Don Quichot van La Mancha

Chapter 9

Chapter 93,962 wordsPublic domain

De waard hoorde verbaasd op bij deze woorden van Sancho, wien de beloften van zijn heer insgelijks het hoofd geheel op hol gebracht hadden. Evenwel zwoer hij bij kris en bij kras, dat noch de ridder noch zijn knecht ditmaal wegkomen zouden gelijk de vorige maal, d.i. zonder gelag en schade ten volle te betalen.

Don Quichot was inmiddels weer wat tot zichzelf gekomen en meende, zijn avontuur triomfantelijk ten einde te hebben gebracht. Hij viel voor de vermeende prinses Micomicona op de knieën en sprak haar aan, als volgt:

"Koninklijke hoogheid, doorluchtigste, edelmoedigste en schoonste prinses! Van dezen gezegenden dag af kunt gij in rust en veiligheid leven, want de verfoeielijke toovenaar, de reus, ligt hier verslagen door mijne dappere hand. Ik echter heb mij ten volle van mijn ridderplicht gekweten, daar ik met behulp van mijne meesteresse Dulcinea van Toboso mijne beloften gehouden heb."

"Hoort gij 't nu wel?" riep Sancho vroolijk. "Heb ik 't niet gezegd? Ik sprak toch niet in dronkenschap. Nu ziet gij, mijn heer heeft den reus doodgemaakt en mijn stadhouderschap kan mij nu niet meer ontgaan."

Allen lachten hartelijk bij deze nieuwe dwaasheden van den ridder en zijn knaap. Alleen de herbergier vloekte en schimpte nog altijd voort en wenschte de twee gekken naar het land, waar de peper groeit.

Om echter aan deze klucht een goed einde te maken, brachten de pastoor en de barbier den ridder weer te bed, dekten hem warmpjes toe en merkten tot hunne blijdschap, dat hij van uitputting dadelijk insliep. Zij lieten hem rusten, traden voor de deur van de herberg, namen Sancho Panza mee en troostten hem, dat hij het hoofd van den reus niet had kunnen vinden. De schildknaap was spoedig tevredengesteld; doch meer moeite had men met den verbolgen waard, die nog altijd over het verlies van zijn wijn en zijne kostelijke nieuwe zakken lamenteerde. Hij zette eerst weer een lachend gezicht, toen de begeleiders van jonkvrouwe Dorothea hem tot schadeloos stelling eenige goudstukken, die zijne schade dubbel en dwars goedmaakten, in de hand drukten.

Nu werd het eten opgedragen en allen schikten vroolijk aan den maaltijd. Toen die was afgeloopen, nam jonkvrouwe Dorothea met hare begeleiders van den pastoor en den barbier vriendelijk afscheid, droeg den verbaasden Sancho op, zijn meester wel duizendmaal van haar te groeten, en zette toen hare door het avontuur met den dolenden ridder afgebroken reis met haar gezelschap voort. Eerst toen zij in de verte verdwenen was, verklapte men aan Sancho, hoe 't met de zaak was gelegen geweest; en deze maakte zich niet weinig boos over de comedie, welke men met hem en zijn dapperen meester gespeeld had. Men wist hem echter door vriendelijke toespraak al spoedig tot bedaren te brengen, en eindelijk beloofde hij zelfs zijne medewerking tot het beraamde plan, om den ridder Don Quichot goed- of kwaadschiks weer naar zijne woonplaats terug te brengen.

De nacht ging verder rustig voorbij. Den volgenden morgen echter kwam Don Quichot, die nu uitgeslapen en weer tamelijk goed bij zijne zinnen was, uit zijne slaapkamer te voorschijn en vernam naar de prinses Micomicona en de heeren van haar gevolg. De pastoor maakte hem volgens afspraak wijs, dat die was vooruitgereden, om de woonplaats van een zoo beroemden ridder als Don Quichot te leeren kennen, en dat zij aldaar zijne aankomst rustig afwachten wilde. De goede man stelde zich met deze verklaring dan ook dadelijk tevreden en drong nu zelf op vertrekken aan, daar zijn harte brandende was van verlangen, om zijne edele beschermelinge ten spoedigste weer te ontmoeten.

Vóór de afreis daagde nu ook de barbier op, die tot hiertoe de betrekking van palfrenier bij de prinses Micomicona had vervuld, en begroette Don Quichot, alsof hij hem in tijden niet gezien en gesproken had. Don Quichot verwelkomde hem op dezelfde wijze en noodigde hem uit, zich aan zijn gezelschap aan te sluiten. Hierop besteeg hij Rocinante; de overigen, ook Sancho Panza die een muildier van Dorothea ten geschenke had gekregen, volgden op hunne ezels, en de reis naar de woonplaats des dolenden ridders werd ondernomen.

De eerste dag leverde niets opmerkelijks op. Don Quichot hield zich tamelijk rustig, Sancho Panza keuvelde met den barbier, en de pastoor vleide zich meer en meer met de hoop, dat men des ridders huis wel zonder tegenspoed bereiken en hem daar zijne dolle ideën eindelijk uit het hoofd drijven zou.

Voordat zij hunne bestemming bereikten, moesten zij echter nog een avontuur bestaan, dat den Ridder van de Droevige Figuur bijna 't leven kostte.

Op den tweeden dag hunner reis vernam deze de tonen eener trompet, keek op en zag van eenen heuvel eene schaar geheel in 't wit gedoste lieden afkomen. Dit waren geeselaars, die, daar de hemel dit jaar allen regen had geweigerd, onder gebed en boetedoening eene bedevaart naar eene kluizenaarshut ondernamen, om daar van God af te smeeken, dat Hij zijne milde hand mocht openen en een verkwikkenden regen op de verdorde velden doen neerruischen. Bij 't zien van hunne zonderlinge en ongewone kleeding beeldde Don Quichot zich nu echter naar gewoonte in, dat hem weder een avontuur wachtte, en dat hij als dolend ridder verplicht was, dat met koenheid en moed te bestaan. In dezen waan werd hij door een beeld in rouwkleederen nog meer versterkt. Hij hield dat namelijk voor de eene of andere edele en voorname vrouw, die door deze schaamtelooze en schandelijke roovers met geweld voortgesleept werd.

Zoodra hij dit alles in zijne dolle verbeelding zoo had vastgesteld, greep hij zijne teugels vaster, hield zijn schild voor, trok met geweldigen zwaai zijn blinkend zwaard uit de scheede en riep met dreunende stem:

"Geeft acht, gij mannen; thans zult gij met eigen oogen aanschouwen, dat er helden in de wereld zijn, die zich uit vrije verkiezing voor het algemeen welzijn opofferen en tot de beroemde orde der dolende ridders behooren."

Na dit geroepen te hebben, stiet hij Rocinante, daar hij geen sporen had, met de kuiten en hakken in de ribben en stormde in een zwakken galop, die echter de snelste was, dien de knol aannemen kon, op de geeselaars in. Tevergeefs schreeuwden de pastoor en de barbier zich heesch, om hem van zijn roekeloos opzet af te brengen. Don Quichot was daar doof voor. Ook Sancho Panza verhief zijne stem, om den ridder tot staan te brengen, doch met hetzelfde gevolg.

"Heer, bedroefde ridder," schreeuwde hij hem na, "waar wilt gij dan eigenlijk naar toe? Welke booze duivel is in u gevaren, dat gij zelfs tegen ons eigen heilig geloof wilt vechten? Ziet gij dan niet, dat die optocht eene schaar boetelingen en dat de vrouw, die zij op dat voetstuk dragen, enkel het beeld der heilige Moedermaagd is? God helpe ons en sta ons bij! Bedenk wel, heer ridder, wat gij doet, en stel u niet moedwillig aan schimp, schande en schade bloot!"

Zoo brulde Sancho; doch 't was, zooals gezegd is, voor doovemansooren gepraat. Don Quichot van La Mancha stoof, om de in diepen rouw gekleede vrouw te bevrijden, met zulk een dolle vaart op de boetelingen in, dat hij nergens naar luisterde. En ook als hij elk woord verstaan had, zou hij daarom toch niet omgekeerd zijn. Eens door zijne razernij aangetast, liet hij zich door geen woord en geen koning meer tegenhouden.

Op korten afstand gekomen, hield hij zijn hijgend en kuchend strijdros in en riep met dreigende stem: "Gij daar in witte kleederen, die uwe aangezichten zeker alleen bedekt houdt, omdat gij booze dingen in het schild voert, houdt stil en verneemt mijne rede!"

De voorsten in de rij droegen het beeld en waren dus natuurlijk ook de eersten, die 's ridders toeroep vernamen en vol verbazing bleven staan. Het waren vier geestelijken, en bij 't zien van de wonderbaarlijke uitrusting, het magere paard en heel het potsierlijk voorkomen van onzen held nam een hunner het woord en riep terug:

"Hoor, mijn beste heer, zoo gij ons iets van belang hebt mede te deelen, doe dat wat kort en bondig en houd ons, als 't wezen kan, niet op. De vrome lieden hier achter ons doen boete en kastijden hun lichaam, tot wij daar bij de hermitage zullen zijn aangekomen. Wij mogen hun lijden niet onnoodig verlengen, en als gij dus wat lang van stijl zijt, zwijg dan liever en maak u wat spoedig uit de voeten."

"Nu, wat ik wil is in korte woorden te zeggen en af te doen," antwoordde Don Quichot. "Ik verlang van u, dat gij zonder verwijl die arme en in tranen wegsmeltende dame in vrijheid stelt, naardien gij haar zonder twijfel tegen haar wil medesleept en haar hemeltergend geweld hebt aangedaan. Ik, die in de wereld ben gezonden, om het kromme recht te buigen en de onderdrukten te helpen, zal niet dulden, dat men de arme bedrukte jonkvrouwe nog verder onrecht doet. Voordat gij een stap verder moogt gaan, moet gij haar de volle vrijheid teruggeven, die zij gewisselijk verdient."

Uit deze onzinnige taal merkten allen, die 't hooren en verstaan konden, dat er bij den ridder van de droevige figuur een vrij erge streep door moest loopen, en het gevolg was, dat allen in een schaterend lachen uitbarstten. Dit lachen was echter olie in het vuur gegoten. Don Quichots toorn ontvlamde; zonder een woord te spreken, schuimbekkend van woede, zwaaide hij zijn zwaard en stoof tot den aanval vooruit. Zoodra de dragers van het heilige beeld dit zagen, liet de sterkste zijn last aan een ander over, trad den dolleman in den weg en weerde diens eersten houw af met eene soort van vork, waarmee hij bij het uitrusten het beeld der Heilige Maagd placht te stutten. Die vork of gaffel werd wel door 's ridders geweldige zwaardslagen in tweeën gehakt, doch de drager verloor daarom den moed niet, maar bracht met het stuk, dat hij nog in de hand hield, onzen armen held een zoo geduchten veeg over de schouders toe, dat deze waggelde, tuimelde en half kopjebuitelend op den harden, zandigen grond neerplofte.

Op dit oogenblik schreeuwde Sancho Panza, die hijgend aan kwam loopen, den overwinnaar toe, den gevallene te ontzien en hem verder geen kwaad meer te doen. Don Quichot was een arme behekste en verbijsterde ridder, die niet wist, wat hij deed, en derhalve het medelijden van alle verstandige menschen verdiende.

De boer hief zijn knuppel dan ook niet weer op; doch 't was niet Sancho's kermen, dat hem tot deze verschooning bewoog, maar alleen de opmerking, dat Don Quichot als een blok op den grond lag en geen vin meer verroerde. Deze omstandigheid deed den boer denken, dat hij den armen ridder had doodgeslagen, en daarom pakte hij zijn lang sleepkleed op, trok het tot den gordel in de hoogte, wierp zijn knuppel weg en zette het met de snelheid van een hert op een loopen.

Inmiddels waren ook de pastoor en de barbier nader gekomen en hadden de geeselaars zich om den gevallene opeengedrongen, ten gevolge waarvan een kluchtig tooneel van verwarring en misverstand ontstond. De bedevaartgangers meenden, dat zij zouden worden aangevallen, trokken hunne kappen over het hoofd, zwaaiden hunne geeselroeden en wachtten het begin van den kamp af met het vaste voornemen, om iederen vijand ongenadig van de taart te geven. Toen zij nu echter zagen, dat Sancho Panza, zonder zich aan iets anders te storen, bij het lichaam van zijn meester neerknielde en, in de stellige verbeelding, dat die werkelijk morsdood was, de akeligste jammer- en klaagtonen uitstiet, toen ook de pastoor door een der priesters, die de bedevaart aanvoerden, herkend werd, toen maakten op eens haat en vijandschap voor vrede en verzoening plaats en werd van geen van beide kanten aan vechten meer gedacht.

Onze pastoor deelde den priester in korte woorden mede, hoe het eigenlijk met den armen ridder gesteld was, en ging daarop met nog eenige anderen bij den gevallene, om te zien, of die werkelijk den adem had uitgeblazen of alleen maar buiten kennis lag. Op de kampplaats aangekomen, hoorde hij den trouwen schildknaap luid krijten en huilen en aan zijne droefheid lucht geven in de volgende bewoordingen:

"O gij, bloem van alle ridderschap, roem en glorie dezer eeuw, eer en sieraad van uw gansche geslacht, waarom moest gij door zoo een ellendigen knuppelslag uw doorluchtig leven eindigen? Nu, daar gij gestorven zijt, zullen alle zondaars en boosdoeners weer stoutmoedig de hoofden opsteken, zonder te vreezen, dat zij voor hunne goddeloosheden gestraft worden. Hoe beklaag en betreur ik uwen dood, o grootmoedigste en milddadigste van alle dolende helden, die mij voor de korte dienstbaarheid van weinig maanden 't schoonste eiland zoudt hebben gegeven, dat gij maar op de wereld veroveren kondt. Rust zacht, deemoedige onder de hoovaardigen, wreker der beleedigden, helper der bedrukten, tuchtroede der boozen en godslasteraars, schrik der schelmen en gauwdieven en vervolger der wreedaardigen! Rust zacht, zeg ik, want gij verdient dat, als de beste dolende ridder, dien ooit de wereld gezien en bewonderd heeft."

Dat laatste woord had Sancho Panza echter pas over de lippen, of Don Quichot sloeg na het uitstooten van een diepen zucht zijne oogen op en keek uiterst verbijsterd rond.

"Waar ben ik?" vroeg hij. "Ha, ik herinner mij: een vreeselijke reus en toovenaar heeft mij met zijn ijzeren knods ter aarde geveld. Bezorg mij een voertuig, waarde vriend Sancho Panza, want ik ben niet meer in staat mijn strijdhengst Rocinante te beklimmen. Mijne schouderbladen zijn stukgebeukt, en wij moeten ons haasten onze woonplaats te bereiken, als ik er het leven afbrengen zal. Ach, wat zal van de edele prinses Micomicona van Micomicon worden, nu mijn heldenarm haar niet langer beschermen kan!"

"Maak u daar niet ongerust over," antwoordde de pastoor, die dit oogenblik gunstig oordeelde, om Don Quichot het vertrek van de jonkvrouw mede te deelen. "Zoo pas heb ik daar eene boodschap van de prinses ontvangen, dat zij uwe bescherming niet meer noodig heeft. De reus is door hare onderdanen doodgeslagen, en haar terugkeer in haar koningrijk staat dus niets meer in den weg. Reeds is zij daarheen op reis gegaan en zij laat u door mij duizendmaal groeten en haren innigsten dank betuigen."

"Dat verheugt mij hartelijk," antwoordde de ridder. "Ik wensch der edele dame zegen en voorspoed op haar weg toe en verblijd mij, dat zij ook zonder mijne hulp tot hare rechten is gekomen. Maar waar is de karos? Sancho Panza, zorg gij, dat ik een rijtuig krijg."

"Terstond, terstond, edele heer!" riep Sancho en liep heen, om ergens in de nabijheid een voertuig op te loopen. Hij vond gelukkig eene oude, deerlijk gehavende herderskar op het veld staan, kwam daarmee aankruien en laadde met behulp van den pastoor en den barbier den gekwetste er op. Rocinante werd er als trekpaard voorgespannen en zoo de reis voortgezet. De bedevaartgangers stelden zich weder in beweging, en Don Quichot werd langzaam naar huis gekruid.

Tegen den middag kwamen zij in Don Quichot's geboortedorp aan. Het was juist op een Zondag en bijna al de bewoners der plaats hadden zich op het marktplein verzameld, dat de kar van den ridder dwars moest oversteken. Oud en jong stroomden nieuwsgierig toe, om met de lading van het vreemde voertuig kennis te maken, en waren niet weinig verbaasd, toen zij hunnen edelen landsman herkenden. Een jongen liep op een drafje naar 's ridders huis vooruit, om aan de huishoudster en de nicht bericht te brengen, dat haar meester en oom bont en blauw geslagen, bleek, vermagerd, op een bos hooi op eene ellendige kar liggend, in aantocht was.

De beide vrouwen waren door dit bericht zoo ontsteld, dat het met geen woorden te beschrijven is. Zij maakten een gruwelijk misbaar, rukten zich haren en krullen uit het hoofd en verwenschten opnieuw de onzalige ridderboeken, die al deze ellende hadden veroorzaakt.

Nog raasden zij op deze wijze tegen hare eigen hoofden en tegen die verwenschte romans, toen de hofpoort knarsend op hare verroeste hengsels draaide en de kruiwagen met den gewonden ridder voor de deur stilhield. Terstond schoten de beide vrouwen toe, namen den armen held op, droegen hem met behulp van den pastoor en den barbier in huis, ontkleedden hem en brachten hem eindelijk in zijn ouderwetsch ledikant ter ruste. Don Quichot zei geen woord, maar liet zich alles bedaard welgevallen. De pastoor drukte echter het nichtje op het hart, haar oom toch met de meeste zorg te verplegen en in 's hemels naam toe te zien, dat hij nog niet eens ontsnapte en als dolend ridder het land op stelten zette. Hierop vertelde hij, wat moeite het gekost had, den gekken held weer naar huis te krijgen, en zocht de arme vrouwen te troosten, die alweer hardop begonnen te huilen en haar hart vasthielden, dat haar meester en oom die dolle kuren opnieuw zoude beginnen.

Of dit al of niet gebeurde, zullen wij spoedig genoeg vernemen.

Terwijl nu daar binnen in huis over den ridder geklaagd, getreurd en gelamenteerd werd, kreeg zijn arme schildknaap het daarbuiten op den hof bitter zwaar te verantwoorden. Op het bericht van Don Quichots terugkeer kwam namelijk Sancho Panza's vrouw toe en vond haren echtvriend op het punt van zijn ezel te bestijgen, om naar zijne hut en zijne dierbare gade terug te keeren. De schimp- en scheldwoorden, waarmede de vergramde vrouw hem overstelpte, omdat hij zoo heimelijk den huiselijken haard had verlaten, willen wij hier liever niet herhalen. Wij zeggen alleen, dat den armen knaap terdeeg de ooren werden gewasschen, en dat hij zeer mak en gedwee onder geleide van zijne kijvende wederhelft thuis aankwam.

HOOFDSTUK XIV.

HOE DON QUICHOT TOT EEN NIEUWEN TOCHT WORDT BEWOGEN.

Verscheiden weken achtereen lag de ridder aan de gevolgen van de bekomen wonden en kwetsuren vrij ernstig ziek. In plaats van hem gedurende zijne krankheid te bezoeken, hielden de pastoor en de barbier zich opzettelijk op een afstand, om de voorvallen van den laatsten tijd maar niet weer in zijn ontsteld brein op te frisschen, doch verzuimden niet, van tijd tot tijd de huishoudster en het nichtje te komen zien, om haar in de behandeling van den ridder naar hun beste weten te onderrichten.

"Geeft hem goeden, stevigen kost en praat hem niet van de dolle streken, die hij uitgevoerd heeft," zeide de pastoor. "Misschien vergeet hij dan zijne waanzinnige hersenschimmen en wordt mettertijd weer een zoo wat half verstandig man."

De vrouwen volgden deze aanwijzing met alle stiptheid en Don Quichot kwam eindelijk zoo ver, dat hij bezoekers toelaten en zijne oude vrienden, den pastoor en den barbier, ontvangen kon. Bij hunne komst vonden zij hem overeind in zijn bed zitten. Hij had een buis van groen laken aan, droeg eene groene Toledomuts op het hoofd en zag er zoo mager en uitgedroogd uit, dat hij wel haast eene mummie geleek. Voor 't overige ontving hij zijne gasten met veel vriendelijkheid, sprak zeer bedaard en verstandig en bediende zich van zulke uitgezochte en gepaste uitdrukkingen, dat de goede pastoor reeds hoop begon te voeden, dat hij zich die dwaze dolende ridderschap nu toch voorgoed uit het hoofd had gezet. Om daarvan de zekerheid te verkrijgen, besloot hij eene afdoende proef te nemen, en bracht zoo in den loop van het gesprek te pas, dat de Turken met eene geweldige legermacht in aantocht waren en het eiland Sicilië, dat destijds nog tot het koningrijk Spanje behoorde, met een inval bedreigden. De koning had dat eiland evenwel reeds doen versterken en er een sterke krijgsmacht heengezonden.

Bij dit verhaal schudde Don Quichot bedenkelijk het hoofd.

"De koning," zeide hij na eene poos, "heeft zeker bij deze gelegenheid als een wijs en zeer voorzichtig veldheer gehandeld en zijne staten gedekt, zoodat de vijand die niet onvoorbereid en weerloos zal vinden; maar als hij mijn raad wou volgen, zou hij toch met veel geringer aanwending van geld en krachten veel grooter uitkomsten kunnen verkrijgen."

Bij het vernemen van deze woorden kreeg het vertrouwen van den pastoor op Don Quichots herstelling weer een bedenkelijken stoot en bij zichzelf dacht hij: "Mijn goede beste Don Quichot! daar tuimelt gij weer hals over kop in den afgrond van uwe dolle inbeeldingen neer!"

De barbier had nagenoeg dezelfde gedachten; maar om niet te voorbarig te oordeelen, vroeg hij Don Quichot, waar zijne voortreffelijke maatregelen dan wel eigenlijk in bestonden? Misschien behoorden zij wel tot die, welke men in het dagelijksch leven dolzinnige en ongerijmde noemt.

"Mijn denkbeeld, meester baardschrabber, is zeer gerijmd," antwoordde Don Quichot op barschen toon, "en stellig lang niet zoo dolzinnig als gij zelf."

"Kom, kom, heer ridder, ik meende 't zoo boos niet, als gij het daar opvat," zei de barbier. "Ik wou alleen maar zeggen, dat veel voorslagen, die den koning reeds gedaan zijn, onuitvoerbaar en onmogelijk zijn bevonden en, wou men er gevolg aan geven, het rijk enkel schade en verlies zouden toebrengen."

"Dat is echter met mijn voorslag niet het geval," verzekerde Don Quichot. "'t Is het lichtste, gemakkelijkste, doelmatigste en vernuftigste middel, dat ooit in de hersens van een verstandig man is opgekomen."

"En wilt gij het ons ook mededeelen, heer?" vroeg de pastoor.

Don Quichot zag hem wantrouwig van ter zijde aan. "Ik zal mij wel wachten, het te verklappen," zeide hij. "Wie staat mij borg, dat gij niet, zoodra gij het plan vernomen hebt, dat dadelijk aan de ministers des konings mededeelt en u zoo den roem en de eer toeëigent, die mij, als den uitvinder, heel alleen toekomt?"

"Ik voor mij zweer bij alles, wat heilig is, dat ik mij nooit aan zulk een schandelijk verraad zal schuldig maken," riep de barbier. "Wat gij ook spreken moogt, nooit zal eene syllabe over mijne lippen komen, en noch koning noch bedelaar zal mij immer bewegen mijn eed te breken."

"Dat is genoeg, dat is genoeg," zeide Don Quichot. "Ik ken u als een eerlijk man, heer barbier, en vertrouw u ten volle."

"En was dat niet zoo, dan durfde ik wel voor hem instaan," verklaarde de pastoor. "Hij zou niet meer over deze zaak spreken, dan een stomme, op straffe der boete, die ik hem opleggen zou."

"Maar wie is mij borg voor u zelf, heer pastoor?" vroeg Don Quichot.

"Mijn heilig ambt," antwoordde de pastoor met waardigheid, "mijn heilig ambt, dat mij streng stilzwijgen tot een onverbrekelijken plicht maakt."

"Welaan dan," riep Don Quichot, die thans zijne toehoorders ten volle vertrouwde: "waarom laat dan de koning niet uitroepen, dat op een vastgestelden dag alle dolende ridders en helden van Spanje zich ten hove verzamelen moeten? Indien ook maar een dozijn verschenen, zou toch reeds dit gering aantal toereikend zijn, om de gansche macht van den heidenschen Turk geheel te vernielen. Heeft niet al vaak een eenig dolend ridder een leger van tweemaal honderd duizend krijgers op de vlucht gejaagd? Waarom zou in den tegenwoordigen tijd zulk eene heldendaad niet meer kunnen voorkomen? Waarlijk, waarlijk, nog heden ten dage zijn er mannen, die voor de ridders uit den ouden tijd in sterkte noch in dapperheid onderdoen! God hoort mij en ziet in mijn hart.... Meer wil ik niet zeggen."

"Och grut!" riep hier de nicht, die met de huishoudster het gansche gesprek had aangehoord, "och grut, dat is weer de oude mallepraat; en ik wil een boon wezen, als hij niet weer lust heeft, om op zijne dolle avonturen uit te gaan."

"Ja," zeide Don Quichot op ernstigen toon, "als dolend ridder wil ik leven en sterven, en geen sterveling zal mij van mijn voornemen afbrengen. Laat de Turken maar komen! Al zijn zij nog zoo machtig en geweldig, ik zal."

"Luister, beste heer," wendde de barbier, die een poosje stil nagedacht had, zich hier tot den koenen ridder: "vergun mij, eene kleine geschiedenis te vertellen, die in Sevilla is voorgevallen en op deze dingen past, als het deksel op den pot."

Don Quichot gaf dadelijk de gevraagde vergunning, en de barbier vertelde de volgende aardige kleine geschiedenis: