Don Quichot van La Mancha

Chapter 8

Chapter 84,022 wordsPublic domain

Hierop verkleedde zij den pastoor met zooveel zorg, dat hij zichzelf bijna niet herkend zou hebben. Zij trok hem een lakenschen rok aan, die met breede zwartfluweelen strooken bezet was, gaf hem een groenfluweelen rijglijf en wou hem ook nog het haar kappen, zooals de vrouwen gewoon zijn, dat te doen. Dit laatste liet de brave man evenwel niet toe, maar hij bedekte zijn hoofd met eene witte linnen slaapmuts en bond daar een sluier aan, die zijn baard en zijn geheele gezicht ten volle bedekte. Daarop drukte hij zich zijn grooten breedgeranden hoed diep in de oogen, wierp een langen mantel om en ging, op vrouwenmanier, dwars op zijn muildier zitten. Ook de barbier met zijn roodbruinen langen baard besteeg zijn ezel, en zoo zeiden zij de wakkere waardin vaarwel en gingen bij Sancho, die over de wonderlijke toetakeling der beide eerzame mannen lachen moest, dat zijn buik er van schudde.

Terwijl zij nu den weg naar het gebergte insloegen, begreep de pastoor, dat het in den grond nergens toe diende, dat zij nu reeds hunne verkleeding droegen, en besloot dus die vooreerst af te leggen en eerst weder aan te nemen, als zij in de nabijheid van de schouwplaats hunner daden en van Don Quichots dwaasheid zouden zijn aangekomen. Dit geschiedde, en in zeer vroolijke stemming vervolgden zij hierop hunnen tocht.

Den volgenden dag kwamen zij aan de plaats, waar Sancho Panza de boomtakken in den grond had gestoken, om hem tot wegwijzers te dienen. Hier vonden zij een lustig gezelschap van personen, die, naar het scheen, eene reis door het gebergte hadden gedaan. Het bestond uit drie heeren en eene dame van buitengewoone schoonheid.

Sancho Panza haastte zich vooruit, om voorloopig naar zijn heer om te zien; doch de pastoor liet zich in een gesprek met de reizigers in en vertelde op hunne vraag, hoe hij hierheen kwam, alles wat hij van Don Quichot wist, van zijne wonderbaarlijke dwaasheid en van zijn waanzinnig besluit, om in een rotsdal van het gebergte den razenden Roland of den smachtenden Amadis van Gallië te spelen.

De jonge dame had dit verhaal onder veel lachen aangehoord, en daar zij van een zeer vroolijken en spotzieken aard was, wist zij hare begeleiders over te halen, den braven pastoor in zijn goed werk te ondersteunen en den dollen ridder van La Mancha eens eene heilzame poets te helpen spelen.

"Ik wil de vervolgde jonkvrouw voorstellen," zeide zij, "en kan die rol recht natuurlijk spelen, daar ik toevallig eenige kleeren bij mij heb, die daarbij uitmuntend te pas kunnen komen. Ook weet ik zeer goed, hoe dergelijke dames in de riddergeschiedenissen doorgaans spreken en zich aanstellen, en dus twijfel ik niet, of de grap zal kostelijk gelukken."

De pastoor en de overige heeren waren met dit plan dadelijk bijzonder ingenomen, en de vreemde dame, die blijkbaar van hoogen stand was en Dorothea heette, haalde dus uit haar reiskoffer een prachtig fluweelen kleed voor den dag, tooide zich met schitterende juweelen en schikte zich zoo deftig op, dat elk haar wel voor eene echte ridderdame uit den goeden ouden tijd moest houden. Allen stonden over haar prachtig uitzien verbaasd, en vooral Sancho Panza, die intusschen teruggekeerd was, kon niet ophouden haar te bewonderen, en verklaarde haar voor de schoonste dame, die hij nog ooit in zijn leven gezien had. Hij vroeg heimelijk den pastoor, of die niet wist, wie zij was.

"Zeker weet ik dat, vriend Sancho," antwoordde de pastoor, om den schildknaap wat te foppen. "Deze schoone jonkvrouw is eene prinses en de erfgename van het groote koninkrijk Micomicon. Zij is hierheen gekomen, om de hulp van uw meester in te roepen tegen een reus, die haar ten schandelijkste beleedigd heeft, en stelt het hoogste vertrouwen op zijn heldenmoed en zijne dapperheid."

Sancho Panza nam deze gekheid voor echte munt op en zeide vergenoegd: "Waarlijk, dan heeft zij zich tot den rechten man gewend, want mijn heer weet met reuzen om te springen, alsof het ratten en muizen waren. Och toe, heer, zorg, dat hij die schoone prinses tot gemalin en zoodoende haar gansche koninkrijk krijgt. Stellig maakt hij mij dan tot zijn stadhouder, en mijn fortuin is voor altijd gemaakt. Maar hoe heet de schoone prinses eigenlijk?"

"Zij heet prinses Micomicona naar haar koninkrijk Micomicon," antwoordde de pastoor; "en ik wil mijn uiterste best doen, om uw meester tot een huwelijk met haar te bewegen. Maar zeg, in welken toestand hebt gij den edelen ridder eigenlijk gevonden?"

"Och lieve hemeltje," zeide Sancho Panza, "ik vond hem half naakt, in 't bloote hemd, vervallen, geel, van honger blaffend en voortdurend naar zijne Dulcinea zuchtend. Ik droeg zorg, dat hij mij niet te zien kreeg, en ben maar dadelijk tot u teruggekeerd."

Onderwijl werd Dorothea op des pastoors muilezel geholpen, bond de barbier zijn ossestaart weer voor en beval de pastoor Sancho, die beiden in Don Quichots nabijheid te brengen. Hij prentte hem goed in, op geenerlei wijze te verraden, dat hij den barbier kende, en wendde zich toen tot Dorothea, om de rol van het op te voeren kluchtspel nog eens met haar door te loopen. Hierop gingen de dame, de barbier en Sancho Panza op weg, terwijl de anderen, om het spel niet te bederven, vooreerst achterbleven.

Zij konden misschien een kwartier afgelegd hebben, toen Dorothea een maar half gekleeden man in het oog kreeg en van Sancho hoorde, dat dit de dolle ridder in hoogsteigen persoon was. Terstond spoorde zij nu haar muildier aan en de ossebaardige barbier volgde haar op den voet. Zoodra zij dicht bij den ridder waren, sprong de voorgewende palfrenier van zijn ezel en hielp Dorothea van haar muildier. De dame viel dadelijk voor Don Quichot op de knieën neer; deze wilde haar oprichten, doch zij wilde niet opstaan, maar begon op hoogdravenden toon de volgende toespraak:

"Dappere, edele en grootmoedige ridder! niet eer zal ik van mijne knieën opstaan, voordat gij mij uw ridderlijk woord hebt gegeven, de sterkte van uwen arm tot hulp eener ongelukkige aan te wenden, die op de faam uwer daden uit verre landen is toegesneld, om u te smeeken, aan haren nood en hare ellendigheid een einde te maken."

"En ik," antwoordde Don Quichot op denzelfden toon, "zal u niet eer antwoord geven, alleraanminnigste en allerschoonste jonkvrouwe, voordat gij van dien vuilen grond zijt opgestaan."

"Neen, edele heer," verklaarde de smeekelinge, "hier zal ik neerknielen in het stof, tot uwe goedertierenheid mij de genade heeft toegezegd, welke ik smeekend van u durfde vragen."

"Welaan dan," sprak Don Quichot, "zoo zij uwe bede u toegestaan, mits zij namelijk niet strijdt tegen wat ik mijn vaderland, mijn koning en mijn hooge gebiederesse Dulcinea van Toboso verschuldigd ben."

"Tegen niets van dat alles strijdt zij," antwoordde de hulpzoekende jonkvrouw en richtte zich op.

Inmiddels kwam Sancho Panza achter zijn meester staan en fluisterde hem in het oor: "Toe, toe maar, edele heer! Gij kunt aan de dame veilig alles beloven, want zij verlangt eenvoudig maar, dat gij een geweldigen en schrikbarenden reus voor haar kapot maakt. Zij is de verheven prinses Micomicona, de erfgename van het groote koninkrijk Micomicon in 't land van Aethiopië."

"Zwijg!" beval de ridder op barschen toon. "Zij moge wezen, wie zij wil, ik zal doen, wat mijn plicht als dolend ridder voorschrijft."

Hierop keerde hij zich weer tot de dame en sprak: "Spreek, doorluchtige jonkvrouwe! Wat is uwe begeerte?"

"Ik bid en smeek, hooge ridder," zeide de dame, "dat uw grootmoedig persoon met mij komen en beloven moge, geen ander avontuur te beginnen, voordat gij mij wraak en genoegdoening tegen den snooden verrader hebt verschaft, die in strijd met alle menschelijke en goddelijke wetten mijn koninkrijk overweldigd heeft."

"Het zij u toegestaan, edele dame," antwoordde de ridder met veel grootmoedigheid. "Verban derhalve de droefgeestigheid van uw aanminnig aangezicht en verheug u, want met Gods hulp zal ik uwe goede zaak recht verschaffen en u weder op den troon uwer vaderen plaatsen. Laat ons moedig en wakker tegen de schurken en roovers te werk gaan, want uit talmen en dralen komt niets dan gevaar en tegenspoed voort."

De eerst beproefde, maar thans wonderbaarlijk vertrooste jonkvrouwe wilde met alle geweld den ridder de handen kussen, wat deze als hoffelijk en welgemanierd held evenwel volstrekt niet toestaan wou. Veeleer omhelsde hij haar met groote aandoening, waarna hij zijn schildknaap beval, Rocinante den gordelriem vaster aan te halen en hemzelf de wapenstukken aan te leggen. Dit geschiedde, en nu riep hij: "Welaan, in naam van Dulcinea, laat ons gaan, want de aanminnige dame moet geholpen worden."

De barbier had, terwijl dit alles voorviel, nog altijd op de knieën gelegen en zichzelf alle geweld aangedaan, om 't niet hardop uit proesten en daardoor de heele grap op eens te bederven. Toen hij zag, dat de terugreis zou worden aangenomen, sprong hij op, hielp zijne gebiedster op het muildier en steeg vervolgens ook zelf op. Don Quichot stapte op Rocinante; doch Sancho, voor wien paard noch ezel meer overbleef, moest te voet het gezelschap volgen. Niettegenstaande dat bleef hij blij en welgemoed, want hij waande zijn meester thans op den besten weg, om door het huwelijk met de prinses keizer te worden; en dan kon 't niet uitblijven, of ook hij zou geborgen zijn en tot een groot stadhouderschap geraken. De eenige zorg, die hem kwelde, bestond in de omstandigheid, dat zijne toekomstige onderdanen Negers zijn zouden. Evenwel wist hij zich ook daarover te troosten, daar hij het plan opvatte, hen tot een handelsartikel te maken en er zoovelen van te verkoopen, als hij maar goedschiks slijten kon.

Intusschen kwam het gezelschap weder op de vlakte aan den voet van het gebergte, waar de pastoor en de begeleiders van jonkvrouwe Dorothea het opwachtten. Om zich zonder omstandigheden te kunnen aansluiten, kwam de pastoor met open armen op Don Quichot toe, viel hem te voet, omhelsde zijne knie en hield eene toespraak tot hem, die zoo rijkelijk met vuistdikke bloemen en pluimpjes voor den dolenden ridder doorspekt was, dat Don Quichot zelf hem en die bij hem waren uitnoodigde, met hem te gaan. Ja, hij wou zelfs afstijgen en den pastoor zijn eigen Rocinante ten gebruike overlaten.

Dit aanbod werd nochtans door den pastoor niet aangenomen, en er volgde eene kleine vriendschappelijke schermutseling, totdat de dame tusschenbeide kwam en haar palfrenier, d. i. den barbier met den ossestaart, verzocht zijn plaats aan den geestelijken heer af te staan en achter dezen op het muildier te kruipen.

De gehoorzame palfrenier was hier aanstonds toe bereid; hij steeg af en liet den pastoor zijne plaats in den zadel over. Toen hij nu echter achter hem opzitten wilde, begon het muildier te steigeren en achteruit te slaan, en toonde zich zoo koppig, dat meester Nicolaas op den grond tuimelde en onder den val zijn ossestaart verloor.

Don Quichot was niet weinig verwonderd, toen hij op eens den roodbruinen baard van des barbiers gelaat verdwenen zag, doch stelde zich spoedig gerust, toen de pastoor hem toeschreeuwde, dat alleen dat verwenschte muildier den armen palfenier zoo deerlijk gehavend had. Hij zou echter wel zorgen, dat de baard ten spoedigste weer aangroeide.

Alles, wat den schijn van het wonderbare had, was voor den goeden ridder het geloofwaardigste ter wereld. Hij gaf dus ook volstrekt geen bevreemding te kennen, toen hij zag, hoe de pastoor den baard opraapte, bij de borst van den barbier neerknielde, eenige wonderlijke grimassen maakte en een paar tooverwoorden mompelde, die den baard op eens zoo vast deden zitten, als die vroeger gezeten had. Men steeg opnieuw op en de door dit toeval vertraagde reis werd nu onverwijld voortgezet.

Onderweg kraamde Don Quichot nochtans zoo veel onzin uit en overstelpte Sancho Panza, om zich zijn stadhouderschap te verzekeren, zijn meester met zoo veel dwaze en kant noch wal rakende loftuitingen en pluimstrijkerijen, dat de vreemde dame de klucht spoedig moe werd en van harte blij was, toen zij den volgenden dag de herberg bereikten, van waar de pastoor en de barbier waren opgebroken, om Don Quichot op te zoeken en door list naar huis terug te lokken.

Wat nu echter in deze herberg gebeurde en welke heldendaad de Ridder van de Droevige Figuur aldaar verrichtte, daarvan zal in het volgende hoofdstuk uitvoerig verslag worden gegeven.

HOOFDSTUK XIII.

DON QUICHOT VELT EENIGE REUZEN EN WORDT NAAR HUIS GEBRACHT.

In de herberg aangekomen, werd Don Quichot door den waard zeer beleefd verwelkomd en de ridder nam dit teeken van eerbied met zichtbaar welgevallen aan. Op zijne vraag, of hij een goed nachtverblijf kon bekomen, antwoordde de waard toestemmend en verklaarde, dat, mits hij goed betalen wilde, hij een zoo groot en kostelijk bed zou krijgen, dat een keizer of koning er in hun paleis geen beter hadden. Don Quichot beloofde te zullen betalen, en werd hierop door den waard in hetzelfde vertrek gebracht, waar hij voor eenigen tijd dat merkwaardig avontuur met den muildierdrijver, den gerechtsdienaar en Maritornes, de meid, bestaan had. Ten einde zijn doel te bereiken, dat hij geen oogenblik uit het oog verloor, volgde Sancho Panza hem daarheen; doch de overigen bleven in de algemeene gelagkamer, waar 's ridders ongehoorde dwaasheid hun stof tot lachen in overvloed gaf.

Zoodra de Ridder van de Droevige Figuur zich met zijn schildknaap alleen bevond, nam hij dezen een examen af, dat Sancho Panza hoegenaamd niet beviel. Don Quichot vroeg namelijk naar zijne aangebedene Dulcinea van Toboso, en Sancho had het gesprek veel liever op de prinses van Micomicon gebracht, om in zijn heer den wensch op te wekken, om die schoone dame te huwen, en zichzelf op die wijze het vurig begeerde stadhouderschap te verzekeren. Desniettemin moest hij op Don Quichots vragen antwoorden geven; doch hij richtte die in, zooals zij best in zijn kraam te pas kwamen.

"Nu, Sancho Panza," begon Don Quichot, nadat hij zich languit op zijne legerstede had uitgestrekt, "waar en hoe hebt gij de aanbiddelijke Dulcinea aangetroffen? Wat deed zij, wat zeide zij? Hoe dacht zij over mijn brief? Spreek, maar hoed u, met leugens voor den dag te komen, want die zouden u hals en hoofd kosten."

"Ja, heer, om de waarheid te zeggen, heb ik den brief niet kunnen doen overschrijven en overbrengen," antwoordde Sancho Panza met de handen in het haar. "Ik heb uw zakboek verloren, edele ridder."

"Sancho Panza, hieraan zie ik, dat gij mij geen leugens op de mouw wilt spelden," sprak Don Quichot uitermate tevreden. "Gij moet weten, dat ik zelf het zakboek vond, toen gij mij nog pas een uur hadt verlaten. Uwe waarheidsliefde draagt mijne volle goedkeuring weg en ik verzoek u, het verhaal van uwe verdere lotgevallen te beginnen. Spreek op en zeg, waarmede mijne gebiedster zich bij uwe aankomst bezighield? Reeg zij niet parels aan gouden draden of zat zij eenig zinnebeeld voor haren in staat van razernij verkeerenden ridder te stikken?"

"Neen, dat deed zij niet," bromde Sancho Panza verdrietig. "Zij was bezig voor haar vader twee schepels tarwe te ziften."

"Wat?" vroeg Don Quichot. "Tarwe? Dan zaagt gij zeker ook, dat de korrels onder hare fijne handen in diamanten en edelgesteenten veranderden?"

"Daar heb ik niemendal van gemerkt. Ze bleven heel gewone, grove, gele tarwe."

"Nu, dan wordt zekerlijk het fijnste brood daaruit gebakken," verklaarde de ridder. "Maar ga voort! Hoe nam zij de boodschap van mij op? Geraakte zij niet buiten haarzelve van verrukking, toen zij u mijnen naam hoorde noemen?"

"Neen, volstrekt niet," antwoordde Sancho. "Zij stond midden in het dichtste stof en stak wat den gek met mijne tijding van u. Ik zei, dat gij half naakt in den wildernis rondliept, op den blooten grond sliept, geen kam, water of handdoek gebruiktet en uw tijd doorbracht met uw lot te beweenen en te verwenschen. Toen antwoordde zij mij, dat gij een gek en een vuile, morsige kerel waart, en wou niets meer van u hooren. Dus, lieve heer, laat die domme boerendeerne loopen en houd u aan de schoone prinses Micomicona. Deze moet gij trouwen, want gij trouwt met haar een heel groot koninkrijk en kunt dan uwen trouwen schildknaap beloonen, die u altijd braaf en eerlijk gediend heeft."

"Zwijg!" beval Don Quichot met somberen ernst. "Ik mag uw wensch niet vervullen en nimmer aan trouwen denken, zoolang Dulcinea van Toboso nog mijne hooge en verhevene gebiedster is."

Deze woorden van den ridder deden zijn schildknaap in hevigen toorn ontvlammen. "Bij hoog en bij laag zweer ik, dat gij de grootste gek zijt, die op twee beenen loopt, als gij de prinses Micomicona niet trouwt!" schreeuwde hij. "Denkt gij, dat u elken dag eene zoo goede gelegenheid wordt aangeboden, als u hier onder den neus wordt geduwd? Meent gij, dat uwe smerige Dulcinea maar half zoo mooi is als de prinses? Niet het honderdste part zoo mooi is ze en ze is niet waard de wezenlijke en waarachtige prinses de voeten te kussen. Trouw haar in 's hemels naam, zeg ik, en neem het koninkrijk, dat u maar zoo vanzelf in den mond komt vliegen! Als gij eerst koning zijt en mij tot stadhouder hebt gemaakt, doe dan, wat ge niet laten kunt, en mijnenthalve mag je de drommel halen, als ik eerst geborgen ben en mijne schaapjes geschoren heb."

Toen Don Quichot zijn schildknaap zulk eene taal hoorde voeren, geraakte hij van verbaasdheid zoo geheel buiten zichzelf, dat hij geen woord over de lippen kon brengen. Hij richtte zich langzaam in zijn bed op, greep naar zijne lans en liet die met zooveel geweld op Sancho's breede schouderbladen neervallen, dat deze tuimelde, waar hij stond.

"Neem dat, gemeene boerenziel!" riep hij alstoen, "en hoed u in het vervolg, één smalend woord tegen mijne meesteresse Dulcinea uit te brengen. Gij moet niet denken, dat gij haar ooit ongestraft beschimpen moogt, hondsvot, deugniet, schavuit, domme rekel, die ge zijt! Zwijg, zeg ik je, of reken er op, dat ik je je beetje hersens uit den dikken schedel zal stampen."

Na aan zijne gramschap in deze niet zeer kiesche en malsche bewoordingen lucht te hebben gegeven, liet de Ridder van de Droevige Figuur zijn hoofd op het kussen neervallen, strekte de lange beenen uit en sliep in. Sancho echter, wien de rug nog gloeide, stond op, dook in een hoek neer en hield zich doodstil.

Intusschen hadden de pastoor, de barbier en het overige gezelschap er in de herberg hun gemak van genomen en bij den waard een duchtig maal besteld. Terwijl zij daarop wachtten, brachten zij het gesprek opnieuw op Don Quichot en overlegden, wat zij verder aanvangen moesten, om hem veilig naar huis terug te brengen. De dame had hare bekomst van de grap en wilde met hare begeleiders de reis voortzetten, zonder zich verder om den dollen ridder te bekommeren. De pastoor stelde dus voor, dezen wijs te maken, dat de prinses met haar geleide was vooruitgereisd en den ridder in zijn eigen huis opwachten wilde.

"Als wij hem eens daar hebben," voegde hij er bij, "zullen wij wel zorgen, dat hij ons zoo spoedig niet weer ontsnapt."

Nog praatten zij hierover, toen plotseling Sancho Panza geducht ontsteld uit de kamer van zijn heer kwam aanloopen en met luider stemme riep: "Komt, heeren, komt toch den ridder Don Quichot te hulp, want daar zoo pas is hij in het vreeselijkste gevecht gewikkeld, dat nog ooit op de aarde geleverd is. Haast u, haast u! want, zoo waar als ik hier sta, heeft hij den reus, den snooden vijand van de prinses Micomicona, een slag toegebracht, die hem den kop dadelijk glad van den romp heeft weggesabeld."

"Wat domme dingen praat gij daar weer, Sancho?" vroeg de pastoor. "Zijt ge dan nog gekker dan uw gekke heer geworden? Hoe kan Don Quichot dien reus geveld hebben, daar hij voor 't minst twee duizend mijlen ver van hier woont!"

Sancho antwoordde niet, maar wel vernamen thans allen uit des ridders kamer een geweldig gerucht en hoorden diens luid schreeuwen en roepen.

"Halt, roover," brulde hij, "halt, schandelijke booswicht! Ik heb u nu in mijne macht en die groote sabel zal door de kracht mijner vuist in splinters worden geslagen."

En terwijl hij zoo tierde, deelde hij rechts en links geweldige houwen uit en stampte en beukte tegen den wand, dat het halve huis er van trilde.

"Waarom staat gij en wacht, in plaats van toe te snellen en mijn meester bijstand te verleenen?" riep Sancho Panza. "Gaat in de kamer, scheidt de strijdenden of redt en helpt althans den dappersten van alle dolende ridders! Maar toch zal dat, hoop ik, niet eens noodig zijn, want zeker ligt de reus al verslagen aan zijne voeten en braakt zijne zwarte ziel uit, om daarboven rekenschap te geven van het snoode leven, dat hij hier geleid heeft. Immers heb ik zelf zijn bloed over den vloer zien stroomen en het afgehouwen hoofd, dat wel de dikte van een wijnzak had, in een hoek zien liggen."

"De drommel hale me, als ik het niet al begrijp!" riep nu op eens de waard. "Dan heeft me die malle ridder zeker een van de zakken vol rooden wijn, die vlak boven zijn hoofd hangen, een stoot toegebracht, en de uitgeloopen wijn is het bloed, dat hier dit domme uilskuiken gezien heeft."

Met deze woorden draafde hij naar de kamer van den ridder en alle overigen volgden hem.

Zij troffen Don Quichot in den potsierlijksten toestand van de wereld aan. Hij stond daar in zijn hemd, dat hem pas tot aan de knieën reikte, en had eene niet al te zindelijke nachtmuts op het hoofd; hij had zich zijn beddelaken om den linkerarm gewikkeld, om zich daarvan als schild te bedienen, en in de rechterhand hield hij zijn verroesten degen, waarmee hij als een dolleman naar rechts en links steken en houwen uitdeelde. Daarbij schreeuwde hij als bezeten en stelde zich aan, alsof hij werkelijk met een reus aan het vechten was. Het wonderlijkste van het geval was echter, dat zijne oogen vast gesloten schenen, en dat hij werkelijk nog in slapenden toestand verkeerde. Vermoedelijk had een bedrieglijke droom hem voorgespiegeld, dat hij zich reeds in het koninkrijk Micomicon bevond en met den reus, die het land tegen alle recht overmeesterd had, den strijd op leven en dood had begonnen. In deze inbeelding had hij aan de zakken, die met rooden wijn gevuld waren, zooveel moorddadige steken toegebracht, dat de kamer onderliep van den wijn, die nog altijd uit de door zijn degen geboorde gaten stroomde.

Bij dit gezicht werd de herbergier zoo woedend, dat hij, zonder een woord te spreken, op Don Quichot aanviel en met beide vuisten grimmig op zijn rug begon te trommelen. Hij zou hem hebben doodgeslagen, was niet de pastoor tusschenbeide gekomen en had beloofd, den verloren geganen wijn tot den laatsten duit toe te betalen.

Niettegenstaande de duchtige stompen, die de waard hem met zijne stevige vuisten had toegediend, werd de slaapwandelaar niet wakker, maar raasde voort, totdat de barbier een grooten emmer vol ijskoud water uit den put haalde en hem dat over het gansche lichaam uitgoot. Toen eerst deed hij de oogen open, maar was nog te verward en te verbijsterd, om te begrijpen, wat er gebeurd was en wat deerlijke verwoesting hij had aangericht.

Onderwijl zocht Sancho naar het hoofd van den gevelden reus, doch kon dat nergens vinden en riep op krijterigen toon: "Ik wist al lang, dat in dit huis alles behekst en betooverd is, want hier op deze zelfde plaats kreeg ik oorvijgen en stompen, zonder dat ik wist waar ze vandaan kwamen, en nu zoek ik vruchteloos naar den kop, dien ik met eigen oogen den reus van den romp zag vallen. Het bloed stroomde na en spoot uit het lichaam op, als het water uit eene fontein."

"Gij stomme rekel!" bulderde de waard, "wat leutert ge daar van bloed en fonteinen! Ziet ge dan niet, ezel, dat al dat bloed niets anders is dan de roode wijn uit de zakken, die je dolle heer me voor altijd totaal bedorven heeft?"

"Wat zou ik weten?" snauwde Sancho daartegen in. "Ik weet alleen, dat ik een ongelukkige sukkel ben, als ik den kop van den reus niet vind; want mijn graafschap en stadhouderschap zijn dan voor altijd naar de maan!"