Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk
Part 10
Ik heb je zoo'n massa te vertellen over de oprichting van scholen voor Inlandsche meisjes--'t is nu publiek--en nog zooveel andere dingen, doch ik moet kort zijn vandaag; dit wil ik je toch nog even vertellen, dat 't plan van Mr. Abendanon overal met groote ingenomenheid wordt begroet. Veel invloedrijke Europeesche ambtenaren juichen zijne voorstellen warm toe en van dezen hangt het welslagen van de plannen van onzen vriend af. Wij hebben veel vrienden onder de Europeesche bestuursambtenaren en deze zullen 't streven van Mr. Abendanon om de Inlandsche vrouwenwereld op te heffen uit haar eeuwenlangen ellendigen staat warm steunen; en ook velen, ons persoonlijk onbekend, dragen de zaak een warm hart toe. Ik zal je naderhand een copie zenden van de circulaire van Mr. A. aan de hoofden van gewestelijk bestuur, de oprichting dier scholen betreffend. "Ten allen tijde is de vooruitgang der vrouw een belangrijke factor tot volksbeschaving gebleken."
"De intellectueele ontwikkeling der Inlandsche bevolking kan niet krachtig voortschrijden, indien de vrouw daarbij achterblijft."
"De vrouw, als de draagster der beschaving!" Stella, slaat je hart niet warm voor onzen vriend?
Er is sedert een half jaar een ernstig streven onder de Inlanders waar te nemen, om jullie mooie taal te leeren. Vele Europeanen zien dit met leede oogen aan, doch vele edeldenkende juichen het toe en moedigen het warm aan. Op verscheidene hoofdplaatsen verrijzen Hollandsche cursussen als paddestoelen uit den grond, die gevolgd worden door kleine kleuters zoowel als volwassen mannen, die reeds _jaren_ in staatsdienst zijn.
Vele invloedrijke Regeeringsmannen met den Gouverneur-Generaal aan 't hoofd, zijn zeer voor de verspreiding der Hollandsche taal onder de Inlanders als middel om de Inlanders te beschaven en om den Javaan nader te brengen tot de Hollanders, in wien hij niet den gevreesden, doch geliefden beschermer moet zien. Zoo zal dan toch de droom van mijn besten broer en vele edeldenkende Europeanen verwezenlijkt worden. Juich met me Stella!
21 Januari 1901. (VIII.)
Vanmiddag zijn we met mevrouw Gonggrijp[1] naar 't strand geweest en hebben in zee gebaad. De zee was prachtig effen en gelijk van kleur, ik zat op een rots met mijn voeten in 't water en den blik gericht naar 't verre gezichtseinder. O! wat is de aarde toch wonderschoon! Verrukking, dankbaarheid en vrede daalden in mijn hart! Moeder Natuur heeft ons nog nooit ongetroost laten gaan, als wij bij haar om opbeuring komen.
* * * * *
Ik heb zoolang, en zooveel over opvoeding nagedacht, in den laatsten tijd vooral, en vind die zoo'n hooge, heilige taak, dat ik 't een misdaad acht mij er aan te wijden, als ik er niet ten volle toe berekend ben. 't Moet nog zoo blijken, of ik als opvoedster wat waard zal zijn. Voor mij beteekent opvoeding de vorming van den geest en de ziel. O, ik zou nooit vrede met mezelf kunnen hebben, als ik, onderwijzeres zijnde, voelde mijne taak niet zóó te kunnen vervullen, als ik zelf dat eisch van een _goede_ opvoedster, al was men ook niet ontevreden over me. Ik voel zóó dat met 't ontwikkelen van 't verstand de taak van een opvoeder nog niet is afgedaan, nog niet afgedaan màg zijn; dat hij ook dient te zorgen voor de vorming van het karakter; al verplicht hem geen tastbare wet daartoe, moreel is hij dat verplicht. En ik vraag mezelf af, zou ik het kunnen? ik, die opvoeding zelf nog zoo noodig heb? Zoo dikwijls hoor ik beweren, dat van 't eene 't andere van zelf komt, door intellectueele ontwikkeling het gemoed vanzelf wordt beschaafd, veredeld, maar ik heb leeren inzien, helaas, dat dat _lang_ niet altijd 't geval is; dat beschaving, intellectueele ontwikkeling nog geen brevetten zijn voor zedelijkheid. En men mag dezulken, wier gemoed ondanks hooge geestesontwikkeling onbeschaafd is gebleven, niet hard vallen, wat in de _meeste_ gevallen ligt de fout niet aan henzelve, maar aan hunne opvoeding; men had wel zorg, o veel zorg zelfs gedragen voor de ontwikkeling van hun verstand, maar wat deed men voor hunne karaktervorming? niets!
O! met warmte onderschrijf ik Mijnheer's gedachte, zoo duidelijk leesbaar in de circulaire over 't onderwijs voor Inlandsche meisjes: De Vrouw als draagster der Beschaving! _niet_, omdat 't de _vrouw_ is, die daartoe geschikt wordt geacht, maar omdat ikzelf ook zoo innig overtuigd ben, dat van de vrouw een groote, diepgrijpende invloed, hetzij ten goede of ten kwade kan ten leven uitgaan; dat zij het meest kan bijdragen tot verhooging van het zedelijk gehalte der menschheid.
Van de vrouw ontvangt de mensch zijn allereerste opvoeding--aan háár schoot leert het kind _voelen_ en _denken, spreken_; en meer en meer zie ik in, dat die vroegste opvoeding _niet zonder beteekenis_ is voor 't heele leven. En hoe kunnen de Inlandsche moeders hare kinderen opvoeden, als zij zelf zijn onopgevoed?
Daarom ben ik zoo één geestdrift voor dat heerlijk plan om der Inlandsche meisjes opvoeding en onderwijs te geven; reeds lang begreep ik, dat alleen dàt verandering kon brengen in ons droef Inlandsch vrouwenbestaan. En niet voor de vrouw alleen, maar voor de heele Inlandsche maatschappij zal 't onderwijs van meisjes een zegen zijn.
Overal hooren wij van de op te richten scholen voor Inlandsche meisjes spreken--hoe schitteren dan onze oogen en warm wordt het hart, als wij met zooveel waardeering en instemming over 't idee hooren spreken, en dikwijls moesten wij op de lippen bijten om niet in gejuich uit te barsten; onze handen krampachtig gesloten houden om niet luide ons enthousiasme te uiten.
En in de Inlandsche vrouwenwereld zelf, voor zoover wij 't weten, is men er enthousiast over. Allen die wij er over spraken, wenschten weder kinderen te zijn om mede van 't onderwijs te kunnen profiteeren. En heerlijk! de Inlandsche scholen te Pati, Koedoes, Japara en in de districten kunnen u de eerste zichtbare bewijzen van succes van het mooie werk toonen: daar gaan reeds eenige volksmeisjes school en haar aantal neemt toe.
Morgen ook zendt Ma een klein meisje--halfweesje van Ma's anak mas[2]--naar school, en verleden maand lieten onze oudjes een goeden, oppassenden jongen magang Hollandsche lessen nemen.
[1] De echtgenoote van den assistent-resident, die den Heer Ovink opvolgde.
[2] Anak mas beteekent pleegkind.
31 Januari 1901. (VIII).
Peinzend wendde ik mijn gelaat naar buiten, staarde naar de blauwe lucht, als verwachtte ik dáár antwoord te vinden op de onstuimige vragen mijner ziel. Onbewust volgden mijne oogen de vaart der wolken door 't luchtruim; ze verdwenen achter wuivend klappergroen. Daar viel mijn blik op glinsterende, trillende blaadjes schitterend van zonnegoud--en plots flitste 't in me op: "vraagt men ooit, waarom de zonne schijnt? wie, wat zij haar stralen zendt? O, mijn zon, mijn gouden zon, ik zal leven, dat ik waard ben door u beschenen te worden, bestraald, gekoesterd en verwarmd door uw bezielend, vermooiend, edel licht!...
Daarom dus niet getreurd, liefste, als de uitslag van 't request ongunstig mocht zijn, mijn leven is daarom immers nog _niet_ verloren; daar is altijd nog wat moois van te maken--ik wil--ik zàl het! Wie het Goede dient, leeft _niet_ vergeefs--en--'t Goede zoekt, vindt zelf 't Geluk, 't ware: vrede van de ziel--en die is ook te vinden op Modjowarno--wie weet, dáár misschien eerder dan ergens anders. Wees niet bedroefd! Wij zijn al zóó dankbaar dat in ieder geval de grondtoon van ons verlangen verkregen wordt: vrij, zelfstandig, onafhankelijk zijn--en--als accoucheuse, kunnen wij ons zoo nuttig maken.
19 Maart 1901. (VI).
Zeer geachte Dokter[1] Adriani,
Reeds lang had ik u willen schrijven, maar allerlei drukten, o.a. ongesteldheid van nagenoeg mijne geheele familie, verhinderden mij mijn voornemen ten uitvoer te brengen. Nu de heele kaboepaten, groot en klein, zich weer in eene uitstekende gezondheid verheugen mag, wil ik niet langer den brief ongeschreven laten, dien ik zoo lang reeds in gedachten had en waarop u misschien ook wel had gewacht. Vergeef me, indien dit 't geval was. Ik zelf heb er zóó naar verlangd, deze regelen te kunnen schrijven, om u in de allereerste plaats mijn hartelijken dank aan te bieden voor uw vriendelijk schrijven aan mijne zus Roekmini en voor de vriendelijke toezending der boekjes, waarmêe wij drieën zoo blij waren, en 't nog steeds zijn. We vinden 't o zoo heerlijk, dat u nog om ons had gedacht en op zoo'n lieve, aardige wijze. Wij ook denken en spreken zoo dikwijls over u, uw Toradja's[2]. uw werk, kortom over alles, wat we dien avond bij de familie Abendanon van u mochten vernemen. Die avond in uw gezelschap doorgebracht, is een onzer liefste herinneringen aan ons verblijf op Batavia.
Van ganscher harte hopen wij, dat 't niet bij dien eenen keer zal blijven, maar wij u nog menigmaal mogen ontmoeten. U weer te zien, te spreken, is sedert ons afscheid te Batavia een illusie van ons. Wat zal dat een groote vreugde zijn voor ons, als mettertijd wij u welkom mogen heeten op Japara.
U heeft zich niet vergist; wij hebben inderdaad heel veel sympathie voor den arbeid der Christelijke zending in Nederlandsch-Indië, en wij stellen in alles belang wat betreft het werk, streven en leven der edelen van harte, die zich in de afgelegenste streken, wildernissen nog, vestigen, zóó ver verwijderd van eigen land, bloed- en geestverwanten, kortom van de wereld, waarin zij krachtens geboorte, aanleg, ontwikkeling, thuis hooren, om het leven van medemenschen, die de "beschaafde wereld" "wilden" noemt, mooi te maken, te veredelen!
Met groote belangstelling volgde ik u in uw beide geschriften, en ik ben u dankbaar, dat u ons in de gelegenheid stelde, van zooveel belangrijks, alles zoo nieuw voor ons, kennis te nemen.
Onlangs lazen wij weer eens "Maatschappelijk Werk in Indië" (verslagen der congressen gehouden bij gelegenheid van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in den Haag 1898) en evenals bij vorige lezingen bleven we lang toeven bij de mededeelingen van den arbeid der Christelijke zending in Nederlandsch-Indië. O! mijn hart slaat zoo warm voor dat mooie liefdewerk, en niet 't minste voor degenen, edele mannen en vrouwen, die dat werk, zoo rijk en schoon, maar o zóó zwaar, met zulk een liefde en toewijding, met hart en ziel beoefenen!
In 1896 hadden wij 't voorrecht en genoegen eene plechtigheid bij te wonen, die waarschijnlijk eenig zal blijven in ons geheele leven, n.l. de inwijding der nieuwe kerk te Kedoeng Pendjalin. 't Was voor het eerst, dat wij in een Christenkerk kwamen en een dienst bijwoonden, en àlles, wat we daar zagen en hoorden, maakte diepen indruk op ons; lang geleden is 't al, doch die indrukwekkende plechtigheid staat nog frisch in mijne herinnering. Hoe schoon klonk het gezang, dat opsteeg uit zoovele kelen en ruischte door 't ruime gebouw keurig met groen versierd! Met de eerbiedig toeluisterende scharen daarbeneden volgden we met aandacht hetgeen in zuiver Javaansch van den kansel verkondigd werd. Er waren behalve de heer Hubert nog drie zendeling-leeraren, die allen om de beurt preekten. En 't was zeker niet 't minst plechtige oogenblik van de heele plechtigheid, toen een stokoude Javaan opstond en zijn geloofs- en landgenooten toesprak. Alles en alles was zoo indrukwekkend; en nog iets anders deed mee, die plechtigheid onvergetelijk voor mij te maken.
't Was dien ochtend voor 't eerst, sedert ik van school was, dat ik weder de buitenwereld terug zag. 't Is u zeker niet onbekend, dat 't bij ons gewoonte is, om jonge meisjes op te sluiten, d.w.z. in strenge afzondering van de buitenwereld te houden, zoolang tot er een bruidegom komt opdagen, een echtgenoot haar opeischt--het kooitje wordt ontsloten, het gevangen vogeltje vliegt er uit ... om van kooi en van "meester" te veranderen.--Om "uitgaan", zooals de "wereld" onder dat woordje verstaat, geven wij _niets_, maar gevangenschap was voor ons, die zoo de vrijheid minnen, o zoo hard te dragen. Wij zijn onzen ouders daarom zoo dankbaar, dat zij gebroken hebben met die gewoonte. Na dien gezegenden tocht naar Kedoeng Pendjalin kwamen we, eerst met groote tusschenpoozen, maar allengs vaker en vaker 't huis uit, we gingen al verder en verder van huis, en verleden jaar zijn we tot Batavia gekomen!
We lazen in de krant, onder de scheepsberichten, dat Mevrouw weder in Indië terug is en dus spoedig bij u zal zijn. Wat zijn we daar recht blij om voor u! Met deze post komen wij u en Mevrouw op een plaatje een bezoek brengen, om u te feliciteeren met de terugkomst uwer echtgenoote en om Haar, ofschoon onbekend, hartelijk welkom te heeten op Mapane. Zijn de Toradja's niet innig blij, hun "Moeder" weder in hun midden te hebben?
[1] De schrijfster vergiste zich blijkbaar in de studie van den Heer Adriani, en waande hem aanvankelijk geneesheer, terwijl hij is dokter in de taal- en letterkunde van den Nederlandsch Indischen archipel.
[2] De Toradja's sijn een volksstam van Midden-Celebes, in wier midden de Heer Adriani arbeidt.
20 Mei 1901. (I.)
Al heel veel had ik in mijn jong leven uitgestaan, maar dat alles was niets vergeleken bij hetgeen ik in die angstige dagen van Vader's ziek-zijn uitstond.
Er waren uren, waarin ik was zonder wil, sidderend ineenkromp van moreele pijn, en de lippen, die trotsch verkonden; "er kome wat wil!" beefden en stamelden: "mijn God erbarmen!" Mijn jaardag was een dubbel feest--een viering ook van Vader's herstelde gezondheid. Ik liet Vader je cadeau zien en vertelde, hoe blij je was met zijn portret. Vader lag op een langen stoel, ik zat er naast op den grond, zijne hand rustte op mijn hoofd, zoo sprak ik hem van jou. Vader glimlachte toen ik vertelde van je geestdriftige, sympathieke ontboezemingen over mijn Vadertje, en met dien glimlach om zijn mond en zeker met een gedachte aan zijn verre vereerster en geliefde vriendin van zijn kind, sliep mijn zieke in. Zóó na ben je mij, ben je ons, Stella. Geloof je nu, dat 't geen onhartelijkheid was, die mij zwijgen deed zoo lang tegenover jou, en kun je mij dat zwijgen nu vergeven? Laat ik je nu nog eens innig danken voor je vriendschap en je liefde, die aan mijn leven meer waarde geven, en laat ik je in gedachte vast aan 't hart drukken, in die omarming leggend, alles, wat ik voor jou gevoel! O! kon ik dit in werkelijkheid doen, oog in oog, hart aan hart, je mijn hart uitstorten dat zoo vol droefheid is. Stella, mijn Stella, Ik zou je zoo zielsgraag gelukkig maken met een jubelenden brief, je verblijden met de tijding, dat wij gelukkig zijn, dat wij ons doel bereikt hebben! helaas, in plaats daarvan zal deze één klaaglied worden. Ik houd niet van klagen, maar de waarheid moet gezegd worden. Er is een onverwachte wending in onze zaak gekomen; de quaestie is nu neteliger dan ooit, spoedig handelen dringend noodig; 't is een quaestie van _staan_ of _vallen_, van _zegevieren_ of _algeheelen ondergang_ en ... _ons zijn de handen gebonden_. Er is een plicht, die dankbaarheid heet, er is een hooge heilige plicht, die kinderliefde heet, en daar is een lage, verfoeilijke slechtheid, die heet "egoïsme". O! 't is soms zoo moeilijk, uit te maken, waar het goede ophoudt, en 't slechte begint. Als men de dingen zoo hoog opvoert, is de grenslijn tusschen beide uitersten nauwelijks merkbaar. Vaders gezondheid is zóó, dat hevige gemoedsaandoening moèt _vermeden_ worden. Weet ge, wat dit zeggen wil? wij zijn weerloos aan de genade van het blinde Lot overgeleverd!
Zoo dicht reeds stonden we bij de vervulling van onze dierste wenschen, en nu staan wij er weer zóó ver van af, en hangt er bovendien iets vreeselijks ons boven het hoofd. Bitter ontwaken na den zoeten droom van alle moeilijkheden uit den weg geruimd te hebben. Dat arme, gefolterde hart, dat altoos krijt in diepen, bangen smart: "wat is mijn plicht"? en er geen antwoord op krijgt, wijl degeen, die antwoorden moet, rondtast in 't diepste duister. Licht, licht! mijn God! en sta ons bij! wij weten niet hoe en waar dit alles op uitloopen zal!
O, en zeker om ons te troosten en op te vroolijken moesten wij vernemen, dat er van dat goddelijk Regeeringsplan, om de dochters van regenten tot onderwijzeressen op te leiden, niets komen zal, wijl vele regenten, wier advies in deze werd ingewonnen, er zich tegen verklaarden, daar 't tegen den _adat_ strijdt, dat meisjes buitenshuis opleiding ontvangen. 't Is voor ons een harde slag, daarop hadden wij al onze hoop gebouwd; adieu nu illusie! adieu gouden toekomstdroom! waarlijk 't was te mooi, om waar te zijn! O! wisten ze maar wàt ze verwierpen! Doch stil, wij mogen niet onbillijk zijn, en hen hard vallen, die niets kunnen voelen voor de geavanceerde plannen der Regeering en 't belang hunner dochters. Om te kunnen waardeeren, moet men eerst kunnen begrijpen, en hoe kunnen zij begrijpen de wenschen en verlangens van ons jong modern geslacht, zij die nooit anders hebben gekend? Waar in 't verlichte Europa, 't centrum der beschaving, de bron van 't Licht, de strijd om het recht der vrouw nog zoo hevig en fel wordt gevoerd, mogen wij verwachten, dat Indië, dat eeuwenlang ingedommeld is en nòg slaapt, er zich bij zal neerleggen, zal toestaan, dat de vrouw, die door eeuwen heen als een inferieur wezen is beschouwd en behandeld wordt, zich als _mensch_ beschouwt, die _recht_ heeft op een _onafhankelijk geweten_?
O, Stella, en we waren zoo zielsgelukkig, zoo trotsch, toen wij vernamen, dat bij de Regeering 't voornemen bestond, voor regentsdochters de gelegenheid open te stellen zich te bekwamen tot onderwijzeres. Aan alle meisjes-standgenooten werd de weg geopend, zich een zelfstandig bestaan te veroveren, en alzoo de toegang verleend tot vrijheid en geluk, en het werd van de hand gewezen. En ik zat me al te verkneuteren van pleizier bij de gedachte, hoe je oogen tintelen zouden, als je dat heerlijk nieuws vernam, en nu is al 't moois naar de maan. Hoe nu de zaken precies staan, weet ik niet--onze vrienden op Batavia zijn op reis--maar wij denken, heel, heel treurig. Als nu die kostelijke plannen van onderwijs voor Inlandsche meisjes in 't algemeen ook maar niet er bij inschieten, ook door onwil der ouders, dan is 't niets, hoor! Dàt zou vreeselijk zijn! O, je weet niet, hoe mij de vingers branden om te schrijven over die heerlijke voorstellen van den Directeur van Onderwijs, en over de voorgestelde opleiding van regentsdochters tot onderwijzeres, maar ik, stakker, moet mijn mond of mijn pen stilhouden, ik mag _mijn opinie over die belangrijke onderwerpen niet zeggen_, allerminst door middel van de pers. Weet je wel, dat zelfs personen in onze onmiddellijke omgeving niets weten van wat er broeit en gloeit en woelt in ons binnenste? dat men niets weet van onze plannen? Ik had bij mezelve zoo'n schik, toen een goede kennis, die veel bij ons aan huis komt, dat over de opleiding van regentsdochters in de krant las, tot de zusjes zeide, dat 't net iets was voor me en dat haar man en zij mij zouden _dwingen_ stappen te doen in die richting. Haar man sprak er mij naderhand ook over, en ik met een doodleuk gezicht, als van niets wetend, liet hem maar spreken.
Beiden, man en vrouw, zijn aan mijn kant en gloeien voor de emancipatie der Inlandsche vrouwenwereld. Hij is bestuursambtenaar en kan veel doen voor onze zaak; zijne vrouw beloofde mij haar steun in toekomstige dagen. Aardig om dat enthousiasme te zien; zij is een, die graag zich nuttig wil maken, maar niet weet op welk een wijze. Haar man zal binnenkort promotie maken en dan zullen zij beiden nog veel meer kunnen doen voor de opheffing van ons volk. Wij hebben een plannetje beraamd, op hoe'n wijze zij zich nuttig zou kunnen maken, en zij en haar man hebben er ooren naar. Als hij assistent-resident is, zal ze dochtertjes van onder haar man dienende Inlandsche ambtenaren op bepaalde dagen bij zich aan huis laten komen om ze onderricht te geven in handwerken en koken, en misschien ook lezen en schrijven. 't Zal een nuttig en dankbaar werk zijn; het vrouwtje is er verrukt over! We hopen, dat dat werk dan navolging zal vinden. Vindt je dat niet aardig? Ik heb haar natuurlijk veel van je verteld, en ik genoot van hare bewondering voor je. Zij wil ook graag lid worden van de Onderlinge Vrouwenbescherming. Zij heeft twee dochtertjes in Holland, waarvan de eene advocaat wil worden en de andere ook voor een vak wenscht opgeleid te worden. Toen ik mij eens liet ontvallen, dat ik ernstig plan had, vóór ik 't leven inging als wat dan ook, eerst minstens jaar in een ziekenhuis werkzaam te zijn, om kennis op te doen in ziekenverpleging, opdat mij de handen niet verkeerd zouden staan in ziektegevallen, zeide zij dadelijk, dat haar zwager, die dokter is, bereid was, mij tot zich te nemen, om mij in te wijden in de geheimen van het ziekenverplegen, een kennis, die mij altijd te pas zal komen en voor mijne omgeving van nut. Die dokter is een baar, spreekt geen Javaansch en zeer gebrekkig Maleisch; ik kan hem dus wederkeerig van dienst zijn, door als tolk op te treden, daar verreweg zijn meeste patiënten Inlanders en Chineezen zijn. Ik denk er heusch ernstig over een tijdje de werkzaamheden in een ziekenhuis te volgen; dat moet een deel uitmaken van mijne opvoeding; ik heb er reeds lang over zitten pikeren. Hoe denk je er over? O, 't is ellendig en nog eens ellendig, om iemand vreeslijke pijnen te zien uitstaan en niet te weten, hoe dat lijden te verlichten; de toeschouwer lijdt eigenlijk meer dan de patiënt zelf. Ik heb aan veel ziekbedden gezeten, als kind zelfs reeds, en kan daarvan meepraten. Aan een dier ziekesponden kwam dat denkbeeld, om me in 't ziekenverplegen te laten onderrichten, in me op; eerst vaag, maar allengs nam 't vaste vormen aan, en nu is 't een idee fixe geworden! Als ik later spreken mag, d.w.z. uitzeggen, wat ik op 't hart heb en 't over opvoeding van 't meisje heb, zal ik pleiten voor 't nut, dat kennis op hygiënisch gebied, van 't samenstel van 't menschelijk lichaam etc. etc. voor vrouwen heeft. Ik zou dat ook graag opgenomen zien in 't leerplan der op te richten scholen voor Inlandsche meisjes. Arme stumpers, hè, die naast al dat poespas ook nog dat inslikken en verwerken moeten. Wat een ideaal school zal dat internaat voor Inlandsche freuletjes worden, hè? kunsten, wetenschappen, koken, huishouden, handwerken, gezondheidsleer en vakonderwijs zal en moet komen! Droom maar, droom maar, als 't je gelukkig maakt, waarom ook niet?
* * * * *
Wat ik tot dusver voor 't publiek schreef, was maar wat onzin, indrukken van de een of andere gebeurtenis. Ernstige onderwerpen mag ik niet aanroeren, helaas! Later, als wij ons geheel losgeworsteld hebben uit den ijzeren greep der eeuwenoude traditie, (deze bestaat voor ons nog maar alleen uit onze liefde voor onze beste ouders) zal 't anders worden. Vadertje heeft niet graag, dat de naam zijner dochters zoo over de tong gaat; als ik algeheel zelfstandig ben, mag ik mijne opinie zeggen. Tot zoolang geduld dus, Stella, _onzin_ zend ik je _niet_. Als ik iets schrijf, dat mij heel lief is, omdat 't mijn innigste overtuiging weergeeft, zàl ik 't je zenden.--
10 Juni 1901. (III.)
Dat mooie stukje van Borel over de gamelan (zielemuziek, zooals de schrijver ze noemt) kennen we en hebben we in bezit. Kent u andere werken ook van hem? o.a. "Het Jongetje," dat iets hoogverrukkelijks is! Velen vinden Borel erg aanstellerig-ziekelijk, maar wij genieten van vele zijner werken! Heel mooi is ook van hem "De laatste incarnatie" en iets bijzonder moois is zijn "Droom uit Tosari"; daarin beschrijft hij op éénig mooie manier 't wondere natuurschoon op Java's blauwe bergen. Hoe genoten wij er van! men moet kunstenaar zijn of minstens met een flinke dosis kunstgevoel behebt zijn, om zòo 't schoon van moeder natuur te _zien_ en te _genieten_; en om dat alles in zoo mooie gekuischte taal weer te geven, moet men een dier bevoorrechte menschenkinderen zijn, wien de muzen een kus op 't voorhoofd gedrukt hebben.