Don Quichot van La Mancha

Chapter 6

Chapter 64,051 wordsPublic domain

"Neen, nu gaat dat niet meer," antwoordde Sancho, de schouders ophalend. "Daar gij niet wist, hoeveel geiten overgezet waren, raakte ik de kluts kwijt, en nu is mij de heele historie door het hoofd gegaan."

Don Quichot bromde wat, en beiden zwegen nu een tijdlang doodstil. Eindelijk echter, toen de hemel zich in het oosten begon te kleuren en de morgen aanbrak, oordeelde de ondeugende schildknaap het tijd, zijns meesters strijdhengst weer van zijne banden te ontdoen. Hij maakte den halsterriem behoedzaam los en legde dien zijn ezel aan.

Nauwelijks voelde Rocinante zich weer vrij, of zijn zelfgevoel scheen te ontwaken. Hij lichtte eenige malen zijne stijve voorpooten op en maakte eenige andere bewegingen. Dit hield Don Quichot voor een goed voorteeken en hij geloofde, dat het nu tijd was om het gevaarlijkste van alle avonturen te beginnen en te bestaan.

Middelerwijl werd het ten volle licht en zag de ridder, dat hij zich in een dicht boschje van kastanjeboomen bevond, welker groene takken het uitzicht beletten. Daar hij echter nog altijd dat schrikbarend stampen vernam, nam hij afscheid van Sancho Panza, herhaalde hem zijne vroegere aanwijzingen, gaf Rocinante de sporen en ging op weg, terwijl de schildknaap langzaam te voet achternakwam.

Toen zij nu vrij lang onder kastanjes en andere lommerrijke boomen waren voortgetrokken, kwamen zij op eene kleine weidevlakte, die te midden van hooge rotsen was gelegen, van welke een prachtige waterval zich in de diepte neerstortte. Aan den voet daarvan lagen eenige ellendige lage hutten, uit wier binnenste het dreunend stampen klonk, dat onze beide helden al zooveel schrik aangejaagd had. Rocinante werd erg schuw door het gebons, het geklapper en de slagen, die het aardrijk voortdurend deden schudden. Don Quichot bedwong nochtans zijn steigerend ros en reed voort, recht op de oorzaak van het schrikbarend geraas aan.

Sancho Panza hield zich dicht achter hem en loerde nu en dan tusschen Rocinantes pooten door, om de eigenlijke oorzaak van het vreeselijk rumoer, dat hem door merg en heenging, te vernemen.

Op eens hield Don Quichot zijn ros staande, want zie, de onschuldige oorzaak van het zoo geducht alarm, dat hen den halven nacht in onrust, vrees en spanning had gehouden, lag daar open en bloot voor hen. Dat waren namelijk de zes stampers van een pletmolen, die, door de kracht des waters gedreven, door hunne slagen den omliggenden grond in voortdurende trilling en schudding hielden.

Toen Don Quichot zich hiervan ten volle overtuigd had, werd hij bleek van teleurstelling en ergernis. Hij liet het hoofd op de borst zinken en schaamde zich zoo, dat hij liefst dadelijk in den grond zou zijn weggezonken. Sancho Panza daarentegen barstte in zulk een luid en schaterend lachen uit, dat hij zich onmogelijk op de been kon houden, maar als een meelzak neerplofte en zich in het gras rondwentelde van pleizier. Dit kluchtig gezicht verdreef eindelijk ook des ridders mismoedigheid, zoodat de diepe rimpels van zijn voorhoofd verdwenen en hij zelf hartelijk meelachen moest.

Zoodra Sancho Panza dit bemerkte, ontwaakte zijn overmoed en deed hem de vrijheid nemen met zijn heer den spot te drijven door alles, wat die in de verwachting van een groot gevaar tot hem gesproken had, onder schaterend lachen te herhalen. Deze bespotting verdreef nochtans weder de blijmoedige stemming van zijn heer en maakte dezen zoo verbolgen, dat hij zijne lans ophief en zijn schildknaap een paar slagen over de schouderbladen gaf, die aan zijn ondeugenden spotlust op eens een einde maakten. Hij stond op en nam zijne vroegere onderdanige en bescheiden houding weder aan.

"Vergeef mij, gestrenge heer," zeide hij; "ik gekte maar wat."

"Nu, al gekt gij, knaap, zoo houd ik toch niet van gekken," antwoordde de ridder. "Daar gij uwe straf nu reeds bekomen hebt, zal ik u uw onbehoorlijk gedrag echter voor ditmaal vergeven."

Intusschen begon het een weinig te regenen, en Sancho Panza betoonde grooten lust, een paar uren in den pletmolen te schuilen. Zijn meester had echter zulk een afkeer gekregen van het gebouw, dat hem op eene zoo belachelijke wijze gefopt had, dat hij voor Sancho's voorstel geen ooren had, maar zijn tocht onverwijld voortzette. Hij keerde zich rechts en kwam op een weg, dien hij tot hiertoe nog niet betreden had.

Het duurde niet lang, of hij kreeg een man te paard in het oog, die een blinkend ding op het hoofd droeg, dat in de hoogste mate Don Quichots aandacht trok. Zoodra hij het gezien had, keerde hij zich tot zijn schildknaap om en zeide:

"Sancho, het noodlot maakt alle teleurstelling goed, die ons zoo bitter heeft verdroten. Zie, daar komt ons een man te gemoet, die op zijn hoofd den helm van een hoogberoemden held, den ridder Mambrino, draagt."

"Als ge u maar niet vergist, gestrenge heer!" antwoordde Sancho Panza. "Wees niet al te voorbarig!"

"Gij schandelijke twijfelaar! Hoe zou ik mij op helderlichten dag zoo kunnen vergissen?" riep de ridder, wiens hoofd weer op hol begon te raken. "Ziet gij dien ridder op zijn appelschimmel niet? Ziet gij den gouden helm op zijn hoofd niet?"

"Och, ik met mijn dom verstand zie niets dan een man op een grauwen ezel, die veel van den mijnen heeft," was het koele antwoord. "Wel heeft hij een blinkend ding op zijn hoofd, dat ik niet recht onderscheiden kan; maar een helm is het zeker niet."

"Het is de helm van Mambrino, domkop!" schreeuwde Don Quichot. "Ga op zij, kerel, en laat mij met dien ridder alleen. Weldra zult gij zien, dat ik met hem kampen en den helm veroveren zal."

"En toch is het geen helm," bromde de schildknaap.

"Hondsvot, rekel, zwijg!" riep Don Quichot vol woede. "Als gij nog een woord spreekt, zweer ik u de ziel uit het lijf te beuken."

Door deze bedreiging verschrikt, vond Sancho 't maar het verstandigst, op zij te gaan en geen mond meer open te doen.

Er lagen daar in den omtrek twee dorpen, die te klein waren, om er ieder een eigen barbier op na te houden. Daarom bediende dan ook maar één scheerbaas beide plaatsen en ging op zijn grauwtje bij zijne verschillende klanten rond. Dit was ook heden weer het geval en, om zijn nieuwen hoed tegen de regendroppels te beschutten, had de goede man zijn geelkoperen scheerbekken daar bovenop gezet. Dat bekken, blank geschuurd, blonk van verre als een spiegel en werkte zoo levendig op des Dons ziekelijke verbeelding, dat alles, als gewoonlijk, in zijn oog eene herschepping onderging, dat hij een grauwen ezel voor een appelschimmel hield en een ridder met gouden helm zag, waar daar in werkelijkheid niets van bestond.

In zijne dolle verblinding stoof Don Quichot dan nu ook op den aan geen kwaad denkenden baardschrabber aan en richtte in vollen ren zijne lans op hem met het vaste voornemen, om hem met de scherpe punt zonder genade door en door te priemen. Eerst toen hij al heel dicht bij was, schreeuwde hij hem toe: "Verweer u, roover en dief! of sta af, wat u niet toekomt!"

De arme, verschrikte barbier wist geen ander middel om den dreigenden lansstoot te vermijden, dan dat hij zich maar terstond van den ezel liet vallen. Dit deed hij, en nauwelijks had hij met zijne volle lengte den bodem gemeten, of hij sprong weer op, nam, gelijk men dat noemt, zijne beenen onder den arm en zette het op een loopen met eene snelheid, dat een stormwind hem bezwaarlijk zou hebben ingehaald.

Don Quichot liet hem loopen, zonder aan eene vervolging te denken; want bij den val was den verschrikten barbier zijn bekken van het hoofd gevlogen en lag nu als goud in de zon te blinken. Don Quichot beval zijn schildknaap, den helm op te nemen, en Sancho Panza gehoorzaamde, terwijl hij zeide: "Waarachtig, een heel goed scheerbekken, en onder broeders zijne acht realen waard."

Met deze woorden reikte hij het bekken aan Don Quichot over, die het terstond op zijn hoofd zette en omdraaide, om het vizier te vinden. Wijl dit er nu niet was, vond hij het ook niet en zeide: "Die held Mambrino moet een geweldig dik en groot hoofd hebben! Jammer maar, dat de helft van den helm ontbreekt!"

Toen Sancho Panza zag, dat zijn meester nog altijd hardnekkig bij zijne verbeelding bleef, kon hij toch onmogelijk het lachen laten en proestte het hardop uit.

"Waarom lacht gij?" vroeg Don Quichot dadelijk.

"Ei," antwoordde de schildknaap, "ik lach, als ik mij den dikken kop voorstel, die onder dat barbiersbekken moet gezeten hebben."

"Sancho, gij spreekt onverstandig!" zeide de ridder op berispenden toon. "Ik wil u zeggen, hoe ik over dit wapenstuk denk. Stellig zeker is de helm eens door een of ander toeval in de handen van een mensch gekomen, die er den prijs niet van wist te waardeeren en, zonder te weten wat hij deed, de helft er van smolt, om er geld van te maken, maar de andere helft tot een ding misvormde, dat misschien wel wat op een barbiersbekken lijkt. Dat zal mij echter niet beletten hem in eere te houden, en zoodra wij bij eene smederij komen, wil ik hem zoo laten opknappen, dat hij zelfs den krijgshelm zal overtreffen, dien Vulcanus, de god der smeden, voor Mars, den oorlogsgod, vervaardigd heeft. Tot zoo lang wil ik hem dragen, gelijk hij is; want in allen gevalle is hij beter dan in 't geheel niets en kan hij mij desnoods tegen een steenworp dekken."

"Als die maar niet uit een slinger komt," merkte Sancho spotachtig aan. "Maar wat moet nu met het beest gebeuren, dat uw edelheid voor een appelschimmel gelieft te houden? Het is niet te denken, dat de eigenaar er van terugkomt, en, bij mijn baard, het is zoo kloek en krachtig, dat het mij bevallen zou, zelfs als 't mijn eigendom was."

"Gij moogt het u niet toeëigenen," antwoordde Don Quichot. "Het zou onedel zijn, een overwonnene te berooven. Laat daarom den appelschimmel stilletjes staan."

"Nu, als ik hem niet met huid en haar mag nemen, wil ik toch zijn zadeltuig voor mijn dier meepakken," mompelde Sancho Panza en ging dadelijk tot dezen ruil over, zonder dat zijn gestrenge meester daar iets tegen inbracht. Hij knapte nu zijn eigen ezel netjes op, zoodat hij er tienmaal fraaier dan vroeger uitzag, en volgde toen op een sukkeldrafje zijn heer, die reeds een tamelijk eind vooruit was. Rustig trokken zij nu met elkaar voort en lieten aan Rocinante over zijn eigen weg te zoeken. Rocinante bleef op den grooten rijweg, zeker omdat die hem de gemakkelijkste toescheen.

HOOFDSTUK X.

HOE DON QUICHOT EENIGE ONGELUKKIGEN IN VRIJHEID STELT EN WAT HEM VERDER OVERKOMT.

Ongeveer een uur waren onze beide helden, in vertrouwelijke gesprekken verdiept, huns weegs getrokken, toen Don Quichot toevallig zijne oogen opsloeg en van verre twaalf menschen zag aankomen, die aan handen en voeten met ijzeren kettingen geboeid schenen. Twee mannen met geweer en twee anderen met pieken en sabels gewapend gingen te voet bij hen aan. Hij maakte daar Sancho opmerkzaam op, en deze zeide: "Het is een koppel galeislaven, die tot dwangdienst voor den koning naar de haven worden geleid."

"Wat, tot dwangdienst?" riep Don Quichot verontwaardigd uit. "Doet de koning zelf zijnen onderdanen dwang en geweld aan?"

"Dat zeg ik niet," sprak Sancho. "Die menschen zijn boosdoeners, die tot straf voor hunne misdaden tot de galeien veroordeeld zijn."

"In allen gevalle gaan zij dus niet uit vrije verkiezing, maar gedwongen daarheen?"

"Ja, zoo is het," zeide Sancho.

"Welaan, ik zal mijn plicht doen en den ongelukkigen hulp en bijstand verleenen," sprak Don Quichot.

"Maar in 's hemels naam, bedenk toch, edele heer, dat de gerechtigheid, en dus in zeker opzicht de koning zelf, die menschen tot hunne straf heeft veroordeeld," riep Sancho angstig.

Don Quichot luisterde niet naar deze verstandige voorstelling, en de koppel galeiboeven kwam nader. De ridder wendde zich tot de wachters en verzocht die in beleefde bewoordingen wel zoo goed te willen zijn, de redenen op te geven, waarom zij die arme menschen geboeid meesleepten. Een der wachters antwoordde kortaf, dat het schelmen en gauwdieven waren, die naar de haven werden gebracht, en dat hij daar verder zijn nieuwsgierigen neus niet in had te steken.

Dit onheusche antwoord verdroot den dolenden held in hooge mate; maar toch hield hij zich nog in en vroeg beleefd: "Niettegenstaande dat wensch ik van ieder dezer menschen in het bijzonder de oorzaak van zijn ongeluk te vernemen, en ik hoop en vertrouw, dat gij, heeren, mij daarin niet hinderlijk zult zijn."

Lachend werd hem de gevraagde vergunning gegeven, en Don Quichot vroeg den eersten den besten van den troep, hoe hij in zijn ongelukkigen toestand was geraakt.

"Dat moogt gij gerust weten," antwoordde de kerel. "Kijk, ik was op een mand met schoon linnen verliefd geraakt en hield die zoo stevig gepakt, dat ik haar eerst losliet, toen de strenge hand van de politie mij daartoe dwong. Zij hielden mij vast, gaven mij een goed getelde honderd op den rug en nu brengen ze mij naar de galeien, om mij daar drie jaren lang vrij kost en logies te geven."

"En waarom zijt gij geboeid, vriend?" vroeg Don Quichot aan den tweeden uit den troep.

"Omdat ik een paar schapen heb gestolen en stom genoeg was schuld te bekennen. Dat was ezelachtig dom van mij; want ik had evengoed Neen kunnen zeggen."

"Dat is waar," zeide Don Quichot en vroeg den derden naar zijn vergrijp.

"Ik moet naar de galeien, omdat mij tien dukaten te kort kwamen, juist toen ik die noodig had," antwoordde de schelm.

Don Quichot vroeg verder, tot hij bij den laatsten van het edele gezelschap kwam. Dit was een kloek, knap man van om de dertig jaren, die geen ander gebrek had, dan dat hij wat heel erg scheel zag. Zijne boeien waren veel zwaarder dan die der overigen, en op zijne navraag vernam de ridder, dat hij wegens vele en zware misdaden tot levenslange galeistraf was veroordeeld. Hij heette Gines van Pasamonte en stond als de ergste en sluwste gauwdief van geheel Spanje te boek.

Nadat de edele ridder zoo van alles, wat hij weten wou, nauwkeurig onderricht was, wendde hij zich weer tot de wachters en zeide:

"Mijne heeren, ik bid u uiterst beleefd deze arme menschen zonder verwijl van hunne boeien te ontdoen en hen vrij en ongehinderd te laten gaan, waarheen 't hun goeddunkt. Zij hebben zich wel aan eenige kleine verkeerdheden schuldig gemaakt, maar daarom kunnen zij nog altijd goede en brave menschen zijn. Laat hen goedwillig los, zeg ik, of reken er op, dat ik u daar met deze lans en dit zwaard toe zal dwingen."

De wachters lachten hardop.

"Ge schijnt mij een rare snaak toe!" riep hun aanvoerder. "Maak, dat je wegkomt, zet je scheerbekken terecht en bemoei je voortaan niet met dingen, die je geen zier aangaan!"

"Gij vlegel, gij onbeschaamde rekel!" schreeuwde Don Quichot vol woede, en rende met zooveel geweld op den wachter in, dat deze geen tijd vond, om zich te weer te stellen, maar terstond op den grond lag. De lans was hem bijna midden door het lichaam gegaan. Een oogenblik stonden de overige wachters door deze koene daad als verbijsterd; maar toen rukten zij hunne zwaarden uit de scheeden, tastten naar hunne verdere wapens en keerden zich tegen Don Quichot, die hun aanval met veel koelbloedigheid afwachtte. Niettegenstaande dit zou het slecht met hem zijn afgeloopen, zoo niet de gevangenen zich dit plotseling ontstaan tumult hadden ten nutte gemaakt om hunne boeien te verbreken en zich in vrijheid te stellen. Het gevolg was, dat de wachters niet recht wisten, waarheen zij zich het eerst wenden moesten, en zich dus deels tegen Don Quichot verweerden, deels op de vluchtende gevangenen wierpen, en zoo met verdeelde krachten weinig konden uitrichten. Sancho maakte onderwijl de zware ketens van Gines van Pasamonte los. Zoodra deze handen en voeten vrij had, greep hij sabel en buks van den gevallen wachter op, welke laatste hij, zonder vuur te geven, nu op dezen dan op genen aanlegde. De dreigende houding van het geweer boezemde den wachters meer schrik in, dan al Don Quichots vechtkunst. Toen nu eindelijk de ontboeide gevangenen hen met een hagelbui van steenen begonnen te overstelpen, wisten zij geen raad meer en zochten hun eenige en laatste heil in de vlucht.

Hoe blij ook, dat zij hunne piek schuurden, kon Sancho Panza toch niet zonder bezorgdheid aan de mogelijke gevolgen van dit avontuur denken. Hij zocht zijn heer aan het verstand te brengen, dat de wachters ongetwijfeld dadelijk alarm maken, versterking halen en alsdan de misdadigers vervolgen zouden, waarom het maar het best zou zijn, dat zij beiden zich stilletjes uit de voeten maakten en de wijk naar het nabijgelegen gebergte namen.

"Zwijg stil!" voegde Don Quichot hem barsch toe. "Ik weet best, wat mij in dit roemrijk geval te doen staat."

Hij riep de galeiboeven in zijne nabijheid, deed hen een kring sluiten, hield eene lange toespraak en verlangde van hen, dat zij zich naar Toboso begeven en zijne schoone Dulcinea van hunne bevrijding bericht brengen zouden.

"Hoor, uwe edelheid," gaf Gines van Pasamonte in naam der overigen tot antwoord, "daar is geen denken aan, want als wij ons niet schielijk naar al de windstreken verstrooiden, zou men ons al gauw weer bij de lurven hebben gepakt. Heb overigens dank voor de ons bewezen goede diensten, en wees hiermee vriendelijk gegroet."

"Hoe is dat, ondankbare snoodaard?" vroeg Don Quichot ten hoogste verontwaardigd. "Zoo weigert gij dus den heiligen plicht der dankbaarheid te vervullen? Wacht, man, dan zal ik je toonen, met wien gij te doen hebt."

Gines van Pasamonte, die al van den beginne had gemerkt, dat het met het verstand van den edelen ridder niet recht in den haak moest wezen, wenkte zijne kameraden hem te volgen, en bracht hen een eind ver achteruit. Van daar, op veiligen afstand, deden de schelmen nu zulk een dichten regen van steenen op den grootmoedigen ridder en zijn schildknaap neerkletteren, dat de eerste zich moeielijk met zijn schild konde dekken, terwijl de laatste in aller ijl achter zijn ezel wegkroop. De bui duurde voort, tot eenige keisteenen den armen Don Quichot zoo gevoelig raakten, dat hij in den zadel waggelde en in zijne kletterende wapenrusting ter aarde stortte. Pas lag hij daar weerloos, of Gines van Pasamonte was bij hem, rukte hem het scheerbekken van het hoofd, bracht hem een paar moorddadige houwen toe en sloeg den zoogenaamden helm bijna in stukken. De overigen trokken hem den wapenrok, dien hij over het harnas droeg, uit en zouden hem ook zijn broek hebben ontstolen, indien de stevig vastgegespte dijplaten zijner rusting hun dat niet hadden belet. Sancho Panza moest insgelijks zijn bovenkleed afstaan en mocht blij zijn, dat men hem zijn wambuis liet, waarna de dievenbende zich links en rechts verstrooide, om niet weer opnieuw in de klauwen der straffende gerechtigheid te geraken.

Don Quichot en Rocinante benevens Sancho en zijn grauwtje bleven alleen op het slagveld achter. De ezel stond daar als in droefgeestig gepeins en schudde van tijd tot tijd zijne ooren, alsof 't hem verwonderde, dat de hagelbui, die ook hem niet weinig pijnlijk getroffen had, nu toch voorbij was. Rocinante lag bij zijn heer op den grond en stak al zijne vier pooten in de lucht. Sancho Panza beefde van angst en woede, en de edele ridder van La Mancha smeekte de wraak des hemels af over de schelmen en gauwdieven, die hem zoo schandelijk en verregaand ondankbaar behandeld hadden.

HOOFDSTUK XI.

SANCHO PANZA VERLIEST ZIJN EZEL EN DON QUICHOT SPEELT VOOR GEK.

Toen de edele ridder van La Mancha weer eenigermate van de werking der zware steenworpen bekomen was, sprak hij:

"Sancho Panza, altijd heb ik gehoord, dat men een nutteloos en vergeefsch werk doet, als men aan 't gemeene volk weldaden bewijst. Die schurkachtige gevangenen hebben mij met den snoodsten ondank beloond, en dit zal ons leeren ons nimmer weer met soortgelijk gespuis in te laten."

"Nu, ik wil hopen, dat gij eindelijk door schade en schande wijs wordt," antwoordde Sancho Panza. "Voorts is 't maar best, dat wij ons zoo spoedig mogelijk uit de voeten maken. De politie heeft voor dolende helden bitter weinig ontzag en zou, als zij u in handen kreeg, aan uwe ridderschap spoedig een treurig einde maken. Zie, dat gij weer op Rocinante komt, en laat ons vluchten."

"Gij zijt een bloodaard, Sancho! Toch wil ik voor ditmaal aan uw verlangen toegeven en mij in de Sierra Morena begeven, in de hoop, dat het ons daar geen dag aan avonturen ontbreken zal."

Sancho was van harte blij, dat hij zijn zin kreeg, en ging dadelijk zijn best doen om eerst Rocinante en toen ook zijn meester weer op de been te helpen. Gelukkig had hij zijn broodzak aan de handen der roofzuchtige spitsboeven weten te onttrekken en kon dus zich zelf en zijn heer een stevige hartsterking voorzetten. Hierop bestegen beiden hunne dieren en kwamen nog voor den donker midden in de Sierra Morena, waar zij in een eng rotsdal onder eenige zware, lommerrijke boomen hun nachtleger opsloegen.

Nauwelijks lagen onze twee helden daar vast in slaap, of hun ongelukkige gesternte wilde, dat de schelmachtige Gines van Pasamonte toevallig dienzelfden weg langs kwam. Uit vrees voor den straffenden arm der gerechtigheid was ook hij in de Sierra Morena zijn heil komen zoeken en, vooral ter wille van den ezel, niet weinig verheugd, hier zoo geheel onverwachts zijne beide bevrijders te vinden. Met alle omzichtigheid sloop hij nader, maakte zich van des schildknaaps langoor meester, ging daar op zitten en voerde zijn buit weg, zoo hard als het dier maar loopen wou. Den volgenden dag was hij reeds uren ver van de beroofde twee verwijderd.

De zon kwam zich tot verkwikking van al, wat leeft en ademt, boven de kim vertoonen, doch ditmaal niet tot blijdschap van den armen Sancho Panza, die door haar helder licht al spoedig onderricht werd van het zware verlies, dat hij in den loop van dien nacht geleden had. Hij vervulde de lucht met zijne jammerklachten en huilde zoo geweldig, dat ook zijn meester ontwaakte en naar de oorzaak van dat klaaglied vernam.

"Ach," lamenteerde de knaap, "ach, mijn grauwtje is weg, mijn hartelap, mijn suikerpop, de oogappel van mijn vrouw, de doorn in 't vleesch van al mijne buren, de steun van al mijne lasten!"

"Kom, kom, Sancho, bedaar, man!" trooste de ridder zijn weeklagenden dienaar; "gij zult voor den verloren ezel drie van de vijf hebben, die ik bij mij thuis op stal heb staan. Ik zal u daar een papier van geven en gij zult ze zelf halen. Nu kom en laat ons zorgen, dat wij dieper in het gebergte komen."

De goede Sancho trooste zich en dankte zijn meester voor de grootmoedige toezegging. Hierop braken zij op en vervolgden hunne reis.

Hoe dieper Don Quichot in de wilde bergstreek doordrong, des te meer verblijde zich zijne ziel, terwijl hij zich al de wonderbare daden en avonturen voor den geest riep, welke dolende ridders vóór hem in zulke woestijnen en wildernissen volvoerd en beleefd hadden. Hij verzonk zoo diep in gepeins, dat hij geen woord sprak en de tijd den armen Sancho, die pruttelend achter hem aan sjokte, danig lang begon te vallen. Hij had bijster gaarne eens een woordje gepraat, doch waagde niet een gesprek aan te vangen uit vrees, dat hij zijn heer hierdoor beleedigen zou. Ten laatste werd het hem echter toch al te erg en besloot hij, op elk gevaar af, aan dat vervelende zwijgen een einde te maken.

"Heer," begon hij, "ik verzoek u dringend, mij mijn afscheid te geven en stilletjes naar huis te laten terugkeeren. Thuis kan ik althans met vrouw en kinderen praten, als ik daar lust toe voel; maar hier in de wildernis moet ik als een gek achter Rocinante aansukkelen en krijg geen woord te hooren, en dat noem ik dood wezen bij levenden lijve."

"Sancho Panza," antwoordde de ridder, "daar is raad voor, want weet, dat ik juist van plan ben, eene daad te verrichten, die mij tot den beroemdsten ridder moet maken, dien de aardbodem ooit gedragen heeft. En daartoe heb ik uwe medewerking noodig."

"Is er gevaar bij, heer ridder?" vroeg Sancho Panza.

"Neen; met gevaar is de daad niet verbonden. Echter hangt alles van uwe werkzaamheid af."

"Van mijne werkzaamheid?" vroeg Sancho verwonderd.