Chapter 5
Zonder het antwoord van zijn schildknaap af te wachten, drukte hij Rocinante de sporen in de ribben en stoof met gevelde lans pijlsnel den heuvel af. Sancho schreeuwde hem wel na: "Blijf, blijf, heer! Zoo waar ik een zondig mensch ben, 't zijn enkel hamels en schapen, waarop gij instormt!" Maar Don Quichot luisterde niet naar zijne stem.
Onder wild krijgsgeschreeuw drong hij tot midden in de kudde schapen door en deelde rechts en links zulke verwoede houwen en steken uit, alsof de onnoozele schepsels zijne ergste vijanden waren. De herders en drijvers riepen hem toe, dat hij met zijne dwaasheid toch ophouden zou. Daar zij echter zagen, dat Don Quichot naar geen vermaning luisterde, maar zich steeds doller en wilder aanstelde, namen zij hunne slingers in de hand en wierpen steenen van een vuist dik naar hem. Een tijdlang deden die den dolleman geen letsel. De keien gonsden hem om de ooren, maar troffen hem niet. Eindelijk echter raakte een zware kei hem met zooveel geweld in de zijde, dat twee van zijne ribben werden gebroken en de ridder niet anders meende, dan dat zijn laatste uur gekomen was. Nu echter dacht hij aan zijn wonderdrank, zette dien aan de lippen en dronk er met gretige teugen van. Op datzelfde oogenblik kwam een tweede steen aangevlogen en richtte nog veel erger schade aan. Hij verbrijzelde de flesch met het kooksel en verlamde des ridders hand, sloeg hem drie of vier tanden uit den mond en schramde deerlijk zijne wang. De worp was zoo krachtig, dat Don Quichot zich niet meer in den zadel kon houden, maar als een blok van het paard op den grond plofte. De herders schoten nu ijlings toe, en daar zij meenen moesten, dat zij den onmachtige hadden omgebracht, dreven zij met den meest mogelijken spoed hunne verstrooide kudden weer bijeen, pakten de doode hamels, ten getale van zeven, op hunne schouders en lieten den schijnbaar levenloozen Don Quichot aan zijn lot over.
Sancho Panza was al dien tijd radeloos op den heuvel blijven staan, waar hij de dolheden van zijn heer aanzag, zich de haren uit den baard rukte en het uur verwenschte, dat hem met den ongelukkigen dolenden ridder in kennis had gebracht. Toen hij echter zag, dat de herders opbraken en zijn meester alleen op het slagveld achterbleef, ging hij naar hem toe en vond hem, schoon deerlijk gekneusd en gehavend, toch weer half bij zijne bezinning.
"Nu," vroeg hij, "heb ik u niet gezegd, dat gij eene kudde wolvee voor een krijgsleger aanzaagt? Had ik niet gelijk, toen ik u waarschuwde?"
"Sancho, gij zijt een ezel," antwoordde Don Quichot. "Merkt gij dan niet, dat een arglistige toovenaar al de ridders in hamels heeft veranderd? Hij deed dat, om mij te ergeren, en omdat de schurk mij de daden benijdde, die ik zou hebben uitgevoerd. Overtuig u hiervan, Sancho, door de vermeende kudde na te rijden. Dan zult gij spoedig zien, dat de betoovering verdwijnt en de ridders zich weer in hunne natuurlijke gedaante vertoonen. Vooreerst kunt gij daarmee nog wel wat wachten, want ik heb dringend uw hulp en bijstand noodig. Kijk nu maar eerst eens in mijn mond en zeg mij, hoe veel tanden mij zijn uitgeslagen. Ik zou zeggen, dat ik geen een meer heb overgehouden."
Vol ijver boog de schildknaap zich zoo dicht over den ridder, die den mond opendeed, neer, dat zijn neus bijna tusschen diens tanden verdween. Op dit oogenblik begon echter de ingezwolgen drank te werken, en terwijl Sancho in den mond keek, gaf de lijder op eens al wat hij in de maag had over en overstroomde daar den baard van zijn armen, meewarigen schildknaap mee. Deze schrikte, daar hij het hem overstelpend vocht in den beginne voor bloed hield; doch spoedig merkte bij, wat het was, en kreeg zulk een gevoel van walging, dat hij wel genoodzaakt was zijn gestrengen heer hetzelfde te doen, wat deze hem had gedaan.
De arme Sancho schudde zich als een natte poedelhond, maar was toen met een sprong op de been en liep naar zijn ezel, om uit den knapzak het een of ander te halen, waarmee hij zichzelf en zijn meester weer schoonmaken kon. Daar echter ontdekte hij, dat zijn knapzak verdwenen was, wat hem opnieuw zijn noodlot deed verwenschen, dat hem aan zulk een dolzinnigen heer gebonden had.
Toen hij nog stond te klagen en te lamenteeren, kwam Don Quichot met moeite weer overeind, onderzocht met de linkerhand den toestand van zijn mond, greep met de rechter Rocinante bij den teugel en sleepte zich voort naar zijn schildknaap, die nu bedrukt op zijn grauwtje stond te leunen en in diepe gedachten voor zich neerkeek.
"Sancho Panza," sprak de edele ridder, "gij zijt bedroefd om de wederwaardigheden, die mij en dus u ook getroffen hebben. Maar klaag niet en treur niet, want op regen volgt zonneschijn, en 't zal spoedig beter met ons gaan."
"Och wat!" bromde Sancho. "'t Lijkt wat naar zonneschijn! Gisteren gefopt en vandaag zonder knapzak, daar moet een mensch wel tureluursch onder worden."
"Wat!" riep de ridder, "de knapzak weg?"
"Nergens te vinden," antwoordde Sancho.
"Maar dan hebben we ook niets meer te eten."
"Geen sikkepitje," zei de schildknaap; "of we moeten het gras en de kruiden kauwen, die de schapen overlieten."
"Dat alles zal zich wel schikken," troostte Don Quichot; "maar kijk nu eens naar mijne kakebeenen en vertel, hoeveel tanden ik ben kwijtgeraakt. Ik voel een moorddadige pijn op de plaats, waar ze vroeger plachten te zitten."
Sancho stak Don Quichot den vinger in den mond, tastte en voelde en vroeg: "Hoeveel kiezen hebt gij vroeger aan dezen kant gehad, gestrenge heer?"
"Vier, buiten de verstandskies, en alle vier gaaf en gezond."
"Heer," antwoordde Sancho, "bedenk wel, wat gij zegt."
"Vier zijn er geweest, zoo niet vijf," betuigde Don Quichot opnieuw.
"Nu, dan moet ik zeggen, dat ge er leelijk zijt afgekomen," zeide de schildknaap; "want aan deze zijde hebt gij beneden nog maar twee en een halven tand en boven geen een meer: daar is alles glad weggeschoren."
"Ongelukkige, die ik ben!" riep Don Quichot bij dit bericht bedroefd uit. "Hadden ze mij toch maar liever den linkerarm afgehouwen! Een mond zonder tanden is als een molen zonder maalsteen, en een tand is meer waard dan een diamant. Maar zoo gaat het den ridders, die zich voor het heil der menschheid opofferen! Wee mij armen, ongelukkigen, dolenden held!"
"Heer," zeide Sancho Panza, na dat gejammer een poosje geduldig te hebben aangehoord, "heer, ik zou zeggen, dat ge nu lang genoeg gelamenteerd hebt. Stijg te paard en laat ons eene herberg opzoeken, want ik blaf van honger."
Don Quichot vermande zich en besteeg al zuchtend en kreunend Rocinante. "Rij voorop, vriend," beval hij den schildknaap. "Ik wil den weg volgen, dien gij inslaan zult."
Dit liet zich Sancho geen tweemaal zeggen, maar in de hoop van spoedig eene herberg te zullen vinden draafde hij moedig op den breeden landweg voort. 't Begon evenwel donker te worden, en geen gastvrij dak vertoonde zich. Desniettegenstaande werd nergens rust gehouden, want heer en knecht werden door een razenden honger geplaagd, en zij hoopten nog altijd eene herberg te vinden. Toen echter wachtte hen een avontuur, als nog geen van beiden ooit beleefd had.
De nacht was pikdonker geworden en treurig reden de beide helden op den weg voort, toen zij op eens eene groote menigte lichten zagen flikkeren, die als dwalende sterren uit de verte op hen toekwamen. Sancho Panza werd bleek, en ook Don Quichots hart bonsde hoorbaar tegen zijne gekneusde ribben. Beiden hielden hunne dieren staande en staarden op de lichten, die van minuut tot minuut grooter en schitterender werden. Sancho Panza beefde als een riet, en den dapperen ridder begonnen de haren te berge te rijzen. Echter toonde hij zich moedig en sprak:
"Sancho Panza, hier moet ik al mijne kracht en mijn moed te hulp roepen, want dit is zonder twijfel een dreigend en gevaarvol avontuur."
"O wee, o wee!" zuchtte Sancho. "Daar komen weer reuzen en gedrochten, en op mijn armen rug, die toch al bont en blauw gebeukt is, zal 't opnieuw weer slagen regenen."
"Geloof dat niet," antwoordde Don Quichot. "Al zijn 't ook nog zulke grimmige geesten en spoken, ze zullen u met hand noch vinger aanraken, daar ik u beschermen zal. Hier zijn wij op het open veld, waar ik onbelemmerd mijn scherp zwaard kan gebruiken."
"Ik wil mij goed zoeken te houden," zei Sancho Panza, hield zich dicht achter zijn heer en keek met gespannen opmerkzaamheid naar de lichten uit, om te ontdekken, hoe het daar eigenlijk mee gelegen was.
Zij onderscheidden voor en na eene menigte gedaanten in witte hemden, die den armen Sancho Panza het verschrikkelijkste toeschenen, dat zijne oogen ooit nog op aarde hadden aanschouwd. Hij trilde en beefde, en zijne tanden klapperden, alsof hij eene zware koude koorts had.
Toen de lichten nog nader kwamen, zagen zij bij de twintig mannen in lange, slepende tabbaarden. Zij zaten op paarden, droegen fakkels in de handen en hunne gezichten schenen spookachtig bleek. Achter hen kwam eene met een zwart laken overdekte baar, en op deze volgden zes andere ruiters, die, evenals de eersten, van het hoofd tot de voeten in lange, donkere rouwgewaden staken. Dezen zaten echter niet te paard, maar op muildieren, gelijk uit den zachten en bedaarden stap dezer dieren gemakkelijk was op te maken. Met doffe stem mompelden alle mannen onverstaanbare woorden, die wel bezweringen schenen en het hart van ridder en knecht met schrik vervulden. Daarbij het late uur, de donkere nacht en de lijkbaar,--dit een en ander had ook den dapperste kunnen verbijsteren en beangstigen.
Sancho Panza was halfdood van schrik en ontzetting; doch bij Don Quichot begon de verbeelding reeds weer te werken en spiegelde hem de zonderlingste avonturen voor. Hij geloofde, dat men op de baar een zwaar gekwetsten of wel dooden ridder wegdroeg, en dat de hemel hem opzettelijk tot diens bloedwreker had uitverkoren.
Zonder aarzelen omklemde hij dan ook zijne lans en stelde zich midden op den weg dreigend in postuur, om den geheimzinnigen trein op te wachten. Toen die tot op korten afstand genaderd was, verhief hij zijne stem en sprak:
"Halt! Staat, gij ridders en edelen, en zegt zonder dralen, wie gij zijt, waarheen gij gaat, van waar gij komt en wie de ridder is, wiens lijk gij daar op die baar medevoert. Gij hebt òf kwaad gedaan óf kwaad geleden, en ik moet dit weten, om daarnaar mijne maatregelen te nemen."
"Heer ridder," gaf een der mannen tot antwoord, "houd ons niet op, want wij hebben haast en mogen geen tijd verliezen met u uitvoerig rekenschap van ons doen en laten te geven."
Met deze woorden dreef hij zijn muildier aan en wilde doorrijden; maar Don Quichot gevoelde zich door dit korte bescheid in dier voege beleedigd, dat hij het dier bij den teugel greep en luid en dreigend riep: "Houd stil en leg rekenschap af! Zoo niet, dan zal ik u en al de uwen bloedig tuchtigen en kastijden."
Het muildier van den aldus bedreigden ruiter werd schuw, sprong op zij, steigerde hoog op en sloeg ruggelings achterover. Een knaap die er te voet bij liep, zag den val en begon op Don Quichot te schimpen. Dat kon deze niet dulden en de kamp begon. De ridder velde de lans, viel op een der mannen in het zwart aan en deed hem gewond van het paard tuimelen. Hierop keerde hij zich tegen de overigen. Met waarlijk verbazende vlugheid en behendigheid hieuw hij op de menschen in en 't scheen wel, dat Rocinante vleugels had gekregen, zoo licht en snel galoppeerde hij over het slagveld heen en weer.
De mannen in de witte en zwarte kleederen toonden al zeer weinig hart in het lijf te hebben en gedroegen zich jammerlijk lafhartig. Don Quichot dreef hen met weinig moeite op de vlucht, joeg hen met hunne vlammende fakkels over het veld heen en deed hen zich naar alle kanten verstrooien. Sommigen der mannen konden zich wegens de lengte hunner rouwkleeren nauwelijks bewegen, en op dezen hakte de verwoede ridder, zonder eenigen weerstand te vinden, zoo lang in, totdat zij hunne mantels wegwierpen en insgelijks de vlucht namen. De arme sukkels meenden, dat de duivel zelf hun op de hielen zat, en kruisten zich al hun best.
Sancho Panza zag dit schouwspel met de grootste verbazing aan. Hij was over de stoutheid en dapperheid van zijn gebieder ten hoogste verwonderd en begon bijna te gelooven, dat Don Quichot werkelijk de machtige en geweldige held was, waarvoor hij zich uitgaf.
Don Quichot greep eindelijk een der brandende fakkels, die in menigte op den grond lagen, en lichtte in het rond, of hij ook nog een vijand ontdekken kon. Hij bemerkte niemand dan den ruiter, die onder zijn muildier was geraakt, zette hem de punt zijner lans op de borst en gebood hem zich over te geven, als hij niet oogenblikkelijk een man des doods wilde zijn.
"Ach, heer ridder," stotterde de beangstigde man, "ik ben, gelijk gij ziet, onderdanig genoeg en smeek u ootmoedig om mijn beetje leven. Ik geloof, dat ik een been heb gebroken, want ik kan geen lid verroeren. Breng mij dus ook maar niet om, als gij een christelijk ridder zijt. Weet, dat ik tot den geestelijken stand behoor. Gij zoudt eene gruwelijke daad begaan door de hand aan een dienaar van de kerk te slaan."
"Maar, bij mijn zwaard," schreeuwde Don Quichot, "als gij werkelijk een geestelijke zijt, wat heeft u dan midden in den nacht hier op den grooten weg gebracht?"
"Mijn ongelukkig gesternte, heer ridder," antwoordde de gevallene.
"En dat zal u het leven kosten, als gij mij niet dadelijk antwoord op mijne eerste vraag geeft," riep Don Quichot.
"Ach, ik wil gaarne alles zeggen," antwoordde de man. "Ik en de twaalf andere priesters, die allen gevlucht zijn, komen uit de stad Baeza, en wij dachten ons naar Segovia te begeven, om het lijk van den ridder, dat daar op de baar ligt, naar zijn eigen grafkelder te begeleiden."
"Wie heeft dien ridder omgebracht?" vroeg Don Quichot op barschen toon.
"Hij is zijn natuurlijken dood gestorven ten gevolge van eene heete koorts," was het antwoord.
"Nu, dan heb ik niet de moeite te nemen om hem te wreken," sprak de dappere dolende held. "Weet dan nu, eerwaardige heer, dat ik de hoogvermaarde en machtige ridder Don Quichot van La Mancha ben, en dat mijne roeping is de wereld te doorkruisen, om alle onrecht te keer te gaan, het kromme recht te maken en de lijdende, onderdrukte menschheid te hulp te komen."
"Ei, heer ridder," antwoordde de geestelijke, "bij mij is u dat niet gelukt, want gij hebt veeleer het rechte krom gemaakt, gelijk mijn gebroken been u duidelijk kan bewijzen."
"Dat doet mij leed om uwentwil," betuigde de ridder; "doch gij hebt dit ongeluk aan uzelf te wijten. Waarom gaaft gij mij niet terstond behoorlijk antwoord op mijne vraag?"
"Daar het nu toch niet te veranderen is, wil ik mij in mijn lot zoeken te troosten," zuchtte de geestelijke. "Maar, heer ridder, wilt gij mij eene gunst en weldaad bewijzen, help mij dan van onder mijn muildier weg. Een van mijne beenen zit nog tusschen zadel en stijgbeugel vastgeklemd."
"Waarom hebt gij dat niet terstond gezegd, eerwaardige heer?" riep Don Quichot. "Wacht, gij zult zonder uitstel geholpen worden."
Hij wenkte Sancho Panza nader te komen; doch deze maakte bitter weinig haast, daar hij juist bezig was, een met proviand zwaar beladen ezel, dien de geestelijke heeren bij zich hadden, van zijn vracht te bevrijden en die op zijn eigen grauwtje over te brengen. Eerst toen hij dit werk volbracht had en zich toereikend van mondvoorraad voorzien zag, kwam hij zijn meester te hulp en haalde den geestelijke onder het muildier weg. Dit richtte zich nu vanzelf op, en de geestelijke heer werd er op geholpen. Voordat hij wegreed, verzocht Don Quichot hem, zijne broeders weder bijeen te roepen en hun in zijn naam vergiffenis te vragen voor het kwaad, dat hij hun bij vergissing had aangedaan. En Sancho Panza voegde er bij:
"En als uwe vrienden weten willen, wie hen zoo deerlijk toegetakeld heeft, zeg hun dan, dat het Don Quichot van La Mancha, de Ridder van de Droevige Figuur, is geweest."
Hierop reed de geestelijke weg, en nu vroeg Don Quichot zijn schildknaap, hoe die er toe gekomen was, hem den Ridder van de Droevige Figuur te noemen.
"Dat zal ik u zeggen, gestrenge heer," zeide Sancho Panza. "Kijk, toen ik u bij het licht van de fakkels zoo eens terdeeg goed bekeek, moest ik bij mijzelf zeggen, dat gij wezenlijk de jammerlijkste en droevigste figuur zijt, die ik nog ooit van mijn leven gezien heb. Dat komt denkelijk wel van het gevecht, waarin gij veel moet geleden hebben, of misschien ligt het ook daaraan, dat gij zoo'n geduchte vracht kiezen en tanden zijt kwijtgeraakt."
"Neen, dat is het zeker niet," antwoordde Don Quichot. "Maar wat ook de reden mag wezen, ik wil den bijnaam, die u toevallig in den mond kwam, behouden en mij ten eeuwige dage den Ridder van de Droevige Figuur noemen. Om dien naam met volle recht te dragen, wil ik eene recht treurige figuur op mijn schild laten schilderen."
"Die kosten kunt gij sparen, heer ridder," zei Sancho Panza. "Als gij maar uwe eigene figuur laat zien, kunt gij verzekerd wezen, dat de heele wereld u dadelijk voor den Ridder van de Droevige Figuur zal houden. Twijfel niet aan mijn zeggen, want ik verzeker u, dat de honger en 't verlies van die tanden u zoo'n jammerlijk aanzien gegeven hebben, als men zich met mogelijkheid verbeelden kan.
Don Quichot lachte om Sancho's dol zeggen, maar bleef er toch bij, dat hij dien bijnaam aannemen wou en op zijn schild eene droevige figuur doen schilderen. Sancho liet hem nochtans geen tijd, om daar lang over na te denken, maar drong er op aan, dat men de reis zonder tijdverlies voortzetten zou.
HOOFDSTUK IX.
DE MOLEN.
't Was reeds helderlichte dag geworden, toen de ridder en zijn dienaar door een engen hollen weg in een afgelegen, vrij uitgestrekt dal uitkwamen. Zij stapten hier van hunne vermoeide dieren, vergastten zich op den voorraad, die Sancho van de monniken had meegepakt, en voelden er zich zoo wel, dat zij den ganschen dag en een deel van den volgenden nacht op die plaats bleven uitrusten. Den daarop volgenden morgen echter, lang voordat het licht aan den hemel kwam, braken zij weer op, leidden hunne dieren bij den teugel, om er in de donkerheid niet mee te struikelen, en vervolgden zoo behoedzaam hun weg. De hen omringende duisternis was zoo groot, dat zij nauwelijks twee passen ver zien konden.
Zij waren nog niet ver, toen op eens een geweldig klateren en klotsen als van neerstortende wateren, in hun oor drong. Dit gedruis ging gepaard met een vreemd gedreun, dat den armen schildknaap, die nu eenmaal van de natuur het hart van een haas had gekregen, met schrik en ontzetting vervulde. Zij hoorden namelijk regelmatige, doffe slagen, met geluiden als het rammelen van ijzeren kettingen vermengd. Daarbij was de nacht pikdonker, en in de bladeren der boomen ruischte de wind, die akelig langs de naaste rotswanden huilde en gierde. De eenzaamheid, de woeste streek, de donkerheid, het ruischen van het water, het loeien van den wind, dat alles vereenigde zich met dat voortdurend, schrikbarend bonzen en stampen, om onze helden het hart in de borst te doen trillen. Zooals gezegd is, sidderde Sancho Panza dan ook als een popelblad; maar Don Quichot bleef onverschrokken, besteeg Rocinante, greep lans en schild en sprak:
"Sancho Panza, de hemel heeft mij tot groote daden geroepen, gelijk nu weer uit het nieuwe, schrikbarende avontuur, dat ik manhaftig te gemoet zal gaan, ten duidelijkste schijnt te blijken. Haal mij dus den zadelriem wat vaster aan, trouwe vriend, en blijf dan hier op de plaats, om mij drie dagen te wachten. Als ik binnen dien tijd niet hier terug ben, trek dan naar onze woonplaats en doe aan mijne gebiederesse, de edele Dulcinea van Toboso, kond en te weten, dat haar ridder bij de vervulling zijner plichten als dolend held, onder het volvoeren van grootsche en verheven daden bezweken is."
Deze toespraak van zijn heer bewoog Sancho Panza tot schreiens toe, en hij peinsde op een middel, om den edelen Don Quichot aan den zekeren dood te ontrukken. Terwijl hij het paard den gordel vaster om het lijf gespte, sloeg hij den halsterriem van zijn ezel vlug en ongemerkt om Rocinantes voorpooten heen, zoodat Don Quichot met zijn ros bezwaarlijk van de plaats kon komen. De ridder gaf nu werkelijk het dier de sporen, doch dat wipte slechts een paar malen op en bleef toen onbeweeglijk staan.
Ziende, dat zijne list gelukt was, sprak Sancho:
"Heer ridder, de hemel zelf verlangt door teekens en wonderen, dat gij u niet in gevaar zult storten. Hij heeft Rocinantes ledematen verlamd, zoodat hij zoo stijf als een stok is, en als gij nu toch het arme dier woudt slaan en aansporen, zou het u niet baten en gij zoudt geen stap verder voortkomen."
Don Quichot was razend van ongeduld. Hij luisterde heel niet naar Sancho's woorden, maar hieuw en stak als dol op het arme beest los, zonder daardoor iets anders dan een paar vruchtelooze sprongen van het gebonden dier gedaan te kunnen krijgen. Eindelijk moest hij alle verdere pogingen opgeven. Zonder op de gedachte te komen, dat Rocinante door een uitwendig middel gebonden kon zijn, besloot hij, zich voorloopig tevreden te stellen en den morgen af te wachten, wanneer, naar hij hoopte, Rocinante wel weer vanzelf in beweging zou komen. Hij gaf dit besluit aan Sancho te kennen, maar kon toch wel bijna gehuild hebben van ongeduld.
"Troost u, gestrenge heer," voegde zijn guitachtige schildknaap hem op deelnemenden toon toe, "troost u, want ik wil u, tot de dag komt, een aardige historie vertellen, als gij niet liever uit den zadel wilt komen en tot het aanbreken van den dag nog eene zoete rust genieten."
"Neen, ik zal niet afstijgen en slapen," verklaarde Don Quichot; "maar wel zal ik met genoegen uwe geschiedenis aanhooren."
"Goed, gestrenge heer," zeide Sancho. "Luister dan goed toe en val mij vooral niet in de rede, want dat is een ding, dat ik volstrekt niet dulden kan."
"In een dorp van Estramadura was eens een geitenherder, dat wil zeggen een man, die geiten hoedde, en deze geitenherder of man, die geiten hoedde, van wien mijne geschiedenis vertelt, heette Lope Ruiz."
"Hoor, Sancho, als ge zoo omslachtig blijft voortvertellen, zullen we uwe geschiedenis niet voor het einde van de wereld te hooren krijgen," viel de ridder hem verdrietig in de rede. "Spreek als een verstandig mensch, of houd liever den mond dicht."
"Goed, goed, heer!" riep Sancho Panza en vertelde verder.
"Deze geitenherder dan nu, die Lope Ruiz heette, ging op een goeden dag met zijne kudde uit en kwam aan een breeden stroom, dien hij met de geiten niet doorwaden kon. En daarom keek hij dus naar een veerman om en ontdekte al spoedig een visscher, die aanbood zijne driehonderd geiten op den anderen oever te brengen. Hij stapte in zijne boot, nam een geit mee en bracht haar naar de overzij. Hierop kwam hij terug, nam weer eene geit en bracht haar ook over.--En nu, gestrenge heer, tel nu goed al de geiten, die de visscher overzette, want als ge er ook maar één van vergeet, dan is mijn historie uit en kan ik met den besten wil niet verder vertellen. Hoor nu.--De gindsche oever van de rivier, waarover de geiten gebracht moesten worden, was buitengewoon glad en glibberig, en de visscher had dus veel tijd noodig, om al de geiten over te krijgen. Evenwel voer hij heen en terug en bracht nog eene geit naar de overzij."
"Maar, domme kerel," riep Don Quichot ongeduldig en verdrietig, "neem dan gerust aan, dat al de geiten zijn, waar ze wezen moeten, en vertel dan verder."
"Ja, dat gaat niet," antwoordde Sancho. "Hoeveel geiten zijn er nu over?"
"Hoe drommel, weet ik dat?" riep de ridder.
"Daar hebben we 't al!" zeide Sancho Panza. "Nu is mijn vertelsel uit en ik kan er onmogelijk het slot van vinden. Waarom hebt gij de geiten dan ook niet beter geteld?"
"Maar, goede hemel, wat heeft het getal der overgezette geiten dan toch eigenlijk met uwe geschiedenis te doen? Vertel maar verder."