Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk

Part 11

Chapter 113,870 wordsPublic domain

Ik hoop eens zoo gelukkig te zijn in de gelegenheid te komen, uw schoone, zoetklinkende taal te leeren; ik zal die gelegenheid _niet_ onbenut laten, dat verzeker ik u. 't Is mij ernstig meenens eens uw taal te kennen; al bepaalt die kunde zich slechts tot lezen en schrijven, ik zou al heel gelukkig zijn. En mocht ik zoo gelukkig zijn 't ooit tot Duitsch spreken te brengen, dan kom ik u opzoeken, is 't goed? In dien tusschentijd zal zeker de vliegmachine reeds uitgevonden zijn en zult u dan op een goeden dag zulk een gevaarte door Jena's luchtruim zien zweven, dat u uwe verre gast brengt!!!

Ik had eigenlijk als een jongen geboren moeten worden--zou dan misschien wat van mijn hoogvliegende plannen kunnen terecht komen. Nu als meisje in de tegenwoordige Inlandsche maatschappij is 't bijna niet mogelijk, een heksentoer, een er van in verwezenlijking te brengen. Hoe kan 't anders ook. Waar zelfs in Europa, brandpunt der beschaving en verlichting, nog zoo fel de strijd om 't _goed recht_ der vrouw gestreden wordt, zou men in ernst kunnen verwachten, dat Indië, 't onbeschaafde, onverlichte, dommelende Indië goedig zou toestaan dat zijn dochter, de vrouw door eeuwen heen als een wezen van lager orde, ja, waarom zal ik 't niet zeggen, als een _zielloos_ voorwerp beschouwd en behandeld, zich 'n mensch beschouwt, d.i., een wezen, dat recht heeft op een _onafhankelijk geweten_, op vrijheid van denken, voelen en handelen?

't Was mij als sprong de hemelpoort open, en als vertoonde daarachter zich een eindelooze heerlijkheid aan mijn verrukte oogen, toen eenigen tijd geleden ik 't heugelijk bericht in de courant las, dat bij de Regeering 't voornemen bestond, voor dochters van regenten de gelegenheid open te stellen zich te bekwamen tot onderwijzeres. Wiens werk het is, hoef ik u zeker niet te vertellen.

Wij waren half dol van vreugde over dat bericht in de nieuwsbladen, en 't was een _flinke_ stap vooruit en 't spreekwoord zegt zoo waar: "'t komt er maar op aan den eersten stap te doen". O, als degene, wien deze weldaad bewezen wordt, ze maar kunnen waardeeren! Om te kunnen waardeeren, moet men eerst kunnen _begrijpen_, en begrijpen, o, dat is zoo'n moeilijke kunst? niet in één dag, niet in één jaar aan te leeren! Hoe zou de overgroote meerderheid van de Inlandsche hoofden, de plannen der Regeering voor 't toekomstig heil en geluk harer dochters kunnen apprecieeren, zij, voor wie de allereerste beginselen der richting, die wij, jong geslacht, hooghouden, raadsel en mysterie zijn?

Helaas! onze vrees blijkt gegrond te zijn; er zal van dat _prachtige_ regeeringsplan, waar we zooveel van verwachten, niets komen, daar de _meeste Inlandsche hoofden_ wier advies in deze gevraagd werd, er zich tegen verklaarden, aangezien 't _tegen de adat_ strijdt, dat meisjes buitenshuis opleiding ontvangen. Adieu illusies! adieu gouden toekomstdroomen! Och, ik heb 't mijzelve al zoo dikwijls herhaald, luide toegeroepen, dat droomen en idealen onnoodige ballast in onze Inlandsche Maatschappij zijn, eene overbodige en _gevaarlijke_ weelde!--maar dat zegt de _mond_ alleen, op inblazingen van dat koude, koele verstand; het hart, dat domme dwaze ding, kan er zich niet van los maken. Zóó diep zijn vrijheidsdroomen en andere idealen ons in 't hart geworteld, dat ze niet meer uit te roeien zijn, zonder den bodem, waarop ze tieren, er geheel en al door te verwoesten.

Ik vind het heel lief van u, dat u zich bezorgd maakt over mijne toekomst; ik ben er u innig dankbaar voor. Maar och, weest u niet meer treurig om mij; of liever wij weten wat ons wacht; wij drieën gaan hand aan hand door 't leven, dat voor ons vol zal zijn van _strijd_ en _teleurstellingen_ en _verdriet_! Met rozen is zeker de weg niet bezaaid, dien wij gekozen hebben; wel is hij vol dorens, maar wij hebben hem _zelf_ gekozen, uit liefde; en met liefde en blijmoedig zullen we hem bewandelen. Den weg mede te helpen opbreken, die duizenden en duizenden arme verdrukte en vertrapte zielen, onze zusteren, voert naar vrijheid en geluk; die millioenen landgenooten onvermijdelijk brengt tot hooger zedelijk gehalte; en alzoo mede te arbeiden aan 't eeuwige werk der volmaking; reuzenarbeid waaraan eeuwen door, de besten onder de menschen hebben gewerkt; de menschheid op te voeren tot hooger zedelijk gehalte, kortom onze schoone aarde nader te brengen tot de volmaking--is dat niet werk, allen levensstrijd waard?

Dat is de droom van "Tiga Soedara", de drie Javaansche zusters in 't verre Zonneland! O! konden wij maar in 't land der wisselende jaargetijden, 't land van warmte en koû komen, 't vaderland der wetenschappen; ons dáár toerusten voor den grooten strijd, dien wij ons aanbinden willen voor 't toekomstig heil en geluk van ons volk. Studeeren! studeeren! in Europa wijsheid vergaren; onze zielen vullen met schoonheid, om in eigen land terug, met meer vrucht te kunnen werken aan de verwezenlijking onzer idealen! Men heeft zoo bij alles zijn verstand noodig, vooral om goed te doen; daar is niets tegen te zeggen, al beweert men nog zoo vaak 't tegendeel daarvan, dat _goed doen_ en _verstandig_ doen twee tegenovergestelde zaken zijn, die niet best samen kunnen gaan, maar hierin ligt juist de groote kunst; die tegenstrijdige machten, die wij menschen allen in ons voelen, te temperen, te mengen en harmonisch te doen samenwerken! O zoo dikwijls heb ik gezien, dat goed doen zonder verstand meer kwaad doet dan goed.

Europa! Europa! zult ge dan steeds onbereikbaar blijven voor ons!? wij, die zoo met hart en ziel naar u verlangen? wij kunnen, wij willen 't niet gelooven--en toch _is_ 't zoo. Eene reis naar en een verblijf in Europa is zoo kostbaar; die weelde kan onze minister van financiën ons niet veroorloven.

Maar daarom niet getreurd; 't leven is te mooi, te heerlijk om 't te verkniezen met klagen over dingen, die eenmaal niet te veranderen zijn. Laten wij dankbaar zijn--en dat _zijn wij_ ook--voor de vele zegeningen, die de lieve God over ons uitstort. Zijn we met hetgeen we al hebben en zijn, niet reeds boven duizenden en duizenden bevoorrecht? 't bezit van onze lieve, beste ouders, een goede gezondheid en tal van ander goeds, dat de mooiheid van ons leven vormt. O, 't leven is vol schoonheid, als wij die maar willen opmerken, ondanks vele diepdroeve dingen, die er zijn, en onze plicht is die schoonheid te verhoogen en 't droeve minder droef te maken.

Er is zooveel dat tot danken stemt! Als wij genieten van een vogelconcert of van mooie muziek, waarin wij geheel opgaan, dan zijn we zoo dankbaar, dat God ons niet doof schiep! Zijn we op Klein-Scheveningen, 't idyllisch plekje aan zee, waar alles ademt van rust, vrede en poëzie, en de zon gaat zoo heerlijk mooi onder, dan kunnen wij niet genoeg dankbaar zijn, dat wij goede oogen hebben, en in de verrukte blik, die in stil genieten 't wonderschoone licht en kleurenspel op 't golvend water en aan den hemel volgt, ligt een stil dankgebed den Onzienlijken Grooten Geest, die 't Al schiep en bestuurt, gewijd! Dank! dank! tikt 't jubelend bonzend hart hier binnen; dank, dat ik dit schoone mag en kan zien. Hoevelen zijn er niet, die dat schoons _niet_ genieten? Niet alleen die armen, voor wie de dagen en nachten gelijk zijn, één ondoordringbare duisternis; maar er zijn zoovelen, die in het volle bezit hunner gezichtsvermogens zijn, en toch die schoonheid _niet zien_. En wij komen tot 't besef, hoe bevoorrecht we zijn boven zoovelen onzer medemenschen, en dankbaarheid voor al de zegeningen van den Goeden God vult onze zielen! Weemoedige gedachte, dat velen onzer zich het gemis van _anderen_ moeten herinneren om eigen voorrechten te beseffen.

Er zijn meer beschaafde Inlandsche vrouwen, veel, veel, ontwikkelder en begaafder dan wij, die àlles te harer beschikking hadden; wien 't niet aan gelegenheid ontbroken had, haar geest rijkelijk met wetenschappen te voeden; die geenszins belemmerd waren in de ontwikkeling harer geestkracht; die àlles hadden _kunnen worden_, wat zij wilden; en zij allen hebben _niets_ gedaan, _niets_ kunnen bereiken, dat tot de opheffing harer sexe en haar volk kon leiden. Zij zijn òf weer in de oude sleur terugvervallen, òf zijn geheel in 't Europeesche opgegaan; in beide gevallen verloren voor haar volk, voor wie zij een zegen hadden kunnen zijn, zoo zij 't maar gewild hadden; dat zij hadden moeten vóórlichten naar de verlichte wereld, waarin de vrije opvoeding haar bracht. Is 't niet de plicht van een ieder, die zedelijk en intellectueel meer is dan menig ander, zijne minderen met zijne meerdere kennis en weten bij te staan en vóór te lichten? Geen tastbare wet verplicht hem daartoe, maar zedelijk is hij dat verplicht.

Wat ben ik weer aan 't doordraven gegaan, vergeef me, als ik u daarmee onaangenaam ben of verveeld heb. Hoe kom ik er toch toe u dit alles te schrijven, en u zooveel van uw kostbaren tijd te ontrooven met dit gebabbel? Vergeef me! maar u zelf is hieraan niet zonder schuld: uw beider brieven, die ik voor mij heb liggen zijn zoo sympathiek; bij 't lezen dier hartelijke woorden, is 't mij, of ik u beiden hier voor me heb, en daaraan heb ik aldoor onder het schrijven gedacht.

Dat een van Java's vulkanen in den Oosthoek vreeselijk aan 't spoken is geweest en verscheidenen 't leven heeft gekost, zult u zeker reeds van anderen vernomen hebben; dus daarover zal ik maar niet schrijven. Volgens de krant zouden nu ook een paar andere vulkanen aan 't werken zijn. O! verraderlijke, schoone blauwe bergen!

De zonsverduistering van 18 Mei, waarvoor uit alle oorden der wereld geleerden naar Indië trokken, konden wij hier slechts even waarnemen, daar 't ongeluk wilde, dat dien dag de lucht zwaar betrokken was, en 't op den koop toe nog regende er bij! Maar wat ons een uitroep van spijt ontlokte, was voor den landman een zegen! Vader was zoo gelukkig met dien flinken regen, die den dorstenden velden ten goede kwam, en hieraan is zóóveel gelegen! Wat toch van zoo'n enkele regenbui kan afhangen! 't Wel en wee van honderden, ja, van duizenden!

6 Juni 1901. (V.)

Lieve Hilda,

Laat ik beginnen met u beiden ook namens de zusjes, recht hartelijk geluk te wenschen met de geboorte van uw tweede zoontje, van harte hopend, dat hij ook zoo'n lekker gezond kereltje mag worden als zijn oudste! broertje, waaruit mettertijd een flinke jongen zal groeien, waar gij beiden met recht trotsch op kunt zijn.

Hoe houdt onze kleine vriend zich onder zijn nieuwe waardigheid van "oudste broer zijn"? Wil hij niet reeds dadelijk met Alfredje spelen? zoo heet de kleine, niet waar?

Een Meikindje! de Genestet maakte daarop zoo'n mooi gedicht, het einde is treurig, maar voor uw Meikindje hopen wij innig, dat de zegenbeden van den dichter in de twee laatste coupletten van 't eerste gedeelte geuit, vervuld mogen worden. Ofschoon gij die regelen natuurlijk zelve reeds kent, kan ik toch niet nalaten ze hier nog eens even uit te schrijven.

De God der lente spreide U rozen voor den voet, De God der Liefde leide U zachtkens, trouw en goed!

Bloei in uw vaders gaarde Bloei aan uw moeders zij, Hun schoonste bloem op aarde, Gij, knaapje van den Mei!

'k Hoor u lachen, als gij dit zijdje leest, hoe dwaas, hè maar verwonder u er maar niet over, alle oude tantes zijn min of meer sentimenteel uitgevallen, en tot die categorie behoort ondergeteekende.

1 Augustus 1901. (VIII.)

Bloemen en wierook zijn nu eenmaal ons Javanen onmisbaar bij alles en alles.

O! wat een wereld van gedachten en gewaarwordingen roept die Inlandsche bloemen- en doepageur in me op, telkens als ik hem inadem; hij doet langvervlogen dagen weder opleven in mijn herinnering, en mij sterk 't Javaansche bloed voelen dat mijn aderen vult. O! ziel van mijn volk, die oorspronkelijk zoo mooi was, één gratie, poëzie, deemoed en nederigheid--wat is er van u geworden? wat hebben de eeuwen, de sleur van u gemaakt?

Men beweert zoo dikwijls dat wij meer Europeesch dan Javaansch zijn in ons hart. Weemoedige gedachte! Wij kunnen dan geheel doortrokken worden en zijn van Europeesche gedachten en gevoelens--maar dat bloed, dat Javaansche bloed, dat leeft en warm stroomt door onze aderen, kàn nièt doodgezwegen worden. Wij voelen het bij wierook en bloemengeuren, bij gamelantonen, bij 't suizelen van den wind door klapperkruinen, bij 't gekir van berkoetoets.[1] bij 't gefluit op padihalmen, bij 't gestamp op padiblokken[2]....

Niet voor niets zullen we een menschenleven lang vertoefd hebben in eene omgeving, die van louter vormen aan elkaar hangt; maar wij hebben de leêgheid dier vormen leeren inzien, diep, diep 't gemis van inhoud gevoeld, en de klacht, de wanhoopskreet onzer ziel vernomen en verstaan: "Wat is vorm zonder inhoud?" Vorm moet volmaken, maar _inhoud_ is _hoofdzaak_. Toch zit er veel goeds in 't Javaansche volk. O, wat zouden wij u zielsgraag bij ons willen hebben om u al 't mooie te laten zien, dat van ons volk is. Als ik iets moois zie, dat specifiek Javaansch is, denk ik steeds: "wat zou ik Mevrouw A. graag bij ons hebben. Zij zou 't zoo aardig vinden dat alles te zien, en iemand er bij te hebben, die haar 't een en ander kan uitleggen dat voor haar misschien raadsel en mysterie is. Zij zou er van genieten en hetgeen wij bewonderen, kunnen waardeeren, zij, die zoo'n open oog heeft voor al wat schoon is."

Ons Javaantje, houtsnijder-artist, zooals u hem noemt, heeft weer iets heel moois voortgebracht. 't Is een doos, met een heel wajang-verhaal besneden, wajangfiguren op 't deksel aan den boven- en binnenkant, en op alle vier wanden; er is een koker bij, ook met wajangfiguren versierd, bestemd om er een of ander in te bewaren. De doos ga ik aan den binnenkant met oranje-satijn capitonneeren en plisseeren en met een zilveren randje afzetten--ook Inlandsch maaksel. Het mag ook wel heel mooi worden, want 't is bestemd om de portretten van de regenten van Java en Madoera te bevatten, die der Koningin zullen worden aangeboden. Een aardig idee, dat huldeblijk, 't is van den besteller van de doos, den Regent van Garoet, uitgegaan. Men heeft mij vrij spel gelaten, ik mag voor beide voorwerpen zooveel uitgeven als ik wil, als zij maar mooi worden.

[1] Berkoetoet = tortelduif.

[2] Padi = rijst in den bolster. Van den bolster wordt de padi ontdaan door daarop te stampen in een uitgehold stuk hout. Dit geeft in de desa's een eigenaardige cadans.

8--9 Augustus 1901. (VIII).[1]

Ik zie weder dat heerlijk mooie strand fantastisch verlicht door 't zilveren schijnsel der bleekgouden maan, die zich milliarden malen weerspiegelde in 't onafzienbare zich immer bewegende zilte nat: één oneindige schittering van levend zilver en goud!

Ik hoor ruischen weder 't trillend klappergroen, dat als reusachtige zilveren veeren gracieus wuifde in den zoelen avondwind, die zoo heerlijk ons langs de wangen streek en om de ooren suisde.

Liefelijk mengde zich bij dat bladergeruisch het zacht geklots der glinsterende golfjes, die zich in dartelen overmoed te pletter sloegen tegen het schitterend, reinwitte strand.

Dàt was een droom van mooi! een droom van geluk! En in die fantastische omgeving van in zilveren maanlicht badend strand, van eene zee van vloeibaar goud en zilver, van een pràchtig blauwen hemel getooid met enkele zachtglanzende sterretjes, van wuivende zilverschitterende palmen, van windgesuizel en zacht golfgeklots, zaten wij, met een nieuw gevonden kostelijken schat in ons midden, in stil genieten en met toenemende verrukking te luisteren naar eene melodieuse stem, die verhaalde van 't sprookjesmooi van vreemde landen vèr, vèr over zee, over die oneindige schittering van zilver en goud vóór ons, van haar eigen goddelijk Vaderland.

* * * * *

Zal ik ooit dien rit kunnen vergeten, dien goddelijken rit met haar naar 't station? Een groot jaar is er sedert verstreken, een jaar vòl rijk leven, waarin ik had hóóg gejubeld en bitter geschreid, waarin ik had geleefd oogenblikken van 't zaligste, hoogste genieten, en ook uren van wanhoop en vertwijfeling, van onduldbare ellende, uren van hellepijnen, van brandend lijden,--ik heb _geleefd_! dat ééne jaar meer dan al de 21 voorgaande tezamen!--en tòch nog steeds even helder en frisch staat de dag me voor den geest, als waren er slechts minuutjes over heengegaan, en niet 365 X 24 uren! Nòg wordt 't me warm om 't hart, nóg trilt mijn ziel van aandoening bij 't herdenken van die groote, groote zaligheid in mijn leven! Wat zie ik alles weer duidelijk voor me. Zij in een zachtblauw eenvoudig reistoilet.... Of 't een afspraak was, ook wij waren in 't blauw--kleur der trouw!

Trouw, nietig woordje, maar o zoo reusachtig van beteekenis! Zij is méér dan liefde; trouw eischt vaak grooter kracht. O jonge hartjes, die achter dat beschermend blauw kloppen, moogt gij zóó sterk, zóó krachtig zijn om haar, wier kleur wij dragen, door àlles heen hoog te houden: de "trouw"!

Daar reed een wagen vol van 't zinnebeeld der kostelijkste aller Godsgaven: de "trouw" over een schitterenden zonneweg, langs lachende dreven en in gouden gloed badende velden. De natuur was één lach en licht, geheel in harmonie met onze zielen, die trilden in een ether van jubel en zonneglans!

O! moest werkelijk dit zalig ontmoeten zoo spoedig weder eindigen? kon dit heerlijk samenzijn niet nog één ènkelen dag langer duren?

"U weet niet hoe innig graag wij nog langer hier zouden blijven, mijn man heeft nog zooveel met papa te bespreken, zooveel te zeggen; maar mijn man kan niet langer blijven, zijn tijd is zóó beperkt. Konden wij maar tijd tooveren--of mochten wij u mede nemen naar Batavia, dat zou nog 't beste zijn!"

"Wij zijn u beiden innig, innig dankbaar, dat u hier is gekomen". Ze drukte me zwijgend de hand en ik liet haar niet weder los.

"Eenvoudige harten verstaan elkaar al gauw", zeide ze eenvoudig, toen mijn mond haar niet langer dat zoet geheim verzwijgen kon, dat voor haar toch stellig géén geheim meer was: "hoe innig, innig gelukkig ik was hen beiden te kennen, haar gevonden te hebben, ontmoet in zulk een groote sympathie!"

Dat waren weelde-uurtjes voor mij, die uurtjes aan hare zijde doorgebracht! Ik was dronken van weelde, dronken van geluk! voelde mij zoo licht als een veertje, dat slechts een windezucht behoefde om òp te zweven naar de blauwe lucht, 't stralende licht!

Wat is geluk, als 't niet die oogenblikken van _jubel, vervoering, ontroering_ zijn?--oogenblikken, waarop ons de borst te eng wordt om 't bonzend hart te bevatten, waarop wij voelen ons zweven tot licht en jubel, tot 't onreëele--oogenblikken kort als een bliksemschicht, maar lang, wèldadig in hunne nawerking!

Liefde ontvangen maakt alléén dàn gelukkig, als degene, die haar ontvangt, zelf óók liefheeft!...

* * * * *

Weder instappen, de tram moest voort.

Och, gillend, rammelend monster, vertraag, temper toch uwe vaart! laat niet te spoedig ons aan 't punt komen, waar onze wegen, die gij zelf gisteren hebt helpen bijeenvoegen, weder uiteen zullen gaan.

Maar helaas! de stoker hoorde me niet, en ging bedaard zijn gang; en al hoorde hij me, wat zou hij zich storen aan den wensch, 't verlangen van een dwaas meisjeshart? Rustig gleed 't gevaarte voort over den wèlgebaanden ijzeren weg, en op den gewonen tijd stoomde 't het zoo gevreesde eindstation binnen.

Met geweld drong ik dien akeligen bobbel, die me in den keel schoot, terug, dat verdacht branden in mijn oogen; ik beet op de lippen om ze het beven onmogelijk te maken. Zoo stond ik tegenover haar, zwijgend, haar aankijkend met omfloersden blik--zij hield làng mijn hand vast en zeide zacht: "Gij zult een harden strijd te voeren hebben, doch wees ferm en moedig en opgewekt, hoop en vertrouw!" Nog één warmen stevigen druk van hare zachte hand, nog één innigen blik uit die lieve, lieve oogen, en zij stond op 't perron. "Geef mij nog een handje!" vroeg zij lief ons allen. Vlug, vlug, die akelige bel klonk reeds --ai--wat deed haar harde klank nu een pijn!

Een schok--de wielen der wagens bewogen zich, en langzaam rolde de trein 't stationsgebouw uit.

Zij wuifde met haar zakdoekje, hij met zijn hoed. De tram versnelde zijn vaart. Daar gingen ze, daar vlogen ze weg, vèr, ver weg van ons, menschen ons een etmaal geleden nog volkomen onbekend, en nu een stuk van mijn ziel, onafscheidelijk van mijn bestaan!

O! Leven, raadselvol Leven, wanneer zult gij ons eens ten vòlle uwe geheimenissen openbaren?

Wie zal ons den sluier opheffen van dat onwezenlijke, dat onstoffelijke van ons bestaan? Wie ons dat groot, heerlijk wonder in 't menschelijk leven verklaren, dat wij geest, ziel noemen? Wie dat mysterie ophelderen, dat wij zielenverwantschap heeten, dat geheimzinnige, dat twee elkaar volkomen onbekende levens als met een ènkele ademhaling, met één woord, één blik in elkaars oogen, voor immer met hechten sterken band verbindt?

[1] Wat hier volgt is geen brief, maar een herinnering aan de gewaarwordingen van een jaar te voren, toen de uitgever van deze brieven met zijne echtgenoote te Japara een bezoek bracht. Het stuk draagt tot opschrift: "Eenige uurtjes uit een meisjesleven. Sentimenteele herinneringen eener oude vrijster".

Om licht te bevroeden redenen kunnen slechts brokstukken uit de schets gegeven worden, terwijl de hoofdzaak reeds voorkomt in de brieven van Augustus 1900.

10 Augustus 1901. (IV.)

Vergeef me, dat ik u nu eerst antwoord op de vriendelijke toezending van uw beider portretten, een geschenk, ons zoo innig welkom en zoozeer door ons gewaardeerd, waarvoor wij u beiden onzen hartelijken dank betuigen.

Wat kwam mij al niet voor den geest, toen ik uw portret zag. Menigmaal, wanneer ik neerslachtig ben gestemd, bedroefd om zooveel treurigs in 't leven, ontmoedigd door 't zien van zooveel ellende, waar ik als een mensch onmachtig tegenover sta, van zooveel onrechtvaardigheid, van zooveel liefdeloosheid, dan is mij een opbeuring de gedachte aan onzen verren vriend--zoo mogen wij u noemen, niet waar?--die uit louter menschenmin, zichzelf uit zijn eigen wereld bande, om zich in een wildernis temidden van "wilden" te vestigen, hun liefde gevend, liefde leerend, die hij zoo machtig in eigen boezem voelt.

En wij vinden 't heerlijk daarom, uw beider portretten te bezitten; 't zien daarvan roept ons des te levendiger die mooie zielen voor den geest, voor wie wij zoo'n innige bewondering, vereering en sympathie gevoelen.

Hoe maakt u beiden het? Ik hoop van ganscher harte als wij, want dan is 't goed. Ik ben hier des te dankbaarder voor, omdat 't nu overal zoo ongezond is. Daar is geen plaats, waar men niet van de daar heerschende een of andere ziekte, meestal koorts, hoort spreken.

In onze buurt, Semarang, is zelfs de cholera uitgebroken, monster, dat op Batavia en Soerabaja zoovele slachtoffers maakte. Gelukkig, dat op Semarang de ziekte maar sporadisch voorkomt, maar zij schijnt van 't kwaadaardigste soort te zijn, bijna geen enkelen lijder heeft men kunnen behouden. Er is naast cholera, knokkelkoorts, nog een andere plaag, die op eenige plaatsen van Java ontzettend veel ellende onder de bevolking veroorzaakt; voedingsgebrek. God behoede ons land voor de vreeselijkste aller rampen, die een land teisteren kan: hongersnood.

't Is haast ongelooflijk, dat er op Java, dat vruchtbare Java, waar alles als 't ware zoo maar uit den grond opschiet, voedingsgebrek kan zijn. En toch is 't zoo, helaas! De nood moet vooral vreeselijk zijn in Poerwodadi; maar nu las ik dezer dagen tot mijn onuitsprekelijke blijdschap, dat de Regeering plus minus 3 1/2 ton beschikbaar stelde voor den aankoop van ploegvee voor Poerwodadi en Demak.