Don Quichot van La Mancha

Chapter 7

Chapter 74,044 wordsPublic domain

"Zeker, mijn zoon," luidde des ridders antwoord, "want weet, dat, zoo gij schielijk van de plaats, waarheen ik u zenden zal, terugkeert, gij den tijd van mijn lijden zult verkorten, en dat dan mijn triomf een aanvang zal nemen. Ten einde gij echter in staat moogt zijn, mij te verstaan, moet ik u zeggen, dat vóór tijden de beroemde Amadis van Gallië een der beste, dapperste dolende ridders was, en dat hem na te volgen mij tot onvergankelijke eer moet strekken. En dit moet geschieden ten opzichte van de beste daad, die van hem verhaald word. Toen namelijk de schoone Oriana hem versmaad had, begaf hij zich naar de wildernis, deed boete en kastijdde zich en noemde zich gedurende dien tijd Beltenebros."

"Maar, gestrenge heer, gij wordt toch niet door uwe Dulcinea versmaad?" zeide Sancho Panza.

"Dat is juist de zaak waar het op aankomt, Sancho," antwoordde Don Quichot; "want versta mij wel: dat een dolend ridder om goede redenen dol en razend wordt, dat is niet de moeite waard, dat men er over praat. De groote kunst is, zonder grond of oorzaak dol te worden, en van deze kunst wil ik blijk geven. Gij echter, Sancho, moet u naar mijne aanbiddelijke meesteres Dulcinea van Toboso begeven en haar een brief overbrengen, die haar van mijn waanzin onderrichten moet, opdat zij de sterkte van mijne vereering en aanbidding leere waarderen."

Sancho Panza wist niet, wat hij op deze dollemanspraat zeggen moest. Hij schudde het hoofd en stapte zwijgend nevens Don Quichot voort, totdat zij aan den voet van een hoogen rotskegel kwamen, die rondom met naakte wanden van graniet omgeven was. Daar borrelde eene heldere bron uit op en rondom breidde zich een groen graskleed uit, dat met bonte bloemen sierlijk getooid was. Deze plaats scheen den edelen ridder tot volvoering van zijn avontuurlijk opzet uiterst geschikt toe, en hij besloot hier zijne dolle razernij maar terstond den vrijen teugel te vieren.

"Ha, ha!" riep hij met bulderende stem, alsof hij op eens stapelgek was geworden, "ha ha! dit is dus de plaats, waar ik mijn ongeluk wil beschreien. Ha, ha! dit is de plaats, waar mijn tranen dit beekje tot een schuimenden bergstroom zullen doen aanzwellen. Ha, ha! dit is de plaats, waar ik zuchten ga loozen, die als een stormwind door de boomtoppen en hunne groene bladeren zullen ruischen."

Onder het uitstooten van al dezen onzin liet hij zich van zijn paard zakken en gaf dat een slag op den rug.

"Vlucht weg," riep hij dat toe, "vlucht weg, mijn edel ros! Ik geef u uwe vrijheid weer, daar ik zelf in de boeien en banden van den waanzin zal vervallen. Vlucht weg en dool als een rustelooze schim in bosschen en wildernissen rond."

"Nu ja, van een schim begint Rocinante al vrij wat te krijgen, heer ridder," zeide Sancho Panza; "maar toch reken ik 't beter, dat ik maar op hem ga zitten en op zijn rug mijne reis naar uwe Dulcinea aanvaard. Ik zal dan des te gauwer hier terug kunnen zijn."

"Goed, Sancho, doe, wat gij verkiest," antwoordde de ridder van de droevige figuur. "Evenwel moet gij op zijn minst nog drie dagen in mijne tegenwoordigheid blijven, om aan mijne uitverkorene te kunnen berichten, wat ik al niet tot hare verheerlijking gedaan heb."

"Zal ik nog meer razende dolligheden zien, dan ik nu al gezien heb, heer?" vroeg Sancho Panza verwonderd.

"O, ik zal er nog zooveel vertoonen, dat ge u van verbaasdheid de oogen uit het hoofd kijkt," antwoordde de ridder. "Vooreerst moet ik, daar ik nog niet weet, of ik in mijne dolheid Amadis van Gallië of den razenden ridder Roland wil navolgen, mijne kleeren verscheuren, mijne wapens te grabbel gooien, met mijn hoofd tegen de rots aanrennen en nog meer dergelijke dingen uitvoeren, zoodat ge verbluft staat van wat ge ziet."

"Doe, wat ge niet laten kunt, edele heer," antwoordde de schildknaap; "maar wees in 's hemels naam wat voorzichtig met dat met het hoofd tegen de rots rammeien. De steenen zijn hard en hebben allerlei hoeken en punten. Als ge toevallig op zoo'n punt te land kwaamt, kon 't met alle malligheid op eens gedaan wezen. Zoo gij werkelijk oordeelt, dat die kopstooten volstrekt noodig zijn, kondt gij, dunkt me, volstaan met het hoofd in 't water te plompen of met vooraf een week, zacht ding tegen de rots te plakken. Dan doet de stoot geen zeer, en ik wil Dulcinea van Toboso er toch een relaas van geven, dat de haren haar te berge rijzen. 't Is toch alles maar fopperij en malligheid, edele heer!"

"Dan verkeert gij in een geweldige en betreurenswaardige dwaling, vriend Sancho," antwoordde Don Quichot. "Al de dingen, die ik wil uitvoeren, zijn geenszins malligheid, maar hooge, heilige ernst. Ik zal koen en krachtig tegen de rotsen aanrennen, en 't zou dus niet kwaad zijn, dat gij mij wat linnen tot het verbinden der daardoor aan mijn hoofd toegebrachte wonden achterliet."

"Heer, al 't linnen is met den ezel naar de maan gegaan," verzekerde de schildknaap. "Daarom verzoek ik u ook dringend, die gekheid van met het hoofd tegen de harde steenen te loopen maar achterwege te laten en u liever in te beelden, dat de drie dagen van razernij al voorbij zijn. Ik voor mij wil aannemen, dat ik al uwe dwaze stukken gezien heb, en zal de edele jonkvrouwe Dulcinea daar de ongeloofelijkste dingen van vertellen. Schrijf den brief en laat het overige aan mij over."

Don Quichot gaf aan dit verstandig voorstel gehoor. "Gij hebt gelijk, Sancho," zeide hij. "Doch hoe moeten wij 't aanleggen, om den brief klaar te krijgen?"

"Ja, en 't papiertje, waarop ze mij de drie ezels moeten afgeven," voegde zijn schildknaap er bij.

"Juist, juist!" riep Don Quichot, "dat mogen wij niet vergeten. Ik zal alles in mijn zakboek schrijven, en gij moet het dan door den eersten den besten koster in het naaste dorp mooi en netjes laten kopieeren."

"Maar hoe moet het dan met de onderteekening?"

"De brieven van den grooten ridder Amadis van Gallië waren nooit onderteekend," verzekerde Don Quichot.

"Voor den brief komt dat er ook zooveel niet op aan," zei Sancho; "maar met het papiertje voor de ezels is dat anders gelegen. Daar moet uw edelheids handteekening onder staan, of ze zullen mij als een afzetter en bedrieger de deur voor den neus toesmijten."

"Dat is zoo," erkende Don Quichot, "en ik zal dus de lastgeving in het dagboek zelf met mijn naam onderschrijven. Als mijne nicht dat ziet, zal zij u de ezels gewillig afstaan. En onder den brief kunt gij zetten: De uwe tot in den dood. Don Quichot van La Mancha, de ridder van de droevige figuur.--Daar Dulcinea niet lezen kan, voor zoover ik weet, zal zij met dat onderschrift volkomen tevreden wezen, en dan heb ik haar ook nog maar pas een- of tweemaal gezien, omdat zij door haar vader, Lorenzo Corchuelo, en hare moeder, Aldonza Nogales, zeer streng wordt opgevoed."

"Ei, de dochter van Lorenzo, die dikke vette, is dat dus uwe hooge en edele gebiedster?" vroeg Sancho Panza heel verwonderd.

"Ja, die is het, en zij verdient tot meesteresse van het gansche heelal te worden verheven."

"O, haar ken ik wel," zeide Sancho Panza en lachte, dat zijn buik schudde. "Dat is een meid van stavast. Zij gooit met knuppels zoo goed als de beste jongen in het dorp, en kan haar mondwerk roeren, dat iedereen voor haar wegloopt. Een stemmetje heeft ze als een trompet, en ze is van top tot teen een echte, stevige, plompe boerendeern. En ik, ezel, heb me altijd verbeeld, dat uwe hooge en edele gebiederesse Dulcinea van Toboso heel wat bijzonders was, een prinses of een koningin of zoo'n andere voorname hoogheid. Dat valt me dan danig tegen! En 't is maar een geluk, edele heer, dat al de lui, die ge in bloedige gevechten overwonnen hebt, niet naar haar toe gegaan zijn. Die hadden uwe Dulcinea dan licht bij 't vlashekelen of druk aan het dorschen gevonden, en zouden u in dat geval niet weinig hebben bespot en uitgelachen."

"Sancho, ik zeg, dat gij een stomme ezel zijt!" riep Don Quichot verstoord. "Mij behaagt mijne Dulcinea en in mijn oog is zij de hoogste en edelste prinses op aarde. Zoo gij nog een woord ten haren nadeele zegt, zal ik u mijne lans dwars door het lichaam boren."

"Goed, goed, ik heb er vrede mee, als uwe edelheid met zulk eene schoonheid tevreden is," verklaarde Sancho Panza. "Schrijf nu den brief maar en laat mij stilletjes mijns weegs gaan."

Don Quichot haalde zijn zakboek uit, ging op zij, bedacht zich lang en schreef toen zijn brief aan Dulcinea van Toboso. Toen hij dien klaar had, keerde hij tot zijn schildknaap terug en zeide, hem het stuk te willen voorlezen, zoodat hij het in zijn hoofd had, ingeval het geschrift onderweg door eenig ongelukkig toeval mocht verloren gaan. Sancho Panza wilde daar echter niets van hooren.

"Schrijf mij den brief liever een maal of tien twaalf af," zeide hij, "en maak er veilig staat op, dat ik al die afschriften trouw bewaren zal. Dat voorlezen echter helpt niemendal. Mijne memorie is zoo zwak, dat ik geen tien letters onthouden kan, en nog veel minder zoo'n langen brief."

De ridder zag dus van zijn voornemen af en vergenoegde zich met op een tweede blad van zijn dagboek de aanwijzing tot het uitleveren der ezels te schrijven. Vervolgens vertrouwde hij die gewichtige papieren aan zijn schildknaap toe, drukte hem op het hart, er toch vooral goed op te passen, en gaf hem de verzekering, dat alles uitmuntend afloopen zou, zoo hij ijverig in den dienst en stipt in de volvoering van zijne taak was.

"Heb daar maar geen zorg voor, heer ridder," zeide Sancho. "Geef mij uwen zegen, laat mij Rocinante bestijgen, en houd mij nu maar niet langer op. Uwe dwaze stukken behoef ik niet te zien, daar ik er zonder dat wel zooveel van zal vertellen, dat uwe meesteres er versteld en verbijsterd van staat."

"En toch verlangde ik, dat gij althans een dozijn van mijne dolheden met eigen oogen aanschouwdet," zeide Don Quichot. "Gij kunt dan bezweren, dat gij mij in den staat van volslagen razernij hebt gezien, en deze betuiging zal ontwijfelbaar een diepen indruk op de aangebedene van mijn hart maken."

"Neen, neen, laat dat rusten," antwoordde Sancho. "Wij hebben nog gewichtiger dingen af te doen. Wat, bij voorbeeld, zult gij te eten krijgen in den tijd, dat ik weg ben? Teerkost heeft geen van ons beiden meer."

"Maak u daar niet bezorgd over, mijn zoon," zeide Don Quichot. "Al waren wij nog zoo ruim van mondvoorraad voorzien, toch zou ik daar niets van aanraken. Ik zal mijn leven rekken met de kruiden, die hier in de weide groeien en met de vruchten des wouds, want zoo verlangt het de waanzin, waaraan ik mij prijs zal geven."

"Nu, dan wensch ik u smakelijk eten!" zeide Sancho. "Maar nog één ding! Hoe zal ik de plaats weervinden, waar ik u nu verlaat? Ze schijnt mij vrij wat afgelegen, en 't zou een leelijk ding wezen, als ik weken lang omdwalen moest en u nergens weerom kon vinden."

"Prent u onder het rijden goed de merkteekens van den weg in het hoofd," antwoordde Don Quichot. "Ik voor mij zal dezen omtrek niet verlaten en tegen den tijd, dat ik u terug mag verwachten, de hoogste toppen der omliggende bergen beklimmen, om naar u uit zien. Ook kunt gij uw weg door boomtakken merken, die gij van tijd tot tijd in den grond steekt, en de groene twijgen zullen u dan als zekere wegwijzers in mijne nabijheid terugbrengen."

"Welaan, dat wil ik doen," riep Sancho en sneed al dadelijk een voorraad takken af. Hierop verzocht hij den edelen ridder om zijn zegen, nam onder heete tranen van hem afscheid, besteeg Rocinante en aanvaardde zijn tocht. Hij was echter nog geen honderd passen ver gereden, of hij keerde op een drafje weerom en riep:

"Luister, heer ridder! Daar valt mij in, dat het toch niet kwaad zou wezen, dat ik althans één van uwe dolle stukken zag. Ik kan dan met een goed geweten bezweren, dat gij wis en waarachtig stapelgek zijt geworden."

"Ziet gij wel, dat ik gelijk had?" riep Don Quichot verheugd uit. "Wacht maar, mijn zoon! Ik zal er u dadelijk een vertoonen."

Na deze woorden trok hij met den meest mogelijken spoed zijne kleeren uit en hield niets aan zijn lichaam buiten het bloote hemd. Hierop buitelde hij een paar malen over den kop, vertoonde allerlei gekke bokkesprongen, ging op zijn hoofd staan, kortom, stelde zich zoo boven alle beschrijving gek aan, dat Sancho Panza met de volste overtuiging van zijns meesters dolheid weg kon rijden.

Terwijl Sancho Panza zijns weegs trok, staakte de ridder zijne luchtsprongen en kopjebuitelingen en beklom eene hooge rots, om daar bedaard te overleggen, of hij verder voor razenden Roland of eenvoudig voor den smachtenden Amadis wilde spelen. Na lang, ernstig nadenken besloot hij eindelijk zich Amadis tot voorbeeld te kiezen, omdat hij daarbij noch zoo veel builen te vreezen, noch ook boomen uit den grond te rukken en rotsen te vergruizelen had. Zoo kortte hij zich dus den tijd met op de groene weide rond te kuieren, den zoeten naam zijner Dulcinea in de schors der boomen te snijden en verzen te maken, die in liefelijkheid alles overtroffen, wat nog ooit door een menschenkind gedicht is.

HOOFDSTUK XII.

HOE DON QUICHOT UIT HET ROTSDAL BEVRIJDT WORDT.

Onderwijl reed Sancho Panza door de bosch- en bergstreken en kwam al spoedig op den grooten heerweg uit. Dezen houdende kwam hij den volgenden dag aan de herberg, waar hij eerst voor eenige dagen door eenige reizigers zoo erg beet was genomen, en zoodra hij haar in het oog kreeg, had hij een gevoel, alsof hij weer hoog in de lucht werd opgegooid. Dus wilde hij hier liever maar niet pleisteren, alhoewel hij juist tegen den besten tijd van den dag, tegen etenstijd namelijk, in de nabijheid kwam. Zijne maag kwam echter tegen dezen zijnen wil in opstand, en daar de mensch bijna altijd aan de eischen van zijne maag moet gehoorzamen, zoo voldeed ook Sancho Panza aan hare dringende aanmaning en reed regelrecht op de herberg toe, om haar door eene warme soep en een duchtig stuk vleesch tevreden te stellen.

Juist toen hij in de deur trad, kwamen twee heeren naar buiten, die hem terstond herkenden. De een sprak tot den ander: "Kijk eens, heer pastoor, is dat niet Sancho Panza, die met den gekken ridder Don Quichot op avonturen is uitgegaan?"

"Ja, waarlijk, hij is het," antwoordde de pastoor, "en hij zit op den knol van zijn meester."

Die beide mannen waren, gelijk wij reeds geraden hebben, de pastoor en de barbier uit Don Quichots dorp, die voor eenigen tijd met de huishoudster van den dolenden ridder al diens mooie ridderboeken verbrand en den ingang tot de bibliotheek dichtgemetseld hadden. Zij naderden den schildknaap, en de pastoor, uiterst verlangend, om iets van Don Quichot te vernemen, riep hem bij zijn naam en vroeg hem: "Vriend Sancho Panza, waar is uw heer?"

De ondervraagde herkende de beide mannen op het eerste gezicht, doch nam zich voor, hun van het verblijf en de lotgevallen van zijn meester geen enkel woord te verklappen. Hij antwoordde dus kortaf, dat zijn heer ergens een gewichtige zaak had in orde te brengen, waarvan hem streng verboden was iets naders te zeggen.

"Nu, als de zaken zoo staan, vriend Sancho," sprak de barbier, die terstond begreep, hoe het was, "als gij niet zeggen wilt, waar de ridder zich ophoudt, dan moeten wij aannemen, dat hij door u vermoord en geplunderd is geworden. Gij rijdt op zijn paard en gij moet dus ook uw meester terugbezorgen, of 't zal leelijk met u afloopen."

"Ho, ho, maar zoo driftig niet!" riep Sancho Panza op barschen toon, alhoewel de bedreiging van den barbier hem wel eenigszins ongerust maakte. "Ik ben geen man, om andere eerlijke menschen dood te slaan, en als gij mijn heer vinden wilt, zoek hem dan daarginder in het gebergte, waar hij zich met veel kunst en knapheid stapelgek houdt."

Op verder navragen der beide heeren bracht hij hen nu bij de rij af al de avonturen en dolheden van zijn meester over en voegde er bij, dat hij was afgezonden, om aan de dochter van den boer Lorenzo Corchuelo een brief over te brengen. De beide heeren hoorden dit bericht met verwondering aan; want ofschoon zij Don Quichot een tamelijk hoogen graad van gekheid toeschreven, moesten zij erkennen, dat wat zij nu van zijne dollemansstreken vernamen, hunne stoutste verwachtingen nog verre overtrof. Eindelijk verzochten zij Sancho, hun den brief te toonen, dien de ridder aan zijne aangebedene Dulcinea van Toboso geschreven had.

Sancho Panza tastte dadelijk in den zak, om aan hun verlangen te voldoen, maar ontdekte tot zijn schrik, dat hij het boekje moest verloren hebben. Hij werd doodsbleek van schrik, woelde en grabbelde in al zijne zakken om en geraakte in zulk eene vertwijfeling, dat hij haar en baard uitrukte en zich met beide vuisten zoo in het gezicht sloeg, dat het bloed hem uit den neus sprong. De barbier en de pastoor verwonderden zich natuurlijk zeer over zijn gedrag en vroegen hem, waarom hij dan toch zoo tegen zijn eigen vleesch woedde.

"Daar is mij 't grootste ongeluk van mijn geheele leven overkomen!" huilde Sancho. "Ik heb drie jonge ezels verloren, waarvan ieder althans een gravenslot waard was."

"Ei! En hoe heeft dat zich toegedragen?" vroeg de barbier.

"Wel, doodeenvoudig," antwoordde Sancho. "Ik ben het zakboekje kwijt, waarin de brief van mijn heer aan zijne Dulcinea en buitendien ook de door hem eigenhandig onderteekende aanwijzing staat, dat zijne nicht mij drie van de jonge ezels, die hij op stal heeft, moet uitleveren."

De pastoor troostte hem over dat verlies en beloofde hem, zijnen heer te zullen bewegen eene tweede aanwijzing op de drie ezels af te geven. Deze toezegging stelde den schildknaap ten volle gerust, terwijl het verlies van den brief voor Dulcinea hem niet de koude kleeren scheen te raken.

"Ik ken hem bijna van buiten, daar ik hem onder weg verscheiden malen gelezen heb, en kan hem desnoods uit mijne memorie opschrijven," zei hij op onverschilligen toon.

"Toe dan, zeg hem ons voor," antwoordde de barbier. "Wij willen hem dan later op papier brengen."

Bij deze uitnoodiging krabde Sancho zich verlegen achter de ooren en gaf zich alle mogelijke moeite, om de woorden van het schrijven in zijn geheugen terug te roepen. Hij trok daarbij nu het eene, dan het andere been in de hoogte, keek nu naar de lucht en dan naar den grond, scheen zich de nagels van de vingers te willen zuigen en riep eindelijk in zijne verlegenheid:

"Hoort, mijne heeren, de drommel mag me halen, als ik nog veel van den brief weet! Mij heugt alleen nog maar het begin en dat was: Allerverhevenste en alleromgeperste gebiederesse!"

"Alleronbeperktste zal er gestaan hebben," zei de barbier lachend.

"Ja, ja, zoo was het vast," zeide Sancho; "en dan kwam verder: "De verwonde, blauwgebeukte en slapelooze kust u de hand, onbekende en ondankbare jonkvrouwe!" en zoo al voort tot aan het slot, dat was: "De uwe tot den dood, Don Quichot van La Mancha, Ridder van de Droevige Figuur."

De beide mannen lachten, dat de tranen hun over de wangen rolden, en lieten zich den brief nog eenige malen herhalen. Sancho Panza vond daar zelf pleizier in en vertelde buitendien nog eene menigte andere geschiedenissen, zonder echter van het onbetaald gebleven gelag in de herberg ook maar met een woord te reppen.

"Als mijn meester," zoo vervolgde hij, "zijne penitentie in het rotsdal volbracht heeft, zullen wij terstond op weg gaan, om ons een keizerschap of toch voor 't minst een koningschap te veroveren. Zoo hebben wij het tusschen ons beiden afgesproken, en 't kan niet anders, of het zal mijn heer met zijne ontzettende koenheid heel licht gelukken, dit doel te bereiken. Als wij eenmaal zoover zijn, dan wil mijn heer mij eene edele jonkvrouw tot gemalin geven en mij tot gouverneur van een eiland benoemen, dat minstens zoo groot als heel Spanje is."

Sancho kwam met deze ongerijmdheden met zooveel bedaardheid en innerlijke overtuiging voor den dag, dat zijne beide toehoorders vol verwondering de hoofden schudden.

"Hoever," fluisterde de pastoor den barbier toe, "hoever moet het met Don Quichots waanzin gekomen zijn, dat hij ook het verstand van dezen armen sukkel zoo deerlijk op hol kon brengen!"

Nochtans besloten zij, zich geen moeite te geven, om Sancho Panza uit zijn droom te helpen. Zijne ziel werd er niet door in gevaar gebracht, en zij zelven beloofden zich van zijne verdwaasdheid nog vrij wat pret. Zij zeiden hem derhalve slechts, dat hij maar op de gezondheid zijns meesters moest hopen, opdat die al zijne stoute plannen en ontwerpen zou kunnen volvoeren en hijzelf mettertijd keizer of aartsbisschop of wat anders heel hoogs en voornaams zou worden.

"Wat!" vroeg Sancho, "kan een dolend ridder ook aartsbisschop worden? Wat heb ik, als zijn trouwe schildknaap, dan niet eene belooning te wachten!"

"Wel zeker, gewoonlijk krijgen de schildknapen de eene of andere vette prebende of toch ten minste eene goede kostersplaats," antwoordde de pastoor.

"Welaan," verklaarde Sancho, zich vergenoegd de handen wrijvende, "dan wil ik mijn meester daarheen leiden, waar 't voor hemzelf het best is en hij mij de vetste happen kan toeduwen."

"Gij zijt een vroom man en een goed Christen, Sancho," sprak de pastoor. "Doch 't wordt nu tijd, een middel uit te denken, om uw heer van zijne onnutte boete af te brengen, en me dunkt, we stappen daartoe hier de herberg binnen, om dat eens op ons gemak te bepraten. Kom, vriend Sancho, wees onze gast bij den maaltijd."

Sancho's schrik voor de herberg was intusschen weer levendig geworden en hij zei dus, dat zij maar moesten binnengaan; hij zelf zou zoolang buiten wachten en hun later de reden zeggen, waarom hij van hunne uitnoodiging geen gebruik kon maken. Evenwel zouden zij hem groot pleizier doen, indien zij hem eene portie warm eten en Rocinante een maaltje gerst buiten wilden zenden.

De beide mannen drongen na deze verklaring niet verder bij Sancho aan, maar traden in de herberg. De barbier verzuimde echter niet, den hongerige en zijn rijbeest al spoedig ruim van het noodige te voorzien.

Terwijl Sancho Panza in eenzaamheid zijn maal verteerde, overlegden de pastoor en de barbier, op welke wijze zij het best hun doel bereiken en Don Quichot van zijn dol opzet afbrengen konden. Na lang heen en weer praten, kwam de pastoor op een denkbeeld, dat zoowel met des ridders dweperij, als ook met hunne bedoelingen in volmaakte overeenstemming was. Hij had namelijk den inval, zichzelf als eene dolende jonkvrouw te vermommen, terwijl de barbier zich als stalmeester van de edele dame in het pak zou steken. Zoo verkleed wilden zij Don Quichot gaan opzoeken; de pastoor zou zich voor eene vervolgde, hulpbehoevende edelvrouwe uitgeven en hem bezweren, haar te volgen en den smaad en hoon te wreken, haar door een boozen, ondeugenden ridder aangedaan. Om het geheim niet voor den tijd te verraden, wilde de pastoor eene gelofte voorwenden, die haar verbood, zich te ontsluieren, voordat Don Quichot haar tegen den valschen ridder recht had verschaft, en hij vertrouwde ten volle, dat het op die wijze gelukken zou, den krankzinnigen ridder naar zijne oude woonstee terug te brengen en hem daar geheel van zijne kwaal te genezen.

Den barbier kwam dit plan zoo goed voor, dat hij terstond op de uitvoering er van aandrong. Zij verzochten dus van de waardin een vrouwenkleed en een hoofdkap met toereikend dichten sluier ter leen en werden aan een en ander volgens hun wensch geholpen. De barbier echter maakte zich een ontzettenden baard van een roodbruinen ossestaart, waarin hij gewoonlijk zijn kam placht te steken. Op haar vragen vernam de herbergiersvrouw, waartoe deze verkleeding eigenlijk moest dienen, en nu begreep zij oogenblikkelijk, dat die gekke ridder haar gewezen gast en de heer van dien geplaagden schildknaap moest zijn. Zij vertelde den pastoor, wat toenmaals was voorgevallen, en verzweeg ook niet het geringste van wat Sancho Panza zoo zorgvuldig verborgen had gehouden.