bevel van vader, oom of broer, moet 't jonge meisje klaar staan, een wildvreemden man te volgen, die niet zelden reeds vrouw en kinderen heeft. Naar haar opinie wordt niet gevraagd, zij heeft slechts te gehoorzamen. Bij een huwelijkssluiting is haar tegenwoordigheid niet vereischt, evenmin haar "ja".

Van verre en van nabij kennen wij dat helsche vrouwenleed, veroorzaakt door zekere Mohammedaansche instelling, die het den mannen zoo gemakkelijk maakt, maar die o, zoo bitter hard en wreed is voor de vrouw.

"Zij zijn er aan gewend, zij vinden 't niets", beweert de alwetende "men". "Als zij er geen vrede mee hebben, waarom er zich dan in geschikt?"

Laat ik, een kind van 't Javaansche volk, in diens schoot groot geworden en er heel mijn leven in vertoefd hebbend, u de verzekering geven, dat de Inlandsche vrouwen wel degelijk een hart hebben, dat _voelen, lijden_ kan als 't fijn beschaafdste vrouwenhart in uw land.

Maar 't blijft hier bij een stil lijden en zich schikken, volslagen machteloos en weêrloos als zij zijn, door hare onkunde en onwetendheid.

De oude overlevering vertelt: Fatima's echtgenoot huwde opnieuw, en zij werd door den Profeet ondervraagd, hoe zij zich daarbij gevoelde. "Niets Vader, niets, betuigde zij." Dit zeggende, leunde zij tegen een pisangboom; de bladeren, eerst frisch en fleurig, verwelkten, en de stam, waartegen haar lichaam rustte, verkoolde.

Opnieuw vroeg de Vader, hoe zij zich gevoelde, en weer betuigde zij: "Niets, Vader, niets!"

De Vader gaf haar een rauw ei, en verzocht haar dat tegen haar hart te drukken; het terugvragend brak hij het open: het ei was gaar!

Het Oostersche vrouwenhart is sedert niet veranderd. Dit vertellinkje leert ons meteen de opinie van vele vrouwen over dat wreede mannenrecht.

Velen vinden er een eer in om met onbewogen gelaat een of meer vrouwen van haar echtgenoot naast zich te verdragen; maar vraag niet, wat er onder dat stalen masker is verborgen, en wat de wanden harer woningen aan 't oog der wereld onttrekken: kankerende vrouwenharten en arme onschuldig lijdende kinderzieltjes zijn er zooveel.

Nogmaals; er wordt veel en bitter geleden in onze arme Inlandsche vrouwenwereld. En dàt lijden dat ik reeds in mijn kinderjaren aanschouwde, was 't, dat 't eerst in mij 't verlangen wakker riep, in te gaan tegen sleur, die oude toestanden schijnt te rechtvaardigen.

Ons streven heeft een tweeledig doel, mede te arbeiden aan de opheffing van ons volk en voor onze zusteren den weg te banen naar betere, menschwaardiger toestanden. Aan u allen, die veel gevoelen voor Java en den Javaan, richten wij een dringende bede: helpt ons ideaal verwezenlijken, dat het heil beoogt van ons volk en onze sekse!

Voedt de Javaansche vrouwen op, ontwikkelt ze naar hart en verstand, en gij vrienden van Java, zult flinke medearbeidsters hebben gevonden aan uw edelen, schoonen reuzenarbeid: de beschaving, ontwikkeling en opheffing van een volk!

Leert haar een vak, opdat zij niet langer weerlooze prooien zullen zijn, wanneer hare beschermers wenschen dat zij een huwelijk zullen aangaan, dat haar en hare eventueele kinderen onvermijdelijk in ellende dompelen zal.

Wij hebben zooveel treurigs gezien in zoo menig Javaansch huwelijksleven: naar aanleiding van dat wreede Mohammedaansche mannenrecht. 't Leed der vrouwen in zoo'n verbintenis, 't leed van zoo menig kind uit zoo'n huwelijk geboren, brandt ons in de ziel, en zweept ons tot opstand tegen die toestanden!

De eenige uitweg om zulk een leven te ontkomen, is dat het meisje zich een zelfstandig bestaan verovert.

Er is niemand nog, die 't doet, die 't _durft_ te doen!

't Is een _schande_ als een meisje _niet trouwt_, eene vrouw ongetrouwd blijft.

Ons idee is, om wanneer wij de bevoegdheid ertoe hebben een internaat te openen voor dochters van Inlandsche hoofden, waar haar naast allerlei kennis, nuttig voor 't practisch leven, zal worden geleerd, wat den geest verheft en 't gemoed veredelt.

Zou zulk een school kunnen bestaan? Wij durven "ja" te zeggen. Al zenden nu verreweg de meeste Inlandsche hoofden hunne dochters naar school slechts voor den geur, omdat zij niet onder willen doen voor anderen, en niet omdat zij doordrongen zijn van 't nut, dat meerdere ontwikkeling der vrouw voor haar zelf en hare omgeving heeft, 't doet geen afbreuk aan 't feit, dat er hoe langer hoe meer Inlandsche hoofden en grooten zijn, die voor hunne dochters eene vrije opvoeding wenschen; gouvernements-en particuliere scholen zullen van de waarheid dezer bewering kunnen getuigen. Zelfs de Keizer van Solo zendt zijne dochters naar school. In de vooruitstrevende Preanger, waar 't geen nieuws meer is, dat meisjes schoolgaan, is voor dochters van den adel een particuliere, door de Regeering gesubsidieerde school geopend. Daar zijn regentsdochters, die op eene vreemde plaats op een kostschool zijn.

Meer ouders, die gaarne hunne dochters ook zouden willen laten leeren, laten 't na, omdat zij 't niet over zich verkrijgen kunnen hun meisjes naar school te zenden, waar zij samen met jongens zouden leeren.

Eene gouvernante houden, gaat de draagkracht van gewone stervelingen ver te boven, slechts heel enkelen kunnen zich die weelde veroorloven; toch is er een wedono, geen "licht", ook niet gefortuneerd, die voor zijn kleindochtertje eene gouvernante er op na houdt.

Er was een jong moedertje, dat, op een harer laatste levensdagen, haar man beloven liet, zoodra hij in beter doen was, een illusie van haar te vervullen: "hun dochtertje naar de Europeesche school te zenden".

Wij bespraken de quaestie, en ook 't idee van eene zelfstandige, geldverdienende vrouw, meermalen met vrouwen van Inlandsche hoofden. En alles sterkt ons in onze hoop en ons geloof, dat 't hier slechts op aan komt, den eersten stap te doen, m.a.w. moet een voorbeeld gegeven worden; en als 't van practisch nut blijkt en aangepast kan worden door anderen, dan zal 't stellig navolging vinden.

Er zijn andere meisjes, die denken en voelen als wij en gaarne de banden en boeien zouden willen verbreken, waaronder de adat de Mohammedaansche vrouw gekluisterd houdt. Ook zij blijven stilstaan voor het: "Er is niemand nog die 't doet".

En er moet toch één de eerste zijn!

Er is een Inlandsch hoofd, dat den Directeur van O., E. en N.[1] toelating tot de doktersschool verzocht voor zijn dochtertje.

Gezegende vader! gezegende dochter! Zij zal haar land van zoo groot nut zijn.

Ik hoop, dat zij haar voornemen werkelijk zal uitvoeren!

Een jonger zusje van mij, Roekmini, voelt heel veel voor teekenen, en 't is haar grootste illusie om de teekenacademie te bezoeken, ten einde zich later te kunnen wijden aan de wederopbloeiing der Inlandsche kunst.

Is volkskunst niet mede een der middelen tot volkswelvaart? Als 't blijkt, dat zij op de teekenacademie niet op haar plaats is, m.a.w. dat zij niet genoeg talent heeft, zal ze tot de huishoudschool overgaan, om later de toekomstige vrouwtjes de waarde van 't geld te leeren kennen, wat wel hoognoodig is in de Inlandsche maatschappij. De Regeering is voornemens hare Inlandsche ambtenaren spaarzaamheid te leeren. Wat baat het of de Regeering de mannen dwingt geld op zij te leggen, als hunne vrouwen, in wier hand de huishouding berust, de waarde van 't geld niet kennen?

Mijne zuster en ik zullen dan samenwerken.

En wat wij nog graag op onze toekomstige school zouden willen geleerd zien, is: gezondheids-, ziekte- en verbandleer!

Dit is een kennis, die ons altijd te pas komt, en voor onze omgeving van groot nut is. Ieder mensch moet vroeg of laat voor een ziekbed staan, en 't is zoo ellendig om onze lieven te zien lijden, en niet te weten hoe hun lijden te verzachten. De kennis van gezondheids-, ziekte- en verbandleer moet tot de opvoeding behooren. Hoeveel ongelukken zouden niet gebeurd zijn, of dan tot een minimum teruggebracht zijn geworden, wanneer men aan mannen zoowel als vrouwen die nuttige kennis had geleerd.

't Ligt geenszins in onze bedoeling van de Javanen Europeesche Javanen te maken door hun eene vrije opvoeding te geven; ons idee is, hun naast de mooie eigenschappen, die zij zelf bezitten, het mooie van andere volken te geven; niet om hun eigene te verdringen, maar om ze te _veredelen_!

* * * * *

Hoe genoot ik van uwe "Inleiding", van "Land en Volk van Java"; 't werd mij zoo warm en wonder wèl in 't hart, toen ik die bezielde woorden las, die 't schoon van mijn land schetsen en ... zijne wondeplekken bloot leggen.

Dat machtige geluksgevoel hebben wij dikwijls over ons gehad, als wij in Gods vrije, wijde natuur zijn!

Ver, ver van 't kleinzielig menschengedoe, alleen met onze zielen, onze gedachten in de heerlijke, schoone natuur, boven ons hoofd de blauwe hemel, voor onze voeten de onafzienbare zee, achter ons wuivend klappergroen, o! dáár kunnen wij ons geluk niet op!

Vaak betrapte ik mij op eene egoïstische gedachte: "O! laat mij alléén in deze reine atmosfeer leven, ver van marktgewoel, van wereldsche zaken, alleen, alleen, met de natuur, en mijne ziel! Dat is puur egoïsme! néén, dàt is niet de bestemming van ons leven, wij moeten mèt en vóór de menschen leven.

't Leven mooier maken, dàt is onze bestemming.

Doch nu heb ik u reeds te lang opgehouden, u heeft wel andere en nuttiger bezigheden, dan naar 't gesnap te luisteren van een "sentimenteel" Javaansch meisje.

[1] Departement van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid.

4 September 1901. (VIII.)

O! wij kunnen, wij _willen niet_ gelooven, dat onze levens, zoo gewoon, banaal, als duizenden anderen voor en na ons, zullen eindigen. En toch, soms lijkt ons iets anders zoo onwaarschijnlijk! Nu eens schijnt de vervulling onzer dierste en innigste wenschen zoo nabij, dan weer staan wij er zoo eindeloos ver van af.

Er zijn uren, waarin 't heen en weer geslingerde en gefolterde menschenhart in vertwijfeling vraagt: "Mijn God, wat is dan toch plicht?"

Zelfverloochening heet plicht en zelfverwezenlijking heet plicht: hoe kunnen twee dingen, die lijnrecht tegenover elkaar staan, beiden _plicht_ heeten en zijn?

"Blijf", zegt luid hierbinnen een stem, "blijf, bestrijd uwe eigen wenschen en verlangens ter wille van hen, die u dierbaar zijn en aan wie gij dierbaar zijt; deze, uw strijd adelt uw menschzijn. Blijf!" En dan weer klinkt het even hard en krachtig: "Ga, werk aan de verwezenlijking uwer idealen; werk voor de toekomst; werk voor 't heil van duizenden, die gebukt gaan onder onrechtvaardige wetten, onder een valsch begrip van goed en kwaad; ga, ga, lijd en strijd, maar werk voor de eeuwigheid!" Wat is nu hooger plicht, 't eerste of 't laatste?

Egoïsme heb ik steeds beschouwd als de slechtste ondeugd, die er bestaat, en het diep, diep verfoeid; evenzoo ondankbaarheid --en dat andere, ons ideaal, is één geworden met ons bestaan; wij kunnen er niet zonder, evenmin als wij 't buiten de liefde onzer dierbaren kunnen stellen.

Groot is 't getal van degenen niet, hoe nauw verbonden ook door banden des bloeds zij aan elkander zijn, die elkaar volkomen begrijpen en verstaan als mijn vadertje en ik. Hoevele punten van aanraking en overeenstemming vindt men niet in ons beider karakter; wij sympathiseeren zoo in alles met elkaar; alléén op één punt raken onze karakters elkaar niet. O, waarom dat toch, waarom? Zou 't waar zijn, wat men beweert, dat er in de heele wijde, wijde natuur geen twee dingen zijn, elkaar _volkomen_ gelijk, geen twee menschelijke naturen, die volkomen eender zijn? Mijn eigen lief vadertje, wij weten beiden zoo goed, hoe dierbaar wij elkaar zijn; wij weten ook zoo goed, dat de weg, dien uwe dochtertjes gekozen hebben, met dorens is bezaaid; maar gij weet ook, dierste, dat 't geen _gril_ is, die ons leidt; dat wij ons ideaal met hart en ziel aanhangen, gelijk wij 't u doen; waaròm, waaròm toch ons dien reeds zoo zwaren, moeielijken weg nog zwaarder en moeielijker te maken, door 't onthouden van uwe toestemming! Dat wij niet gelukkig kunnen zijn zonder uwen zegen, weet u, maar ook zonder ons ideaal kunnen wij 't niet. Met uw zegen zal 't ons steeds licht voor de oogen zijn, de zwaarste weg begaanbaar zijn! Vader, vader, waarom kunt gij mij op dat ééne punt niet toegeven? Liefde is almachtig, is eeuwen door verkondigd en bewezen geworden. Ons beider liefde voor elkaar is groot. O! Liefde, veelgeprezene, maar ook veelbeweende Liefde, verricht bij ons uw zegenwerk: veeg die verschilpunten in ons beider karakter weg, doe ze één worden!

Ik heb mijn Vader innig lief, dat weet u, maar Vaders liefde voor ons is nòg grooter. Ik was zoo spoedig ongeduldig, kregelig, in een woord: "humeurig"; hoe geduldig verdroeg mijn best Vadertje al mijn nukken! nooit hoorde ik een hard of bitter woord, altijd is Vader even lief en zacht! Zoo uit alles voel ik zijn oneindige liefde! Toen eenigen tijd geleden ik aandrong op 't spoedig beëindigen van onze zaak, zag ik zijn blik op mij rusten zoo inbedroefd; 't was of die treurig kijkende oogen vrager wilden: "heb je dan zoo'n haast, om mij te verlaten, kind?" Ik wendde mijn hoofd af, ik wilde niet in die dierbare, trouwe oogen zien, ik wil sterk zijn en niet zwak.

Mijn hart brak bijna van wee, toen eens wij beiden tegenover elkaar stonden, Vader mij in zijn armen sloot en met trillende stem vroeg: "Moet 't dan zóó zijn? Kan 't niet anders? Moeten dan allen zijn als jij? Kan 't niet anders?" Wat ging er niet bij ons om, toen wij zoo hart aan hart elkaar in de vochtige oogen keken.

Er werd toen hevig geleden, zoo hevig als er op aarde geleden kan worden. Dat was kort vóór Vaders ziekte. Later toen Vader herstellende was, vroeg Moeder me: "Och kind, toe, geef maar toe". "Ik kan niet", antwoordde ik met gesmoorde stem.

Sedert spreekt Moeder er mij nooit meer over. Als Vader maar toegeeft, dan zal Mama ons haren zegen niet onthouden. Allen zijn ze lief en zacht voor ons, dat maakt ons den strijd juist zwaarder.

Leed--leed--leed--niet dan leed hebben wij over al die liefhebbende, trouwe harten gebracht!

30 September 1901. (VIII.)

In de Preanger zijn er een massa Hollandsch sprekende, geschoolde vrouwen en meisjes. De meesten, waar we kennis mee maakten, spraken Hollandsch met ons, omdat wij elkaars taal niet kennen. Alleraardigst! dáár hebben wij werkelijk eens _aangenaam_ kennis gemaakt met eigen land- en stamgenooten.

De omgang was hartelijk, vrij en ongedwongen. Vroolijke menschjes vol scherts en lach.

Wat ik overigens op reis heb gezien en gehoord stijft mij in mijn meening, dat verstandelijke ontwikkeling alleen niet alles is; dat er ook eene andere, hoogere ontwikkeling moet zijn, die aan de andere de hand reikt, om den mensen daarheen te brengen, waar hij heen moet. Naast 't hoofd, moet 't hart geleid worden, anders blijft de beschaving slechts aan de oppervlakte.

* * * * *

O, wek toch geen illusies, die stellig sterven moeten, wek geen droomen, waar men van te voren weet, dat wreed-ontwaken volgen moet. 't Is _wreed, wreed_! O! wat wensch ik vurig, vurig, macht te bezitten over één taal slechts, mijn eigen, of wel de Hollandsche, om _goed_ te kunnen uitzeggen, wat ik denk en voel over zooveel, dat mijn bewondering gaande maakt, of mij met verontwaardiging vervult, zooals dat ellendige, dat mijn landgenooten huldigen en aanhangen, de mannen uit egoïsme en de vrouwen uit machteloosheid, uit onwetendheid ontsproten, rechtvaardigen. Ik heb iets scherps en vinnigs in gedachte over "Idealen". Soms jeuken mij de vingers zoo--om al die gedachten niet voor mij alleen, voor mijne vertrouwden neer te schrijven, maar ook om ze anderen in 't gelaat te slingeren.

Maar wat voor nut zou dat hebben? Men zou de schouders er over ophalen, een ander er over lachen en de meesten er heel geen notitie van nemen. Wartaal van een idioot of gek!

Misschien is 't beter zoo, dat ik de taal niet zoo onder de knie heb, om er mee te doen, wat ik wil; wie weet wat voor een kwaad de pen van dat onervaren, onverstandige heethoofd anders zou kunnen uitrichten instede van goed!

En macht bezitten over de taal, zou bovendien op 't oogenblik me toch niet van veel nut zijn, omdat ik _niet luid_ denken màg.

Na al dat teleurstellende nu eene opfrissching, die u zeker ook aangenaam zal zijn.